Een opmerkelijke strafzaak, maandag in de rechtbank van Groningen.
Het gaat over een rechtszaak die er wel was, maar achteraf niet.

In zittingszaal 14 staat voor de meervoudige strafkamer een 25-jarige man terecht die wordt verdacht van aanranding van de eerbaarheid.
In januari dit jaar zou hij in een café in Groningen aan de borsten van een vrouw hebben gezeten.
Een andere vrouw kneep hij in haar achterwerk, zo luidt de verdenking.
De verdachte weet het niet meer, zo dronken.
De twee vrouwen vonden het zeer ongewenst, maar deden geen aangifte.

Het openbaar ministerie besloot toch tot vervolging over te gaan.
De officier van justitie zegt dat uitgaansgeweld aangepakt moet worden, voor seksueel geweld tijdens het uitgaan is dat niet anders.
Dat geen aangifte is gedaan, maakt niet uit.
De officier van justitie: ‘Deze kwestie is te vergelijken met het geven van een klap in het gezicht in de kroeg. Dulden we ook niet. Mensen moeten gewoon van elkaar afblijven.’

De advocaat verzoekt de rechtbank het openbaar ministerie niet ontvankelijk te verklaren.
In het spel van versieren gaan we soms net even iets te ver.
Maar om dan de rechters hier mee te belasten?
Dat de vrouwen het niet leuk vonden, heeft meer te maken met hun gevoeligheid dan met de hufterigheid van mijn cliënt, zegt advocaat Lidewij Wachters.

Zij stelt dat de zaak zo onbenullig is dat strafrechtelijke vervolging geen enkel doel dient.
En dat moet strafrechtelijke vervolging wel doen, een doel dienen.

De officier van justitie is het er niet mee eens.

De rechters informeren bij de verdachte of hij een aangeboden transactie zou betalen om daarmee strafvervolging door de rechtbank te voorkomen.
De verdachte zegt (tegen zijn tolk) dat hij dat zal doen.
Betalen.

De rechters trekken zich terug voor beraad.
Na tien minuten hebben ze een praktische oplossing bedacht.

De rechters: ‘Het openbaar ministerie is wel ontvankelijk, het besluit iemand te vervolgen is immers aan het openbaar ministerie en niet aan ons.’
Maar, vervolgen de rechters, kijkend naar de officier van justitie: ‘We hebben de verdachte horen zeggen dat hij bereid is een transactie te betalen. Met die wetenschap zou u, officier van justitie, de zaak kunnen intrekken en alsnog een transactie naar verdachte kunnen sturen.’

De officier van justitie zegt: ‘Maar kan dit wel? De strafzaak is al door de bode uitgeroepen.’
De rechters zeggen nu ach, ja en nog een keer ach en ja.
De officier van justitie: ‘Ik begrijp het niet.’
De rechters: ‘Het is heel simpel.’
De officier van justitie: ‘Als ik dit doe, gaan bij ons intern alle systemen piepen.’
De rechters: ‘We moeten soms wat praktisch zijn en ons niet laten leiden door eventuele piepende systemen.’

De officier van justitie, schoorvoetend: ‘Goed dan. Ik zal verdachte een transactie sturen van 350 euro.’
Rechters tegen verdachte: ‘En die gaat u dan betalen.’
Verdachte knikt.

Wanneer de rechters zeggen, mooi, dit was het dan, gaat de officier van justitie opnieuw staan en zegt: ‘Maar wat moeten we dan met deze strafzaak die officieel is uitgeroepen?’
De rechters: ‘Deze zitting wordt geacht niet te zijn geschied.’

Rob Zijlstra