Onaangenaam gezelschap

Weet u wel wat ze tegenwoordig
met snitchers doen?

Schermafbeelding 2016-04-23 om 23.39.08

@zittingszaal14

Mark kijkt aan het einde van de bijna zes uur durende zitting met een schuin oog naar de grote camera die rechts van hem op een statief in zittingszaal 14 staat opgesteld.
De lens loert in zijn richting.
Mark weet: televisie.
Het is Hart van Nederland, SBS.
Dat is voor hem niet gunstig.
Mompelt: ’Al die pers, heel dat circus.’

Hij vertelt aan de rechters, voor de zoveelste keer tijdens de zitting, dat hij een eenzame man is.
‘Niemand vindt mij leuk, daarom heb ik mezelf teruggetrokken.’
Zucht diep, veegt tranen weg.
‘En nu zit ik in de gevangenis. Nou, als je je ergens eenzaam voelt, dan is het daar wel. Ik kan… ik durf ook aan niemand te vertellen waarom ik daar zit. Ik lieg de hele dag alles bij elkaar. Als ze erachter komen dat ik voor zeden zit, dan kan ik het vergeten. Ik word nu nog door de zwaarste criminelen gevraagd om met hen te voetballen. Dat vind ik leuk, ze vinden me aardig. Maar als vanavond Hart van Nederland is uitgezonden, kan ik mij nergens meer in de gevangenis vertonen. Zit je voor zeden, dan heb je het heel zwaar.’

De rechters proberen Mark gerust te stellen.
De pers, zeggen de rechters, noemt nooit namen van verdachten.
Mark is er niet gerust op.
Het is niet de eerste keer dat hij terechtstaat en in de pers is eerder aandacht voor zijn zaak geweest.
‘Toen wist iedereen dat het over mij ging.’

Wat de officier van justitie betreft zal de van ontucht beschuldigde Mark de komende tijd moeten blijven liegen en bedriegen, want de strafeis luidt opgeteld 30 maanden celstraf en tbs met voorwaarden.
Gaat het weer fout, dan staat de deur naar tbs met dwangverpleging voor hem open.

Ook de 46-jarige Nino uit Groningen is allesbehalve gerust.
In zijn woning zijn drugs gevonden – 273 gram cocaïne en 183 gram wiet – in een lade in de slaapkamer lagen honderden plastic gripzakjes waarin drugs worden verkocht, ergens slingerde een weegschaaltje, overal mobiele telefoons (14 in totaal), een pistool van Umarex en onder het matras een BBM-revolver met patronen.
Buiten bij de voordeur hingen camera’s.

Nino kan het verklaren.
De rechters mogen best weten dat hij vroeger dingen heeft gedaan, dingen die hij nu niet meer doet.
Dat heeft hij zijn dochter die hij elke dag naar school brengt en voor wie hij kookt beloofd.
Sowieso is hij bezig jongeren die bij hem in de straat rondhangen ervan te overtuigen dat ze niet het slechte pad moeten kiezen.
Dat slecht niet stoer is.

De rechters: ‘Maar die spullen die bij u zijn aangetroffen zouden erop kunnen duiden dat bij u thuis drugs worden verhandeld. Dan geeft u niet het goede voorbeeld.’
Nino zegt dat de rechters het verkeerd zien.
Het zit zo.
Er was een vrouw die tijdelijk bij hem kwam wonen, die drugs waren van haar, niet van hem.
Een van de wapens had hij afgepakt van een vriend met slechte ideeën, daar had hij toch goed aan gedaan.
De telefoons zijn oude telefoons, tien, vijftien jaar oud, ja, die verzamelt hij, de plastic zakjes zijn er om vlees in te doen, de twee camera’s bij de voordeur hebben het nooit gedaan, die heeft hij daar stuk opgehangen.

De officier van justitie suggereert dat Nino de tijdelijke mevrouw met drugs had kunnen weigeren en dat hij in beslag genomen wapens had kunnen melden bij politie.
Had hij dat gedaan, dan was zijn verhaal misschien geloofwaardig geweest.

Nino reageert ontzet.
‘Wat? Aangeven bij de politie?’
Tegen de rechters, met stemverheffing: ‘Weet u wel wat ze tegenwoordig met snitchers doen? Praat je met de politie, dan komen ze bij je aan de deur en dan hakken ze je kop eraf. Niemand die mij beschermt.’
De rechters moeten weten dat de tijdelijke mevrouw met drugs de vrouw is van een president van een motorbende.’
De rechters: ‘Ja, dat is wel link.’

De officier van justitie eist 15 maanden celstraf.
Nino, nog steeds van slag: ‘Ik ben geen verrader.’

Verraders en plegers van ontucht genieten in gevangenschap geen aanzien.
Dat is eens begonnen in Amerikaanse speelfilms en nu is het ook in het echt zo.

In december 2014 is er in de van Mesdagkliniek in Groningen, op de afdeling resocialisatie, een feestje gaande.
Niet dat er iets valt te vieren, maar er is drank (strohrum) en er zijn drugs.
Dan wil het wel.
Bernard is niet uitgenodigd.
Bernard ligt niet lekker in de groep.
Omdat hij, zeggen ze, een pedo is.
Bernard zit alleen op zijn kamer met de deur op slot.

Halverwege het feest wordt het hem teveel en vraagt hij aan de feestgangers of de muziek wat zachter kan.
Hij krijgt verwensingen naar het hoofd geslingerd en hij keert terug naar zijn verblijf.
De feestvierders, het zijn Tim, Ben en Sjon, vinden dat het maar eens moet zijn afgelopen met die altijd zeurende Bernard, die ‘vieze pedo’.
Ze besluiten Bernard te vermoorden.

De officier van justitie: ‘We hebben het hier dus over een zuivere poging tot moord in vereniging.’

Het wordt een nare gebeurtenis.
Met een smoes weten ze Bernard te bewegen de deur te openen en dan gaan ze los.
De afranseling heeft veel weg van een marteling.
Hij wordt geslagen, geschopt, met een schaar bewerkt, met een bot broodmes dreigen ze zijn keel open te snijden, met een koord uit een kledingstuk proberen ze hem te wurgen.
Af en toe nemen ze even pauze.
Na een uur gaat Sjon (met bloed besmeurd) bij een mede-patiënt een sigaret roken.
Die zegt dat het geen goed idee is, zo’n moord op de afdeling.
Sjon laat zich overtuigen en waarschuwt kort daarna via de intercom de slapende beveiliging.
Tim zal later toegeven dat als de beveiligers niet waren gekomen, Bernard het niet zou hebben overleefd.

Sjon zegt dat hij meedeed, juist om te voorkomen dat de situatie zou escaleren.
Ben zegt hetzelfde.
Tim had laten weten ontzettend veel spijt te hebben van wat er is gebeurd (hij stond in januari al terecht).
De officier van justitie gelooft geen van allen.

Tim kreeg een nieuwe tbs met dwangverpleging.
Die hij had vervalt.
Ben en Sjon, die al jaren tbs’ers zijn, horen gevangenisstraffen eisen van 24 en 30 maanden.
De officier van justitie: ‘Wie tbs heeft, heeft geen vrijbrief tot straffeloosheid.’

Misschien moet Mark alvast zijn foto’s van Facebook verwijderen.

Rob Zijlstra

uitspraken volgen

ik schreef eerder over Mark: de schennispleger [2014]

 

Angstschreeuwen

Hij moet meekomen, mee naar Groningen
om daar iemand bang te maken

Schermafbeelding 2016-04-15 om 00.12.16

Om de misdaad binnen de perken te houden, richt het strafrechtsysteem zich voornamelijk op de misdaadpleger.
Een koppige geit naar de gevangenis sturen is in het kader van de misdaadbestrijding natuurlijk ook tamelijk onzinnig.
Maar misdaadplegers zelf leggen het waarom van hun doen en laten vaak buiten zichzelf.

In zittingszaal A van het Paleis van Justitie in Leeuwarden diende afgelopen week een vreselijkste rechtszaak.
Op de antieke houten stoel voor de rechters (raadsheren) zat Karin S. (51), misschien wel de slechtste moeder ter wereld.
Ze keek toe hoe haar vriend haar verstandelijk gehandicapte dochter Daniëlla doodsloeg met een honkbalknuppel.
Daarna verzon ze een leugen om haar vriend – hoe slecht is hij wel niet? – in bescherming te nemen.
Terwijl ambulancepersoneel het leven van haar 20-jarige dochter probeerde te redden, vertelde Karin aan de agenten dat Daniëlla van de trap was gevallen.

Karin S. is vorig jaar door de rechtbank tot 8 jaar celstraf veroordeeld wegens medeplichtigheid aan moord.
Ze is in hoger beroep gegaan omdat ze de straf te hoog vindt.
In haar beleving is alleen Geert de grootste slechterik.
Alles komt door hem.
Dat zij niets deed, ook.
Ze liet Geert als hij Daniëlla verkrachtte of afranselde z’n gang gaan omdat ze zo bang was. Soms gilde het moederhoofd dat ze moest ingrijpen, maar dan kreeg ze spontaan ‘blokknieën’, vertelt ze aan de rechters. ‘Dan verkrampte ik.’

