Wat een dag

Een dag in de rechtszaal is voor sommige mensen een gewone werkdag en soms ook eentje van negen tot vijf. Dat klinkt alledaagser dan het is.

Het is 09.05 uur, zittingszaal 14. De officier van justitie vraagt zich af waar Kaap Hoorn ligt. Gemeente Haren? Of nog net in de gemeente Groningen? Of is Groningen inmiddels Haren. Is het net andersom? Vorige week dacht deze officier van justitie (‘ik ben een tijdje weggeweest’) dat Beerta in de gemeente Groningen lag en toen ging het hartstikke fout in die zin dat de verdachte moest worden vrijgesproken van een poging tot doodslag vanwege deze juridische dwaling.

De verdachte van nu, een ondernemer, kwam zijn ex tegen bij restaurant Kaap Hoorn. De ex verkeerde in het gezelschap van haar vriend. ‘Een gevaarlijke gek’, zegt de verdachte. De ontmoeting verliep eerst aller onaardigst en liep daarna uit de hand.

Hij zou ook zijn minnares, de achterbuurvrouw, hebben geslagen. Verdachte: ,,Maar die is ook gek. Ze gaf tienduizenden euro’s uit aan paragnosten. Ze heeft een paragnostenverslaving. Echt, dat bestaat. En ik heb haar niet geslagen.’

Het wordt 09.50 uur. De strafzaak kabbelt voort. Veel gedoe. In de gangen van het rechtbankgebouw zitten welgeteld 27 mannen en vrouwen en twee kinderen. Iedereen wacht. Sommigen bladeren in tijdschriften, anderen kletsen met advocaten. Voor Kamer 7 is een man in tranen, iets verderop loopt een rechtbankmedewerker met een schroefboormachine door de hal. De politierechter praat in zaal 13 met een man uit Delfzijl die een jaar geleden bij de Jumbo kipfilet heeft gestolen.

Terug in 14. De officier van justitie zegt (10.20 uur) tegen de verdachte: ‘Alles wat op uw strafblad staat is boosheid-gerelateerd.’ Hij eist een taakstraf van 240 uur en zes maanden voorwaardelijke celstraf. Advocaat Cees Eenhoorn, nestor van de Groningse advocatuur, pleit (11.05 uur) voor een onsje minder. ,,Het gaat hier om oude feiten zeg, kom op.’’

Om 11.30 uur begint de tweede zaak van de dag. Man uit Sneek heeft een moord gepleegd in Macedonië en moest boeten met vijftien jaar cel. Hij zou vrijkomen, maar nu gaat het niet goed met hem, niet goed genoeg voor de vrijheid. De rechters moeten hier iets van vinden.

Dat moeten ze ook van Ricardo die vorige week vader is geworden. Moeder en baby zijn meegekomen. Ricardo, hij zit in het grondverzet, pleegde een woningoverval, heeft tweederde deel van de straf uitgezeten, maar komt nu de afspraken niet na. Ook zou hij zijn plasje bij de verplichte urinecontrole met water hebben aangelengd. Hij heeft nog 689 dagen als stok achter de deur op de lat staan.

Ricardo krijgt (12.05 uur) een allerlaatste kans. Een van de rechters, bozig: ‘U kruipt hier door het allerkleinste muizengaatje.’ Of hij dat goed heeft begrepen? Heeft hij.

Om 12.15 uur zou Henk S. (48) in zittingszaal 14 moeten zitten. S. heeft twee vrouwen vermoord onder wie de Groningse studente Anne de Ruijter de Wildt, op 30 april 1997. De officier van justitie wil zijn tbs met twee jaren verlengen. S. is er niet, hij heeft geen zin in schijnvertoningen, heeft hij laten weten.

Achttien jaar geleden zat S. met zijn advocaat van toen, Cees Eenhoorn, wel in zaal 14. Met toestemming van de rechter mocht hij de capuchon ver over zijn hoofd trekken, zodat niemand hem kon zien. Henk S. komt nooit meer vrij. Zijn advocaat van nu probeert nog wel wat (12.35 uur): ‘Laten we de sleutel niet weggooien. Laten we proberen perpectief te bieden.’ De rechters: ‘Over twee weken uitspraak.’

Over uitspraken gesproken: die zijn in de Groningse rechtbank altijd om 13.00 uur. Verdachten zijn er niet. Ze horen het wel in de gevangenis. Woninginbreker Marco uit Groningen moet vijf jaar, Manfred de drugsdealer uit Sappemeer krijgt negen maanden.

Dan is het wachten (13.15 uur). Er is onduidelijkheid over de geplande zaak van 14.15 uur, of die wel doorgaat. Om 14.05 uur: zaak gaat door, verdachte komt niet. Hij blijft liever in de gevangenis in Leeuwarden, toch al zijn tweede huis. De advocaat is er wel. Cees Eenhoorn.

De verdachte die er niet is heet Alex. Hij doet al vijftien jaar wat niet mag. Hij steelt niet, hij leent geld van mensen. Maar omdat hij vooraf de intentie heeft niets terug te betalen is er sprake van valse voorwendselen en mag het oplichting heten. Alex belt simpelweg bij mensen aan, babbelt dat hij een nieuwe buurman is en dat hij pech heeft met de auto. Accu stuk. Een klein beetje geld zou hem al veel helpen.

Een echtpaar uit Emmen leende Alex uit goedheid honderd euro. Nu zijn ze een van de vele slachtoffers. De officier van justitie eist (14.45 uur) de veelplegersmaatregel ISD. Dat is twee jaar zitten. Advocaat Eenhoorn: ‘Het is onbegrijpelijk dat mensen hem maar geld blijven geven. Al jaren. Kennelijk raakt hij met zijn praatjes een gevoelige snaar.’

Of het Emmense echtpaar, vragen de rechters om 15.03 uur, nog iets wil zeggen? De man van het paar, vriendelijk: ‘Nee, hij heeft al problemen genoeg.’

Rest op deze dag Bart.

Bart heeft in 1996 in Drachten een meisje van 10 jaar ontvoerd. Hij kreeg niet een heel lange celstraf, maar wel tbs. Nu, 23 jaar later, is hij nog steeds tbs’er en de vooruitzichten zijn voor hem belabberd.

De tbs-deskundige zegt (16.01 uur) dat de longstay lonkt, levenslang dus, hoewel dat niet zo mag heten. Bart zelf ziet meer heil in het tegenovergestelde, in een beëindiging van de tbs.
Het is het verschil tussen leven en bijna dood.

Bart vindt dat de deskundige vals over hem praat, dat ze liegt, met leugens onder ede. Hij eist daarom andere deskundigen. De rechters vinden dat niet nodig. Bart vol ongeduld (16.25 uur): ‘Ik zit hier in een gecreëerde impasse, zoveel onwaarheden, dit kan ik niet accepteren.’

De advocaat fluistert in zijn oor dat het niet verstandig is wat hij wil doen, maar Bart is radeloos. Roept: ‘Ik krijg geen eerlijk proces, ik wraak de rechtbank.’
De rechters, diepe zucht: ‘Okay, dan is het hiermee voor vandaag afgelopen.’

Een man en vrouw op de tribune verlaten de rechtszaal. Het is 17.08 uur. Zij volgen Bart en dat doen ze al 23 jaar. ‘We zien hem langzaam grijs worden.’ Nee, ze kennen hem niet, niet echt. Hij weet niet wie zij zijn, hij weet niet dat zij de ouders zijn van het meisje van destijds 10.

Rob Zijlstra

→ in de zaak van Bart komt (naar ik verwacht) komende week een wrakingskamer bijeen. Ik weet niet hoe laat

In de bonen

De rechtbankweek is nog maar net begonnen en het is al tranen met tuiten. De verdachte is een 53-jarige man die onbedaarlijk moet huilen. Hij heet Derk. Voormalig middenstander. Met dichtgeknepen keel snikt hij tegen de rechters: ‘Waarom geloven jullie mij dan niet?’

Derk is een ongelukkige man. Dat zie je ook. Zijn gezicht is een chaos, zijn ogen lijken als zwarte gaten alle wanhoop van de wereld te hebben opgezogen. Met de handen tegen de wangen probeert hij met gebogen hoofd zich twee uur lang door het strafproces heen te worstelen.

Waarom geloven jullie mij dan niet?

Op het hoofdbureau van politie aan de Rademarkt in Groningen schijnen – heb ik gehoord – in de nacht weleens mannen te komen die vertellen dat ze zijn beroofd. Dat er vanuit het niets rovers opdoken die de portemonnee wilden hebben.

Achter de balie op de Rademarkt geloven ze deze verhalen niet zonder meer. Omdat ze daar weten dat er ook mannen zijn die onbedoeld veel te veel geld zijn kwijtgeraakt in een casino. Of, nog lastiger om thuis te verkopen, aan de lustige diensten van Wilde Wilma in de rosse buurt van de stad. Thuis kun je dan maar beter slachtoffer zijn.

Terug naar de wenende Derk.

Bij de meldkamer van de hulpverleningsdiensten komt om negen uur in de avond een melding binnen. Brand in een woning. De brandweer blust het vuur, maar kan niet voorkomen dat de schade aanzienlijk is.
Zo’n 80.000 euro zou later blijken.

In de tuin achter de woning treffen de vrijwillige brandweerlieden een man aan met een hond. Het is Derk. Hij zegt dat hij knock-out is geslagen door drie mannen met bivakmutsen. Een van de vrijwillige brandweermannen die ook bijzonder opsporingsambtenaar is noteert: ‘Ik zag geen zwellingen, ik rook wel een dranklucht.’

Derk moet mee naar het politiebureau waar hij een verklaring aflegt. Hij vertelt dat hij vanaf een uur of vier die middag bier had gedronken. Halve liters. Daar was hij van in de war geraakt. Heeft hij de brand gesticht? Derk denkt van wel, maar hoe precies dat weet hij niet meer. Waarom? Hij vertelt dat hij er een einde aan wilde maken. Daar liep hij dagen mee rond. Daarom.

Als de agenten op het politiebureau vragen hoe het zit met die drie mannen met bivakmutsen, de mannen die hem knock-out zouden hebben geslagen, maakt Derk met zijn hand een wegwerpgebaar. Zegt: ’Ik was een beetje in de bonen.’

Twee dagen na de brand mag Derk het politiebureau verlaten. Naar huis kan niet. Hij zwerft door de velden, klopt aan bij het Leger des Heils, maar een slaapplek op een stapelbed wil hij niet, hij struint zonder eten door het bos waar hij de nachten doorbrengt en waar het koud is.

Dan ziet hij een politieauto rijden. Hij trekt de aandacht. In de auto vertelt hij geëmotioneerd wat er is gebeurd. Zegt dat hij nu eerlijk wil zijn. Dat hij op de bank had gezeten, dat hij wit spul uit de kussens had getrokken en dat hij dat spul met een aansteker had aangestoken. Dat hij zijn dochter had gebeld aan wie hij vertelde dat hij het huis in brand had gestoken, dat hij er een einde aan ging maken.

Hij zou de hond ook meenemen in zijn einde, maar het dier was vreselijk bang geworden voor het vuur. Zo bang dat Derk met de hond naar buiten ging, naar de tuin. Daar trof hij de brandweerman. Zo is het, zegt hij in de politieauto, gegaan. De agenten houden Derk aan en nemen hem mee.

Een wanhoopsdaad.

Rechters: ‘Toch?’
Derk schudt het hoofd. Snottert: ‘Als je de kluts kwijt bent, dan zeg je dingen die helemaal niet waar zijn… Misschien heb ik weleens gezegd dat ik er een einde aan wilde maken, maar zo ben ik helemaal niet. Denken jullie nou echt dat ik mijn eigen huis in brand zou steken? Ik heb dat niet gedaan. Waarom geloven jullie mij dan niet?’

Er volgt een nieuwe emotionele uitbarsting, over de scheiding na 31 jaar, dat hij nog steeds van haar houdt, dat hij net als Gerd Müller in de goot belandde, dat hij in een rouwproces zit. Dat hij gewoon weer een beetje gelukkig wil zijn, dat hij de drank zal laten staan, dat hij een oud bootje wil kopen om dat op te knappen.

De rechters: ‘Het was dus geen wanhoopsdaad?’

Derk: ‘Nee. Ik ben overvallen, door drie mannen met bivakmutsen op. Ze kwamen via de achterdeur binnen, ze wilden geld, ze bedreigden me met een vuurwapen. Ik moest mee naar buiten. In de tuin sloegen ze me knock-out. Daarna hebben ze het huis in brand gestoken.’

