Het strafrecht is niet alleen bedacht om boeven achter de tralies te krijgen.
Recht is er ook om burgers en boeren te beschermen tegen de overheid, tegen willekeur en wanen van de dag.
Daarom hebben verdachten ook rechten en de overheid – politie en justitie in dit strafrechtgeval – plichten.

Ik denk dat Leo (50) daar het zijne van zal denken.
Dat hij zal denken, ja, ja, dat zal wel.
Maandag zat Leo niet alleen met de armen over elkaar – stevig tegen de borst gedrukt – maar ook met kromme tenen in de verdachtenbank van zittingszaal 14.

Op 16 augustus 2008 – de Olympische Spelen in Peking zijn volop gaande – doet zich iets naars voor in Stadskanaal.
Op een smal bruggetje in het recreatiegebied Pagedal.
Op die dag is daar een feestje: Beach Party 2008.

Leo zou de dader van dat naars zijn.
In december van 2008 wordt hij door de politie gehoord.
Hij zegt, ja, dat is inderdaad naar.
En ook dat hij van niets weet.
Maar dat hij zich als medeorganisator van het feestje wel verantwoordelijk voelt.

Na het politieverhoor in december 2008 wordt het stil.
Tot een paar weken geleden.
Dan valt er bij Leo thuis een dagvaarding op de mat. Hij is verdachte en moet op maandag 6 september 2010 terechtstaan op verdenking van artikel 302, lid 1, wetboek van strafrecht: zware mishandeling.
Daar kun je maximaal acht jaar cel voor krijgen.

De officier van justitie zegt dat ze ook niet kan uitleggen waarom het zo lang heeft geduurd. Dat het haar een lief ding waard was geweest dat deze zaak eerder op zitting was aangebracht.
In plaats van ruim twee jaar na dato.

De rechters knikken.
Twee jaar na dato is inderdaad lang.
Maar, zegt de officier van justitie, ook weer niet zo lang dat er redelijke termijnen zijn overschreden die met zich meebrengen dat justitie het recht op vervolging heeft verspeeld.

De rechters blijven knikken.
Ze accepteren dat justitie geen tekst en uitleg kan geven.
Zo kritisch rechters in hun zoektocht naar de waarheid een verdachte kunnen ondervragen, zo weinig kritisch zijn de magistraten doorgaans onderling.
Rechters stellen zelden – althans niet in de openbare rechtszaal – kritische vragen aan justitie.

Leo heeft geen advocaat.
Was geen tijd meer voor.
Hij is al blij dat hij, kort voor de zitting, zijn eigen strafdossier heeft weten te bemachtigen.
Justitie wilde dat aanvankelijk niet afstaan, omdat dossiers nooit aan verdachten worden gegeven.
Dossiers gaan naar advocaten.
De officier van justitie: ‘En Leo had geen advocaat.’
Leo: ‘Irritant.’
De rechters: geen speld tussen te krijgen.

Leo had het slachtoffer bezocht, wat onhandig de schade proberen te regelen en ook een fruitmand laten bezorgen.
De rechters vinden dat maar gek, dus dat wel.
Ze vragen: ‘Waarom neemt u de verantwoordelijkheid voor iets waarvan u niet zeker weet of u het heeft gedaan?’

Leo: ‘Dat is een beetje de rechter in mijzelf. Ik had er geen goed gevoel bij. Het knaagt ook wel aan me. En voor het meisje vind ik het heel vervelend.’

Leo had als medeorganisator van het strandfeest een busje gehuurd waarmee hij af en aan reed.
Omdat er een podium moest komen en andere feestattributen.
Om af en aan te kunnen rijden, moest hij heen en weer over een smal bruggetje rijden.
Met dat busje kon dat net.

Er liepen drie meisjes over het bruggetje.
Het buis je komt er aan.
Busje stopt.
Chauffeur gebaart dat de meisjes aan de kant moeten.
Dat doen de meisjes.
Busje trekt op.
Een raakte een van de meisjes.
En wel zo dat het busje over de tenen van dit meisje rijdt en zij vervolgens akelig klem komt te zitten tussen de auto en de reling van het smalle bruggetje.

Het busje rijdt door.
Als Leo de volgende dag het voertuig inlevert bij de verhuurder, krijgt hij te horen dat het busje betrokken is geweest bij een aanrijding.
Leo gaat naar de politie en vraagt wat er aan de hand is.
Zo hoort hij het.

Rechters: ‘U heeft dus van die aanrijding niets gemerkt.’
Leo: ‘Nee, niets van meegekregen.’
Rechters: ‘Dat is toch gek.’
Leo: ‘Ik ben niet de enige die die dag in dat busje heeft gereden. Misschien was het iemand anders.’
Rechters: ‘Daarover lezen we niets in het dossier.’
Leo: ‘Maar het zou wel kunnen.’

Er zijn getuigen.
Een van hen zegt dat ze Leo als chauffeur heeft herkend.
Leo: ‘Ik heb het ongeluk niet meegemaakt.’
Rechters: ‘Had u gedronken die dag?
Leo: ‘Veel koffie.’
Rechters: ‘Kom op, u weet best wat wij bedoelen met zo’n vraag.’
Leo: ‘Nee. Niet gedronken.’

De officier van justitie zegt dat het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel heeft bekomen.
Een breuk van het tweede en derde middenvoetsbeentje.
De voet moest vier weken in het gips.

De officier van justitie zegt dat vaststaat dat Leo achter het stuur zat en dat hij niet goed heeft gekeken of de burg wel vrij was.
Hij had het meisje moeten zien.
Van het opzettelijk toebrengen van zwaar letsel is geen sprake.
Wel is Leo, zegt de officier, aanmerkelijk onvoorzichtig geweest.
Artikel 308: zwaar lichamelijk letsel door schuld.

De eis: een werkstraf van honderd uur.

Leo mag nu zonder advocaat reageren.
Hij zucht en zegt: ‘Ik laat het hier maar bij, ik heb geen zin te reageren. De stellingen zijn immers ingenomen.’
De rechters vinden dat te matig en vragen of Leo geen juridisch verweer wil voeren.
Leo denkt een tijdje na en zegt dan: ‘Ik vind dat er te weinig bewijs is. Ik eis een sepot.’
De rechters, kritisch: ‘Dat noemen wij vrijspraak.’
Leo: ‘Honderd uur werken naast het gewone werk zal een hele klus worden.’
De rechters: ‘Bedankt voor uw komst.’

Twee uur na binnenkomst verlaat Leo het Groninger gerechtsgebouw.
Hij haalt een banaan uit zijn tas, gooit de schil in een prullenbak en gaat dan op in de gewone wereld.

Rob Zijlstra

.

UPDATE – 20 september 2010 – uitspraak
Leo heeft niet goed uitgekeken en dat had hij wel moeten doen. Daarmee heeft hij onvoorzichtig gehandeld en is het aan zijn schuld te wijten dat een ander letsel heeft bekomen. Bij het vaststellen van de hoogte van de straf heeft de rechtbank er rekeningen mee gehouden dat het incident twee jaar oud is. Het vonnis (dat ontbrak hier even): een taakstraf van 100 uur.