De strafzaak tegen Karin S. wordt over een paar maanden voortgezet.
Die van Geert ook.

Angst speelt ook een aanjagende rol als twee mannen in december vorig jaar aanbellen bij Huibert (21) in Veendam.
Huibert zit dan met twee vrienden te gamen.
Call of duty.
Hij moet meekomen, mee naar Groningen om daar iemand bang te maken.
Iemand die geld moet betalen.
Bange mensen komen sneller met geld over de brug, zo begrijpt Huibert.
Om de klus te klaren krijgt hij in de auto een ploertendoder in handen gedrukt.
Tegen de rechters: ‘Als ik niet deed wat ze zeiden, zouden ze m’n hond doodmaken.’

Rechters: ‘Had u gedronken?’
Huibert: ‘Tien halve liters.’
Rechters: ‘Drugs?’
Huibert: ‘Een joint.’

Aangekomen in Groningen laat de man met de schulden zich op de afgesproken plek op de Grote Markt niet zien.
Gedrieën lopen ze een tijdje door de binnenstad.
Ze passeren een man die op straat staat te bellen.
Huibert loopt naar hem toe, zegt ‘moi’ en direct daarop haalt hij uit met de ploertendoder.
Twee keer, drie keer op het hoofd.
Niet heel lang daarna ligt de beller op de intensive care, waar artsen hem 24 uur in slaap houden om zijn leven te redden.
Dat lukt op het nippertje.

Huibert: ‘Het was niet de bedoeling.’
De rechters: ‘En toch is het gebeurd.’
Huibert: ‘Ja. Ik moest iets doen. Ik was zo bang, ik kon helemaal niet meer nadenken.’

De rechters zeggen dat het niet veel had gescheeld of Huibert had als moordenaar in de rechtszaal gezeten.
Hij knikt, dat snapt hij nu ook wel.
Was hij – achteraf – maar niet zo bang geweest voor die twee mannen, dan had hij het nooit gedaan.

De officier van justitie is niet gecharmeerd van deze verdachte.
Ook al omdat de twee vrienden met wie Huibert thuis zat te gamen verklaarden dat hun vriend helemaal niet werd bedreigd en niet werd gedwongen mee te gaan naar Groningen.
De aanklager: ‘Dit is een klassiek voorbeeld van zinloos geweld.’
Het voorstel: 6.000 euro betalen aan het slachtoffer en drie jaar gevangenisstraf (waarvan een jaar voorwaardelijk).
Na detentie een stevige behandeling in een strenge kliniek.
Huibert had stiekempjes gehoopt op jeugddetentie.
Voor een verblijf in een gevangenis voor volwassenen is hij een beetje bang.

Joost (45) leek om de drommel niet bang toen agenten hem wilden arresteren.
In plaats van de handen omhoog, gooide hij een 14,8 kilo wegende metalen zuurstoffles naar de agenten, bedreigde hij hen met verbale kogels en de dood, vernielde hij met zijn blote vuisten de politieauto en trok hij zich niets aan van de wapenstok en de pepperspray waarmee het gezag hem wilde vloeren.

Geboeid onderweg richting het politiebureau bleef Joost vloeken en tieren en hoogst onaardig. Eenmaal veilig achter slot en grendel vernielde hij de celdeur met zijn beenprothese.

Joost kijkt zoals hij oogt: somber.
Zegt zachtjes tegen de rechters: ‘Ik kan mij er niets van herinneren. En ik vind het heel erg wat er is gebeurd.’

Er was een 112-melding dat er een man languit op de doorgaande weg lag.

Rechters tegen Joost: ‘Dat was u.’
Joost: ‘Ik wilde dood, ik wilde zelfmoord plegen. Zou ik overreden worden, dan was alles voorbij.’
Dat hadden de rechters in het strafdossier gelezen.
Joost: ‘Ik was heel somber, ’s ochtends al. Ik heb toen zes halve liters gedronken en xtc-pillen gekocht in het bos achter de Menkemaborg. Dacht, als ik alles in een keer inneem, dan is het zo voorbij.’
Rechters: ‘U kijkt nu ook heel somber.’
Joost: ‘Ik wacht nog steeds op hulp.’
Rechters: ‘Waarom wilde u zelfmoord plegen?’
Joost, vermoeide stem: ‘Slechte jeugd gehad, veel meegemaakt.’

Er volgt een relaas, zo naar dat iedereen die het leven vrolijk lief heeft er in de war van raakt.
Hij was fitter, dat was zijn lust en zijn leven, maar toen kwam er dat akelige ongeluk en werd hij afgekeurd.
Nu zit hij 32 uur per week achter een naaimachine bij de werkvoorziening wat hij dag in en dag uit verschrikkelijk vindt.
Net als het geweld en de drank vroeger thuis, met zijn moeder van 17 en een tante die hem misbruikte, tien broers, het ongeluk, zijn been.
Een keer had hij een auto cadeau gedaan aan een jongere broer. Nog diezelfde dag reed die zich dood in die cadeau gegeven auto.

Het leven van Joost bestaat overdag uit akelige flashbacks en ’s nachts uit nare dromen.
De huisarts schreef pilletjes voor.

Het is om bang van te worden.

Officieren van justitie noemen alles wat verboden is en toch geschiedt ‘ernstige feiten’.
Zo ook nu.
Om het weer goed te maken met de samenleving: twee dagen celstraf en een werkstraf van 60 uur (eis).

Joost mompelt dat het wel goed is en zegt dat hij heel graag zijn excuses wil aanbieden aan die agenten.
De rechters: ‘Dat moet u maar met de reclassering regelen.’
Joost: ‘.’
Denkt na en zegt dan: ‘Ik schrijf wel even een brief.’

Rob Zijlstra

uitspraken volgen

→ inzetje: bram vermeulen / doodgewone jongen

Niet gekker

‘Normaal ben ik niet zo.
Ik moet gewoon even
nokkie zijn geweest.’

Schermafbeelding 2016-02-27 om 18.11.43Zittingszaal 14 is de zaal van het strafrecht in Groningen.
Qua woorden die er worden gesproken is het denk ik een van de meest bijzondere zalen van heel de provincie.
Je kunt het zo gek niet verzinnen of het kan in deze zaal worden gevraagd of geantwoord.
Zou ik de president van de rechtbank zijn, dan zou ik de tekst ‘het moet niet gekker worden’ ergens laten aanbrengen.
Zo groot als maar mogelijk.

Goed, koffie mag je niet mee naar binnen nemen (een flesje water wordt gedoogd), de telefoon moet op straffe van verbanning uit en het hoofd moet onbedekt.
Petje af.
Maar er bestaan geen taboes.

Zittingszaal 14 is als zaal niet heel imposant.
De ene zijkant telt tien smalle ramen, de andere acht, maar daglicht is er nooit.
Aan weerszijden hangen grote, zwarte Sony’s aan de muur, aan eentje een goedkope klok van Blokker.
De meubels die er zijn neergezet, zijn lomp, te groot voor de ruimte die er is.
Aan de hoge muur waar het publiek naar kijkt, hangen vijf panelen, die samen een kunstwerk vormen.

De maker van die werken is de Amsterdamse kunstenaar Jaap Hillenius die in 1999, fietsend in zijn stad, door een automobilist werd doodgereden.
Hij schilderde de vijf panelen in zachte, lieflijke pasteltinten.
Daarmee wilde Hillenius tegenwicht bieden aan de harde, rauwe werkelijkheid die in rechtszalen wordt besproken.

Maandag was de kunst van de maker hartstikke nodig.
Tussen de zachte panelen hing het grote oprolbare doek voor een vertoningen.
Doorgaans worden daar slechte beelden op getoond van vage figuren die cafetaria’s overvallen.
Maar nu zagen we een erg blote vrouw, liggend op een duistere bank.
In haar stak een bierflesje dat op en neer ging.
We zagen handen aan armen die dat deden.
We hoorden gelach en iets dat klonk als kreunen.
Het duurde één minuten en vijftig seconden.

Een mannenstem luidde het einde van het ranzige filmpje in.
Rauwe stem: ‘Ik vind het nou ook wel goed zo. Ik heb genoeg gezien.’

Voordat de rechters de film startten was het publiek op de tribune verzocht de zaal te verlaten. De film zou achter gesloten deuren worden getoond.
Na de vertoning mocht het publiek weer binnenkomen.
Net toen ik wilde opstaan, sprak de rechter dat was besloten een uitzondering te maken voor de pers, dit in het belang van de openbaarheid van de rechtspraak.
En zo keek ik op maandagochtend op een doek van 3 bij 4 meter naar een bierflesje in het blote kruis van Anneke.