Waarom zouden drie mannen hem overvallen? Derk vertelt over een escortdame. En over haar vriend. Die wilde geld. En daarna nog meer en nog meer. Die dame had hem gebeld, dat hij weg moest gaan, omdat haar vriendje naar hem onderweg was. Zegt: ‘Ik was zo ontzettend bang.’

Derks advocaat heeft nog een andere optie in de aanbieding. Het is waar, zegt de advocaat, dat Derk door zijn drankgebruik weleens voor wat overlast zorgde in de buurt. ‘Misschien waren het wel de buren met bivakmutsen op die hem een lesje wilden leren.’

Derk zit inmiddels ruim 150 dagen vast, grotendeels in een kliniek waar ze proberen de alcohol de baas te worden. Derk vindt dat op zich wel best, maar hij wil liever naar huis, in zijn geval naar het huis van zijn laatste baas bij wie hij kan wonen en voor wie hij ook weer kan werken. Als dat zou kunnen, zegt Derk, dan heeft hij eigenlijk geen problemen meer.

De officier van justitie wil dat Derk in de kliniek blijft om de behandeling af te maken, daarna moet hij zich laten begeleiden. Vertikt hij dat, dan wacht hem nog zeven maanden gevangenisstraf. De officier van justitie zegt dat een paar jaar gevangenisstraf als eis ook had gekund want brandstichting is een zeer ernstig misdrijf.

Met de laatste tranen perst Derk zijn laatste woorden eruit. ‘Ik ben al genoeg kwijt, ik heb het niet gedaan… waarom geloven jullie mij dan niet?’

De drie rechters kijken hem na als hij de rechtszaal wordt uitgevoerd.
Waarom geloven ze Derk niet?
Dat is de vraag die zij nu moeten beantwoorden.

Rob Zijlstra

Geboren ambities

Het rukt op. Vanuit het zuiden van het land komen ze langzaam maar zeker deze kant op. Niet via de A28, maar langs slinkse sluikse wegen. Burgemeesters signaleren en roepen het en de hoogste baas van de politie in Noord-Nederland – wie kent hem niet – weet het ook. Hij maakte er een jaar geleden al gewag van: de drugscriminelen uit het zuiden komen met alles erop en eraan.

De noordwaartse opruk is eenvoudig te duiden. In het zuiden zijn ze helemaal klaar – bij wijze van spreken dan – met drugscriminaliteit. Dat doet en ondermijnt maar. De harde aanpak daar maakt dat de drugsondernemer uitwijkt naar hier, het allesverklarende waterbedeffect. Het laatste wat een crimineel wil is hete grond onder de voeten. Hij wil rust. En ruimte. Hij wil Drenthe, Groningen.

De politiebaas van Noord-Nederland zei vorig jaar tegen de krant: ‘Wij hoorden in het zuiden dat de kansen in het noorden worden gepakt.’ En ook: ‘Er zijn hier gebieden genoeg waar ambities worden geboren als je zegt dat er wat te verdienen valt.’ De hoogste baas praat cryptisch, maar hij zegt wel iets.

De ambities hebben vooral te maken met chemische drugs en de daarbij horende drugslaboratoria – kleine stinkende chemische fabriekjes – waar speed- en xtc-pillen worden gedraaid.

Als rechtbankverslaggever weet ik (inmiddels) dat tussen de werkelijkheid van het kwade buiten en die van geordende rechtszaal een wereld van verschil bestaat. Anders gezegd: misdaden in de zalen van het strafrecht vormen geen afspiegeling van de criminaliteit die buiten geschied. Nog anders: ik zie zelden grote drugscriminelen in de rechtszaal.

Het was dan ook even schrikken toen plots drie mannen van elders in de rechtbank van Groningen terecht moesten staan omdat ze betrokken zouden zijn bij de productie van chemische drugs, in een oude aardappelschuur bij een woonboerderij in 1e Exloërmond. Het zouden zelfs leden zijn van een criminele organisatie. Weliswaar geen echte zuiderlingen, maar wie uit de contreien van Den Haag en Delft naar hier komt, komt ook van ver.

In een onderzoek door mannen van de politieacademie (2017) staat dat Nederland in de wereld een topland is als het gaat om de productie van chemische drugs; van amfetamine en xtc. Wie alles verkoopt wat hier per jaar wordt geproduceerd, heeft bijna twintig miljard euro. Dat is een omzet die alle winkels van Albert Heijn in Nederland bij elkaar niet halen. Alleen met gas uit Groningen wordt meer verdiend (en vernield).

Toen de drie mannen zittingszaal 14 binnenkwamen, dacht ik van tja, iemand moet het doen, iemand moet het maken. Dus waarom dan ook niet bij Exloërmond?

In oktober vorig jaar werden ze gearresteerd. De misdaad was anoniem gemeld. De eerste meldingen maakten geen indruk. Pas toen de melder (steeds dezelfde) ten einde raad vertelde dat er ook explosiegevaar bestond, melding negen, ging de politie voor de zekerheid toch maar even kijken.

Een groots onderzoek kwam daar niet van. Geen recherche naar de organisatie, naar geldstromen, naar de ondermijnende financiers. Het werd een ‘korte klap’. Een inval met een hoop agenten, pats, boem, pers informeren, klaar.

De eerste verdachte heet Andy, een man van 51 jaar die het gedoe met schuldeisers zat was en voor de rust Den Haag verruilde voor een woonboerderij in Exloërmond. Hij wilde er iets gaan doen met grote honden. Hij liet een hek om de boerderij bouwen en camera’s plaatsen. Handig voor als hij er een keer niet was, dan kon hij de beesten digitaal in de gaten houden.

Met chemische drugs heeft hij – zegt hij – niets te maken.

De tweede verdachte is Maarten, een man van 31 jaar, ook uit Den Haag. Hij wordt De Bolle genoemd. Over hem is verder bekend dat hij graag in te dure auto’s rijdt, dat hij niets wil zeggen, dat hij de komende week voor de tweede keer vader hoopt te worden en dat hij daarom de gevangenis wil verlaten omdat zijn vrouw hem nu zo nodig heeft.

Verdachte nummer drie is Iwan uit Delft, 64 jaar, schilder. Hij noemt zichzelf een man van de wereld. Met drugs heeft hij nooit iets te maken gehad. Wel met bankovervallen, maar dat is een ander verhaal. Onderdeel van dat verhaal is wel dat hij nu nog 2.000 dagen gevangenisstraf op de lat heeft staan, uit te zitten als hij opnieuw voor iets lelijks wordt veroordeeld.

Iwan is praatgraag, maar veel zeggen wil hij niet. Waarom niet? ‘Omdat ik dan een partij oorlog krijg.’

Dus Andy woonde er en Maarten sjeesde er wel eens langs in een Audi. Van hem is een DNA-spoor aangetroffen in het lab. Iwan is verdachte omdat hij werd aangehouden in een bedrijfsbus met daarin spullen uit het drugslab. Inclusief chemisch afval.

Iwan zegt dat hij een partij pallets moest verhuizen. Voor een kennis. Daarom was hij daar. Met drugs heb hij – hij die immers schilder is – niks. Zegt: ‘Ik heb daar nog staan plassen, tegen het lab aan. Als ik, ik man van de wereld, er iets mee te maken heb, dan ga ik daar toch niet urinere, dan ga ik niet me DNA daar staan rondstrooien? Rechter. U ben toch ook een man van de wereld? Dan geloof je dit toch nie?’

De officier van justitie gelooft het wel, zij het dat hij zegt van dit drietal geen criminele organisatie te kunnen bakken. Maar het is nu eenmaal zijn taak om de korte klap van de politie justitieel af te ronden.

Andy moet wat hem betreft een jaar naar de gevangenis – hij heeft als bewoner de schuur beschikbaar gesteld en dan ben je sowieso medeplichtig. Maartens DNA is in het lab gevonden en dan zal hij ook wel iets te maken hebben gehad met de productie van amfetamine. Nu hij niks wil zeggen: niks vader, maar drie jaar celstraf.

Voor schilder annex chauffeur Iwan: anderhalf jaar. Plus die 2000 dagen die hij nog op de lat had staan. Reactie Iwan: ‘Dat was me een duur ritje dan.’

Het zijn serieuze strafeisen. Dat wel. Maar iets zegt me dat Andy, Maarten en Iwan niet de oprukkende mannen zijn over wie de burgemeesters en de hoogste politiebaas van Noord-Nederland zich zorgen maken. De echte oprukkende mannen – de mannen van de miljarden – weten vooralsnog uit de rechtszaal te blijven.

Of de burgemeesters en de politiebaas roepen maar wat. Dat kan ook.

Rob Zijlstra

rapport politieacademie


UPDATE – 16 april 2019 – uitspraken
Maarten is vrijgesproken. Het aantreffen van zijn DNA in het lab is onvoldoende om hem te kunnen linken aan de productie, redeneren de rechters. Iwan kreeg 164 dagen celstraf (duur voorarrest) met een bonus van 180 dagen (van de 2000 die nog openstonden). Bewoner Andy is geen medepleger, maar medeplichtig: tien maanden cel.

 

Rechtbankverslaggever op het matje

update

Ik  moet moest mij vrijdagmiddag (5 april) in Amsterdam verantwoorden voor de Raad voor de Journalistiek. Een rechter over wie ik in juli 2018 een artikel schreef, heeft een klacht tegen mij ingediend. Ik zou ‘onjuist, onvolledige en tendentieus’ over hem hebben bericht.

De klacht richt zich ook tegen de hoofdredacteur van Dagblad van het Noorden, Erik Wijnholds.

Het is goed dat journalisten ter verantwoording kunnen worden geroepen. Want soms maken wij er  een potje van.  Misschien is het waar en heeft deze  rechter gelijk. Rechters hebben in hun oordelen bijna (bijna) altijd gelijk. Maar in dit  geval is het volgens mij anders.  Ik heb wel een lelijk verhaal geschreven over deze rechter, maar niet ‘onjuist, onvolledige en tendentieus’.

De nuance in het gewraakte verhaal spat er vanaf. Dat vind ik.

Mocht de rechter in het gelijk worden gesteld, dan zal ik daar op deze plek ‘juist, volledig en niet tendentieus’ over berichten. Ik ga nu bewust niet in op het geschil. Dat zou  geen recht doen aan mijn tegenpartij die hier – op dit blog – immers niets te zeggen heeft.

      • De  zitting is geweest, beide partijen zijn aan de tand gevoeld en hebben hun standpunten nogmaals uiteen kunnen zetten.  Het  aanbod van rechter Joep de Locht – gedaan tijdens de zitting –  de kwestie ‘te schikken’ middels een rectificerende tekst  heb ik afgewezen. Ik hecht aan het oordeel van de Raad voor de Journalistiek.
      • Overigens, dacht  ik dat de reguliere rechtspraak traag was, de Raad voor de Journalistiek weet ook van wanten: uitspraak over twaalf weken.

    r.z.

  • raad voor de journalistiek

    klik voor volledig artikel

     

     

 

 

 

 

update – 6 april 2019

in balans

Als een zaak ‘onder de rechter’ is, is het beter om  te zwijgen en het oordeel af te wachten, in dit geval het oordeel van de Raad voor de Journalistiek.  Om die reden vind ik het  niet gepast in te gaan op het geschil dat ik heb met rechter De Locht. Ook omdat ik mij realiseer  dat het voor rechters lastig is publiekelijk te reageren.

Maar nu reageert een collega-rechter van De Locht. Ik plaats (met zijn instemming) zijn reactie hier. Omdat een verhaal altijd (vaak) twee kanten heeft. Voor de balans.

 

Het is niet echt fair om op je eigen podium te zeggen dat je niet op de zaak in gaat. Je doet het natuurlijk door er een artikel aan te wijden, het gewraakte artikel erbij te zetten en te stellen dat je vindt dat de nuance eraf spat.

Een rechter kan moeilijk publiek reageren, zeker als het over hemzelf gaat; hij is een sitting duck. Als directe collega van mr. De Locht ken ik de zaak wel een beetje. Om de kwestie wat in balans te brengen, reageer ik toch maar.

Volgens de Leidraad van de Raad voor de Journalistiek geldt als uitgangspunt dat journalisten waarheidsgetrouw, controleerbaar en zo volledig mogelijk berichten en dat ze eenzijdige en tendentieuze berichtgeving vermijden. De oudere Code voor de Journalistiek verwoordt het wat scherper: “De journalist brengt in de berichtgeving een duidelijk onderscheid aan tussen feiten, beweringen en meningen.”

Al in juli 2018 stuurde de president van de rechtbank een “Ingezonden stuk brief/commentaar/mening Dagblad van het Noorden” aan de krant. Misschien heb ik het over het hoofd gezien, maar bij mijn weten is deze reactie nooit met het publiek gedeeld. Waarom eigenlijk niet?

