Nadat de officier van justitie de strafeis heeft geformuleerd, vragen rechters vaak aan verdachten of die het hebben begrepen.
Of de verdachte snapt wat de officier van justitie zojuist heeft gezegd.
Meestal is dat wel het geval.
Strafeisen zijn doorgaans ook niet heel ingewikkeld.
Heel anders is dat als het gaat om de verwijten die justitie verdachten maakt.
Dan wil justitie nog wel eens uitblinken.

Op 1 juni dit jaar wordt Martin aangehouden.
Dat wil zeggen, de politie probeert dat.
Maar Martin voelt er op dat moment niet zo heel veel voor.
Hij neemt de benen.

En wat zegt justitie dan?

‘…dat hij op of omstreeks 01 juni 2010 te Groningen,
toen een aldaar in uniform geklede dienstdoende politieambtenaar verdachte,
als verdacht van het gepleegd hebben van een of meer op heterdaad ontdekt(e) strafba (a)r(e) feit (en,
had aangehouden en had vastgegrepen,
althans vast had,
teneinde verdachte ter geleiding voor een hulpofficier van justitie over te brengen naar een politiebureau,
zich met geweld tegen eerstgenoemde opsporingsmabtenaar,
werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn of haar bediening,
heeft verzet door te rukken en/of te trekken in een richting tegengesteld aan die waarin die ambtenaar verdachte trachtte te geleiden
en zich (uit die greep van die politieambtenaar) los te rukken
en weg te rennen.’

Martin bekende.

Rob Zijlstra