Er zijn drie verdachten.
Femke (26) en haar stiefmoeder Connie (42).
De armen met handen zijn van hen.
Connies hoofd komt een paar keer herkenbaar in beeld.
De derde verdachte is Ko (34).
Hij is de man van de stem en de maker van het filmpje.

De rechters zeggen dat het allemaal nogal gênant is.
Ze zeggen: ‘Maar we moeten er toch over praten.’
Femke kijkt strak voor zich uit, haar linkerhand ligt op haar zwangere buik.
Connie huilt.
Femke zal dat straks ook gaan doen.
Ko is niet komen opdagen.

Het verwijt dat aan de twee vrouwen wordt gemaakt is dat zij seks hebben gehad met iemand die wilsonbekwaam is, met iemand die onmachtig is.
Plat en niet-juridisch gezegd: ze hebben een laveloze vrouw verkracht.
En daar heeft Ko met zijn telefoon een filmpje van gemaakt.
Het was ook op zijn bank in zijn woning in het oosten van Groningen.

De rechters: ‘In hemelsnaam, waarom?’
Connie heeft het nu niet meer, haar stem stokt.
Femke komt met een gedeeltelijke bekentenis: ‘Lichamelijk was ik erbij, maar geestelijk totaal niet.’

Een en ander gebeurde in oktober 2014.
Niet lang daarna gingen er geruchten door het dorp.
En toen nog erger: het filmpje werd verspreid.
Het duurde niet lang of het halve dorp keek naar Anneke op de bank.
Zij wist zelf toen nog van niks.
Een kennis van haar vond het te gortig en stapte met zijn telefoon waarop ook hij het filmpje had ontvangen naar de politie.
Buurtagenten bekeken het, ze zagen Anneke en herkenden de stem van Femke en toen ze nog een keer keken herkenden ze ook Connie.

In maart werden ze aangehouden.
Ko ook.
Bij de politie werden uitvoerig verklaringen afgelegd.
Connie: ‘Ik wist niet dat het zo erg was.’
Femke: ‘Normaal ben ik niet zo. Ik moet gewoon even nokkie zijn geweest.’
Ko had bij de politie verteld dat hij filmde in opdracht van Connie.
Connie had ruzie met Anneke, ze hadden elkaar die avond ook geslagen, in de gang bij hem thuis. Ze waren toen al aangeschoten.

Connie: ‘Ik had ruzie met Anneke, Ko gaf mij toen een pilletje, om rustig te worden.’
Femke denkt dat ze flink wat cocaïne heeft gesnoven.
Ze zegt: ‘Ik weet helemaal niets meer.’
Connie: ‘Ik ook niet, maar ben wel vol in beeld op dat filmpje.’
Op haar werk hadden ze dat ook gezien.
Ze mocht vrijwillig ontslag nemen, dan kreeg ze een beetje geld mee.

Het vermoeden is dat iemand iets in het drankje van Anneke heeft gedaan.
Misschien wel GHB, raar spul dat Ko altijd in de koelkast had, wordt gezegd.

Anneke heeft geen aangifte willen doen.
Ze is bang voor represailles.
Maar de officier van justitie heeft geen aangifte nodig om de drie verdachten te kunnen vervolgen.
De beelden spreken voor zich.
Duidelijk is te zien, vindt zij, dat Anneke bewegingloos is, dus onmachtig.
Ze spreekt van ontzettend ernstige feiten die ze met alle officieren van justitie had besproken.

Gezamenlijk waren ze tot de conclusie gekomen: 24 maanden celstraf waarvan acht voorwaardelijk. Dus ook voor Ko die alleen maar filmde, ook voor Femke die hoogzwanger is.

De advocaten doen wat ze moeten doen.
Ze proberen de scherpe kanten eraf te halen.
Misschien bewoog Anneke toch wel een beetje en was ze helemaal niet zo laveloos van de drank en drugs.
Misschien was het wel een seksueel experiment van volwassenen met een slokje op.
Strafbaar is het dan niet, zegt de ene advocaat.
De andere: ‘Het is gebeurd, iedereen dronken, iedereen onder invloed, dan dient straf geen doel.’

Zij die weten dat ik in zittingszaal 14 kom vragen soms wat nou de ergste zaak is geweest, de meest heftige zaak, die ik heb gevolgd.
Dat is moeilijk te zeggen, antwoord ik dan.
Omdat ik inmiddels weet: het kan altijd nog gekker.

Rob Zijlstra

Net andersom

Er zijn getuigen,
maar hun verklaringen brengen
– zoals zo vaak bij getuigen –
meer verwarring dan duidelijkheid

 

Schermafbeelding 2016-01-21 om 23.08.44Twee tegenstrijdige verhalen kunnen niet tegelijkertijd waar zijn.
Dit blijft ook waar wanneer het om twee verhalen gaat die beide geloofwaardig zijn.
Gedegen politieonderzoek kan in zo’n geval uitkomst bieden, maar uitgerekend in deze kwestie heeft de politie zitten klooien.
De rechters drukten zich ietwat beleefder uit.
Die zeiden: ‘Het is jammer dat het dossier op cruciale punten hiaten bevat.’

Jan (32) uit Stadskanaal is de verdachte.
Het slachtoffer is Dirk (54) uit Wildervank.

Jan draait er niet omheen.
Zijn analyse: ‘Het is gruwelijk geëscaleerd. We zijn te ver doorgezakt.’
Hij was ’s middags met de bus naar Wildervank gegaan, voor een bezoek aan Dirk die hij wel kent.
’s Middags hadden ze bier en berenburg gehaald en haringen om te eten.

Ze zaten aan tafel in de voorkamer.
Eerst was het een gezellige boel, Jan had nog staan dansen.
Maar toen de drank de baas werd, veranderde de sfeer.
Dirk, zegt Jan, begon met die fles berenburg op de tafel te slaan.
Op die tafel lag niet alleen een mes (in verband met de haringen), maar ook de mobiele telefoon van Jan.
‘Ik zei nog, pas nou op, maar het was al te laat. Het glas spatte in mijn gezicht.’

De vrolijkheid is dan verdwenen.
Jan vindt dat Dirk een nieuwe telefoon moet betalen.
Of iets moet regelen met de verzekering.
Maar Dirk, zegt Jan, wilde daar niets van weten.
Volgens hem was het glas van de telefoon al stuk.
‘Er ontstond een welles-nietes-spelletje. Het viel me op dat Dirk heel heftig reageerde.’

Rechters: ‘En toen?’

Dirk, vervolgt Jan, ging even naar de wc.
‘Maar hij bleef lang weg, dus ging ik even kijken. Bleek dat hij op straat was. Ik liep hem achterna, maar viel toen op het stoepje, ik gleed uit. Samen zijn we toen naar binnen gekropen. Toen gingen we weer drinken en begon ik dus weer over die telefoon. Ik wilde dat nog even oplossen, want ik moest de bus halen naar Stadskanaal. Er ontstond duw- en trekwerk. Ik heb toen de tafel tegen hem aangeduwd. Ik wilde niet vechten. Maar ineens, tjakka. Ineens stak hij mij met een mes. Ik raakte in paniek. Ik dacht, halve gek, ik ga morsdood, hiero.’

Jan werd geraakt in de borst en in de linkerbovenarm en begon te slaan en te schoppen.
‘Om me te verdedigen. Het was een reactie uit angst.’
Toen Dirk na een tijdje niet meer bewoog, belde Jan 112.
Hij zegt: ‘Ik schrok, dacht, oei, dit komt niet goed.’

Als de politie arriveert, zit Dirk versuft op de grond, terwijl het witte T-shirt van Jan rood is gekleurd van het bloed.
Beiden worden met spoed overgebracht naar het ziekenhuis in Groningen.
De steekwond valt bij nader inzien mee.
Dirk is er daarentegen niet best aan toe.
Hij belandt op de intensive care met onder anderen breuken in het gezicht, een gebroken nekwervel en negen gebroken ribben.
Er ontstaan complicaties.
Artsen vrezen even voor Dirks leven.

Tja, zegt Jan, ik heb dit ook niet gewild.
Tja, zegt ook de officier van justitie met zijn strafdossier vol hiaten.
Hij zegt: ‘Er is iets gebeurd, de vraag is in welke volgorde.’
Hij heeft al een keuze gemaakt: ‘Ik ga ervan uit dat Dirk Jan heeft gestoken en dat Jan vervolgens in een hevige gemoedstoestand Dirk heeft geslagen en geschopt. Ik vind dat er sprake is van noodweerexces. Zelfverdediging in paniek. Jan heeft zich wel schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag, maar ik vind dat we hem daarvoor geen straf moeten opleggen.’

De advocaat van Jan is het daar roerend mee eens.
Jan verlaat – misschien wel een beetje ontgoocheld – de rechtszaal.

Maar dan, de volgende zaak.
Daarin is Dirk de verdachte en Jan het slachtoffer.
Dezelfde rechters: ‘Wat is er gebeurd?’
Tja, zegt Dirk.
‘We zaten gezellig te drinken en dat is toen uit de hand gelopen. Ik ben blij dat ik hier zit, want ik had net zo goed dood kunnen wezen.’