De president schrijft: “Terug naar het artikel. In het artikel staat over het incident op 8 mei 2016 in de derde alinea het volgende: “Op het volle terras krijgt Nico Salas te horen dat hij een ‘asociale buitenlander’ is die ‘niet eens fatsoenlijk Nederlands kan praten’ en bovendien ‘een hufter die vrouwen lastigvalt’. De Locht bijt zijn clubgenoot toe: ‘Jij hoort hier niet thuis’.”

Het eerste citaat is tevens de kop van de alinea, het laatste citaat is extra uitgelicht. De journalist geeft in zijn verantwoording onder het artikel aan uit welke stukken de citaten afkomstig zijn.
Uit deze stukken blijkt echter niet dat betreffende uitspraken door de rechter zijn gedaan. Wel zijn deze terug te lezen in de aangifte die Salas deed tegen de rechter naar aanleiding van het incident.
 Ik constateer dan ook dat het artikel niet klopt en suggestief is.”

De president vroeg zich vervolgens af of het ernstig dat het artikel slordig met de feiten omgaat. Ze antwoordde: “Ik vind van wel. In de rechtspraak baseren we ons op de feiten. Daar is in dit geval geen sprake van. Dit is onnodig beschadigend.”

De Leidraad voor de Journalistiek zegt letterlijk dat beschuldigingen alleen worden gepubliceerd wanneer onderzocht is of hiervoor een deugdelijke grondslag bestaat, zeker wanneer die beschuldigingen werden geuit door personen die in conflict verkeren met de beschuldigde.
Ik heb begrepen dat wel wordt toegegeven dat de bron alleen de heer Salas is. Als dat waar is, heeft de krant over mr. De Locht kwalijke feiten gepubliceerd, terwijl het in werkelijkheid alleen maar gaat om de mening van iemand over mr. De Locht. In dat geval is een rectificatie op haar plaats. Daar hoeft toch geen Raad voor de Journalistiek aan te pas te komen?

Edzard van Weringh (rechter)

 

 

Roodgloeiend

Dit verhaal gaat over de man die er niet meer mag zijn. De man leeft, dat wel. Zelf hoeft hij niet zo nodig. Hij heeft schijt aan het leven. Dat laatste roept hij boos door de rechtszaal, terwijl hij een brief verfrommelt en die woest van zich af gooit. De woorden die hij had willen zeggen vallen onuitgesproken op de grond.

Hij had een parkiet, maar die parkiet is dood. Het beestje is vorige maand gestorven in zijn grote, brute handen. Hij zegt: ‘Ik heb nooit zoveel van iets gehouden als van dat vogeltje.’

De man die er niet meer mag zijn heet Dirk. Hij is 69 jaar, een geboren Amsterdammer. Ik heb vaak over deze man geschreven en iedere keer weer probeer ik hem te vangen in passende woorden. In 2000 beschreef ik hem als een imposante verschijning, kwiek als een atleet, explosief als een wereldkampioen, met diepliggende ogen, enorme handen. Op z’n hoede, loerend, bloedlink. Hij werd toen in de rechtszaal omringd door acht leden van een speciale politie-eenheid. Dat was niet voor niets, ’t was voor ieders veiligheid.

Karate Dikkie luidde in de jaren zeventig en tachtig in de cafés van Groningen zijn bijnaam.

Negen jaar later zag ik iets anders. De imposante verschijning uit 2000 was in 2009 veranderd in een 140 kilo zwaar en vormeloos mens dat voetje voor voetje de rechtszaal binnen schuifelde, labiel en met geopende mond waaruit rochelende geluidjes kwamen. De advocaat vertelde aan de rechters dat Dirk in voortdurende afzondering leeft, in eenzame opsluiting. De advocaat: ‘Hij zit in een cel van drie bij vier meter, met een vogeltje, hij mag geen contact hebben met anderen, hij wordt een uur per dag gelucht en mag zo nu en dan zijn moeder bellen. Dat is alles.’

In 2000 werd de levenslange gevangenisstraf tegen hem geëist. Een jaar daarvoor, in oktober 1999, was hij aangehouden. Hij was onder invloed met een auto van de weg gereden. Terwijl hij opstandig op het politiebureau in Assen zat, moest de moord die hij twee uur daarvoor in Groningen had gepleegd nog worden ontdekt. Rechter Frank Wieland – nu de rechter van Willem Holleeder – legde geen levenslang op, maar 14 jaar cel en tbs met dwangverpleging voor doodslag op de 27-jarige Tjirk van Wijk.

Tjirk van Wijk was een willekeurig slachtoffer die geen schijn van kans maakte toen Dirk hem in een weerzinwekkende geweldsexplosie met een mes te lijf ging, terwijl mededader Henk beneden in de woning van Tjirk een liedje tokkelde op zijn gitaar.

Toen Dirk hoorde dat hij tbs kreeg in plaats van levenslang, brieste hij dat de doodstraf humaner is.

De veroordeling tot tbs maakt dat hij om de twee jaar naar de rechtbank in Groningen moet voor een verlengingszitting. In zijn geval betekent dat dat het Openbaar Ministerie de rechtbank vraagt de tbs-maatregel met twee jaar te verlengen omdat hij onverminderd gevaarlijk is en dat wij van de maatschappij tegen hem moeten worden beschermd. De rechtbank wijst deze vordering vervolgens toe, want de deskundigen die over hem rapporteren melden keer op keer dat alle seinen op rood staan.

Op roodgloeiend.

Dirk is met de kennis van nu onbehandelbaar. Hij slijt het leven op een intensieve zorgafdeling voor extreem beheers- en vluchtgevaarlijke mensen. Afgezonderd, zonder contacten met anderen. Inhumaan, maar ’t kan niet anders want we weten vooralsnog niks beters.

Ondanks zijn leeftijd van 69 jaren, ondanks zijn gestel en evenwichtsstoornissen wordt hij nog altijd de rechtszaal binnengeleid, nu door vier mannen van zo’n speciale politie-eenheid. Mannen die zo sterk zijn dat ze alleen nog maar nors kunnen kijken.

Op de publieke tribune zitten ook nu weer de broers en zusters van Tjirk. En zwager Mans. Zij volgen al bijna twintig jaar de ontwikkelingen, even verdrietig als kritisch, op de voet. Je kunt gerust zeggen dat zij hun Tjirk na diens zinloze dood geen moment alleen hebben gelaten.

De verlengingszitting is ditmaal om onduidelijke reden in de rechtbank van Leeuwarden. Dirk komt met kromme rug stapje voor stapje de rechtszaal binnen. Even houdt hij stil en kijkt hij om zich heen. Met luide stem: ‘Goeiemorgens, dit is nogal een mooie studio.’ Vervolgens waggelt hij traag naar de eenvoudige stoel waarop verdachten geacht worden te gaan zitten, in de rechterhand de brief die hij straks boos zal verfrommelen.

Hij draagt een verschoten spijkershirt, een flinke ketting hangt zwaar om de nek, de grijzige baard is onverzorgd. Sloffen. De rechters zeggen tegen hem dat de officier van justitie de tbs met twee jaren wil verlengen. Hoe hij dat ziet. Dirk: ‘Verbazingwekkend. Officieren van justitie zijn niet de meest sympathieke mensen, bovendien ken ik hem niet. Wat nog veel erger is, is dat hij mij ook niet kent.’

Hij vertelt dat hij in het verleden een keer tbr heeft gehad, de voorloper van tbs. ‘Ik ben toen tot in de puntjes van de leer verzorgd. Maar nu, nu zit ik daar in erbarmelijke omstandigheden.’ Tegen de rechter: ‘Mevrouw, jullie hebben daar geen hoogte van.’ Hij zegt dat hij twee keer per dag zijn cel mag verlaten, een half uurtje per keer. En dat dat al acht jaren zo gaat.

Sinds zijn achttiende is hij eigenlijk nooit een vrij man geweest. In de korte periodes tussen de gevangenisstraffen in pleegde hij zijn geweldsmisdrijven.

De zitting vult zich met formaliteiten. Iedereen weet wat de uitkomst zal zijn. De tbs zal worden verlengd, wat zijn advocaat ook zegt. Hij wil wel naar het Pieter Baan Centrum. Hij wilde dat eerder nooit omdat zijn vogel niet mee mocht. Nu het beestje dood is, zou hij kunnen. Een nieuwe vogel mag hij niet meer.

Als de rechter vraagt of hij tot slot nog iets wil zeggen, pakt hij de brief. Graag. Hij vertelt dat hij bij zijn oma woonde toen zijn vader op hem schoot, vier kogels in de borst, eentje in zijn hoofd. Dat er psychisch iets met je gebeurt als je dan nog maar 20 bent. Dat… De rechter onderbreekt hem, ze vindt het wel goed zo.

Dirk briest. Verfrommelt de brief. Roept: ‘Mag ik dan niks meer zeggen? Ik heb schijt aan dit leven, ik hoef dit leven niet zo nodig.’

De beresterke mannen springen op, begeleiden hem de rechtszaal uit en brengen hem terug naar de zwaarst beveiligde vierkante meters van het land.

Rob Zijlstra

UPDATE – 3 april 2019 – uitspraak
De tbs is geheel volgens de verwachting met twee jaren verlengd. Klik op onderstaande afbeelding voor de beslissing van de rechtbank.

 

lees ook: De lastigste gedetineerde van Nederland [dit verhaal is gepubliceerd in het true crime magazine Koud Bloed, nr. 11 / 2010, Nieuw Amsterdam, uitgevers]

Dirk de V., in zittingzaal 14 – 19 jaar geleden, met zijn advocaat en rechter Frank Wieland / tekening: annet zuurveen

Vonnis in ‘Raadsel van Siddeburen’

De rechtbank heeft uitspraak gedaan in een zaak die al ruim negen jaar op een antwoord wachtte: volgens de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat Kasem M. (71) in januari 2010 zijn toenmalige partner Ilham Benchelh om het leven heeft gebracht in hun woning in Siddeburen.  Het motief: het stel lag in scheiding en M. was bang dat hij daardoor en de woning en zijn zoontje – toen een jaar oud – kwijt zou raken.

Het lichaam van Ilham Benchelh is nooit gevonden.

De rechtbank gaat uit van doodslag. De opgelegde straf is de zwaarste straf die voor dit delict kan worden opgelegd. De eis van 12 jaar vindt de rechtbank geen recht doen.

Hoe het klinkt als iemand tot 15 jaar cel wordt veroordeeld? Hieronder het vonnis zoals dat dinsdagmiddag in zittingszaal 14 werd uitgesproken door de voorzitter van de rechtbank Jeroen van Bruggen.

 

→ Meer over deze zaak: een groot konijn

→ Veroordeeld tot 15 jaar, maar hoe u verder?

 

De lelijke vogel

Ik keek en luisterde afgelopen week naar drie inbrekers. Twee van de drie zijn jongelingen, zij staan misschien wel aan het begin van een carrière. De derde is een oude rot die met inbreken wil stoppen. Hij wil nu ervaringsdeskundige worden.

De oude rot heet Rick, is 44 jaar, geboren in Winschoten. Ooit ging het goed met hem. Hij was laborant met een baan. Hoe het is gekomen werd in de rechtszaal niet verteld, maar op een dag was Rick geen laborant meer, maar junk. Vandaag de dag heet dat een verslaafde veelpleger. Hoe dan ook, de drugs namen de regie van zijn leven over en er was geen ontkomen aan; de drugsverslaving vloog als een lelijke vogel achter hem aan.

In 2012 – Rick was toen al een jaar of tien op inbrekerspad – legde de rechtbank hem de zogenoemde isd-maatregel op, bedoeld voor veelplegers als hij. De maatregel betekent dat je twee jaar op water en brood leeft en heel veel hulpverlening moet ondergaan. Toen hij klaar was, leek hij genezen. Er kwam een vriendin en hij keerde niet terug naar zijn foute vrienden. Het zou toch nog goed komen.

Dus niet. De lelijke vogel had hem opgewacht. De relatie liep stuk en met niks keerde Rick terug naar Groningen. Binnen een dag was hij weer junk. Tegen de rechters zegt hij: ‘Groningen is mijn grootste fout geweest.’

Verslaafde veelplegers leven van onze spullen. En die spullen zijn overal, wat het leven van mannen als Rick enigszins dragelijk maakt. Inbreken is voor hen een makkie. Je hebt er niet eens lef voor nodig, zegt zijn advocaat Cees Eenhoorn die al bijna veertig jaar inbrekers bijstaat.

