Afscheid van het verpleeghuis van mijn vader

In september vorig jaar schreef ik een artikel in Dagblad van het Noorden over het verpleeghuis van mijn vader, over Vliethoven in Delfzijl. Ik schreef dit verhaal omdat het er niet klopte, ik liet mijn vader daar niet met een gerust hart achter.

De ziekte van Parkinson had het sterke lichaam van mijn vader, eens een zeeman, later een werknemer van Akzo in Delfzijl, gesloopt. En alsof dat nog niet voldoende was, meldde zich onaangekondigd de dementie om ongenadig een einde te maken aan wat nog restte. Na een jarenlange verzorging thuis – we moeten vanwege geld zo lang mogelijk thuis – ging het niet meer. In maart 2016 klopten wij moegestreden ten einde raad aan bij Vliethoven.

Het was daar vies, het stonk er, het interieur bestond uit bijeengeraapte oude meuk. De 24 dementerende vaste bewoners kregen geen dag fatsoenlijk te eten, de maaltijden kwamen uit de diepvries, het te weinige verzorgende personeel was belast met het ontdooien en vervolgens met het opwarmen van dagelijkse prut, wie vegetarisch was, was overbodige luxe.
Met de bewoners werd nauwelijks iets gedaan. Kennis over de ziekte Parkinson ontbrak, medicijnen werden bewaard in een rommelhok waar ook de schoonmaakmiddelen stonden. Het meerendeel van het verzorgende personeel werkte zich voor het geregistreerde aantal onderbetaalde uren uit de naad, maar kon nooit op tien plekken tegelijk zijn ook al was dat steeds nodig. Er waren nare geweldsincidenten – bijvoorbeeld – als gevolg van een gebrek aan toezicht.

Ik zocht contact met de raad van toezicht (‘ha ha, u moet niet bij ons zijn’), ik sprak met de directie van De Hoven, de stichting waar Vliethoven deel van uitmaakt. De directie was blij met mijn kritische opmerkingen (‘want uw kritiek, uw kritiek is onze uitdaging’). Vervolgens snurkte de praatjesdirectie rustig verder want er was toch geen geld vanwege Den Haag.
Goed gesprek, nooit meer iets van vernomen, nooit meer een reactie.

Uiteindelijk schreef ik, gefrustreerd, wanhopig, mijn verhaal in de krant, niet lang nadat Hugo Borst zijn geweldige actie was begonnen. Er waren mensen in Vliethoven, mantelzorgers, een betrokken man als Bronger, de vriend van een vriend die zomaar ineens patiënt was geworden, familieleden, allemaal begane echte mensen die hard aan de bel trokken, maar ondanks hun lawaai niet werden gehoord. Het verhaal in de krant hielp (mooi hoor, maar het geeft ook erg te denken).

Want jawel. Er werd beterschap beloofd. De locatiedirecteur werd na het verhaal in de krant aan de kant gezet, er kwam een krachtige interim om orde op zaken te stellen. De interim stelde een onderzoek in naar de omstandigheden op Vliethoven. Niet naar de oorzaken.
Op een bijeenkomst met familie van bewoners presenteerde de interim de uitkomsten van zijn onderzoek: het was nog erger dan erg. Hij zei in de volle zaal: ’’Vliethoven was zo diep gezakt, dat dieper niet kon. We hebben op het punt gestaan Vliethoven te sluiten.’’ Mijn verhaal in de krant bleek een milde versie van de werkelijkheid.

De locatiedirecteur was het ‘dieper dan diep’ kennelijk ontgaan. De interim verviel gelukkig niet in rare praatjes, maar stak zijn nek uit en beloofde beterschap. Ineens bleek van alles mogelijk ondanks dat er eerder geen geld heette te zijn. Er werd een grondige renovatie toegezegd.
Los van het krantenverhaal was er Akke Zijlstra. De echtgenote van mijn vader Sietse. Mijn lieve moeder dus. Ze was er dagelijks. Als een luis in de pels. Als een horzel. Zij klaagde niet alleen aan, maar ze deed ook zelf iets. Ze organiseerde doe-avonden voor de bewoners, zodat er eens wat vrolijks gebeurde, ze bouwde een band op met bewoners die nooit bezoek kregen (en krijgen).

We zijn inmiddels een paar maanden verder. De vloeren zijn vervangen, de plafonds hersteld. De muren zijn leeggehaald en fris geschilderd in aangename kleuren. De oude meuk is de container ingegaan, er is een nieuw interieur gekomen waar over is nagedacht.
Nieuwe gordijnen hebben de lappen die er voor de ramen hingen vervangen. Er is iets, ietsje, meer personeel, niet wat met droge ogen is beloofd, niet wat is toegezegd (‘u mag mij erop afrekenen’). En het eten is nu fatsoenlijk, mits er voldoende vrijwiligers zijn. Echte koks, mensen die verstand hebben van voeding voor zieke mensen, is nog steeds een stap te ver.
Een week geleden, op dinsdag, deed mijn vader nog een rondje Vliethoven, samen met Akke, hun dagelijkse wandeling. Mijn moeder had – want ze zijn al bijna 54 jaar samen verliefd – verkering – mijn moeder had een mooiste rode roos meegebracht, het was Valentijn.

Woensdag werden de laatste nieuwe spullen bij Vliethoven afgeleverd ter afronding van de renovatie. Terwijl de lampen naar binnen werden gesjouwd, werd mijn vader afgevoerd, per ambulance naar het UMCG in Groningen.
Daar is hij ’s nachts overleden aan de gevolgen van zomaar ineens een hersenbloeding. We weten nog niet precies waarom zo ineens. Gisteren (dinsdag) hebben we afscheid van Sietse genomen, moeten nemen. Dat deden we met veel verdriet, maar ook in het besef dat de weg die hij nog moest lopen, een lijdensweg zou zijn geweest die ook steeds onaangenamer zou worden. Zelf was hij in Vliethoven al over de grens heen, over wat hij niet meer wilde als het zover zou komen.

Nu mijn vader zomaar ineens dood is, neem ik ook afscheid van het verpleeghuis van mijn vader
Ik hoop van harte dat de raad van toezicht erop toeziet dat de bonte avonden op vrijdag, die mijn moeder vrijwillig organiseerde, met een borreltje erbij, met avonden die de bewoners plezier brachten, met veel vrolijkheid worden voortgezet.
Ik hoop dat ze dat interesseert.

Ik hoop ook heel erg dat de interim ook zonder stukjes in de krant gaat doen wat hij heeft beloofd en waar we hem op mochten afrekenen: dat het beter zal worden.
Ik maak ondertussen een diepe buiging voor het personeel op de werkvloer. Voor de lieve mensen die mijn vader zo goed als ze konden hebben bijgestaan. Won ik maar de hoofdprijs in de loterij, dan kocht ik een groot huis voor iedereen en dan kwam alles met iedereen goed.
Dat zei bijvoorbeeld Edith en ze meende het.
Zet’m op Edith.
Zet’m op Herma.
Zet’m op Kenneth.

Wees niet bang, lief personeel van de werkvloer, wees niet bang voor die doorgeschoten bobo’s, die waardeloze toezichthouders op papier, de managers, de directeuren, maar help hen.
Leg aan ze uit dat stank stinkt.

Dag verpleeghuis van mijn vader.
In september 2016 schreef ik er een verhaal over in de krant
In september 2017 loop ik er nog een keer naar binnen.
En als het nog steeds moet, als het er nog steeds stinkt, dan schrijf ik weer een stukje in de krant.
Maar dan met naam en toenaam.

Rob Zijlstra