Rechter: ‘Vertel.’

Dirk: ‘Jan zei dat ik zijn telefoon kapot had gemaakt, maar dat is niet zo. Die telefoon was al kapot. We kregen woorden. Ineens sloeg hij mij van mijn stoel. En toen begon hij ook te schoppen. Ik ben naar buiten gevlucht, ik wilde naar mijn overbuurman. Maar Jan kwam achter me aan en sleepte me de woning weer in. Hij begon weer te slaan. Ik raakte bewusteloos. Toen ik bijkwam, waren er allemaal politieagenten.’

Dirk ontkent dat hij heeft gestoken met een mes.
‘Jan had een mes en maakte daarmee stekende bewegingen. Ik heb me afgeweerd.’
Dirk stroopt de mouwen op en laat de littekens op de onderarmen aan de rechters zien.
Die kijken met ernstige ogen en zeggen: ‘Jammer dat de politie hier niets over heeft opgenomen in het dossier.’
De messen waarmee gestoken zou kunnen zijn – er worden twee gevonden – zijn niet onderzocht.

Er zijn getuigen, maar hun verklaringen brengen – zoals zo vaak bij getuigen – meer verwarring dan duidelijkheid.
Om half tien zou het al vreselijk uit de hand zijn gelopen, terwijl pas om half elf het alarmnummer 112 werd gebeld.
De advocaat van Dirk zegt dat niet uitgesloten kan worden dat Jan zichzelf heeft verwond.
Het was een heel raar wondje, het was ook meer een snijwond dan een steekwond, met wel heel veel bloed.
Maar dat is niet raar, weet de advocaat die zich bij het scheren eens in de oorlel sneed. De rechters willen niet weten hoeveel bloed dat geeft.
‘Niet te stelpen.’

Tja, zeggen de rechters.
Ze zeggen dat ze in de vorige strafzaak een verhaal hebben aangehoord dat best heel aannemelijk klonk.
Tegen Dirk zeggen ze: ‘Maar uw verhaal past ook wel.’

Jan liegt.
Of Dirk doet dat.
De aanklager is zonder twijfel.
Hij heeft tijdens de zitting van Jan de knoop al doorgehakt.
Als Jan het slachtoffer mag zijn, moet Dirk de dader wel wezen.
Om beide vechtersbazen weg te laten komen met noodweer zou wel heel raar zijn en kan ook helemaal niet.
Dus Dirk hangt.
Hij is schuldig aan een poging tot doodslag en is – anders dan Jan – ook een strafbare dader.
De eis: achttien maanden gevangenisstraf waarvan zes voorwaardelijk.
Dat is een jaar.

Zo zit het dus.
Of net andersom.

Rob Zijlstra

update – 1 februari 2016 – uitspraken
Een lastige zaak zegt de rechtbank. Zo lastig dat ‘we er niet uitkomen’. De rechter: ‘Er liggen twee aannemelijke verklaringen die evenwel niet tegelijkertijd waar kunnen zijn. Voor beide verklaringen is bewijs en in beide zaken geldt dat dat bewijs niet kan worden weerlegt. Omdat naar een aantal cruciale zaken geen onderzoek is gedaan, blijft de waarheid in het midden liggen.’
Om toch tot een oplossing te komen besluit de rechtbank uit de te gaan voor het meest gunstige scenario voor beide verdachten.
Dirk wordt vrijgesproken.
Jan wordt ontslagen van alle rechtsvervolging

Het logeerbed

Schermafbeelding 2015-10-01 om 21.08.30

dvhn, pagina 18

Een vliegtuig dat opstijgt, is en blijft een wonderlijke gebeurtenis, maar het is al lang geen nieuws meer.
Stort datzelfde vliegtuig uren later neer, waar ook, dan is dat wel nieuws, hoe groot hangt af van het aantal inzittenden, nationaliteiten en natuurlijk de plek van de ramp.

Nieuws heeft vooral ook met afstand te maken.
Nieuws is vaak maar raar.
Wanneer u zich fataal verslikt in een graatje, dan haalt dat niet de voorpagina van de krant van morgen.
Dat wordt anders wanneer de betreurde de verkoper van de vis is.

De verdronken zwemleraar, een horlogemaker die te laat komt, de scheidende trouwambtenaar, kale kapper, rijdende rechter, een wanhopig filosoof.
Een valse noot en het is nieuws.

Piet z’n huwelijk dreigde op de klippen te lopen en daar zat hij vreselijk mee.
Hij had het verteld aan een goede collega met wie hij er tenminste over kon praten, niet alleen na het werk, maar ook tijdens de diensten die ze samen draaiden.
Jannie snapte het tenminste want ze luisterde goed.
Het was dan ook helemaal niet raar dat Jannie hem uitnodigde voor het verjaardagsfeestje bij haar thuis.
Hij mocht ook blijven slapen, dan kon hij een borreltje drinken, wel zo gezellig.

Hetty vond het best.
Hetty is de vrouw van Jannie en andersom.

Er waren die avond nog een paar vriendinnen geweest en er was bier gedronken en wijn.
Toen het feest was afgelopen waren ze niet lam geweest, maar wel flink een beetje teut.
Lachen ook.
Piet zou in het logeerbed slapen.
Toen ze zich klaarmaakten voor de nacht troffen ze elkaar in de krappe badkamer.
Om er nog even te plassen, om de make-up weg te vegen, tanden te poetsen, om er bloot slaapshirts aan te trekken.
Piet tegen de rechters: ‘Meer is er daar in de badkamer niet gebeurd.’

Het licht ging uit en werd het duister en donker

De volgende dag gingen Piet en Jannie volgens het rooster samen aan het werk.
Het eerste wat ze samen deden was een ontbijtje scoren bij de McDonald’s.
Deden ze vaker samen.
Piet was toen een beetje emotioneel geweest.
Alsof er iets was gebeurd.

Zelf zei hij dat het was vanwege dat klotenhuwelijk met zijn vrouw van wie hij hield.
En vanwege ook de kinderen, wat deed hij ze aan?
Kom op Piet, troostte Jannie.

Daarna gingen maanden voorbij, juni werd herfst.
Jannie was, merkte hij wel, gaandeweg afstandelijker geworden.
Toen het oktober was, deed ze aangifte en lag er ineens een heel ander verhaal op tafel.
Jannie beweerde dat Piet haar had aangerand.
Hij had dat gedaan die avond in de badkamer, toen ze daar gedrieën de nacht stonden voor te bereiden

Piet had, vertelde Jannie bij de politie, ineens aan haar blote boxershort getrokken.
Ze had zijn vingers op haar schaambeen gevoeld.
Ze had geroepen: ‘Dit kun je vergeten Piet’.
Toen waren ze gaan slapen.
Tenminste, dat dacht Jannie.
Terwijl Jannie sliep, beleefde Piet stiekeme seks met Hetty.
Dus met de vrouw van Jannie.

Een lang verhaal.
Een kort verhaal.

Toen Jannie in de herfst hoorde over dat van Piet en Hetty deed ze aangifte.
En Hetty?
Hetty toonde zich solidair met haar vrouw.
Zij zei na maanden stellig: ‘Piet heeft mij die nacht verkracht.’

Piet werd per direct door zijn werkgever geschorst.
Jannie en Hetty waren door aangifte te doen ineens slachtoffers geworden.
De officieren van justitie wikten en wogen.
De uitkomst: We seponeren Piet. Er wordt van alles gezegd, maar er is geen bewijs.

Hetty legt zich daar bij neer.
Jannie niet.
Jannie dient een klacht in – artikel 12 – en het gerechtshof oordeelt dat er een strafzaak moet komen.
En zo kan het gebeuren dat de rechtbank in Groningen zich in september 2015 moet buigen over een verjaardagsfeestje in juni 2013.

De officier van justitie spreekt van een precaire zaak.
De officier van justitie zegt over die toestand in de badkamer dat hij wel wil aannemen dat er tanden werden gepoetst en slaapshirts werden aangetrokken, maar dat hij in alle redelijkheid niet kan bewijzen dat de hand in de onderbroek is gegaan.
Hij eist vrijspraak.
En daarmee is ook de vordering van 500 euro die Jannie indiende wat de aanklager betreft van de baan.

Zo ging het er aan toe in de rechtszaal.
Is dit nou nieuws?
Overleg met de redactie.
Redactie neigt naar niet.
Ik zeg dat het vermeende slachtoffer politieagente is.
En de verdachte politieagent.
De redactie: Oei, dat is wel relevant, dan is het wel nieuws.

De volgende dag staat er een stukje in de krant, op pagina 18.
Met het oog op de geëiste vrijspraak doen we dat ten aanzien van de verdachte die in een klein en onwetend dorp woont, ietwat terughoudend.