Eenhoorn: ‘Wie verslaafd is, is zonder geweten. Zolang er drugs in het lichaam zijn, is het geweten uitgeschakeld. Bij een verslaafde draait alles om ikke ikke, ikke, je bent een top-egoïst. Het is de slechtste eigenschap van de drugsverslaafde.’

Rick knikt. Als deskundige kan hij dat beamen. Nu, nu hij in de rechtszaal zit, heeft hij spijt. ‘Als je gaat inbreken denk je daar niet aan.’ Hij drong woningen binnen waar mensen lagen te slapen. Een vrouw had keihard gegild, hij trof eens een man in de blote kont. Rick: ‘Dat is dan best wel wat ongemakkelijk, maar ja…’

Hij had gezien dat op de eerste verdieping een deur openstond en dat er een brandtrap was. ‘Binnen kwam ik een meneer tegen. Die zei dat ik weg moest gaan. Dat snap ik nu wel, maar toen dus niet.’ Hij ging er vandoor met een tosti-ijzer en een messenset. Elders zag hij zomaar op de grond een koevoet liggen, hij wrikte toen maar een bovenraampje open, een tablet was zijn buit.

Een ladder in een voortuin inspireerde hem om via het balkon door een openstaand raam te klimmen. Zo werd hij sieraden rijker. Elders in de wijk (Helpman Groningen) ging het mis. Toen hij door een raampje wilde kruipen kukelde hij naar beneden en scheurde zijn spijkerbroek. Hij nam mobiele telefoons mee, maar liet onbedoeld een lapje spijkerstof achter. De politie onderzocht dat (dna) en toen de uitslag binnenkwam zeiden de agenten: ‘Kijk nou, ’t is onze Rick.’

Rick heeft alles opgebiecht en de aangerichte schade wil vergoeden. Lijkt hem logisch. De officier van justitie komt met een dreigend verhaal over leedtoevoeging, ‘een van de doelen van straf’. Zegt dat hij in deze zaak wel drie jaar cel kan eisen. Maar ook dat hij de behandeling die Rick momenteel in een kliniek ondergaat niet wil doorkruisen met een kale celstraf.

Wat volgt is maatwerk. De aanklager eist 646 dagen celstraf waarvan 540 dagen voorwaardelijk. Het verschil is het aantal dagen dat Rick al heeft vastgezeten. Voorwaarde is dat hij in de kliniek blijft, voor nog zeker een jaar. En daarna moet hij minimaal drie jaar van de drugs en de drank afblijven. Doet hij dat niet, dan wachten hem die 540 dagen celstraf. En om toch nog wat ongemak toe te voegen: een taakstraf van 180 uren. Dit zijn de eisen.

Rick belooft de rechters dat hij nooit weer in Groningen zal komen, zijn toekomst als ervaringsdeskundige zal in de regio Zutphen zijn. Een van de gedupeerden, een grote man, hoort het maatwerk hoofdschuddend aan. Rick had bij hem een elektrische fiets uit de garage gehaald. Op klaarlichte dag. De man zegt tegen Rick, op vriendelijke toon, dat wel: ‘Wees blij dat de politie je heeft gepakt en niet ik.’

Rick knikt, hij begrijpt wat de grote man bedoelt.

De twee jongelingen zijn Jaap en Jopie, 18 en 20 jaar. Zij begrijpen er nog niet veel van. Ze hebben ingebroken in de voetbalkantine van FC Ter Apel en in het gebouw van de tennisclub. De buit: kratten bier, tv-toestel, een laptop, honderden euro’s. Waarom ze het deden? Tja. Weet niet. Zomaar of zo. Spijt? Jaap: ‘Ja.’ Jopie: ‘Pff.’
Onder invloed? ‘Heel veel speed.’

Ze hadden ook een woning ‘gedaan’, een woning van een kennis waarmee de moeder van Jopie ruzie had. Ze wisten dat de bewoners op vakantie waren. Spullen van waarde werden meegenomen en voor weinig verpatst bij Used Products in Emmen. Wat in de woning achterbleef, werd vernield. De foto’s uit de lijstjes aan de muur, de spaarpotten op de kinderkamers, het terrarium met daarin een vogelspin. De officier van justitie spreekt van plundering.

Jaap en Jopie zeggen dat dat van het inbreken wel klopt ja. Maar die vernielingen? Weten ze niet meer. Vergeten.
Het is ook al vijf maanden geleden.

Hun detentie is geschorst, ze zijn in behandeling en als ze dat vol weten te houden, hoeven ze wat het Openbaar Ministerie betreft niet terug naar de gevangenis. Dat hebben ze te danken aan het positieve advies van de reclassering die de toekomst van de twee beginners met vertrouwen tegemoet ziet.

Jopie is het daar roerend mee eens: ‘Als alles nu positief is, waarom zou het dan weer negatief moeten worden?’
Jaap, voor alle zekerheid: ‘Als ik wel terugmoet naar de gevangenis, wil ik naar een gevangenis voor volwassenen. Van jeugddetentie word ik niet beter.’

Onervaren hangen ze in de verdachtenbank, verveeld, af en toe grimassen ze wat naar elkaar. Jopie zegt dat hij chagrijnig wordt van alle vragen van die rechters.

Ze weten niet dat buiten de vogel wacht. Een stevig gesprek met een ervaringsdeskundige zou voor Jaap en Jopie zo gek niet zijn.

Rob Zijlstra

de uitspraken volgen

Inrichting voor Stelselmatige Daders – isd

→ Used Products in Emmen laat weten niet blij te zijn met de vermelding in dit verhaal.  Het bedrijf zegt dat er  alles aan wordt gedaan om te voorkomen dat gestolen spullen worden ingekocht. Verkopers moeten zich legitimeren en worden opgenomen in een inkoopregister.  De politie kijkt mee. Het kan onbedoeld fout gaan, bijvoorbeeld als  aangeboden goederen nog niet als gestolen staan geregistreerd [rz]

 

Een goede uitslag

Rechtbankverslaggevers houden elkaar tijdens rechtszaken een klein beetje in de gaten. Rechtszalen in Nederland zijn daardoor, vooral via Twitter, met elkaar verbonden. Ik stuur weleens een kort berichtje naar een collega als ik zie dat hij of zij een artikel 6 van de Wegenverkeerswet gaat doen. Ik tweet dan bijvoorbeeld ‘Sterkte vandaag, groet’n uit Groningen’. Dan weten ze, zittingszaal 14 leeft mee.

Artikel 6 zijn de strafzaken met alleen maar verliezers. Dat is het cliché. Maar zo plat is het niet, artikel 6 in het echt is huiveringwekkend, ik durf wel te schrijven: is angstaanjagend.

Het artikel zegt, vrije vertaling, dat het verboden is dat je je in het verkeer zo gedraagt dat er door jouw schuld een ongeluk ontstaat waardoor iemand ernstig gewond raakt of komt te overlijden.

Nu weet iedereen dat ons gedrag in het verkeer nou niet bepaald getuigt van beschaafdheid. In plaats van hoffelijk zijn we liever wat hufterig en met de regels nemen we het niet zo nauw, de risico’s voor lief.

Zet’m op, tweette ik naar mijn collega die vorige week in de rechtbank van Assen verslag moest doen van het hartverscheurende verkeersdrama in de Lonerstraat in Assen. Jongen van 19 reed vorig jaar september in de Mazda van zijn oma tegen een boom. Zijn voetbalmaten Roy en Robbin die bij hem in de auto zaten waren op slag dood.

Wij rechtbankverslaggevers huilen niet, de tranen zijn voor de nabestaanden en de vrienden. Maar brokken in de keel zijn ons niet vreemd. Artikel 6-zaken zijn nog heftiger wanneer er alcohol in het spel is. Dan komt artikel 8 erbij. In Assen was dat het geval.

Bij ernstige verkeerszaken met alcohol komt Gerri Eickhof van het 8-uur-journaal, komen de regiocorrespondenten uit Amsterdam en zijn er politici, nooit te beroerd om voor camera’s zwaardere straffen te bepleiten.

De grimmigheid van deze aangrijpende zaken en de aandacht die ervoor is, staat in schril contrast met de strafzaken waarbij geen doden en gewonden zijn gevallen, waar geen nabestaanden verdrietig op de publieke tribune zitten, waar de perstafel nagenoeg onbezet is.

Tussen negen uur en kwart voor twaalf ’s ochtends staan achtereenvolgend acht verkeerszondaars terecht voor de politierechter. Op eentje na zullen ze het zeker weten nooit weer doen. Dat zegt bijvoorbeeld C. (23) uit Uithuizen. Hij werkt in de horeca. Na de laatste gasten dronk hij nog en paar biertjes met collega’s en stapte daarna in de auto van zijn huisgenoot. Een rijbewijs heeft hij niet. Het alcoholgehalte is vijf maal hoger dan mag.

Zegt: ‘Ik was fout.’
Politierechter: ‘Ho ho, fout? Volstrekt onverantwoord.’
C.: ‘U heeft gelijk.’
Rechter: ‘U had wel iemand dood kunnen rijden. Zijn er ook mensen die dat tegen u zeggen?’
C.: ‘Ja, bijna iedereen zegt dat.’
Rechter: ‘Hm, nou, dat stelt me dan een beetje gerust.’

C. krijgt een boete van 550 euro. De rijontzegging van vier maanden die de officier van justitie eist, blijft hem bespaard. In dat geval zou hij ook de rijlessen die hij volgt, moeten staken. De rechter geeft hem een joekel van een kans: ‘Ik wil namelijk dat u snel uw rijbewijs haalt.’

Ook de 21-jarige J. uit Groningen, derdejaars student, krijgt zo’n joekel. Hij stond op een feestje ondersteboven van de drank. Hij zag alles dubbel, behalve zijn vriendin, die zag hij nergens. En dus sprong hij zat op de scooter om haar te zoeken. Het verplichte traject van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR) heeft hij doorlopen, had hem 1200 euro gekost. De rechter doet daar nog een boete van 650 euro bij.

De student: ‘Hier leer ik van.’

Dat zit anders bij R. (52) uit Nieuwe Pekela. In 2003 werd hij gepakt met drank op achter het stuur. Zijn rijbewijs werd ingevorderd en ongeldig verklaard. Jaren was hij bezig het terug te krijgen. Op een dag dacht hij, ik ben wel klaar met het systeem, ze zoeken het maar uit.

R. is in de voorbije vijftien jaar drie keer gepakt voor rijden zonder rijbewijs. Hij wil doen geloven dat dat ook de enige keren waren dat hij achter het stuur was gestapt, de laatste keer even naar de schoonouders, maar 500 meter verderop.

De officier van justitie: twee weken celstraf. R. reageert: ’Prima. Stuur mij maar twee weken op, lekker met zes mannetjes op een cel.’ De rechter: ‘Ik sta nooit te popelen mensen naar de gevangenis te sturen, maar nu u zo nadrukkelijk de vinger opsteekt: twee weken cel.’ Op de gang is ook zijn vrouw blij: ’Twee weken? Mooi, heb ik rust.’

Verdachte I. (47) is niet uitgelaten. Bij hem was het geen drank, maar deed een joint hem de das om. De relatie was verbroken, net een huis gekocht, twee jonge kinderen, hij was op zoek gegaan naar wat mentale rust. In die toestand werd hij aangehouden in zijn auto. Bloedonderzoek toonde 21 microgram THC per liter bloed aan. Ver over de grens. Omdat zijn rijbewijs werd ingenomen, raakte hij zijn baan kwijt. Een inspecteur moet nu eenmaal overal naar toe, lukt dat niet, dan voor hem tien anderen.

De politierechter houdt rekening met het baanverlies en beperkt zich tot een boete van 700 euro die in zeven termijnen betaald mag worden.

Zij die niemand doodreden, maar het risico voor lief namen, zijn mannen van alle maten.

N. (66) had wijn gedronken en was toen, in december vorig jaar, in de auto gestapt. Een agent in vrije tijd zag hem slingerend door Groningen rijden en waarschuwde collega’s. Na een stopteken te hebben genegeerd werd N. door drie politieauto’s klemgereden. Het was niet zijn eerste keer.

De rechter foetert. Dat hij toch beter moet weten. ‘U weet immers wat chemische processen van alcohol met het menselijk lichaam doen.’

Nu zijn rijbewijs is ingevorderd kan N. zijn werk niet uitvoeren. ‘Ik ben brodeloos’ moppert hij tegen de rechter aan wie hij zijn financiële situatie schetst. ‘Ik word hard getroffen.’

Ook hij krijgt een joekel van een kans, een boete van 750 euro. Te betalen in termijnen.

