advocatuur

Orlando Volkerts

in memoriam

De in Paramaribo, Suriname, geboren strafrechtadvocaat Orlando Bernhard Volkerts was een markante persoonlijkheid in Groningen. Hij is op 72-jarige leeftijd overleden.

Orlando, Lando voor vrienden, had zeg maar een eigen stijl, eentje die nogal afweek van hoe zijn confrères verdachten bijstonden. Lando maakte lawaai, verfrommelde ten overstaan van de rechters bewijsstukken tot papieren propjes en in zijn ogen daarmee tot niets, hij walste met wapperende toga en grootse armgebaren van links naar rechts, bokste zich door het juridische metier heen. In de rechtszaal was hij niet te evenaren.

Soms was zijn optreden hilarisch. Soms ging hij net iets te ver.

Hilarisch werd het toen hij een grote horecaondernemer uit Oost-Groningen bijstond. De ondernemer werd beticht van zware mishandeling. Met een barkruk zou hij een vervelende klant zijn tent hebben uitgeslagen. Volkerts kwam de rechtszaal binnen met die zware barkruk die hij vanuit Winschoten had laten aanvoeren.

Hij verhaalde dat als een grote man met een massieve barkruk om zich heen slaat, de kans bijzonder groot is dat een slachtoffer dit niet overleeft. En nu het slachtoffer slechts een paar schrammetjes heeft opgelopen, is slechts één conclusie mogelijk: er is niet met een barkruk geslagen. Vrijspraak.

Soms betichtte Volkerts het Openbaar Ministerie van racisme. Zijn schuldige cliënten vonden dat dan prachtig – Lando durft dat toch maar eventjes te zeggen – maar heel sterk waren deze aantijgingen doorgaans niet. Dat wist Volkerts ook wel. In een interview in 2001 met deze krant zei hij: ‘Ik was brutaal, soms overenthousiast, niet altijd even tactvol. Maar dat is het aard van het beestje.’

De politie houdt niet van Lando, klaagde hij wel eens. En ook dat begreep hij. Tegen de krant: ‘Een strafrechtadvocaat die zijn werk goed doet, daar kan de politie ook niet van houden.’  Volkerts was een luis in de pels van het politie- en justitieapparaat. Inderdaad, niet altijd even tactvol, maar hij hield de boel wel wakker.

Schermafbeelding 2017-12-19 om 19.20.10

Het ging mis. Er was drank, te veel drank en er waren drugs. Hij werd opgepakt en belandde voor twee weken zelf achter de tralies. De zaak werd geseponeerd, dat wel, maar het zou het einde betekenen van zijn advocatenpraktijk die hij zeventien jaar met veel passie had gehouden in een chaotisch kantoortje aan de Grote Markt. Hij werd van het tableau geschrapt.

Op een dag belde hij, met de mededeling dat hij ouder was geworden, maar vooral ook ‘ietsje wijzer’. Dat er geen geld meer was. Lando wilde weer pleiten. Hij miste het vak, hij miste zijn jongens, zijn cliënten. En misschien ook wel die nare officieren van justitie en die rotagenten. Hij miste de rechtszaal, het podium waar hij zijn ding deed. De terugkeer mislukte en Lando verdween uit beeld. Soms kwam er een teken van leven, meestal een teken dat erop wees dat het niet zo goed ging.

Voordat hij als advocaat ging werken was Orlando Volkerts betrokken bij het maatschappelijk werk binnen de Surinaamse gemeenschap en was hij actief betrokken bij voetbalvereniging Mamio.

Orlando Volkerts is op 30 november overleden en op 4 december op De Stille Hof in Hoogezand begraven.

r.z.

Op zaterdag 27 januari 2018  speelt voetbalvereniging Mamio een wedstrijd ter nagedachtenis van Orlando Volkerts (13.00 uur)

dagblad van het noorden, 2006 / foto: kees van de veen

Dag van de Advocatuur

Het is vandaag in Groningen een beetje de dag van de advocatuur. Waarom? Zie: een valse kraai?
Maar ook  los van deze tuchtzaak hebben advocaten het niet altijd even gemakkelijk. Het onderstaande bericht, de dagelijkse Rarekiek, staat vandaag in Dagblad van het Noorden.

schermafbeelding-2017-01-13-om-08-11-25

update – vrijdagochtend
De dag is inmiddels ten einde.
Twee leden van de raad van discipline zijn gewraakt.
meer hierover:

 een valse kraai?