Rob Zijlstra

uitspraak op 9 oktober

Geld & alcohol

het verdriet van Yanar
zit verwerkt in een
getatoeëerd traantje
onder zijn oog

 

Misschien is het wel waar dat in ieder mens van nature een paar gram slechtheid schuilt en dat daarom misdaad bestaat.
Zo er ook plastic in zee drijft.
Wie weet.
Met grotere stelligheid durf ik op te schrijven dat er misdaad onder ons is als gevolg van geld – te weinig of te veel – en – idem – alcohol.

Nooit zal ik de verdachte Peter vergeten, toen 31 jaar.
Bij de Spar had hij rode wijn gestolen, bij de iets verderop gelegen Gall&Gall aan het pleintje was hij gaan slaan om een fles whisky te bemachtigen.
Met de buit holde hij naar huis waar hij – eenmaal dronken – zijn geliefde in elkaar beukte.

Op een dag pikte zij dat niet meer en belde gebutst de politie.
Agenten kwamen opdraven en hielden Peter aan terwijl hij diep was weggezakt in zijn zoveelste roes.
Rond zijn bed een zee aan lege (en gestolen) drankflessen.

Peter was een man met vermogende ouders.
Om aangenaam te leven kreeg hij 15.000 euro per maand toegeschoven.
Daar hoefde hij niets voor te presteren.
Toen zijn ouders kwamen te overlijden, vloeide er een paar miljoen naar zijn bankrekening.
Waarom dan stelen met al dat geld, met al die euro’s?
Simpel: ’t was op.
Verbrast. Opgezopen. Verpist.
Peter had niets meer.
Zelfs de schadeclaim van Gall&Gall, twee tientjes, kon hij als ex-miljonair niet betalen.
De duurste afkick-klinieken in het buitenland had hij bezocht, daar waar ook benevelde wereldberoemdheden komen, maar geholpen had het niet.
Hij moest wel stelen.

Is het niet de drank, dan is het wel het geld.
Yanar (20) heeft nooit vermogende ouders gehad.
De ouders die hij wel had, zijn dood.
Oma voedde hem op.
Na een lange vlucht uit Azerbeidzjan belandde hij in Noord-Groningen, niet ver van waar ook dronken Peter was neergestreken.
Een stage bij de V&D in Groningen mislukte omdat hij er van veel te vroeg tot veel te laat en altijd te hard moest werken.

Yanar had 65 euro per week te besteden.
Dat was per week te weinig, daar hij met dit geld ook zijn dagelijkse jointjes moest financieren.
Aan de bewindvoerder had hij om opslag gevraagd, een beetje extra maar.
Over een week zou oma jarig zijn en hij wilde iets voor haar kopen.
De bewindvoerder hield voet bij stuk en gaf geen cent extra.
Yanar zei daarop boos dat hij dan op zijn eigen manier geld zou gaan halen.

Kort daarna, op nieuwjaarsdag, stapte hij met een muts over zijn hoofd en een vuurwapen in de linkerhand de frietkraam in Tuikwerd in Delfzijl binnen en eiste met trillende knieën het geld in de kassa op.
De doodgeschrokken frietmedewerkster drukte op het stille alarm en griste wat bankbiljetten bijeen.
Met honderd euro ging Yanar er vandoor.

Nee, zegt hij tegen de rechters, het is niet de manier.
Maar wat moest hij dan?
Hij had geldnood. Dus.
En nu?
Hij zegt: ‘Oma is teleurgesteld.’
En verder?
Hij wil met rust gelaten worden, zijn straf uitzitten en dan werken.
En als dat niet lukt gaat hij terug naar zijn land, dan wil hij weg van hier, van hier waar grote mensen alleen maar onzin praten.

Jawel.
Hij heeft wel aan dat meisje van de frietkraam gedacht.
Maar pas later.
Niet toen hij het ging doen, want dan denk je niet aan zoiets.
Nu wel.
De reclassering waarmee hij niets te maken wil hebben, schreef dat Yanar een kwetsbare jongeman is die al veel in zijn leven heeft moeten meemaken en de neiging heeft dat te overschreeuwen.
Het verdriet van Yanar zit verwerkt in een getatoeëerd traantje onder zijn oog.
Wat de officier van justitie betreft hoeft Yanar de komende tijd te werken noch oplossingen te verzinnen voor geldnood.
Hij eist vier jaar gevangenisstraf.

Hannes combineert geld en drank.
Hij steelt al jaren als gevolg van geldnood ten behoeve van drank.
Eens was hij goed voor twee flessen jenever per dag, tegenwoordig houdt hij het vooral bij bier en whisky.
Een dag voordat Yanar de frietkraam bezocht, keilde Hannes aan het Helperplein in Groningen een baksteen door de etalageruit van Gall&Gall (ja, die weer).
Hij was op dat moment al flink dronken.
De volgende ochtend was hij wakker geworden in Oude Pekela bij een kennis.
In het bed waarop hij lag, lagen ook zeven flessen whisky.
Toen de drank drie dagen later op was, zou hij hebben ingebroken in de woning van zijn moeder.
De buit: een fles bessenjenever en een krat Amstel.
Eis: vijftien maanden.

In de zalen van het strafrecht zijn wekelijks dit soort geld- en drankverhalen op te tekenen.
Soms, heel soms, gaat het andersom.
Zoals bij Max, een jongeman van dan 21 jaar uit Oezbekistan die deel uitmaakte van een criminele bende die zich in Oost-Groningen schuldig maakte aan moord (althans pogingen daartoe), vrijheidsberoving, drugshandel, bedreigingen en gewapende overvallen op hennepplantages.

Max zou betrokken zijn geweest bij een woningoverval (met hennep) in Froombosch.
Iemand had hem met zijn oorbellen door zijn oren herkend, op de plaats-delict was een muts gevonden met daarop zijn dna.
De rechtbank veroordeelde hem tot vier jaar.
Zijn rechters wilden niet weten dat bij hem sprake was van een ‘psychotisch beeld’, veroorzaakt door een ‘schizofreen proces’.

Er volgde hoger beroep.
In het Paleis van Justitie in Leeuwarden stelden de raadsheren ter plekke vast dat Max geen gaatjes in de oren had en ten aanzien van de muts met dna luidde het oordeel dat de muts er door anderen kan zijn neergelegd.
Vrijspraak.

Max had drie nachten in een politiecel doorgebracht.
Daarna had hij vijf nachten met beperkingen een huis van bewaring gezeten, gevolgd door nog eens 736 nachten zonder beperkingen, zij het wel opgesloten en van de vrijheid beroofd.
En dat ten onrechte.

De advocaten stelden voor om aan Max een schadevergoeding toe te kennen.
Voor de eerste acht dagen 105 euro per etmaal, voor de 736 daaropvolgende nachten tachtig euro.
En omdat bij Max dus wel sprake is van een ‘schizofreen proces’ zou het standaardtarief moeten worden verdubbeld.
Ook de kosten van het verzoek tot schadevergoeding – 550 euro – zou moeten worden vergoed.

De rechters dachten diep na en besloten toen de Staat der Nederlanden te verplichten om aan de jonge Oezbeek (op een tientje na) 120.000 euro te betalen.

Proost.

Rob Zijlstra

uitspraken op 25 juni

Meer voor mannen

soms heb je geen journalisten nodig
om het extra spannend te maken

 

Mannen knokken.
Dat hebben mannen altijd gedaan.
Eens was er een tijd dat het helemaal niet raar was dat er zo nu en dan – na bier – een stevig robbertje werd gevochten.
Na verloop van tijd zijn we dit volksgebruik minder gaan waarderen.
Net als stierenvechten zeg maar.

Vandaag de dag is de beschaving zover gevorderd dat een knokpartij wordt beschouwd al een misdaad en dat deelnemers eindigen in rechtszalen en zelfs achter tralies.
Vraag het maar aan Galliano (22) of aan Dirk (ook) uit Appingedam.

Er was bij Galliano een klein feestje, met bier, met wodka en spelletjes.
Wie het meeste staand kon drinken bijvoorbeeld.
Vriend Paul deed zo z’n best te winnen dat hij laveloos werd afgevoerd.
Dat deed de gezelligheid geen goed.
Toen Mark, een andere vriend, besloot Galliano eens flink de waarheid te vertellen (‘je vriendin is bang voor je’) ging het mis.
Mark en Galliano begaven zich als mannen naar de tuin om elkaar daar diep in de ogen te kijken.

Mark verklaart: ‘Ik werd plots bij de keel gepakt, kreeg twee vuistslagen op de ogen en viel op de grond. Daarna zag ik een voet aankomen en daarna werd alles zwart.’
Galliano: ‘We stonden daar en ineens probeerde hij mij, tot drie keer toe, een kopstoot te geven. Ik wilde weer naar binnen gaan, maar hij ging voor de deur staan, hield me tegen. Toen heb ik twee keer geslagen. Dat klopt. Maar ik heb hem niet tegen het hoofd geschopt. De agressie ging van hem uit.’