Ik kijk de man na. Buiten de rechtszaal roept hij vrolijk: ‘Ik heb een goede uitslag.’ Ik denk: zou zo’n man ook lopen zaniken over geld als hij met zijn dronken harses iemand dood had gereden? Van een huisarts verwacht je iets beters.

Rob Zijlstra

artikel 6 Wegenverkeerswet

 

Meer voor mannen

Wanneer een rechtbank vijf dagen uittrekt voor een strafzaak, dan gaat het ergens over. Tenminste dat mag je in tijden van schaarste toch hopen. En?

Er zijn zeven verdachten, zes mannen en een vrouw. Een aantal van hen zat maanden in voorarrest. Dan moeten de verdenkingen ernstig van aard zijn.

De politie heeft ook onmetelijk veel tijd en energie in dit onderzoek, onder de naam Turgon, gestoken. Het strafdossier telt duizenden pagina’s. De dossiermappen naast elkaar doen een meter of vijf. Ik weet niet of het wordt bijgehouden, maar wat zou zoiets kosten? Een paar miljoen euro of zo? Onderzoekje waard.

Een van de mannen die aangifte heeft gedaan – het vermeende slachtoffer B. – is met zijn gezin in een beschermingsprogramma geplaatst. Dan krijg je een nieuwe identiteit die een veilig nieuw leven elders mogelijk moet maken. Je komt in zo’n programma wanneer je leven gevaar loopt vanwege verklaringen die je bij de politie hebt afgelegd. Alleen dit feit al maakt dat het een zaak betreft die onder hoogspanning staat.

De verdachten hebben geen weerloze voorbijgangers achter rollators weggetrokken, tot moes gestampt om er vervolgens met de poet vandoor te gaan. Ze hebben geen spelende kinderen uit zandbakken gesleurd, geen hulpverleners gemolesteerd of bushokjes vernield, ze hebben niet eens iets ondermijnd.

Wat wel?

Ze hebben volgens het Openbaar Ministerie twee mannen die zelf ook lid waren van No Surrender afgeperst. De twee werden bedreigd met narigheid, met het afknippen van vingers en het wegbranden van een tatoeage met een strijkijzer. De mishandeling ging gepaard met daadwerkelijke klappen.

B. zou in de val zijn gelokt, gedrogeerd met drugs, toen zijn afgerost, meegenomen in een busje (ontvoering) om uiteindelijk in onderbroek te worden gedumpt in een koud en verlaten donker bos. Onder doodsbedreigingen zou hij 5.000 euro in de vorm van een zak wiet hebben afgestaan. L. is naar eigen zeggen zo’n 4.000 euro lichter gemaakt.

Als dit waar is, dan was de welgemanierdheid ver te zoeken. Mannen, ook als lid van een motorclub, horen in tijden van vrede zo niet met elkaar om te gaan. Dan mag het afpersing heten of diefstal met geweld. Het past ook bij het beeld dat sommige motorclubs graag uitstralen: een club met ruige mannen die samen gezellig bier drinken, maar zich ook buiten de wet stellen.

Outlaws.

De zeven verdachten zeggen dat het allemaal klinkklare larie is wat de twee vermeende slachtoffers beweren. Er is niks afgeperst. Door L. is wel geld afgegeven, maar dat betrof achterstallige contributie (honderd euro per maand).

Dat B. hen heeft herkend, hun namen heeft genoemd, zal zo wezen, ze waren er niet bij. Een van de verdachten heeft een wit werkbusje waarin bloed (dna) is aangetroffen van B. De buseigenaar zegt dat hij zijn werkbus die avond had uitgeleend. Hij wil niet vertellen aan wie. Principes. Ook niet als hij zichzelf daarmee kan vrijpleiten? Nee. Bloed van B. zat ook op de motorhandschoen van D., van de man die zou hebben geslagen. Hoe dat kan? ,,Geen verklaring voor.’’

Dan zijn er de vermaledijde telefoons van vandaag de dag. Telefoons zijn smart en onthouden van alles. Politieonderzoek naar telecomgegevens laat zien dat de telefoons van de verdachten op de avond van de afpersing onderling veelvuldig contact hebben, dat ze bij elkaar komen in Vinkhuizen, dat ze samen in Eelde zijn op het tijdstip van het pak slaag, daarna gaan de telefoons in optocht naar De Papiermolen in Groningen waar de zak met wiet is afgedragen en tot slot verplaatsen de toestellen zich richting Glimmen waar B. het bos werd ingestuurd.

Een werkbus uitlenen is niet heel verdacht, maar dat de verdachten die avond ook allemaal hun telefoons hadden uitgeleend, zal bij de rechters wenkbrauwen doen fronzen. Toen schoenafdrukken nog als bewijsmiddel werden aangevoerd, leenden boeven hun schoenen uit. Dat zeiden ze toen.

De verdachten zijn ook afgeluisterd in de gevangenis en vertelden aan vertrouwd bezoek dingen die ze beter niet hadden kunnen zeggen. Gepraat van verdachten is opgenomen in het toenmalige clubhuis van No Surrender in Emmen. Het motorhonk hing niet alleen vol dingen voor mannen, maar ook vol met piepklein technisch vernuft waarmee de politie op afstand alles kon horen. De luisteragenten horen dat met trots over de afranseling van B. wordt gesproken.

Lijkt er een keertje een strafzaak te zijn van van crimineel belang en omvang, blijken de outlaws, mits schuldig, een stelletje amateurs. Een wetsovertreder die van vandaag is, weet dat je geen telefoon meeneemt naar de plaats van het delict. Die weet dat je in de gevangenis wordt beluisterd waar je bij staat.

B. spreekt zijn voormalige broeders in de rechtszaal toe via een vooraf opgenomen geluidsbestand. Hij spreekt van ‘jullie uitschot van het laagste niveau’. De man die hem zou hebben afgerost met de handschoenen noemt hij een pannenkoek. B. klinkt allesbehalve bang, maar hij zegt dat hij dat wel is. En hoe. ’Ik ben bang voor het onverwachte, bang om zomaar ineens doodgeschoten te worden. Door jullie ben ik niemand meer. Wees trots op jezelf.’

Zijn advocaat heeft een krantenartikel voor de rechters meegenomen waarin staat dat het geen pretje is om met je vrouw en kinderen in een beschermingsprogramma van justitie te moeten leven. Je zit dan niet in de tropische zon. B. eist ter compensatie van zijn ontwrichte leven 65.000 euro.

De politie was gretig. Daags na de afranseling mocht B. het ziekenhuis verlaten. Eenmaal buiten, met een sigaret vol verlangen in de aanslag, ziet hij tot zijn schrik mannen staan van No Surrender. Op dat moment ook biedt een hem onbekende man een vuurtje aan. De man zegt zachtjes dat hij van de politie is. Of hij wil praten, verklaringen wil afleggen? B. schrikt nog meer. Zegt dat praten met de politie betekent dat hij zijn doodvonnis tekent.

Hij zal dat later toch doen. Door de rechtszaal galmt zelfverzekerd zijn stem. ‘Ik heb de omerta verbroken, omdat jullie mijn gezin hebben bedreigd.’

Aan het einde van de derde zittingsdag komt het Openbaar Ministerie met de voorlopige resultaten van het verbreken van de omerta: celstraffen van dertig maanden tot acht jaren.

Maandag komen de advocaten. Ze zeiden: ‘Wacht maar af…’

Rob Zijlstra

uitgebreide verslagen van de zittingsdagen:
dag 1 [dinsdag]
dag 2 [donderdag]
dag 3 [vrijdag, requisitoir]

dag 4 [maandag, pleidooien]
dag 5 [dinsdag, pleidooien]

uitspraken: 23 april

 

Met droge ogen

Wie wordt verdacht van een strafbaar feit dat-ie wel heeft gepleegd, maar waarvoor hij niet op de blaren wil zitten, heeft meer nodig dan een goede advocaat en een slechte rechter. Je moet de misdaad niet alleen bot ontkennen, maar je moet ook kunnen ontkennen. Dat laatste is in de rechtszaal een duchtige opgave. Goed liegen is een kunst die maar weinigen is gegeven.

De mens zit nu eenmaal zo in elkaar dat een bekentenis eerder voor waar wordt aangenomen dan een ontkenning.

Deze week zat een man in zittingszaal 14 die wordt verdacht van een gewapende overval op de Aldi in Delfzijl-Noord. Hij zit vast en ontkent. De strafzaak wordt in mei inhoudelijk behandeld. Deze week wilde hij alvast naar huis, maar de rechters vonden dat geen strak plan.

Er liggen bewijzen die zo stevig zijn dat de officier van justitie glunderend in de rechtszaal stond. Met ingehouden plezier, want het betreft een ernstige zaak: ‘De overval stond zelfs genoteerd in zijn agenda. Op datum en tijdstip. Ik hou van dit soort criminelen.’

Er zijn verdachten – zeldzaam, maar ze bestaan – die niet de beschuldigingen ontkennen, maar bestrijden dat wat ze hebben gedaan strafbaar is. Dus dat wat ze deden mocht, ook als waarheidsdrammers willen doen geloven dat je niet mag stelen. In Winschoten was eens een aardige man die een leegstaand gebouw dat niet van hem was verhuurde en daar goed mee verdiende. Vond hij niks mis mee. Het stond toch leeg?

Ook Henk en Marian vallen in de categorie ‘bijzonder zeldzame ontkenners’. Afgelopen week zaten ze ogend als vriendelijke mensen een dag lang in de grote zittingszaal van het gerechtshof in Leeuwarden.

Het verhaal over Henk en Marian is hier al eens uitvoerig beschreven. Kort: ze hebben de even hoogbejaarde als welgestelde mevrouw Rosingh uit Haren – waar ze zelf ook woonden – financieel kaalgeplukt. Met een volmacht hadden ze toegang tot de bankrekeningen van mevrouw Rosingh die ze als een huisvriendin beschouwen, als een lieve oma voor de kinderen. Toen mevrouw Rosingh wat last begon te krijgen van dementie sloegen ze toe.

Buren in de lommerrijke straat waar mevrouw Rosingh woonde, vertrouwden het niet, de wijkagent evenmin, er kwam een eerlijke curator en toen een politieonderzoek en in mei 2014 werden Henk en Marian in hun royale woning met bombarie gearresteerd. In 2016 veroordeelde de rechtbank het stel tot 22 maanden gevangenisstraf per persoon en het inleveren van 300.000 bijeen gegraaide euro’s. Ze gingen in hoger beroep waardoor de straf werd opgeschort. Afgelopen week diende het hoger beroep. De nieuwe eis: 21 maanden cel en wederom het inleveren van de buit.

Henk en Marian vinden dat wat ze deden mag. Begin 2010 besloten ze de uren die ze aan hun geliefde mevrouw Rosingh spendeerden in rekening te brengen. Voor 2010 heette het naastenliefde, na 2010 werd de dementerende mevrouw Rosingh – toen 93 lentes – een verdienmodel.

Een koe.

Henk en Marian gingen kopjes thee drinken en praatjes maken met mevrouw Rosingh. Dat deden ze als de mensen van de thuiszorg (22 uur per week) er niet meer waren. Het theedrinken en de praatjes brachten ze onder de noemer zorg in rekening: 65 euro per uur, exclusief btw.

Toen mevrouw Rosingh een keertje jarig was, haalden ze de boodschappen in huis. Daar werden, inbegrepen het verjaardagsbezoek zelf, vijf uren voor in rekening gebracht. Dat was exclusief de verjaardagtaart.

Mevrouw Rosingh vond het eten van Tafeltje Dekje niet altijd te pruimen. Marian kwam dan om een stukje zorg te verlenen en bakte een pannenkoek met aardbeien en slagroom. Goed voor uren.

Ze vonden de met mevrouw Rosingh bevriende tuinman die al 40 jaar voor haar de tuin deed, te duur. Man kreeg honderd euro voor een dag per maand tuinieren. Henk en Marian ontsloegen hem en gingen zelf het tuinonderhoud doen. Voor tachtig euro per uur.

Henk maakte ook beduidende bedragen over op de bankrekeningen van zijn kinderen. Schenkingen, iets wat mevrouw Rosingh in haar kindsheid vast en zeker goed had gevonden.

Gingen Henk en Marian op de thee, dan brachten ze niet alleen voorrijkosten in rekening, maar ook de terugrijkosten. Half uur heen, half uur terug, 65 euro. Een van de rechters had Haren op Google maps bestudeerd. Vroeg: ‘Waarom met de auto? Op fiets ben je er in een paar minuten.’

Henk antwoordde dat hij geen fiets had.
De rechter: ‘Dat zegt u hier met droge ogen.’
Henk knikte: ‘Ik kan dat voor mezelf verantwoorden.’
Immers, thuiszorg rekende – volgens Henk – ook 65 euro per uur.