Snelrecht

met het keurige wordt het vuil bedekt

Rechtbankverslaggevers krijgen wel het verwijt dat ze slechts oog hebben voor het strafrecht, terwijl er zo veel meer moois te beleven valt in een rechtbankgebouw.

Wat heet.
Er was een zitting van de bestuursrechter over een bestuurlijke kwestie.
Klinkt saai, maar niets is minder waar.
Bij een strafzaak gaat het er keurig netjes, bijna altijd heel beleefd en vooral eerlijk aan toe.
Je mag iemand beschuldigen van de meest vreselijke daden, maar die moet je dan wel onderbouwen.
Kun je dat niet, dan hou je je mond.

Zo niet bij de bestuursrechter.
Daar geef je knietjes en kopstoten en zeg je valse dingen tegen elkaar, uit je beschuldigingen zonder dat het waar hoeft te zijn.
Het maakt niet uit, alles is toegestaan.

De kwestie is een slepende.
In de Steentilstraat in Groningen is al meer dan twintig jaar coffeeshop Upper Ten gevestigd.
Zolang de zaak bestaat heet de eigenaar Guno.
Hij heeft een Porsche, of dat nou leuk is of niet.
De burgemeester van Groningen wil de vergunning intrekken omdat de onderneming met z’n gedoogde handel moet worden gesloten.
De ondernemer wil blijven ondernemen.

Het standpunt van de burgemeester – verantwoordelijk voor de openbare orde – wordt verwoord door advocaat Rens Snel.
Hij zit rechts in de ring.
De coffeeshophouder laat zich bijstaan door advocaat Geert-Jan Knoops.
Links.
Ze dansen eerst wat om elkaar heen, maar beuken er dan lustig op los.
De drie bestuursrechters luisteren aandachtig en stellen tussen het geweld door af en toe een vraag.

Waarom moet de coffeeshop na twee decennia sluiten?
Advocaat Snel legt het aan de rechters uit met een gedrevenheid van een crimefighter waar menig officier van justitie een punt aan kan zuigen.
Knoops incasseert, is vast wel wat gewend.

Snel: de coffeeshop moet dicht omdat de burgemeester van Groningen denkt, vindt en zegt dat de eigenaar zich bezighoudt met internationale drugshandel en met het witwassen van crimineel geld.
Hij is al eens veroordeeld, dus dat zegt genoeg.
En hij overtreedt ook stelselmatig de Opiumwet.
De burgemeester van Groningen denkt, vindt en zegt dat de coffeeshop een dekmantel is en dat de afgegeven vergunning fungeert als een paraplu waaronder ernstige misdaden worden gepleegd.
En omdat de burgemeester het niet gepast vindt misdaad te faciliteren, moet de coffeeshop worden gesloten.

Advocaat Geert-Jan Knoops slaat terug: ‘Mijn cliënt is geen drugshandelaar, maar een ondernemer die al twintig jaar een coffeeshop runt zonder noemenswaardige invloeden op de openbare orde.
De veroordeling waarover tegenpartij rept, dateert van 1999 en had betrekking op het te weinig betalen van premies over betaald loon.
De aantijgingen zijn gebaseerd op anonieme tips, op informatie van een politie-informant, op vermoedens en wat aannames.’

Snel: ‘Afzonderlijk stelt het misschien niet zo heel veel voor, maar je moet kijken naar het geheel. We praten hier over schendingen van de openbare orde. In de illegale hennephandel gaat 760 miljoen euro om, een groot maatschappelijk probleem. De burgemeester van Groningen wil dit soort uitwassen tegengaan.’

Knoops zegt dat de coffeeshop de boekhouding keurig op orde heeft en daarover ook afspraken heeft met de fiscus.
Die kijkt mee.
De burgemeester vindt zoiets logisch.
Namens hem zegt advocaat Snel: ‘Een keurige boekhouding is juist een indicatie dat er wordt gerotzooid.’
Met het keurige wordt het vuil bedekt, wil hij maar zeggen.