Een officier van justitie gelooft bijna altijd het slachtoffer.
Ook in dit geval.
Ze zegt: ‘Vriend Mark mag dan vervelende opmerkingen hebben gemaakt, irritant zijn geweest, het geeft verdachte niet het recht iemands schedel kapot te trappen.’
Wie vandaag de dag met geschoeide voet tegen een kwetsbaar lichaamsdeel schopt – het hoofd is zo’n deel – maakt zich per definitie schuldig aan een poging tot doodslag.
Ook al waren het gympies.

Galliano moest zich voor nog een akkefietje verantwoorden.
Hij had een cocaïne-dealer beroofd van diens tas met handel op de parkeerplaats bij de grote Albert Heijn.
Hij wil de rechters doen geloven dat hij dat deed omdat hij had vernomen dat de dealer ook drugs verkocht aan minderjarigen.
Daar wilde hij de handelaar op aanspreken en als bewijs dat het een heuse dealer betrof, had hij de drugs meegenomen.

De rechters: ‘Hoe logisch is dat?’
Galliano: ‘Tja, wie ben ik ook om zoiets te doen?’
De officier van justitie: ‘Hij heeft een deel van het bewijs ook nog eens zelf opgesnoven.’

Galliano laat weten dat hij – nu hij al zes maanden vastzit en vader is van een zoontje van 2 – goede voornemens heeft.
De officier van justitie vindt dat de verdachte die goede voornemens vooral moet blijven koesteren omdat er eerst moet worden afgerekend, vooral in de vorm van vergelding.
Ze eist vier jaar celstraf, waarvan een jaar voorwaardelijk.

En dat allemaal in Appingedam, een stad die volgens een dagblad qua onveiligste gemeente des lands op plek 112 staat, net na Coevorden, net voor Haarlemmermeer (met Schiphol binnen de grenzen).

Dirk woont ook in Appingedam.
Op de dag dat hij 22 jaar is geworden en daarom bezoek heeft, gaat hij even snel naar het vlakbij gelegen café om shag te kopen.
Zijn vriendin gaat mee.
In het cafe is een feestje van mannen met stropdassen die allemaal een diploma hebben behaald. Wanneer Dirk en vriendin de zaak weer verlaten, probeert een stropdas haar in de billen te knijpen.
De andere gestropte heren fluiten haar hitsig na.

Zij zegt dat dat wel vaker voorkomt, maar Dirk is boos.
Thuis vertelt hij een tikkeltje opgefokt aan het verjaardagsbezoek wat er zojuist is gebeurd.
Het 15-jarige neefje – een man in wording – denkt zijn oom een goede dienst te bewijzen en gaat in z’n uppie en met gebalde vuisten naar het café.
Niet heel veel later keert hij terug, met een bebloed gezicht.
In een stoel raakt hij buiten bewustzijn.

Dirk tegen de rechters: ‘Ik had nog tegen hem gezegd dat ik geen trammelant wilde, hij is er heengegaan zonder dat ik dat wist.’
Terwijl vrouwen zich om het neefje bekommeren – hij wordt weggevoerd met een ambulance – gaan de mannen met opgestroopte mouwen richting het café vol stropdassen.
De officier van justitie rept van een ‘georganiseerde aanval’.
De knokpartij die volgde – zegt de aanklager – zette heel Appingedam op de kop.

Soms heb je geen journalisten nodig om het extra spannend te maken.

De officier van justitie vertelt dat het politieonderzoek dat is ingesteld, moeizaam is verlopen.
Er waren veel getuigen, maar veel getuigen zijn bang te praten, bang voor represailles.
Er zijn zelfs mensen, zegt nog steeds de aanklager, die zo bang zijn dat ze niet meer op stap durven in Appingedam.
Na twee moeizame maanden heeft de politie een paar verdachten op het oog: Dirk, een jongere broer van Dirk en het 15-jarige neefje.
Ze worden met arrestatieteams van de politie op een ochtend in alle vroegte gearresteerd.
Daarbij worden voordeuren met een stormram (de rammeneur, zeggen ze bij de politie in Groningen’) ingebeukt.
De reden: er spookten geruchten door Appingedam dat Dirk over wapens beschikte vanwege zijn lidmaatschap van Satudarah.
Er zijn geen wapens aangetroffen.

Dirk zegt tegen de rechters dat ‘ie een jongen een drukker heeft gegeven.
Bij de Scapino.
Alleen dat.
Meer niet.
Daarna is hij weggegaan.
Tegen de rechters: ‘Maar goed, ik heb mijn aandeel d’r in gehad, achteraf hartstikke dom.’
Hij overweegt Appingedam te verlaten om elders een nieuwe start te kunnen maken.

Om zich los te maken is hij alvast gestopt met zijn opleiding HBO-rechten.
De rechters: ‘Oh.’
Dirk: ‘Ik vond het saai, droge stof.’
De rechters: ‘In de boeken is het altijd saaier dan hier in de rechtszaal.’

De officier van justitie heeft geen indicaties van geschoeide voeten en kwalificeert het geknok als openlijke geweldpleging.
Het broertje van Dirk hoort bij de kinderrechter een werkstraf van 40 uur eisen.
Dirk zelf moet wat de officier van justitie betreft zestig dagen in een cel opknappen.
Het neefje kon niet komen vanwege de schoolexamens.
Hij moet later.

Mannen knokken.
Er zijn geen signalen die erop wijzen dat dit in de toekomst anders zal zijn.

Rob Zijlstra

update – 1 juni 2015 – uitspraak
De rechtbank heeft Dirk vrijgesproken. Er is geknokt door personen, maar het is onvoldoende duidelijk wie die personen zijn geweest. Daarom kan Dirk niet worden veroordeeld wegens openlijk geweld. Dat hij iemand een duw heeft gegeven, zegt hij zelf, mag zo wezen, niet duidelijk is tegen wie. Ofwel, ook hier vrijspraak. Het minderjarige broertje van Dirk is deels vrijgesproken. Wat rest is: 60 uur werkstraf waarvan de helft voorwaardelijk.

update – 4 juni 2015 – uitspraak
Galliano is door de rechtbank veroordeeld wegens een diefstal met geweld. De poging tot doodslag is niet bewezen. Daarom ook een lagere straf dan de eis: 14 maanden waarvan 6 voorwaardelijk.

Misdaadtranen

Een klap
Man op de motorkap
Het is Geert, die ook uit het café komt

 

In zittingszaal 14 is geen ruimte voor droefheid over het lot van een verdachte.
Er zijn bijvoorbeeld verdachten die al maanden vastzitten en zodoende hun kleine kinderen missen.
Zulke verdachten willen heel graag naar huis.
Logisch, zingen officieren van justitie dan ongevoelig in koor, want wie vast zit, wil vrij.
Zou dat niet zo zijn, dan zou de wereld op de kop staan.

Dat er in de rechtszaal geen ruimte is voor medelijden, wil niet zeggen dat geen rekening wordt gehouden met persoonlijke omstandigheden van verdachten.
Strafrechtspraak is geen wiskunde, maar of tranen helpen?

Mick is een grote, stoere man van 45 jaar.
In een misdaadfilm zou hij de gemene gangster kunnen zijn.
In het echt is hij dat een beetje.
In de politiesystemen heeft Mick code 4 achter zijn naam staan.
Betekent dat hij in het echt vuurwapengevaarlijk is.
Wanneer hij moet worden aangehouden – moet soms – moet altijd een arrestatieteam worden opgetrommeld.

Hij beklaagt zich bij de rechters.
Zegt: ‘Elke keer wanneer ik word opgepakt door het arrestatieteam, beweren agenten dat ik hen heb bedreigd. Altijd.’
Dat hij vuurwapengevaarlijk is, daar is hij het ook niet mee eens.
Tegen de rechters: ‘Ik heb niet eens een gun.’

Mick staat ditmaal terecht vanwege gedoe.
Hij zou zijn ex hebben bedreigd toen hij autopapieren kwam ophalen.
Er is iets met haar voordeur.
Bij de aanhouding die daarna volgde, zou hij lelijke dingen tegen agenten hebben geroepen en een van hen een stomp op de neus hebben gegeven.
Mick ontkent dat.
Zegt: ‘De politie liegt op mij.’
En verder, meldt zijn boze stem, heeft hij geen zin om er over te praten.

Dan ineens is er wat aan de hand in de rechtszaal.
Mick wordt afgevoerd naar de catacomben van het gerechtsgebouw waar de cellen van beton zijn. Het duurt een half uur alvorens de zitting wordt voortgezet, er is dan extra politie aanwezig.
Kort na de hervatting komt een kleine vrouw de rechtszaal binnen.
Mick kijkt heel even over de schouder en slaat dan de beide grote handen voor het gezicht.
En begint onbedaarlijk te huilen.

De rechters, geschrokken: ‘Wat is er nou?’
Mick, ontdaan: ‘Ik ben klaar met het leven van gevangenis in, gevangenis uit. Ik wil werken en niks meer fout doen.’
De reclassering, nuchter: ‘Micky is detentiemoe.’

