GASTBLOGGER

door Fred Janssens

.

We horen het de laatste jaren erg veel: het vertrouwen in rechters neemt af. Na politici, artsen en banken, zijn nu de rechters aan de beurt. Wat met dat ‘vertrouwen’ dat ‘afneemt’ nu precies gezegd wordt, is echter niet duidelijk.

Laten we er voor het gemak van uitgaan dat degene die aangeeft geen of minder vertrouwen in de rechter te hebben, het gezag van de rechterlijke macht betwist. Dat is tenminste de gedachte die veel mensen uitspreken.

Maar komt die gedachte overeen met de werkelijkheid?

Peilingen wijzen uit dat 40 procent van de bevolking geen vertrouwen in de rechters heeft. Dat betekent dat 60 procent dat blijkbaar wél heeft.
Maar goed, iets minder dan de helft van die ‘bevolking’ ziet geen heil in de rechter en in de rechtspraak. En dan gaat het vermoedelijk met name over de strafrechtspraak. Over het civiele recht, toch een groot deel van de rechtspraak, hoor je geen onvertogen woord – überhaupt geen woord.

Nu zegt mij die 40 procent betrekkelijk weinig.
Het cijfer drukt ongetwijfeld onvrede over iets uit, maar we weten niet hoe men vroeger over de (straf-)rechtspraak dacht. Was het vertrouwen tien, twintig jaar geleden, voor de oorlog etc, meer of minder? Om het maar eens moeilijk te zeggen: mij is een nul-meting onbekend. Het zou mij weinig verbazen als toen ook al 40 procent de kriebels kreeg van de rechterlijke macht.

Daar komt bij dat het begrip ‘vertrouwen’ een lastig begrip is.
Het is vooral ook lastig te meten.
Iedereen heeft wel een idee bij het begrip, maar met al die verschillende betekenissen die je aan dat woord geeft, is het lastig peilen hoeveel vertrouwen er nu wel of niet is.
Als je op de Grote Markt aan iemand vraagt of hij vertrouwen heeft in de rechterlijke macht (of: rechtspraak) en die persoon is de dag ervoor veroordeeld, krijg je ongetwijfeld een ander antwoord dan van iemand die bij de rechter zijn gelijk heeft weten te halen.
En degene die zijn kennis alleen maar uit een ochtendblad vergaart, heeft vermoedelijk een ander beeld van de rechtspraak dan hij, die – anders dan als verdachte – regelmatig strafzittingen bijwoont.

Kortom: waar gaat het eigenlijk over als we het hebben over het gebrek aan vertrouwen in de rechtspraak?
Is er wel een probleem?
Veel politici vinden van wel.
En die spuien dan allerlei nieuwe ideeën om het vertrouwen te herstellen. De rechter moet zwaarder straffen. De rechter mag in sommige gevallen geen taakstraf meer opleggen.
Misschien, zeggen politici, moeten we maar eens kijken of de rechters wel de goede mening erop na houden.

Er zijn ook nogal wat rechters die vinden dat het vertrouwen duidelijk vermindert en dat rechters er alles aan moeten doen om het te herstellen.
Het punt is alleen dat – zoals hiervoor is uitgelegd – volstrekt onduidelijk is waar het vertrouwensprobleem uit bestaat.
De vraag is of het probleem überhaupt bestaat.

Ik denk het niet.
Het berust op empirisch drijfzand.

Rechters lopen te hoop tegen iets anders. Wat zij als vertrouwensprobleem zien, is eigenlijk negatieve beeldvorming. En die is opgebouwd uit niet helder gemaakte onuitgesproken vooroordelen en niet geëxpliciteerde vooronderstellingen.
Zeg maar: stereotypen.

De beeldvorming zit tussen de oren van degene die de rechters bekritiseert.
Maar ook tussen de oren van de rechter.
Dat leid ik tenminste af uit de verwoede pogingen die de rechterlijke macht doet om het ‘vertrouwen’ dat het publiek in haar zou hebben, op te vijzelen.

De vraag is of dat effectief is.
Ik denk het niet.
Het is nu eenmaal moeilijk iets op te poetsen dat nooit meer dan een schim zal blijven.
Het gaat niet zozeer om het vertrouwen, maar om het imago dat de rechterlijke macht heeft.
Dat beeld lijkt mij behoorlijk vertekend.
Er wordt heel veel gezegd wat niet klopt.
Soms is het regelrecht onwaar.

Men zegt maar wat over de rechtspraak: de man die vanuit de bosjes onverhoeds een vrouw verkracht krijgt, zegt men, maar een werkstraf opgelegd.
Men schoffeert de rechter.
Dat rechters softe watjes zijn die zich door verdachten laten bedotten. Dat rechters geen benul hebben van hoe de echte wereld er uitziet. Door dat soort klets voelen wij, rechters, ons slachtoffer.
Daardoor ligt het zelfvertrouwen van de rechter in de kreukels.