De advocaat van de burgemeester: ‘De eigenaar bemiddelt bij drugstransacties.’
Advocaat Knoops: ‘Dat klopt. Hij heeft een keer geregeld dat iemand een doos met hennepplanten kon kopen.’
De burgemeester zegt dat de coffeeshophouder drugs bewaart in woningen in woonwijken voor de handel met Duitsland en Spanje.
Knoops: ‘Dat blijkt nergens uit.’

Advocaat Snel tegen de bestuursrechters: ‘Maar wij hebben gelijk want wij hebben alles heel zorgvuldig onderzocht. Wij hebben in deze zaak namelijk erg veel tijd en heel veel geld geïnvesteerd.’
Advocaat Knoops: ‘Wij ook.’

Mijn waarnemingen, zo vrees ik, zijn vertroebeld door het zo beschaafde strafrecht.
Want hoe kan een burgemeester van een grote stad nou een stadsgenoot van nog grotere misdaden beschuldigen?
Moet de burgemeester dan niet de politie bellen in plaats van een vergunning intrekken?

Er zijn eerdere zittingen geweest in deze slepende kwestie en de besluiten die tot nu toe zijn genomen pakten allemaal uit in het voordeel van de coffeeshophouder.
De shop is daarom ook nog gewoon geopend en er wordt nog maandelijks belasting betaald.

Het wordt mij uitgelegd.
De burgemeester hoeft de harde aantijgingen niet te onderbouwen met harde bewijzen.
Bij de bestuursrechter mag je iemand voor rotte vis uitmaken, zonder aan te tonen dat zo iemand ook stinkt.
Bij de bestuursrechter hoef je niets te bewijzen.
Daar geldt: als het zou kunnen, dan zou het best ook eens zo kunnen zijn.

De strafrechter doet over aantijgingen veel te moeilijk want daar draait alles om de waarheid.
Ligt de waarheid dwars, dan pak je iemand via de bestuursrechter aan.
Dat gebeurt ook steeds vaker.
Wie de aantijgingen niet kan weerleggen – de onschuld niet kan bewijzen – of wie zich geen internationaal vermaarde strafpleiter als Knoops kan veroorloven – is de pineut.

Werkt het zo buiten het strafrecht?
Ik heb het stadhuis van de burgemeester gebeld.
Moet de burgmeester of een van zijn ambtenaren niet onverwijld aangifte doen nu zij kennis dragen van vermeende misdaden?
De woordvoerder van de burgemeester zegt dat er geen aangifte is gedaan.
De burgemeester baseert zijn aannames op informatie van de politie.
Die weten het dus al wat een aangifte overbodig maakt.
Oh.

Ik vraag hoeveel tijd en geld de gemeente Groningen in deze zaak heeft gestoken, relevante vraag dacht ik, omdat het door de advocaat is aangevoerd als een argument voor zorgvuldigheid.
De woordvoerder: ‘Hoeveel tijd en geld? Dat weten we niet, dat houden we niet bij. Van dit soort zaken maken wij geen kosten- en batenanalyse. Wat het kost is van secundair belang.’

In Groningen worden dus kosten noch moeite gespaard een coffeeshop die al meer dan twintig jaar bestaat, te sluiten.
De drie vriendelijk glimlachende bestuursrechters doen binnenkort, ergens in januari, uitspraak.
Dat er dan een andere burgemeester in de stad is, doet niet ter zake.

In verwarring luister ik naar het slotbetoog van advocaat Snel.
De advocaat zegt dat de sluiting van de coffeeshop niet gezien moet worden als een strafmaatregel.
Nee, het is preventief bedoeld.
De advocaat, in alle ernst: ‘De burgemeester wil voorkomen dat de coffeeshophouder in de toekomst strafbare feiten gaat plegen.’

Ik ben toen van mijn stoel gevallen.

Rob Zijlstra

Schermafbeelding 2014-12-28 om 23.22.41

update – 25 maart 2015 – uitspraak
De gemeente Groningen heeft onvoldoende kunnen aantonen dat eigenaar Holder betrokken is bij internationale drugshandel cq criminaliteit en bij fiscale delicten. De exploitatievergunning van Upper Ten kan dan ook niet worden ingetrokken. De gemeente vangt hiermee voor de derde keer bot en moet wederom de kosten van het proces betalen.

update – 6 mei 2016 – raad van state
De Raad van State stelt de gemeente Groningen in het gelijk. Upper Ten moet na twintig jaar binnen twee weken de deuren sluiten.

uitspraak volgt zodra beschikbaar

Niet te geloven

Schermafbeelding 2014-04-27 om 00.30.57Een verdachte hoeft niet mee te werken aan zijn eigen veroordeling.
Dat is in de wet zo geregeld.
Het recht om te mogen zwijgen komt er uit voort.
Een zwijgende verdachte in de rechtszaal stemt niet toe.
Niet per definitie.