De officier van justitie is niet onder de indruk van de plotselinge tranen en eist anderhalf jaar celstraf waarvan de helft voorwaardelijk mag.
De advocaat grijpt zijn kans.
Mick is aan de buitenkant een grote stoere man die wat bozig kan overkomen, maar iedereen heeft met eigen ogen kunnen zien dat hij ook een andere kant heeft.
De advocaat: ‘U moet niet de buitenkant beoordelen, maar de man die daar inzit.’
Als Mick even later wordt afgevoerd, kijkt hij heel even naar de kleine vrouw.
Het is zijn moeder.

Hij moet ondanks de vermoeidheid een jaar zitten.

Dan komt Tineke (40) de rechtszaal binnenlopen.
Zij is zelf moeder.
De stoel waarop Mick zat, is nu haar zitting.
Tineke oogt ook een beetje stoer en ook zij zal straks gaan huilen.
Meer overeenkomsten zijn er niet.
De misdaad waarvoor Tineke zich moet verantwoorden is geen fijne, het is een misdaad waarmee de publieke opinie snel klaar is.
Tineke is met haar dronken kop achter het stuur gekropen om een paar minuten later een fietser aan te rijden die daarbij ernstig gewond raakt.

Negen maanden met een boze Mick in een klein hok, dat zal haar leren.
Maar zo werkt het gelukkig niet.

Het gebeurde op 16 november vorig jaar.
Een zoon van een vriendin moet optreden in de plaatselijke kroeg.
Tineke gaat kijken, niet te lang.
Een uurtje.
Maar het is gezellig, er is witte wijn en ineens is het vier uur in de nacht.
Er is een leuke jongen van 17 die zegt dat hij wel met haar naar huis wil.
Maar Tineke wil alleen naar huis, dat is maar een kilometer verder.
Zegt: ‘Ik wilde weg, ik dacht, dat kleine stukje, dat kan wel.’

Ze stapt in haar Polo.
Het is geen heldere nacht, het heeft net geregend.
Er is een flauwe bocht en ineens fietsers.
Te laat.
Een klap.
Man op de motorkap.
Het is Geert, die ook uit het café komt.
Tineke zegt: ‘Als je dat overkomt, weet je niet wat je overkomt.’
Zegt: ‘Ik heb de fietsers wel gezien, dat is het stomme. Ik heb gewoon te laat gereageerd.’

Hoe dat zo kon gebeuren?, vragen de rechters naar de bekende weg.
Tineke: ‘Ik ben mij ervan bewust dat ik met drank op achter het stuur zat. Als ik niet had gedronken, was het niet gebeurd.’

Geert is er niet best aan toe.
Schedelbasisfractuur, gebroken jukbeenderen, gebroken sleutelbeen, gebroken schouderblad, overal gebutst.

Wanneer de rechters vragen hoe het nu met haar gaat, komen de tranen.
Ze snottert dat haar grootste zorg uitgaat naar het slachtoffer met wie ze een goed contact zegt te hebben.
Dat ze een dochter heeft en een zoon, dat ze na een moeilijk huwelijk in het belang van de kinderen is gescheiden en dat ze nu alleen de zorg heeft voor zoon en dochter die veel spijbelen en dreigen te ontsporen.
Dat het ontzettend veel energie vergt om alle ballen in de lucht te houden.
Dat ze de eigen woning als gevolg van die rotscheiding met veel verlies van geld heeft moeten verkopen, dat er daarom deurwaarders zijn en dat ze niet in aanmerking komt voor schuldhulpsanering vanwege deze rechtszaak.

Ze huilt dat haar kinderen haar nodig hebben, maar dat ze vijf dagen per week en ook op donderdagavond en soms op zaterdag moet werken.
Dat ze is aangewezen op de bus, omdat haar rijbewijs – snapt ze – is ingevorderd.
Dat de bus niet vaak in haar dorp komt.
Dat ze haar baan niet wil verliezen.
Dat ze soms wel veertien uur per dag van huis is.

Geert het slachtoffer, nog altijd onder behandeling en vaak duizelig en zonder reuk, had tegen haar gezegd dat ze nu vooral aan zichzelf moet denken.
De rechters zeggen tegen Tineke dat ze gelezen hebben dat ze haar rijbewijs niet terug heeft gevorderd – wat wel had gekund – omdat ze zich zo ontzettend schuldig voelt.

Tja, vraagt de officier van justitie hardop aan zichzelf, wat voor straf past hier nou bij?

Rob Zijlstra

→ volgens de landelijke richtlijnen die het Openbaar Ministerie hanteert is in deze zaak een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden

→ het Openbaar Ministerie eiste in bovenstaande zaak een taakstraf van 180 uur, een maand voorwaardelijke celstraf en een rijontzegging van 2 jaar waarvan een jaar voorwaardelijk.

update – 22 mei 2015 – uitspraak
De rechtbank is niet ongevoelig gebleken voor de omstandigheden waarin Tineke de ballen omhoog moe houden. De (grote) zorg voor twee opgroeiende kinderen, een forse schuld en de noodzaak veel te werken maakt dat ze aan het eind eis van haar energie. De opgelegde straf, anders dan de eis: een taakstraf van 60 uur, 2 maanden voorwaardelijke celstraf en een rijtoezegging van 24 maanden waarvan 18 voorwaardelijk.

vonnis volgt – zodra beschikbaar

Ons dorp

                                                    Waar is, van iets dat zo is, te zeggen dat het zo is, en van iets dat niet zo is, te zeggen dat het niet zo is.

Wie liegt is een leugenaar.
Maar hoe heet iemand die de waarheid spreekt?
Voor de spreker van de waarheid hebben we nooit een mooi woord bedacht.
We laten dat wat we hoog achten onbenoemd.

Of heet de waarheid misschien Henk?
Henk (46) zegt dat wat wordt beweerd, niet is gebeurd.
Hij heeft het gewoon niet gedaan.
Zijn vrouw gelooft hem en steunt hem, want zo zijn ze getrouwd.

Of moet de waarheid Sandra van 17 jaar heten?
Sandra zegt dat het wel is gebeurd, dat ze geur van zijn after shave nooit zal vergeten, hoe vies ze het vond en hoe erg nu nog steeds.
Haar vader gelooft haar, twijfelt niet.
Topvader.
Hij had Henk, daarvoor een vriend, gebeld en gezegd dat hij met zijn poten van zijn dochter af moet blijven.

Sandra en Henk kennen elkaar goed.
Henk en zijn vrouw zijn bevriend met haar ouders, ze wonen in hetzelfde dorp, in dezelfde straat.
Sandra en Henk hadden wel eens gebbetjes op Facebook.
Of ze met leuke vriendjes uitging vanavond?
Niet?
In dat geval zou ze dan kunnen oppassen?
Dat wilde Sandra wel.
Ze chatte dat ze 20 euro per uur kostte.
Daar had Henk dan gedachten bij.

Ze spreken af.
Henk en zijn partner spreken af om met de ouders van Sandra naar het plaatselijke café te gaan.
Met Sandra spreken ze af dat zij bij Henk thuis op de kinderen past.

In het dorpscafé is er vrolijkheid en vertier en wordt het na middernacht vanzelf half een.
Op dat tijdstip stuurt Henk een sms’je naar Sandra.
Of ze al slaapt?
Dat is niet het geval.
De vrouw van Henk zegt dat ze nog even wil blijven.
Henk zegt dat hij alvast gaat want morgen moet immers de auto ingepakt omdat ze overmorgen naar Ameland gaan.

Rechter: ‘Had u gedronken?’
Henk: ‘Bier. Stuk of tien.’
Rechter: ‘Amsterdammertjes?’
Henk: ‘Fluitjes. Maar ik was niet dronken of zo.’
Rechter: ‘Een geoefende drinker dus.’

Henk komt thuis.
Samen met Sandra drinkt hij een biertje en ze roken allebei een sigaret.
Niks aan de hand.
Beiden zeggen dat het zo ging, maar daarna lopen hun verhalen uiteen.
Henk zegt dat het niet is gebeurd.
Sandra: ‘Hij drukte me ineens tegen de bank aan en begon onstuimig te zoenen en te tongen. Ik dacht eerst, een geintje, maar hij ging maar door – ik was daar niet van gediend, dat zei ik ook, maar het was tegen dovemansoren gericht. Hij greep me bij de borsten, zat aan mijn buik en probeerde de knoop van mijn broek los te maken.’

Henk: ‘Het is niet waar.’
Rechters: ‘Merkwaardig. Waarom zou een jong meisje met wie u een goed contact had zoiets zeggen?’
Henk: ‘Het is verzonnen.’
De officier van justitie: ‘Sandra heeft geen motief iets te verzinnen. En haar verhaal is betrouwbaar.’
Henk: ‘Het is knap verzonnen.’
Rechters: ‘Dat kan. Wij moeten ook kritisch kijken naar het verhaal van een jonge vrouw.’

