Doodsbang rennen Wim en Herman het politiebureau binnen.
Wanneer ze na 35 minuten wachten eindelijk aan de beurt zijn, roepen ze: ‘Hij wilde ons vermoorden.’
De dienstdoende agent logt in en begint van alles met twee vingers in te tikken.
Na enige tijd vraagt de agent: ‘En wie wilde u vermoorden?’
Wim en Harmen: ‘De directeur.’
Agent: ‘En u heeft daar geen toestemming voor gegeven?’

Integendeel, antwoorden de twee bange mannen.
Ze vertellen.
Dat ze aan het werk waren, bij de personeelsingang van het bedrijf van de directeur.
Ze waren personeel aan het enquêteren.
Ze wilden weten of het personeel wel volgens de cao werd gewaardeerd.
Dat soort dingen.

De agent kijkt naar de twee mannen en vraagt: ‘En waarom wilden wij dat allemaal weten?
Wim en Herman: ‘Wij zijn vakbondsmannen van de FNV.’

De agent schrikt en beseft ineens dat het hier gaat om een situatie van ernst.
Of de heren koffie blieven. Of slachtofferhulp?
Zegt: ‘Mannen, ik roep er een collega bij. Dit moet tot op de bodem worden uitgezocht. Het kan niet zo zijn wij, wij dienstverleners, de ambtsdragers van de samenleving, worden belaagd. Of je nou politieman, ambulanceman of vakbondsman bent, dit moet aangepakt. Wanneer is het gebeurd?’

Wim en Herman: ‘Drie dagen geleden, op 13 april.’
‘Helder’, zegt de agent en noteert 16 april.

Het relaas van Wim en Herman wordt met alle details op papier gezet en als dat klaar is lezen de verbalisanten het proces-verbaal zoals dat moet nog eens voor, opdat niets aan het toeval wordt overgelaten.
Wim en Herman kunnen zich er in vinden.
Kennelijk was de opwinding op dat moment zo groot, dat niet alleen de mannen van de vakbond, maar ook de twee verbalisanten vergeten hun handtekeningen te plaatsen.
De wet vereist dat wel.

De directeur wordt aangehouden en verhoord.
Ook de tweede directeur, hij was kort na de moordaanslag op het toneel verschenen, moet een verklaring afleggen.
En de bedrijfsleider en nog een medewerker die niets bijzonders had gezien.
Na een paar weken wordt het politieonderzoek afgerond en naar het openbaar ministerie gestuurd.
Weldra zal de directeur publiekelijk terecht moeten staan wegens een poging tot moord dan wel een poging tot doodslag, meermalen gepleegd.
Dat de beoogde slachtoffers dienstbaar aan de samenleving zijn zal vast en zeker strafverzwarend werken.

De officier van justitie die de zaak moet beoordelen wikt en weegt en gaapt.
Denkt directeuren en vakbonden, altijd gesodemieter.
Alsof wij op parket niets beters te doen hebben.
Met een ferme zwaai pakt hij de stempel en drukt af.
Sepot.
Volgende zaak.

De vakbond wordt in kennis gesteld van dit besluit en bromt: ‘Mannen, dit pikken we niet.’
De bond stapt naar het gerechtshof en doet conform artikel 12 Wetboek van strafvordering beklag.
Het hof beoordeelt de kwestie, concludeert dat de officier van justitie in Groningen iets te snel door de bocht is gegaan met het sepot en beveelt dat het openbaar ministerie alsnog vervolging moet instellen.

Zo gebeurde het dat de directeur deze week, ruim twee jaar na dato, tegenover de politierechter zit.
Niet vanwege een poging tot moord of doodslag, maar voor bedreiging.

De officier van justitie zegt dat de directeur met zijn auto op Wim en Herman is ingereden waarbij hij zijn snelheid niet heeft aangepast aan de situatie ter plekke.
Dat de vakbondsmannen, mannen die opkomen voor een goede zaak, moesten wegspringen om het vege lijf te redden.
Weliswaar waren de mannen verzocht het bedrijfsterrein te verlaten.
Dat ze dat niet deden, geeft de directeur nog niet het recht op deze manier te handelen.
Geschillen moeten op een andere manier worden beslecht.
De officier van justitie spreekt van een kwalijke zaak.
Zo heeft een van de slachtoffers weken achtereen geen poortacties durven houden.