Michael, 39 jaar oud waarvan er zeven doorgebracht in de gevangenis, had toen hij werd aangehouden gebruik gemaakt van dit recht.
De agenten die hem keer op keer meenamen naar de verhoorkamer konden wel van alles beweren – ze zochten het maar uit.
Dat is hun werk.

Er wordt beweerd dat Michael in Groningen op een dag twee mensen van het leven heeft beroofd.
In een telefoongesprek zei hij tegen een kennis dat hij misschien wel levenslang krijgt.
Dat gesprek voerde hij vanuit het huis van bewaring, uitgerekend op het moment dat de politie hem afluisterde.
Ook die dingen zijn bij wet geregeld; gedetineerden kunnen informeel gewoon alcohol en drugs in de gevangenis krijgen, maar dan mogen ze officieel ook worden afgeluisterd.
In het strafrechtsysteem is het altijd zoeken naar het juiste evenwicht.
Vandaar dat we vrouwe Justitia hebben opgezadeld met een weegschaal.

Op 18 januari 2013 zou hij in de vroege ochtend de 66-jarige mevrouw Gudrun Kűster met geweld van het leven hebben beroofd.
Hij zou haar keel hebben dichtgedrukt, haar met een hard voorwerp hebben geslagen en met een mes in de hals hebben gestoken.
Zo werd ze gevonden in haar woning aan de Oliemuldersweg.
De arts die werd ingeschakeld, stelde met al zijn deskundigheid vast – bijna niet te geloven – dat sprake was van een natuurlijke dood.
Het waren medewerkers van de uitvaartvereniging die daarna stomverbaasd alarm sloegen.

Op diezelfde dag, maar dan ’s avonds, is er brand in een woning aan de Waldeck Pyrmontstraat.
Tijdens het blussen valt iets op de grond; het is het lichaam van de 71-jarige bewoner Trevor Griffith.
Er is op hem ingeslagen, hij heeft een plastic zak om zijn hoofd dat met een koord is dichtgebonden, in zijn mond een theedoek.
Een deel van het lichaam is verbrand.

Ondanks het zwijgen van Michael die snel als verdachte in beeld kwam en ook werd aangehouden, leverde het politie-onderzoek (codenaam Waldeck) een berg aan informatie op.
Op zijn kleding zijn sporen van bloed aangetroffen die matchen met de dna-profielen van beide slachtoffers.
Op zijn kleding zaten vezels die afkomstig zijn van de kleding van de slachtoffers.

Hij kent ze ook, want hij heeft bij beide korte tijd in huis gewoond, samen met zijn vriendin die dan aan mantelzorg deed.
In zijn telefoon staan inlogcodes opgeslagen waarmee hij toegang heeft tot de bankrekeningen van de slachtoffers.
Er is een sms-bericht dat hij had verzonden naar een vriendin met de tekst: ‘Baby, ik zit in de shit, ik heb er een zooitje van gemaakt, kom naar huis, ik zit ondergedoken, zonder gelul, dit komt niet goed.’

Deze week zat Michael in de rechtszaal.
Hij zei tegen de rechters dat hij had besloten zijn proceshouding te veranderen.
Hij wilde praten, verklaren, het uitleggen, hij wilde de waarheid vertellen, niet meer zwijgen. Hij zei: ‘Ik heb het niet gedaan.’

En daar begon of eindigde het.
Het is maar hoe je het bekijkt.
Vanuit de kant van de verdachte: waarom snoerden zijn (twee) advocaten hem niet de mond?
Want steeds als Michael aan het praten en verklaren sloeg, verschenen op het achterpand van zijn jasje – niet zichtbaar voor de rechters – de woorden: ‘ik heb het wel gedaan’.
Zodra hij zweeg, vervaagden die woorden weer.
Het was echt niet te geloven.