Elke psycholoog kan vertellen dat als je eenmaal een negatief zelfbeeld hebt, je daardoor niet gemakkelijk uit de kuil komt waarin je jezelf hebt gemanoeuvreerd.
Het wordt dus tijd dat de rechter het negatieve zelfbeeld afschudt en uit de kuil klimt en laat zien waarvoor hij staat en wat hij doet. Immers: een rechter die vertrouwen in zichzelf heeft, straalt dat glashelder uit en is daardoor veel beter in staat om de aanvallen op de rechterlijke macht te pareren.

Dus de rechter kan ook anders reageren op allerlei kletspraat.

Laten we eens nagaan wie de rechter is.
Hij staat met beide voeten in de klei.
Hij is verre van wereldvreemd.
Sommige rechters zijn, als zij niet in de zittingszaal zitten, lid van de ouderraad van de school van hun kinderen.
Of ze doen in de vrije weekeinden vrijwilligerswerk.
Zij gaan met hun kinderen naar het sportveld, als ze zelf al niet sporten.
Rechters zitten ook wel eens in een kroeg.

Oftewel: de rechter is een gewoon mens.

Wat doet de rechter als hij in de zittingszaal zit?
Recht spreken.

Nogal wiedes.’
Maar wat houdt dat in?
De rechter kiest geen partij.
Verdachte, aanklager en slachtoffer zijn de rechter om het even.
Hij laat zijn oren niet hangen naar populistische prietpraat of naar andersoortige praat van wie dan ook.

De rechter slikt niet alles voor zoete koek.
De rechter is softie noch watje.

De rechter is ‘voor het leven benoemd’.
Dat wil zeggen dat de rechter niet bang hoeft te zijn dat zijn beslissing tot diens ontslag leidt.
Hij is dus onafhankelijk.
De rechter is ook integer: hij hoedt zich ervoor te verstrengelen met individuele belangen.

De rechter is een professioneel functionaris.
Hij kan zittingen leiden, luisteren naar het verhaal van de verdachte en hij herkent emoties. Zijn beslissing is het resultaat van een afweging van alle feiten en belangen die ter zitting naar voren zijn gebracht. Leidraad daarbij zijn uiteraard de wet en het recht.

Ziedaar de cocktail waarmee de rechter heden ten dage prima voor de dag komt!
En waarmee hij de waarden van de rechtstaat dient, hetgeen van levensbelang voor ons allemaal is.

We kunnen vaststellen dat de rechtspraak in verreweg de meeste zaken prima functioneert.
En dat daardoor de rechtstaat nog steeds naar behoren werkt.
De rechter weet dat eigenlijk ook wel.

Maar nu anderen nog.

De rechter moet dus meer en beter uitleggen wat hij doet en waarom hij dat doet.
Zou de rechter voor een verkrachting wel een werkstraf opleggen, dan moet hij zeggen dat juist die straf meer past bij een jongen van 16 die een meisje van 15 een tongzoen afdwingt dan bij de man uit de bosjes (in de juridische wereld heet de afgedwongen tongzoen een ‘verkrachting’, maar die is uiteraard van een geheel ander soort dan die door de man uit de bosjes).

Maar het kan natuurlijk niet alleen maar van de rechter komen.
Van journalisten die rechtszaken verslaan en die over het strafrecht schrijven, mag verwacht worden dat zij zich grondig documenteren en niet zo maar wat schrijven om de krant aan betere verkoopcijfers te helpen.
En de politicus verkoopt zich uiteindelijk beter als ook hij eerst kennis vergaart en dan pas wat zegt.

Als de rechtspraak haar sterke kanten uitstraalt en voor haar zwakke kanten niet gepikeerd wegloopt, kan de rechter met opgeheven hoofd zijn waarden uitdragen.
Zijn zelfvertrouwen wordt sterker en daarmee zijn zelfbeeld ook. Daarmee kan hij aan de slag om negatieve beeldvorming om te vormen in een positieve.

En een trotse rechtspraak, een kritische rechtspraak, laat zich niet zomaar wegblazen door lieden die het met de rechtsstaat niet bijster goed voor hebben.
En al helemaal niet door allerlei berichten dat het vertrouwen in de rechtspraak afneemt.

We hebben niets aan rechters die als bange konijntjes in de koplampen van de prietpraters kijken en uit angst voor hen andere beslissingen nemen dan ze op basis van de feiten en omstandigheden passend zouden vinden.

Fred Janssens
rechter

.

Fred Janssens was officier van justitie in Groningen. Halverwege 2010 stapte hij over van de staande naar de zittende magistratuur en werd rechter in de arrondissementsrechtbank van Assen.  Het bovenstaande verhaal schreef hij voor  Zittingszaal 14 en op persoonlijke titel.