De vermeende misdaad geschiedde op 14 oktober 2009.
Vandaag, 10 oktober 2011, stonden de twee verdachten terecht.

De officier van justitie deed alsof zoiets de normaalste zaak van de wereld is.
Ze zei in ieder geval niet dat het wel een beetje gek is, zo laat nog.
Integendeel zelfs.

Een van de verdachten, een 29-jarige man uit Amsterdam, had de moeite genomen om naar Groningen te komen om zijn strafzaak bij te wonen.
Hij had zijn vriendin meegenomen, maar geen advocaat.
De tweede verdachte, een 28-jarige man uit Groningen, had betere dingen te doen.
Uitgerekend vlak voor de zitting beviel zijn vriendin van een gezonde tweeling.
Zijn advocaat is er wel.

Het werd geen fraai proces.

Op 14 oktober 2009 passeren Bilal, de Amsterdammer, en Ibrahim, de Groninger, de grensovergang bij Nieuweschans.
Ze komen uit Bremen en zijn op weg naar huis, naar Groningen.
Het is in het holst van de nacht.

Vlak na de grensovergang worden ze aangehouden door grensbewakers van de Koninklijke Marechaussee die met een MTV-actie bezig zijn, met mobiel toezicht vreemdelingen cq. veiligheid.
Bilal en Ibrahim moeten hun papieren laten zien.
Die blijken dik in orde.
Bilal en Ibrahim zijn in Nederland geboren.
Ze mogen doorrijden.

Dat doen ze om bij het eerstvolgende tankstation, een kwartiertje verderop, even te pauzeren.
Bilal stapt uit om in de shop wat drinken te kopen.
Wanneer hij terugkomt, staan daar die grensbewakers weer.
Ze staan bij de auto en een van hen heeft een wit plastic tasje in de handen.
In dat tasje zit een smak geld, 21.830 euro.

De officier van justitie zegt dat de marechaussee ook even wilde pauzeren en toen ineens in die auto van de mannen met de papieren dik in orde, een plastic tasje zag liggen waar het geld uitpuilde.

Ibrahim kan op dat moment geen verklaring geven.
Bilal zegt dat hij van de aanwezigheid van zoveel geld in de auto, geen eens weet had.

De marechaussee maakt proces-verbaal en noteert dat beide mannen werden gearresteerd en met het busje werden overgebracht naar het politiebureau.
Bilal: ‘Ibrahim werd aangehouden en moest mee in het busje. Ik moest er achteraan rijden.’

De rechters zeggen: ‘Een smak geld.’
Bilal: ‘Ik wist van niks.’
De rechters: ‘Dat mag zo wezen. Punt is dat de officier u er wel van beschuldigt dat u een heleboel geld bij u had en dat u wel wist dat het geen eerlijk geld was, maar misdaadgeld. En als u dat niet wist, dat u dat had moeten vermoeden.’
Bilal: ‘Ik had helemaal geen geld.’
De rechters: ‘De officier van justitie denkt dus dat u bezig was misdaadgeld wit te wassen.’
Bilal: ‘Ik kan hoog of laag springen, maar ik wist er niets van.’

De officier van justitie, boos: ‘Hoe gek denkt deze verdachte wel niet dat wij zijn?’

Wanneer Bilal een klein beetje moet lachen, bijten de rechters hem toe: ‘U zit nou wel te grinniken, maar wij lopen al wat langer mee, verdachte. Als u straks weer in trein naar Amsterdam stapt, zegt u vast tegen uw vriendin, die rechters snappen natuurlijk best hoe het zit. U zit hier een beetje streetwise te wezen, maar hoe geloofwaardig bent u eigenlijk?’

Misschien denkt Bilal nu wel dat het toch zo is dat hij onschuldig is zolang hij niet door rechters is veroordeeld, maar dat zijn kostje bij deze rechters bij voorbaat is verkocht.

Hij vertelt dat hij met Ibrahim naar Duitsland was gegaan.
Ibrahim wilde naar auto’s kijken, naar schadeauto’s of mooie tweedehandjes, die zijn in Duitsland goedkoper.
Ibrahim had, later, bij de politie verklaard dat het geld van een autohandelaar uit Groningen was.
Dat ze hadden gekeken naar auto’s, maar onverrichte zake terug waren gereden naar Nederland.

De autohandelaar bestaat.
Hij heeft het in beslag genomen geld ook teruggekregen.

De advocaat van Ibrahim vraagt zich af hoe geloofwaardig het is dat de leden van de marechaussee in de auto die dik in orde was, zomaar een wit plastic tasje zagen liggen met daarin een smak geld.
Het was geen doorzichtig tasje.
De advocaat denkt dat de leden van de marechaussee in de auto keken, die tas zagen, die tas zomaar pakten en toen in de tas keken en pas op dat moment het geld zagen.
En dat ze dat dus deden zonder een redelijk vermoeden van schuld.
Dat mag dus niet.

Waarmee de aanhouding, met ook nog eens een niet correct proces-verbaal – onrechtmatig is.
En wat onrechtmatig is verkregen, telt niet, waardoor vrijspraak moet volgen.
Komt nog eens bij, vervolgt de advocaat, dat de officier van justitie wel kan roepen dat het geld van misdaad afkomstig is, maar van welke misdaad dan?

Omdat Bilal geen advocaat heeft, mag hij zijn eigen verdediging voeren.
Hij zegt, wijzend naar de advocaat van Ibrahim: ‘Die meneer heeft het mooi gezegd.’
Rechters: ‘U zegt dus, ik had geen idee van dat geld, het is onzin, ik heb er niets mee te maken, ik had geen slechte bedoelingen.’
Bilal: ‘Zo is het.’

Ibrahim bestiert samen met zijn vriendin een kapperszaak in de binnenstad van Groningen.
Bilal werkt in Amsterdam voor een grote onderneming. Hij brengt pakketjes rond.
De officier van justitie wil daar nu, twee jaar na de vermeende misdaad, een einde aan maken.
Ze eist tegen beide verdachten een half jaar gevangenisstraf waarvan drie maanden voorwaardelijk.
Ze zegt dat fatsoenlijke burgers over ieder dubbeltje dat ze verdienen belasting moeten betalen, maar dat deze verdachten dachten die dans te ontspringen.

Misschien in het niet verstandig om als Nederlander met ouders die in Marokko zijn geboren in het holst van de nacht de grens te passeren.

Rob Zijlstra

• redelijk vermoeden van schuld

.

UPDATE – 24 oktober 2011 – uitspraken
Bilal en Ibrahim zijn vrijgesproken. Volgens de rechtbank is niet duidelijk of het geld van misdaad afkomstig is. Er wel een vermoeden, maar  het bewijs in het dossier is onvoldoende om aan te nemen dat dit ook echt zo is. Er zijn immers andere scenario’s denkbaar, bijvoorbeeld dat de verdachten de waarheid spreken. Zij krijgen het geld dat in beslag is genomen nu terug.

Omdat de rechtbank tot een vrijspraak komt, is de vraag of er al dan niet sprake was van een redelijk vermoeden van schuld niet beantwoord.