Ja, al die telefoontjes.
De rechters moeten weten dat hij altijd drie toestellen bij zich heeft en wel tien simkaarten. Bloed op zijn kleding met het dna-profiel van mevrouw Kűster?
Michael vertelt dat hij een telefoontje had gekregen van iemand die hem had gevraagd iets te doen.
In ruil voor een paar duizend euro.
Hij moest naar de Zaagmuldersweg gaan.
Dat deed hij, rond half vijf in de ochtend, buiten nog vreselijk koud.

Op de plaats van bestemming ziet hij mevrouw Kűster.
Ook toevallig.
Ze ligt op straat.
Hij voelt geen hartslag.
Hij tilt haar op en brengt haar naar huis, een kleine kilometer verder.
In haar woning legt hij haar op de grond en gaat weg, neemt haar telefoon mee.
Rechters: ‘Van wie kwam dat telefoontje?’
Michael: ‘Dat kan ik niet vertellen.’
Rechters: ‘Maar als iemand anders de moordenaar is, waarom zegt u dat dan niet?
Michael: ‘Dat is niet aan mij.’

Later op die dag wordt hij gesignaleerd in de Waldeck Pyrmontstraat bij de woning van de 71-jarige Trevor Griffith.
Die is er niet.
Griffith zit even in het café voor zijn borrel en laat zich daar ook adviseren hoe een rollade te bereiden.
In boter zeiden ze in het café.
Hij doet boodschappen bij Albert Heijn.
Hij koopt onder meer een liter volle melk, bamischijven, blueband, roerbakmix, een blikje bier, een rollade.
Met deze boodschappen is Griffith thuisgekomen.
Niet lang daarna is er de brand en wordt zijn lichaam gevonden.
Het letsel is bij leven toegebracht.

Als Michael nog diezelfde avond wordt aangehouden is hij in het bezit van een Albert Heijn-tas met daarin volle melk, bamischijven, blueband, roerbakmix, blikje bier, een rollade.
In de rechtszaal zegt hij dat hij Griffith was tegengekomen, dat er een duw- en trekpartijtje was geweest waarbij hij de oude baas een draai om de oren had gegeven,
Vandaar misschien het bloed op zijn kleding.
Hoe hij aan die tas met boodschappen kwam?
Michael: ‘Die had ik gekocht in de buurt van de Van Mesdagkliniek. Van iemand daar op straat. Voor een tientje.’
Ja, misschien niet te geloven, maar dat deed hij wel vaker.
In de woning van Griffith wordt een peuk met zijn dna gevonden in een vergiet met aardappelen. Ja, hij was even binnen geweest, via de achterdeur, niet op slot, nee, niets bijzonders opgemerkt.

De officier van justitie zegt dat hij wel een strafeis op tafel kan leggen, maar dat nu de verdachte aan de praat is geslagen, hij nader onderzoek wil.
Misschien is het waar wat Michael zegt, met de waarheid weet je het immers nooit zeker.
Nader onderzoek kan ook aantonen dat hij nog veel schuldiger is dan werd aangenomen toen hij zweeg.

Dat dus later zal blijken dat hij, ondanks twee advocaten, zichzelf regelrecht naar een ontzettend lange gevangenisstraf heeft gepraat.

De strafzaak krijgt over een aantal maanden het vervolg.

Rob Zijlstra ©

 

Het circus

Schermafbeelding 2014-04-01 om 09.28.57

dagblad van het noorden, dinsdag

Er wordt veel geklaagd in het rechtbankgebouw in Groningen.
Over dat de koffie niet gratis, maar wel vies is.
De toiletten meestal smerig.

Advocaten klagen het meest.
Advocaten klagen over het Openbaar Minsterie en over de rechtbank zelf.
Dat ze hun stukken niet krijgen, te laat of onvolledig.
Dat er nooit iemand bereikbaar is en over wat al niet meer.
De advocaten zeggen dat het ook steeds erger wordt.
Dan zeggen ze: zo erg als nu is het nog nooit geweest.

Het is maandagochtend, half elf.
De twee verdachten die terecht moeten staan, zijn er niet.
De twee advocaten die hen bij moeten staan, ook niet.
Er zijn wel twee mensen die zeggen slachtoffer te zijn.
Zij snappen er niets van.
Ze zijn al twee keer eerder voor niets geweest.
Dat zoiets zomaar kan.