De rechters moeten nog oordelen.Tijdens de zitting stelden ze vast dat Henk en Marian de rekeningen die ze uitschreven, die ze vervolgens bij zichzelf indienden en ook vlot aan zichzelf betaalden, niet met de pen, maar met een vork werden geschreven.

Zo ging het jaren. Af en toe vlogen ze ten laste van de bankrekening van mevrouw Rosingh naar Italië om onderhoud te plegen aan het wijnbergje dat ze daar bezitten. De kinderen deden dan het theedrinken. Vanaf het wijnbergje werden de uren genoteerd.

De advocaat-generaal (officier van justitie) noemde het gedrag van Henk en Marian stuitend en lafhartig, ja, een gevangenisstraf van lange duur waardig.

De advocaten probeerden wat. Dat het heus waar kan wezen dat wat Henk en Marian beweren, dat wat ze deden met instemming was van mevrouw Rosingh. Dat het verdampen van haar vermogen niet tegen haar demente wil was. Dat er dus geen sprake was van wederrechtelijkheid en dat er dan dus helemaal niks aan de hand is. Dat Henk en Marian geen graaiers zijn zoals in de krant had gestaan.

’t Is een droef verhaal. Mevrouw Rosingh stierf in de zomer van 2015 op 98-jarige leeftijd zonder vermogen. Ook haar aandelenportefeuille die Henk met ongelukkige hand beheerde, bleek in rook opgegaan.

Voor Henk en Marian resteert een toekomst vol kommer. Eens in goeden doen, ze bewoonden een van de mooiste huizen van heel Haren. Nu bivakkeren ze berooid ergens op een krappe zolderkamer van een barmhartig familielid, terwijl de arme kinderen hard moeten werken om de rekeningen van de advocaten te kunnen betalen. Dat kregen de rechters te horen.

Een paar dagen na de zitting dwarrelt door een openstaand raam een briefje neer op de redactievloer van de krant. Ik check. Als ik de actuele gegevens van het kadaster mag geloven, dan valt het met de miserabele omstandigheden wel mee.

Rob Zijlstra

→  eerder verhaal over deze kwestie; mevrouw Rosingh, sorry

 

UPDATE – 11 maart 2019
Schuldig. Vanwege het lange tijdsverloop een fikse korting op de straf. Opgelegd is 18 maanden waarvan 6 voorwaardelijk. Voor beide.

klik voor het arrest op afbeelding

Petieterig recht

Je kon deze week een kanon afschieten in de rechtbank van Groningen en naar verluidt ook in die van Assen en Leeuwarden. Ik heb dat niet gedaan. Het teweegbrengen van een ontploffing is verboden (artikel 157). Dat het wel kon had niets te maken met een gebrek aan geschillen of boeven, maar alles met de schoolvakanties. Het is binnen het rechtsbedrijf een goede gewoonte dat als scholieren in het kader van de een of andere vakantie zich thuis suf zitten te computeren, de rechtspraak op z’n gat gaat liggen.

Ook rechters en hun medewerkers hebben recht op rust en vrije dagen.

Voor wie wekelijks een stukje wil schrijven over een rechtszaak is zo’n stille week een regelrechte crime. Ik verhaalde al eens tijdens een eerdere vakantie dat het toch wel zot is dat het rechtsbedrijf zich zo’n week – meerdere weken per jaar – kan permitteren terwijl er afgeronde strafdossiers jaren op planken liggen te wachten op behandeling. En niet alleen het papier wacht, ook de bijbehorende verdachten en de niet te vergeten slachtoffers.

Dit kwalijk ongerief kent vele oorzaken. De strafrechtmachine in perifere delen van het land hapert bijvoorbeeld omdat er domweg te weinig rechters zijn. In Utrecht en Amsterdam willen ze wel werken, die rechters, maar een prachtbaan voor het leven in het royale Noorden zien te veel magistraten (of hun partners) niet zitten. Liever stoten ze CO2 uit in stinkende files.

Het piept en kraakt sowieso in de gerechtsgebouwen. De Nederlandse Vereniging voor de Rechtspraak twitterde deze week: ‘De koers van de minister voor Rechtsbescherming lijkt gericht op het beperken van de rechtspraak in plaats van het verder verbeteren van onze fundamentele positie in onze democratische rechtsstaat’.

De rechterlijke veroordeling van het politieke bedrijf is niet nieuw, maar de situatie blijft knudde. De derde staatsmacht begint een roepende in de woestijn te worden.

Terwijl ik mij afvraag of dat laatste wel echt zo is, zit er in de verlaten hal van het gerechtsgebouw een jonge vrouw op haar mobiele telefoon met de duimen berichtjes te tikken. Iets verderop wachten in vol ornaat twee politieagenten. Uit hoe ze zo nu en dan naar elkaar loeren maak ik op dat ze iets met elkaar te maken hebben.

Dat is ook zo. De tikkende mevrouw heet zeg maar Els, is 26 jaar en is de verdachte, een van de agenten het slachtoffer, de ander is haar ondersteunende leidinggevende. De verdachte heeft een muur van het politiebureau vernield en het slachtoffer gekrabd.

Aan het misdrijf waaraan Els anderhalf uur later schuldig wordt bevonden gaat een verhaal vooraf. Misdaden komen nooit uit de lucht vallen. Els heeft een schreeuwende ex die haar al eens mishandelde en haar lastig blijft vallen. Als zij na een nacht thuiskomt, staat hij bij de buren op het balkon te lawaaien en blijkt haar voordeur vernield. Ze is bang en belt de politie.

Er komen agenten. Veel gedoe. Met het oog op orde en ochtendrust gaat Els met de agenten mee naar het politiebureau. Ze wil aangifte doen, ze wil hulp, ze wil dat het stopt. Ze is boos, niet dronken, maar de alcohol van de nacht versterkt wel haar emoties.

Als de agenten zeggen dat ze voorlopig niets voor Els kunnen betekenen en haar sommeren naar huis te gaan, gaat het mis. Huilend pakt Els het tafelblad vast en mietert in een beweging heel het zwikkie omver. De computer stuitert tegen de muur en dan op de grond.

Els wordt onmiddellijk aangehouden op verdenking van het vernielen van eigendommen die ‘geheel of ten dele’ toebehoren aan de politie-eenheid Noord-Nederland.

Bij een aanhouding hoort een protocol. Om Els in te kunnen sluiten (opsluiten) moet er een insluitingsfouillering worden uitgevoerd. De schoenen moeten uit, de sieraden af. Daarna gaat ze het hok (ophoudkamer) in. Eenmaal binnen moet ze, eveneens ten behoeve van de veiligheid, haar T-shirt uittrekken, want aan het shirt sieren stroken stof. Els wil alleen meewerken als ze direct een ander shirt krijgt. Krijgt ze niet.

Opnieuw heisa en weer gaat het mis. Twee agenten (v/v) komen haar cel binnen om een handje te helpen bij het uitkleden. Els, die niet heel groot is, maar wel flink overstuur, slaat om zich heen. Ze trekt aan politiehaar en krabt een agente in hals en nek. Het gezag is sterker. Els haar handen worden geboeid en haar voeten worden met tiewraps aan elkaar vastgemaakt. Tierend wordt ze afgevoerd.

Nu moet alleen het recht nog even zegevieren. De officier van justitie zegt dat Els zich schuldig heeft gemaakt aan het vernielen van een politiemuur, een computer en aan wederspannigheid dan wel mishandeling van een ambtenaar ‘werkzaam in het rechtmatige uitoefening van haar bediening’.

De officier van justitie: ‘Dat het niet prettig is dat u zich moet uitkleden ten overstaan van twee onbekenden, snap ik. Maar de agenten hebben een zorgplicht ten aanzien van mensen die ze opsluiten. U wilde uw zin doordrammen, maar het was op dat moment niet aan u om te bepalen wat er ging gebeuren.’

In 2013 heeft Els al eens een agent beledigd. En nu dit weer. De rechter zegt: ‘Als u uw zin niet krijgt, dan reageert u explosief. Volgens de reclassering is er sprake van instrumentele agressie.’ Els zegt dat ze zich daarin niet herkent.

Er moet straf komen, zoveel is inmiddels duidelijk. De officier van justitie: een boete van 750 euro en een week voorwaardelijke celstraf. Daarnaast: het betalen van smartengeld aan de agente want zij heeft met smart geleden: 368 euro. Tot slot: de gevallen computer en het herstel van de kapotte muur: 864 euro en 67 cent. Inclusief btw.

De advocaat praat als Johannes Brugman, rept van emoties, sta je daar in je bh, van onrechtmatigheden en van noodweer. Maar de rechter vindt dat de officier van justitie groot gelijk heeft en maakt aan het verweer van de advocaat geen woord vuil. Hij veroordeelt Els conform de eis. ‘Wij moeten zorgvuldig omgaan met onze politie en van ze afblijven’, motiveert hij de uitspraak.

Dat de grotere strafzaken, het serieuze misdaadwerk, ja, zelfs de veelgeroemde ondermijnende criminaliteit in veel rechtszalen maar spaarzaam aan bod komen, is niet goed voor het welbehagen van de ongedurige samenleving.

Maar gelukkig is er nog oog voor petieterige zaken.

Rob Zijlstra

Een groot konijn

Er zijn wel mensen, ook collega’s op de krant, die vragen of ik een advocaat ken. Een goeie bedoelen ze dan. Ze vragen het voor een vriend. Vaak weet ik wel eentje. Er zijn er ook – geen collega’s – die vragen of ik weet hoe je de perfecte moord kunt plegen. Wie een deel van zijn leven slijt in de rechtszaal, weet zoiets vast. Op zo’n vraag heb ik nooit een antwoord, wel een advies: niet doen.

In 1997 werd op een boerderij in Oost-Groningen een Limburgse drugshandelaar doodgeschoten. Het lichaam werd op het erf verbrand in een oven en er was bijna niemand die ervan wist. In Limburg werd de handelaar door zijn verdrietige moeder als vermist opgegeven en daarna bleef het stil.

Het had de perfecte moord kunnen worden, ware het niet dat de moordenaar vele jaren later een brief schreef aan een vertrouweling. Het werd de blunder van zijn leven: de vertrouweling gaf de brief aan een rechercheur die het epistel met rode oortjes las. Niks vermist, maar een moord in koelen bloede, de moordenaar onmiskenbaar de briefschrijver. De moord die hard op weg was perfect te worden eindigde in een tot op de dag van vandaag voortdurende gevangenisstraf: levenslang.

Er was eens een man die zich op het hoofdbureau van de politie in Groningen meldde met de mededeling dat hij een moord had gepleegd, een moord die dan al negen jaar te boek stond als onopgelost. Een half jaar lang probeerde de recherche te bewijzen dat hij het niet gedaan kon hebben. Toen dat niet lukte, werd hij voor de rechters gebracht en werd hij veroordeeld. Ook deze bijna perfecte moord kwam dus uit.

Van Ilham Benchelh, een Marokkaanse vrouw die in Siddeburen woonde, is al negen jaar niets vernomen. Als ze nog leeft, is ze nu 45 jaar. Het openbaar ministerie denkt dat haar partner Kasem (nu 71) haar heeft gedood. Deze week presenteerde de officier van justitie de bewijzen die de rechters moeten overtuigen van dit misdrijf. Ze leverde er ook een eis bij: twaalf jaar gevangenisstraf.

Uit de bewijzen moet klip en klaar blijken dat het niet anders kan dan dat Kasem op zondagavond 10 januari 2010 zijn vrouw met wie hij in scheiding lag om het leven heeft gebracht en vervolgens dat hij haar lichaam heeft weggewerkt.

Een kleine bloemlezing. Een dag na die zondag kocht Kasem bij de C1000 in Appingedam – getuige een gevonden kassabonnetje – twee rollen vuilniszakken, in totaal dertig stuks à zestig liter. Twee weken na de aankoop zijn er in de woning nog maar twintig zakken over. Wat heeft hij met die tien gedaan?

Een dag voor die zondag downloadde Kasem delen van de tv-serie Dexter op zijn computer. Frappant, zegt de officier van justitie. Immers Dexter is behalve bloedspatpatroononderzoeker ook seriemoordenaar die niet alleen weet hoe je moet moorden, maar ook hoe je bijbehorende sporen moet wissen.

Op de dag van de verdwijning, zocht Kasem op zijn computer, om 16.20 uur, naar ‘Elisabeth Bathory’, een helsgemene vrouw uit de zeventiende eeuw die te boek staat als de grootste seriemoordenaar ooit. En twee dagen voor de verdwijning tikte Kasem op Google, om 22.20 uur, de zoekterm ‘lintzaag’ in.