Het bewijs: de twee aangiftes van Wim en Herman, in combinatie met een uitlating van de directeur tijdens het politieverhoor.
De directeur had gezegd dat hij boos was en ook: ‘Ik reed niet langzaam.’

De aanklaagster laat meewegen dat de directeur slechts een paar veroordelingen van de kantonrechter op zijn documentatie (‘kantondocu’) heeft staan en dus tot op zekere hoogte first offender mag heten.
Ze eist voor de kwalijke zaak een boete van 750 euro, maar die geheel voorwaardelijk met een proeftijd van een jaar. Daarnaast moeten de twee vakbondsmannen recht hebben op smartengeld: 200 euro per persoon.

De aanwezige vakbondsman met opgestroopte mouwen kijkt tevreden.
Eindelijk zal het recht zegevieren.
De directeur – glimmende manchetten – oogt getergd.

De directeur zegt wanneer het zijn beurt is: ‘Het is een mooi verhaal, maar het is niet waar. Ik heb absoluut niet op die mensen ingereden.’
Hij vertelt dat ‘ons’ bedrijf al weken door FNV-medewerkers werd geterroriseerd. Dat de maat vol was en dat de vakbondsmannen keurig en netjes waren verzocht het terrein te verlaten. Ja, daarbij is ook een beetje geduwd, ja.
Uiteindelijk was hij in zijn Mercedes gestapt en had hij geroepen: ‘Ik spreek geen woord Frans en nu wegwezen’

De directeur: ‘Ik kwam gewoon aanrijden en ben weer gestopt om nog een keer te zeggen dat ze weg moesten gaan. Ze stonden toen tussen geparkeerde auto’s. Ze hoefden helemaal niet weg te springen.’

De tweede directeur die iets later kwam, verklaarde: ‘Die FNV’ers reden weg, met een vlag en maakten al claxonerend nog een paar rondjes over het terrein.’
De bedrijfsleider: ‘De FNV was provocerend aanwezig.’
De medewerker die binnen zat: ‘Ik heb niets bijzonders gezien.’

Vakbondsman Herman: ‘Ik doe mijn werk. In dat werk zoeken we naar de balans tussen werkgevers en werknemers. Maar in een gesprek bleek dat niet mogelijk. De directeur zette zijn auto in als wapen. Dat tast alles aan waar ik in geloof. Wij komen altijd ergens in het midden uit, de balans. En dan wil hij mij willens en wetens torpederen, dat gaat me te ver.’
De advocaat van Herman, die eigenlijk zijn mond moet houden: ‘Ze waren bezig met het uitoefenen van een grondrecht, het recht op vereniging. Door die bedreiging is hen dat grondrecht afgenomen.’

De advocaat zegt dat de FNV paranoïde is.
Dat de dagvaarding rept van 16 april, terwijl het drie dagen eerder is gebeurd.
Dat de processen–verbaal niet zijn ondertekend, een vormverzuim, artikel 153, strafvordering.
Dat wanneer er een aanslag op je is gepleegd, je toch onmiddellijk naar de politie gaat en niet drie dagen later.
Dat je na een aanslag op het leven niet eerst nog even een groot spandoek gaat ophangen op het terrein (‘mijn baas is een dwaas’).
Dat de medewerker die binnen zat niets bijzonders heeft gezien, niet bij de directeur, maar ook niet bij de vakbondsmannen.
Dat vakbondsman Wim als een stalker met de passie van een pitbull het privéleven van de directeur is binnengedrongen wat zijn verklaringen er niet geloofwaardiger op maakt.

Kortom: het gaat bij de politierechter van welles tot nietes.
Voor alle zekerheid meldt de rechter: ‘Ik was er niet bij.’

Zegt vervolgens tegen de beklaagde: ‘Er liggen twee aangiftes – weliswaar niet ondertekend, dus niet opgemaakt op ambtseed – maar waarin wel zwart op wit staat dat u op hen bent ingereden. Daartegenover staat uw verklaring, inclusief uw opmerking dat u ‘niet langzaam’ kwam aanrijden. Maar daar kan ik geen bedreiging uithalen. Bovendien wordt uw verhaal ondersteund door uw mededirecteur, de bedrijfsleider en door de medewerker die zegt niets bijzonders te hebben gezien.’

De politierechter spreekt de directeur vrij.

Rob Zijlstra

extra
artikel 12 Wetboek van strafvordering
artikel 153 wetboek van strafvordering