De bode zegt dat hij er ook niets aan kan doen.
Juist als ze weg willen gaan, meldt een van de advocaten zich.
Hij zegt dat zijn client beneden in het hok zit.
Hij bedoelt daarmee dat de verdachte – een van de twee – er wel is, maar beneden, in het cellencomplex in de kelders van het rechtbankgebouw waar nog nooit daglicht is waargenomen.

De bode zegt dat hij dat niet wist en dat hij daar dus ook niets aan kan doen.

De advocaat briest en zegt dat het verbijsterend is want de zaak gaat niet door.
En dat zal dan de derde keer zijn.

De verdachte is Jan uit Pekela, 20 jaar.
Op 7 november vorig jaar en op 30 januari dit jaar was hij er ook al.
Door fouten kon de zaak toen niet worden behandeld.
Eerst maakte het Openbaar Ministerie fouten.
De tweede keer de rechtbank.
Ook was een zaak ten laste gelegd en uitgeroepen die al was geseponeerd.

Jan zit inmiddels acht maanden vast.
Hij wil weten waar hij aan toe is.
Jan deed het eerst goed, ook goed op school, maar hij maakte ineens een puinzooi van zijn leven.
Kort nadat zijn beste vriend zelfmoord pleegde, ging het echt mis en werd hij aangehouden.
De detentie valt hem steeds zwaarder.
Hij krijgt paniekaanvallen en om die tegen te gaan geven ze hem valium.
Het medicijn doet hem geen goed.

In de gevangenis heeft hij vanaf dag een, zegt hij, aan alles meegewerkt en geen een regel overtreden.
Dus ook geen drugs.
Hij heeft de cursus ‘kiezen voor verandering’ gedaan en wil zijn leven nu drastisch veranderen.
Hij zegt met tranen: ‘Ik ben supergemotiveerd, maar ik het het gevoel dat jullie denken, laat’m maar zitten.’

Jan zegt dat hij veel spijt heeft van wat hij heeft gedaan en dat hij goed beseft dat als hij nog wat van zijn leven wil maken, hij nu echt moet beginnen.
Tegen de rechters: ‘Ik probeer nu alles goed te doen.’
De rechters luisteren of bladeren in hun stukken.

Jan en zijn advocaat zeggen dat ze zich vorige week hadden voorbereid op de zaak, op de behandeling van vandaag.
Donderdag aan het einde van de middag kreeg de advocaat een telefoontje van de rechter-voorzitter.
De rechter deelde mee dat besloten was de zaak van Jan niet inhoudelijk te behandelen.
De rechters hadden ontdekt dat er meer zaken op de tenlastelegging stonden dan ze hadden gedacht.
De rechters zijn nu bang dat de zitting dan wel eens langer zou kunnen duren dan was gepland.
Dat zou betekenen dat de eerstvolgende zaak van half twee niet op tijd zou kunnen beginnen.
Daarom hadden ze besloten de zaak van Jan aan te houden tot 16 mei.

Eerder lukt echt niet, zeggen de rechters.
De advocaat zegt boos  dat het toch te gek voor woorden is.
Doe dan een zitting ’s avonds.
Of op zaterdag.
‘Ja toch?’

De advocaat kalmeert en verzoekt de rechtbank de zaak binnen twee weken te behandelen en als dat niet lukt, dan moet de voorlopige hechtenis worden geschorst.
Dan kan Jan die er ook niets aan kan doen zijn proces in vrijheid afwachten.
Hij kan bij zijn moeder terecht.

De officier van justitie zegt dat er al veel is misgegaan en dat ze de gang van zaken buitengewoon vervelend vindt.
Maar dat ze Jan niet wil laten gaan, want dat zal leiden tot maatschappelijke beroering.
De advocaat: ‘Hier kan ik geen begrip voor opbrengen.’

De rechters trekken zich terug voor beraad.
Na een kwartiertje weten ze raad: ‘Een zitting binnen twee weken lukt nooit en de belangen van strafvordering moeten zwaarder wegen dan uw persoonlijke belangen. U komt niet eerder vrij. Wij geloven in uw goede voornemens, maar het is even niet anders. Nog maar een paar weken, dan is het 16 mei.’