Er is een buurvrouw die achteraf verklaarde verdachte geluiden te hebben waargenomen. Op die zondagavond hoorde zij, om 21.45 uur, door het openstaande slaapkamerraam geschuif met tussenpozen. Alsof, zei buuf, er iets zwaars werd versleept. Toen Kasem hier later mee werd geconfronteerd, opperde hij dat buurvrouw waarschijnlijk de konijnen had gehoord.

De officier van justitie zegt tegen de rechters dat konijnen geen slepende schuifgeluiden maken, laat staan dat konijnen zware dingen verslepen.

Dan het matras. Op de dag na die zondag, om 12.25 uur, zocht Kasem op Marktplaats naar een matras voor op het logeerbed, het bed waarop Ilham de laatste weken van hun aflopende huwelijk sliep. Het bed ook waaraan bloed (niet veel) is aangetroffen, waaraan veegsporen waren te zien, alsof er was schoongemaakt. Hij kocht die dag ook een matras. Met haast, zei later de opgespoorde verkoopster. En het oude matras? Dat had hij in stukken gesneden en ergens weggegooid in een berm, ergens bij Hoogezand, niet meer wetende waar.

De officier van justitie: ‘Heel raar.’

Stuk voor stuk zijn het geen bewijzen die aantonen dat de 71-jarige in Amsterdam geboren en getogen Kasem zijn vrouw om het leven heeft gebracht. Maar, zegt de officier van justitie, je moet het in de context van de verdwijning van Ilham plaatsen. En in onderlinge samenhang bezien. Dan kan het niet anders.

Of dat laatste zo is, moet blijken. De rechters zeiden aan het einde van het twee dagen durende proces: ‘Dit gaat om een complexe zaak met veel juridische vragen die moeten worden beantwoord. Daarvoor hebben wij meer dan de gebruikelijke twee weken nodig.’

Getuige het begin van dit verhaal kan een ‘moord zonder lijk’ zelfs met levenslang worden bestraft. Maar een ‘moord zonder misdrijf?’ Kan dat ook? Het is ook de vraag die advocaat Fred Kappelhof opwerpt. Ilham Benchelh is spoorloos verdwenen. Maar waaruit blijkt dat aan die verdwijning een misdrijf vastzit?

De advocaat: vuilniszakken, Dexter, Bathory, een lintzaag, het matras, een beetje bloed, het zijn allemaal zaken waar je niets achter hoeft te zoeken. ‘Tenzij je er iets achter wilt zoeken.’

De raadsman stelt dat in Nederland ieder jaar twintig mensen op raadselachtige wijze voorgoed verdwijnen. Waarom zou Ilham Benchelh niet een van hen zijn? De raadsman merkt ook op dat er zeer intensief naar het lichaam van Ilham is gezocht: in de tuin, in meren, kanalen en sloten, op kerkhoven, in mestkelders en silo’s, in riool- en zuiveringsinstallaties, op stortplaatsen en dat met honden en helikopters. Als er dan niets wordt gevonden, zegt de raadsman, dan kan dat ook een aanwijzing zijn dat Ilham leeft.

Haar beste vriendinnen geloven niet dat Ilham vrijwillig is vertrokken, zij vinden het onbestaanbaar dat ze haar kind van een jaar vrijwillig heeft achtergelaten. Zo’n moeder was Ilham niet.

Stel dat Kasem onschuldig is, hoe dan heeft Ilham op die ijskoude zondagavond zonder auto en met bussen die vanwege de gladheid niet reden, Siddeburen zonder sporen kunnen verlaten? Stel dat Kasem het wel heeft gedaan. Kan hij dan zijn straf ontlopen als er geen overtuigende bewijzen zijn? Is dat dan de perfecte moord?

Het knaagt aan alle kanten.

Rob Zijlstra

klik voor compleet vonnis

update – 26 maart 2019 – uitspraak
De rechtbank heeft Kasem M. veroordeeld tot 15 jaar celstraf wegens doodslag. Het is de zwaarste straf die voor doodslag kan worden opgelegd.  →  zie dvhn voor eerste bericht

→ meer: het raadsel van siddeburen (inclusief het uitgesproken requisitoir]

→ het vonnis in audio [duur 29 minuten]:

Raadsel van Siddeburen

Het requisitoir van officier van justitie Corien Fahner uitgesproken in zittingszaal 14, op dinsdag 12 februari – betreft een ingekorte versie (van 60  naar 17 minuten)

Verdachte Kasem M. toch niet aanwezig

Kasem M. is tegen alle verwachtingen in niet in Nederland om zijn strafzaak die vandaag en morgen zou worden behandeld, bij te wonen. Volgens de laatste berichten is M. op het vliegveld in Marokko vastgehouden tegengehouden.  Hij zou niet over de juiste papieren beschikken om Marokko te mogen verlaten. Het ziet ernaar uit de Marokkaanse bureaucratie opnieuw roet in het eten gooit.

De rechtbank is zondag – zo ook het Openbaar Ministerie – op de hoogte gebracht van deze ontwikkeling. Of de strafzaak vandaag doorgaat is onduidelijk. De rechtbank moet daar maandagochtend een besluit over nemen.

Het strafproces liep jarenlang vertraging op. In 2012 vestigde Kasem M.  zich als Nederlander (Amsterdammer)  in Marokko.  De autoriteiten namen zijn paspoort in beslag (onduidelijk waarom) waardoor hij het land niet kon verlaten. Pogingen, ook via de ambassade en diplomatie,  om hem naar Nederland te krijgen mislukten → lees: marokko frustreert rechtsgang

Halverwege december 2018 kwam vanuit het niets het bericht dat Kasem M. zijn paspoort had teruggekregen en dat hij naar Nederland  kon en – niet onbelangrijk – ook wilde komen. Dit gebeurde kort nadat zijn strafrechtadvocaat Fred Kappelhof hem had bezocht in Marokko. → Kasem m. krijgt paspoort

Na bijna negen jaar zou vandaag – 11 februari 2019 – dan eindelijk de strafzaak die in mei 2010 was onderbroken worden voortgezet. Al eerder was aangekondigd dat de zaak vandaag – hoe dan ook – zou worden behandeld. Met of zonder Kasem M.  Of de rechtbank dat met deze nieuwe ontwikkeling nog steeds wil, zal in de loop van maandagochtend blijken.

Een verdachte heeft het recht aanwezig te zijn bij de behandeling van zijn strafzaak. Dit belang botst in deze zaak met het belang dat er ook een keertje duidelijkheid moet komen. Op dat laatste hebben bijvoorbeeld de nabestaanden recht, zij zijn naar ik begreep wel vanuit Marokko naar Groningen gekomen.

Hoe ook – het proces met de laatste ontwikkelingen is  straks vanaf een uur of negen te volgen via een liveblog op dvhn.nl.

update

De rechtbank heeft maandagochtend besloten de zaak door te laten gaan. De belangen van de verdachte wegen minder zwaar dan het belang van de afhandeling van deze strafzaak, zo vindt de rechtbank. Bij de beoordeling speelde mee dat er familieleden van Ilham Benchelh (moeder en broer) vanuit Marokko naarNederland zijn gekomen om het proces bij te wonen.

verslag van dag 1

Openbaar Ministerie eist 12 jaar celstraf

ACHTERGROND

Moord zonder misdrijf ?

De rechtbank buigt zich maandag en dinsdag over een niet alledaagse strafzaak: een zaak waarin wordt aangenomen dat er een moord is gepleegd.

In januari 2010 verdween de toen 36-jarige Ilham Benchelh uit Siddeburen. Sindsdien is van de vrouw geen teken van leven meer vernomen. De mogelijkheden dat zij een ongeluk heeft gehad (ergens) of dat zij vrijwillig spoorloos is (en dus nog leeft) worden door het Openbaar Ministerie (OM) uitgesloten. Resteert: een misdrijf.

Volgens het OM is Ilham Benchelh niet meer in leven en heeft haar toenmalige partner Kasem M. (71) daar de hand in gehad. M. staat vandaag en morgen terecht voor moord dan wel doodslag.

Kasem M. wordt dus verdacht van een moord waarvan wordt aangenomen dat die is gepleegd. Dat maakt dat deze zaak bijzonder is

Er zijn wel aanwijzingen die M. verdacht maken. Overweldigend zijn die niet. In mei 2010 stond Kasem M. ook voor de rechter. Hij zei toen te kunnen begrijpen dat hij als verdachte werd aangemerkt, maar dat hij het niet heeft gedaan. Het OM wilde de behandeling van de zaak toen aanhouden voor nader onderzoek. M. werd later dat jaar in vrijheid gesteld, maar bleef verdachte. Het nadere onderzoek – waarbij werd gehoopt dat Ilham Benchelh werd gevonden – leverde niets op.

Moordzaken waarbij er geen slachtoffer is, zijn niet uniek, maar wel zeldzaam. In Groningen was er tweemaal eerder sprake van een ‘moord zonder lijk’. De eerste zaak leidde tot een veroordeling tot levenslang, de tweede eindigde in een vrijspraak. In deze laatste zaak (Michael de Vrieze) werd de verdachte door de rechtbank veroordeeld tot 12 jaar celstraf. Het gerechtshof gelastte (in hoger beroep) nader onderzoek. De uitkomst was verrassend: er kon niet worden vastgesteld dat er sprake is geweest van een misdrijf.

Je kunt worden veroordeeld voor een ‘moord zonder lijk’, maar een veroordeling zonder misdrijf behoort niet tot de mogelijkheden.

Twee jaar na de verdwijning van Ilham Benchelh vestigde Kasem M. zich in Marokko, het geboorteland van Ilham. De zaak komt nu pas (opnieuw) voor de rechter omdat de Marokkaanse autoriteiten het paspoort van M. hadden ingenomen, waardoor hij het land niet kon verlaten. Eind vorig jaar kreeg hij zijn paspoort terug. Kasem M. heeft aangekondigd aanwezig te zijn.

#einde bericht

→ lees ook: op sokken

EXTRA
Het Openbaar Ministerie is – net als wij van de krant – op zoek naar eigentijdse manieren om de (hun) boodschap te verkondigen. Dit laatste – het verkondingen van de boodschap – is in handen gegeven van officier van justitie Pieter van Rest.

Een zeker twijfelgeval

De kans dat ik deze week urenlang achter een gemene, wrede, nietsontziende, koelbloedige misdadiger zat, iemand ook die angsten noch emoties kent, laat staan berouw, acht ik groot. Helemaal zeker weten doe ik het niet en dat is niet omdat het maar een heel klein mannetje was.

De vermeende psychopaat is Maikel. Ik schreef, ook op deze plek, eerder over deze man met aalgladde praatjes. Zes jaar geleden bracht hij in Groningen op één dag twee mensen op gruwelijke wijze om het leven. Eerst doodde hij de 66-jarige Gudrun Küster en later op de dag de 71-jarige Trevor Griffiths. Mevrouw Gudrun kende meneer Trevor niet. Maikel kende beide.

Achter deze korte schets schuilt een akelig verhaal. Wie dat weten wil moet straks maar even op Lijst der Liegbeesten kijken. Het gaat nu om iets anders.

De rechtbank veroordeelde de nu 43-jarige Maikel ondanks zijn ontkenningen tot 20 jaar gevangenisstraf (eis was 30) wegens tweemaal doodslag. Dan is 20 jaar de max. In hoger beroep kwam het Openbaar Ministerie opnieuw met de strafeis van 30 jaar (eenmaal doodslag, eenmaal moord), maar voegde daar een bonus aan toe: de tbs met dwangverpleging.

En daar ging het deze week over. Is Maikel een psychopaat, zo levensgevaarlijk dat hij zonder behandeling nooit meer buiten door straten mag fietsen? Is hij behalve bloedlink ook ernstig gestoord waardoor de gepleegde misdaden niet aan hem kunnen worden toegerekend? Of is Maikel op de eerste plaats een slecht en verachtelijk mens die gewoon langdurig moet worden opgesloten?

Allemaal vragen.

In de imposante rechtszaal van het gerechtshof in Leeuwarden zitten de drie rechters (raadsheren) niet alleen tegenover Maikel en zijn advocaat, maar ook tegenover drie getuige-deskundigen. Zij hebben Maikel onderzocht, dat wil zeggen ze hebben uren met hem gepraat. En vervolgens hebben ze de bevindingen los van elkaar op papier gezet.

De deskundigen zaten in de rechtszaal voor de antwoorden.