Jan verandert in boos.
Hij roept: ‘Het is een circus. Ik geloof jullie niet.’

Rob Zijlstra

 

 

De verdachte dader

Schermafbeelding 2014-02-07 om 20.54.12Ik schrijf het voorbeeld wel vaker op.
Wanneer de politie tien jongeren oppakt, kan de volgende dag in de krant staan dat de politie tientallen inbraken heeft opgelost.
Wij van de krant zouden dat niet zo moeten opschrijven, want het is helemaal niet waar.
Wat wel waar kan zijn is dat de politie jongeren oppakt die worden verdacht van een serie inbraken.

Schermafbeelding 2014-02-07 om 20.53.15Bij goed politiewerk worden daar voldoende wettige bewijzen bijgeleverd opdat rechters in overtuiging kunnen oordelen dat die rotzakken het inderdaad hebben gedaan.

Schermafbeelding 2014-02-07 om 21.13.40Ieder zijn rol; het is wezenlijk in een rechtsstaat waar de macht is verdeeld.
Dat is ook niet bedacht om boeven te beschermen, zoals hier en daar wordt geroeptoeterd.
Het is bedoeld om de burger te Schermafbeelding 2014-02-07 om 21.13.22beschermen tegen willekeur van een machtige overheid.

In de rechtszaal is het onderscheid tussen verdachte en dader wezenlijk.
De verdachte is zoals hij daar zit onschuldig.
Dat weet iedereen.
Er bestaan wel ernstige verdenkingen tegen hem, want anders mag hij niet eens verdachte wezen.
Nadat rechters na wikken en wegen besluiten dat de verdachte schuldig is, komt de dader in beeld.
Is hij vervolgens ook nog een strafbare verdachte – toerekeningsvatbaar, geen zelfverdediging – dan verandert zijn status in die van een echte dader.

We worstelen met het onderscheid.
En steeds meer, meer naarmate het slachtoffer een voornamere rol krijgt binnen het strafproces.

Vrijdagmiddag werd dat op bijzondere wijze geïllustreerd met een voorval in zittingszaal B van het gerechtshof in Leeuwarden.

In de verdachtenbank – bij het hof is dat een ouderwetse stoel – zit Javier S.
De rechtbank in Groningen heeft hem het stempel van dader gegeven.
Volgens de rechters in Groningen heeft Javier S. op 4 februari 2012 in cafe ’t Kleine Kroegje de 35-jarige Ertas Cakici doodgeschoten.
Voorbedacht en dus moord.
Hij is veroordeeld tot 15 jaar celstraf.

Maar Javier S. zegt dat hij onschuldig is en tekende hoger beroep aan.
Dat maakt dat hij op dit moment weer verdachte is.

Nadat het hof de feiten heeft besproken – waarbij Javier zich beroept op het zwijgrecht – worden de zus en de partner van Ertas Cakici in de gelegenheid gesteld de rechters (raadsheren) toe te spreken als nabestaanden.
Zij mogen een slachtofferverklaring voorlezen.
Dat kan sinds 2005.
Zij mogen aan de rechters vertellen wat de misdaad met hen heeft gedaan.
Hoe verdrietig ze zijn.

De wet biedt die mogelijkheid en als het aan Opstelten & Teeven ligt wordt die wet op dit punt nog verruimd.

Maar strafrechtadvocaat Jan Boone maakt bezwaar.
Hij zegt tegen het hof dat Javier de verklaringen van de nabestaanden niet wil aanhoren.
Die verklaringen zijn immers bedoeld voor de dader.
En Javier is vooralsnog een onschuldige verdachte.
Geen dader.

Boone wil dat zijn client de rechtszaal mag verlaten zodra de nabestaanden het woord krijgen.
Het hof stemt daar zonder discussie mee in.

Javier wordt afgevoerd en de zus en de partner doen hun verhalen.
Die gaan door merg en been.
Hun verdriet, de woede en de machteloosheid, is onmetelijk.
Op indringende wijze weten ze dat te verwoorden.
Er wordt intens gehuild.
Ik ga hun woorden hier niet herhalen, want daarmee zou ik hen tekort doen.
Denk maar aan erg veel verdriet waarin troost zich geen raad weet.

Zodra zus en partner zijn uitgesproken en brokken in de keel zijn weggeslikt, wordt Javier opgehaald en moet hij weer plaatsnemen op de stoel tegenover zijn rechters.

Nooit eerder had ik dit meegemaakt.
Ik twitterde het voorval vanuit de zittingszaal de wereld in.
Andere rechtbankverslaggevers reageerden: nee wij ook niet.

Zoiets kan niet, vond een medewerkster van Slachtofferhulp.
Een slachtofferverklaring is een confrontatie tussen de verdachte dader en het slachtoffer.
Die kan daar dus niet voor weglopen.
Wel waar, reageerden advocaten, een verdachte heeft immers geen aanwezigheidsplicht.

Hoe dan ook: het schuurt.

Rob Zijlstra

de slachtofferverklaring

slachtofferverkl

In de aanbieding: verdriet

aanbiedingHeeft een moeder wiens wier kind seksueel is misbruikt door haar ex (tevens vader van het slachtoffer) recht op een schadevergoeding?

Man heeft zijn kind gedurende een jaar meerdere keren seksueel misbruikt. Het kind is nu vijftien jaar en eist schadevergoeding, een bedrag van 12.500 euro.

De officier van justitie onderschrijft dat het kind schade heeft geleden, maar vindt het gevorderde bedrag te veel van het goede.
Volgens de officier van justitie is een bedrag van 7.500 euro billijk.
Zij verzoekt de rechtbank dit bedrag aan het slachtoffer toe te kennen en de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
Die maatregel houdt in dat het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB) namens het slachtoffer het geld bij de veroordeelde gaat innen.

De moeder claimt in dezelfde strafzaak ook schade: 2.500 euro.

Haar ex-partner is eerder veroordeeld wegens seksueel misbruik van haar dochter.
Hij werd uit de ouderlijke macht gezet en mocht geen contact hebben met zijn dochter.
Na gevangenisstraf te hebben uitgezeten, vergreep hij zich aan de zoon die zo nu en dan bij hem op bezoek kwam.

Gedragsdeskundigen hebben vastgesteld dat er sprake is van een ziekelijke stoornis: pedofilie.

De officier van justitie verzoekt de rechtbank de schadeclaim van de moeder af te wijzen.
Alleen het slachtoffer kan zich met een claim voegen in het strafproces.
Dat de moeder schade heeft geleden, dat ze is beschadigd,  staat volgens de officier van justitie niet ter discussie.
Dat heeft en is ze.
Maar de schade die ze heeft geleden, is niet een rechtstreeks gevolg van de gedragingen van haar ex.
Wil ze haar schade hebben vergoed, dan moet ze zich wenden tot de civiele rechter.

Bovenstaande is de standaard redenering van het Openbaar Ministerie omdat die overeenkomstig zou zijn met de bedoelingen van de wet.
De officier van justitie: ‘Voor de moeder biedt de wet onvoldoende mogelijkheden.’

De advocaat van de verdachte vader kan zich daar in vinden.
De advocaat zegt (vrij vertaald): ’Moeder is geen rechtstreeks slachtoffer.
Zou zij wel in aanmerking komen voor een vergoeding dan is er sprake van een vercommercialisering van verdriet. Dat wil de wet niet en dat moeten wij ook niet willen.’

De advocaat van de moeder ziet het anders.
De moeder, zo luidt zijn filosofie, is rechtstreeks getroffen.
Ze was geen beoogd slachtoffer (van het seksueel misbruik), maar ze is wel geraakt.
Bovendien: ze is moeder, er is sprake van een vereenzelviging van moeder en zoon.

De advocaat maakt een vergelijking met brand en brandstichting.
Ook daarbij kunnen slachtoffers vallen, ook slachtoffers die de brandstichter niet had beoogd.
Van vercommercialisering van verdriet is hier geen sprake.
Met de regel dat er sprake moet zijn van rechtstreekse schade, heeft de wetgever niet bedoeld om moeders uit te sluiten.

Wie heeft het meest gelijk?

Rob Zijlstra

 bovenstaande speelt in een strafzaak die vorige week diende en waarin de rechtbank volgende week uitspraak doet
•• als het aan Opstelten en Teeven (veiligheidsmannen van justitie) ligt gaat de veroordeelde verdachte straks diep in de buidel tasten – eigen bijdrage