In de auto op de A7 richting het gerechtshof luisterde ik naar een podcast waarin twee mannen hardop met elkaar van gedachten wisselden over het begrip twijfel. De werkelijkheid bestaat uit onzekerheid en als dat waar is, want je weet het niet, dan zouden we met z’n allen best wat meer mogen twijfelen, zeiden ze tegen elkaar. En wat vaker vragen met ‘Ik weet het niet’ beantwoorden. Dat zou – misschien ook wel niet – beter zijn voor de economie.

De mannen citeerden filosoof Bertrand Russell die eens zei: ‘Geloof nooit iets wat je wilt geloven. Hou je bij de feiten.’ De twee podcastmannen vonden dat zinrijker dan waar de Amerikaanse psycholoog William James voor stond: ‘Soms moet je in iets geloven, dan kan het waar worden.’

Terug naar de rechtszaal, naar de drie gedragswetenschappers: twee psychologen en een psychiater. Hun ervaring in de forensische sector varieert van 16 tot 30 jaar. Zij moeten licht in de duisternis brengen. Is Maikel gestoord dan wel was hij dat in januari 2013, en als dat toen zo was, is die stoornis van invloed geweest op zijn gedrag van toen en zo ja, kan hem dat worden toegerekend? Tbs of geen tbs, dat is de vraag.

De drie deskundigen wekken niet de indruk gebukt te gaan onder twijfel. Dat kan ook niet; zij die geacht worden het te weten kennen geen onzekerheid. Zij geloven rotsvast in wat ze denken.
Ik ga mij nu niet eraan wagen om in detail te verhalen wat de een zei, daarna de ander, iets wat door de derde stellig werd tegengesproken en andersom. De een zei dat er geen stoornis is, maar wel een gebrekkige ontwikkeling, dat er een verband bestaat tussen stoornis en delict, nee, dat dat causaal verband niet is aan te tonen, dat Maikel eigenlijk een doodnormale man is die waarschijnlijk nooit meer kwaad zal doen.

Zet drie deskundige wetenschappers op een rijtje die met zekerheid, met kennis en met kunde vertellen hoe het zit en de twijfel slaat ongenadig toe.

Arme juristen.

Zij wilden van de deskundigen weten of het kan, of psychopathie door een drugsvrij en gestructureerd leven in de gevangenis kan verbleken? Een deskundige antwoordt dat dat dus de vraag niet is. Immers: ‘Een schizofreen die een fiets steelt doet dat niet per definitie omdat hij schizofreen is, Misschien doet hij het omdat hij honger heeft en geen geld.’

Ja ja , zeiden de rechters.

Dan de vraag of agressie uit het verleden een indicator kan zijn voor recidive in de toekomst. Maikel vocht namelijk veel op de lagere school. Maar weer een foute vraag. Deskundige: ‘Want de voorspellende waarde is in deze niet relevant.’

In de pauzes negeerden de deskundigen elkaar. Twee van hen vinden dat de derde onvoldoende kennis heeft genomen van het dossier. De derde vindt dat de twee zich te veel hebben laten leiden door de gruwelijkheden. Een van de twee: ‘Het brengt mij niet tot de gedachte dat ik mijn rapport moet herzien.’ Wat vindt de derde? ‘Dat het lijkt alsof zij een heel ander persoon hebben onderzocht.’

De aardse rechters: ‘Hoe groot is de kans dat Maikel, stel hij komt eens weer vrij, nieuwe misdaden gaat plegen? De rechters willen een blik in de toekomst.

‘Die kans is er.’
‘Groot. Honderd procent.’
‘Ik acht de kans groter dat hij dat niet doet dan dat hij dat wel doet.’

Over een ding zijn de drie deskundigen het wel eens. Maikel mag dan hier en daar steken los hebben, volledig toerekeningsvatbaar is hij wel. En dat betekent dat er geen tbs-advies op tafel komt.

De officier van justitie (advocaat-generaal) smijt na drie uren deskundig gepingpong niet huilend van wanhoop de toga de rechtszaal in. Hij zegt in alle rust: ‘Hoe ook, verdachte heeft zonder opgaaf van reden op één dag twee mensen van het leven beroofd. Voor mij staat vast dat hij een gevaar is voor de samenleving en dat die samenleving tegen hem moet worden beveiligd.’

Dan maar geen tbs-advies. De officier van justitie eist het wel. En dan mogen de 30 jaren gevangenisstraf die hij eerder als eis op tafel legde wat hem betreft worden bijgesteld naar 24 jaar.

Ik lees al het voorgaande nog eens door en stel dan de vraag: is dit nu het beste verslag van deze rechtszaak? Mijn antwoord is zonder twijfel. Ik weet het niet.

Rob Zijlstra

→ lijst der liegbeesten

→ zeg eens wat vaker ‘ik weet het niet’  [de correspondent]

UPDATE – 6 maart 2019 – uitspraak
Het gerechtshof heeft Maikel S.  veroordeeld tot 24 jaar gevangenisstraf en tbs met bevel tot verpleging. 
Het hof acht in de zaak van de Gudrun Kuster doodslag bewezen. In de zaak van Trevor Griffiths gaat het hof uit van gekwalificeerde doodslag (doodslag  onder verzwarende omstandigheden).

Het hof komt naast de straf tot de maatregel tbs. Er is  sprake van een antisociale persoonlijkheidsstoornis: psychopathie. De kans op herhaling is zonder behandeling zo groot dat de samenleving middels de tbs-maatregel moet worden beschermd.

het arrest

In de bubbel

In de toekomst is alles beter. Lees maar. De Rijksuniversiteit Groningen krijgt een nieuwe leerstoel waarop een hoogleraar gaat zitten die zich gaat bezighouden met cybersecurity. Er is 6 miljoen euro beschikbaar. Daarmee wordt niet alleen de leerstoel gefinancierd, maar gaat er ook geld naar een zoveelste steunpunt om bedrijven in Noord-Nederland cyberproof te maken. Ook het onderwijs moet er weer aan geloven en er komen, ronkte het persbericht van de provincie Groningen, vijfhonderd banen bij. Het wordt ontzettend veilig in de toekomst.

Vooralsnog, nu de toekomst nog in het verschiet ligt, is cybercrime overal. En Bennie (26) zou zich er schuldig aan hebben gemaakt: oplichting via Marktplaats.nl. Mensen bestellen, betalen, worden verwachtingsvol aan een lijntje gehouden om tot slot niets geleverd te krijgen.

Er zijn in de zaak van Bennie 37 slachtoffers die samen duizenden euro’s op drie bankrekeningen stortten. Zij hadden met spanning uitgekeken naar de nieuwste airfryer, maar kwamen bedrogen uit. Geen patat, maar gebakken lucht.

Bennie ontkent cybercrimineel te zijn en raakt geïrriteerd als de rechters hem niet direct geloven. Ze blijven maar vragen stellen. Bennie, met stemverheffing: ‘Als ik dit had geweten was ik niet gekomen. Ik loop hier toch geen onzin te verkondigen? Ik ben toch geen fucking leugenaar?’

Na twee uur gepraat verrast de officier van justitie met de mededeling dat hij het eigenlijk ook niet weet. En hoe frustrerend dat is. Er zijn immers wel opgelichte slachtoffers en als crimefighter heb je daar graag een verdachte dader bij.

Maar… het geld van de gedupeerden stond wel op bankrekeningnummers die op naam staan van Bennie. Hoe kan dat dan? Bennie heeft een verklaring. Hij had jaren in de gevangenis gezeten en toen hij eindelijk vrijkwam was er niemand en ook geen plek om naar toe te gaan. Hij belandde in het circuit van B. uit Hoogezand. In ruil voor onderdak had hij B. de beschikking gegeven over zijn rekeningnummers met alle gegevens, inclusief die van internetbankieren en ook nog zijn id-kaart. Wat B. daarmee zou kunnen, was niet zijn ding, ’t ging hem om onderdak.

Bennie zegt dat hij zo lang heeft vastgezeten dat hij niet eens kan weten wat internetoplichting is. Hij is meer van de klassieke afpersingen en overvallen.

De officier van justitie vindt uiteindelijk dat Bennie moet worden vrijgesproken van de oplichtingspraktijken, maar dat witwassen bewezen kan worden. Er stond immers misdaadgeld op zijn bankrekeningen.

De officier van justitie: ‘Maar als de raadsman van de verdachte het daar niet mee eens is, snap ik dat.’ De strafeis is drie weken voorwaardelijke celstraf. Wordt de eis de straf, dan merkt Bennie daar niks van.

Zou het een goed idee zijn om met dat subsidiegeld behalve leerstoel en steunpunt ook twee of drie rechters aan te kopen? Is het opsporen van cybercriminelen al niet eenvoudig, het is zo mogelijk nog moeilijker om dit geboefte voor de rechter te brengen, voor rechters die naar eigen zeggen verzuipen in het papierwerk. De kwestie van Bennie dateert van 2015. Voor het idee: het is nu 2019.

Dan Anne. In december 2017 was zijn strafdossier klaar om aan rechters te worden voorgelegd. Het duurt dan nog dertien maanden voordat dat ook echt gebeurt. Als de rechters aan Anne (33) vragen of het klopt, of het klopt dat hij het heeft gedaan, moet hij een beetje huilen.

Hij zegt: ‘Ik zat financieel aan de grond, ik zat helemaal in mijn bubbel en zag geen uitweg.’ Na tien jaar studie stopte acuut de studiefinanciering en daar had hij geen rekening mee gehouden.

Rechters: ‘Uw slachtoffers waren uw medestudenten. Die hebben ook moeite om het einde van de maand te halen.’
Anne: ‘Ik was egoïstisch. Maar ik wist dat ze schadeloos gesteld zouden worden door Bol .com.’

Als een gewiekst cybercrimineel fietste Anne door de stad, met aan het stuur een plastic tas vol papier en karton. Hij fietste langs adressen die hij vooraf had geselecteerd. Het papier en karton propte hij zorgvuldig in brievenbussen. En wel zo dat de pakketjes die er later zouden worden bezorgd, niet diep konden wegzakken. Waren de pakketjes eenmaal bezorgd dan kwam hij zo snel als mogelijk terug om de buit met een haakje van de barbecueset uit de brievenbus te hengelen.

De buit bestond uit dure spullen. Printerinkt, harde schijven, studieboeken, soms een cd, een dvd, een keer een setje onderbroeken. Hij bestelde vooral bij Bol .com, maar ook bij Coolblue en bij Otto

De cybercrime zelf speelde zich af in de computerruimtes van de Hanzehogeschool. Op de achterkant van computers plugde hij keyloggers in. Dat zijn op usb-sticks lijkende cyberdingetjes die toetsaanslagen registreren en opslaan. Met de ontfutselde gegevens kon Anne inloggen op e-mailaccounts en webshopaccounts van zijn medestudenten. Zo kon hij uit hun naam spullen bestellen, af te leveren op de door hem geselecteerde adressen met de geprepareerde brievenbussen.

De studenten kregen ondertussen de rekeningen van goederen die ze niet hadden besteld. Een vader van een gedupeerde student, vader is advocaat, vertelt aan de rechters hoe groot de paniek is wanneer je ontdekt dat iemand uit jouw naam spullen koopt. ‘Dan moet je van alles doen en je weet niet waar het lek zit. Je moet al je wachtwoorden op al je apparaten veranderen, je moet naar het politiebureau om aangifte te doen. Dat brengt paniek, angst en slapeloze nachten.’

De officier van justitie denkt dat Anne de boel voor zo’n 10.000 euro listig heeft geflest. De spullen die hij buitmaakte, verkocht hij op Marktplaats. Er komt een dag dat hij de opbrengst moet inleveren. Met de hiervoor benodigde procedure wordt zodra ergens capaciteit is, in de toekomst een begin gemaakt.

Voor nu: een jaar celstraf, de helft mag voorwaardelijk. Dat past hem slecht. Hij heeft inmiddels een baan in de energiesector en met de Hanzehogeschool heeft hij – na een jaar schorsing – afgesproken dat hij zijn studie mag afmaken.

Anne vreest terugkeer naar de vreselijke gevangenis die voor cybercriminelen niet anders is dan voor het klassieke geboefte. Zijn werkgever weet nog van niks. Anne eindigt de zitting met hoe hij begon: met een beetje huilen.

Snift: ‘Als ik mijn baan kwijtraak, raak ik weer uit balans.’ De allerlaatste woorden heeft hij ingestudeerd, het zijn woorden die over zijn toekomst gaan. Hij zegt tegen de rechters: ‘Ik wil niet in de bak, maar aan de bak.’

Rob Zijlstra

het ronkende persbericht

update – 11 februari 2019 – uitspraak 

Bennie is vrijgesproken van oplichting, maar schuldig bevonden aan witwassen. Hij krijgt geen straf. Waarom niet? Dat is te lezen in het vonnis [klik op afbeelding]