Het is zoals zo vaak in dit soort strafzaken: ja tegen nee.
De leugen tegen de waarheid.
De rechters: ‘En wij waren er niet bij.’

Henk had, toen heel het dorp erover sprak, zijn sociale activiteiten schriftelijk beëindigd.
De rechters vragen aan hem of dat niet een beetje raar is. Als je niets hebt gedaan, dan doe je dat toch niet?
En er is nog iets, nog iets geks, zeggen de rechters.

Een paar dagen na die avond die zo anders liep dan (achteraf) iedereen had gewild, stuurt Henk een sms-bericht naar de ouders van Sandra.
Een van de rechters leest het bericht voor.
Henk had geschreven dat hij dacht dat er niks was gebeurd, maar dat nu blijkt dat er toch iets is gebeurd.
Hij tikte: ‘Ik schaam mij diep.’

Henk zegt tegen de rechters dat ze het bericht anders moeten lezen.
Hij zegt dat hij heel graag in gesprek wilde met de ouders van Sandra.
Om het erover te hebben.
De rechters: ‘En wat gebeurde er toen?’
Henk knikt, zucht diep en zegt te weten waar de rechters naar toe willen.
Zegt: ‘Ik heb toen ook een sms-bericht naar Sandra gestuurd.’
Rechters: ‘Precies. U schrijft aan Sandra dat u het vreselijk vindt wat er is gebeurd. En dat u ervan uitgaat dat zij de waarheid vertelt. U schrijft: Ik heb je niet willen kwetsen. Het spijt me als dit is gebeurd. Drank, het moet en mag nooit een excuus zijn.’

Rechters: ‘Hoe moeten we dit sms’je begrijpen?’
Henk: ‘Het is niet gebeurd.’
Rechters: ‘Wat is niet gebeurd?’
Henk: ‘Alles is flink aangedikt.’
Rechters: ‘Aangedikt? Wat is aangedikt?’
Henk: ‘Het hele verhaal dat ze heeft verzonnen.’
Rechters: ‘Maar waar schaamt u zich dan diep voor?’
Henk: ‘…’
Rechters: ‘Lastig als u dingen opschrijft die u niet zo bedoelt.’

In het dorp vol praat kennen ze de waarheid ook niet.
Sandra schrijft in een verdrietige brief die de officier van justitie in de rechtszaal voorleest dat veel mensen in het dorp haar niet meer groeten.
Dat veel dorpelingen Henk geloven, omdat hij actief is en mooie praatjes heeft.
Ze schrijft: ‘Wie nou gelooft een meisje van 17?’
Ze schrijft dat ze in heel haar leven nog nooit iets naars had meegemaakt en dat uitgerekend iemand die ze goed kent, alles stuk heeft gemaakt.
Dat ze walgt en dat angst zich van haar meester maakt zodra ze een auto ziet rijden die hij ook heeft.

Er bestaan landen waar meisjes en vrouwen die zijn aangerand en verkracht akelig worden gestraft omdat ze de man en zijn familie in verlegenheid hebben gebracht. Gelukkig is het hier anders.
Sandra tegen de rechters: ‘Zodra ik kan, zal ik mijn dorp verlaten.’

Wat een nare geschiedenis, ook als die niet is gebeurd.
Wordt Henk vrijgesproken dan blijft een taakstraf van 150 uur – dat is de eis – hem bespaard.
Maar veel meer ook niet.
Vinden de rechters dat de waarheid Sandra moet heten, dan kan ze misschien eens terugkeren naar haar dorp en groeten de dorpelingen terug.

De leugen is snel, de waarheid is vaak een lang verhaal.

Er is nog een lelijk staartje.
Als de strafzaak bijna ten einde is vraagt een van de rechters aan de officier van justitie hoe het toch mogelijk is dat het onderzoek in deze kwestie op 18 maart 2013 was afgerond en de zaak nu pas (afgelopen week) aan de rechtbank is voorgelegd.
De officier van justitie komt niet met de waarheid op de proppen, maar ze liegt ook niet.
Ze zegt: ‘Het is bijzonder onwenselijk.’

Het strafrechtsysteem faalt door niet alleen een verdachte, maar ook een slachtoffer – ja zelfs een heel dorp – zonder opgaaf van reden langer dan anderhalf jaar te laten bungelen in ongemakkelijke onzekerheid.
Dat is ook een uitspraak, hoe het vonnis ook zal luiden.

Rob Zijlstra

.
extra Aristoteles (384-322 v.Chr.), een leerling van Plato, stelde een klassieke definitie van waarheid op: ‘Waar is, van iets dat zo is, te zeggen dat het zo is, en van iets dat niet zo is, te zeggen dat het niet zo is.’ [wikipedia]

 

update – 10 november 2014 – uitspraak
Henk is veroordeeld. Er zijn onvoldoende aanwijzingen in het dossier te vinden die erop duiden dat er sprake is van een onbetrouwbare verklaring, staat in het vonnis. Sandra heeft volgens de rechters de waarheid gesproken.  De verstuurde sms’jes zijn geen harde bekentenissen, maar telen als steunbewijs wel mee. De opgelegde straf is conform de eis: een taakstraf van 150 uur. Daarnaast moet Henk een schadevergoeding betalen van 1025 euro.

Biljet van 50

cropped-euro11.jpgDe waarheid ligt niet voor het oprapen rond een op de grond gevallen biljet van 50 euro.

Harm zegt dat het zijn biljet is.
Het lag op de grond, op de grond van de Grote Markt, dat is toevallig zijn huiskamer.
En alles wat in zijn huiskamer op de grond ligt, is van hem.
Dat zegt hij.

Harm is grappenmaker.

Pim zegt dat het zijn biljet van 50 euro is.
Hij wilde zijn fietssleutel uit de broekzak halen en toen viel het biljet op de grond.
Ineens stond een man voor zijn neus en die pakte het geld.

Harm: ’Dat is niet waar.’
Pim: ‘Ik zei, geef me mijn geld terug. Ik pakte hem bruut vast, toen kreeg ik een klap of duw, ik viel op de grond. Dat was bij de poffertjeskraam.’
Harm: ‘Ik vind het heel erg voor deze meneer, maar ik heb hem niet geslagen.’

Pim is met zijn vriend Tim op stap.
Om half drie in de middag zijn ze begonnen met drinken.
Tegen middernacht wil Tim naar huis.
Pim niet.
Omdat hun fietsen met sloten aan elkaar vastzitten, loopt Tim met Pim mee.
Bij de ABNAmro pint Tim geld, want Pim moet de rekening in het cafe nog betalen.
Ondertussen kiften ze.
Tim vindt het maar niks dat Pim nog in de nacht wil blijven.

Ze zijn beide als getuigen opgeroepen.

Kan het zo zijn dat Pim boos van dat gekift het geld op de grond gooide en riep ‘ik hoef je geld niet’ en dat ineens daar Harm was?
Pim: ‘Nee.’
Tim: ’t Zou kunnen. Ik heb het beeld niet scherp.’

De rechters willen van Tim weten of hij dronken was.
Tim denkt dat hij ongeveer 20 glazen bier had gedronken.
Rechters: ‘De gemiddelde garnalenvisser kan wat meer bier wegzetten dan de kantoorklerk, maar met 20 glazen op ben je niet nuchter.’
Tim: ‘Ik was niet dronken,’

Pim wel?
Pim was die nacht gewond thuisgekomen.
Nadat hij bij de poffertjeskraam was opgekrabbeld holde hij weer achter Harm en zijn 50 euro aan.
Onder de Martinitoren zou Harm hem toen hebben geslagen met een fietsketting.
Harm schudt het hoofd.
Tim zegt dat hij het ook niet weet.
Hij zegt: ‘Toen Pim ’s nachts thuiskwam, was ik de hond aan het uitlaten.’

Er zijn twee getuigen die nabij de Febo (Grote Markt / Oosterstraat) hebben gezien hoe Pim achter Harm aanholde terwijl hij riep ‘geef mijn geld terug’.
Er zijn ook camerabeelden waarop is te zien dat Harm een slaande beweging naar achteren maakt, naar Pim.
De advocaat: ‘Ja, te zien is dat Pim blijft staan. En dat-ie dan gaat liggen.’

De rechters vragen aan Harm waarom hij het biljet niet gewoon teruggaf.
Harm zegt dat hij grappenmaker is.
Hij maakt grapjes op straat.
En daar vraagt hij dan een beetje geld voor.
Van dat geld leeft hij.

Rechters: ‘Maar het geld was niet van u.’
Harm: ‘Hij gooide het in mijn richting. Dan is het van mij.’

Harm was vroeger veelpleger en pikte vooral uw fietsen.
Nu dus niet meer, zegt hij.
Nu doet hij het dus anders.
Soms doet hij ook raadsels.
En hij kan trucjes.
Hij kan spijkers uit zijn neus toveren.

Hij zegt: ‘Voor een goede grap of raadsel krijg ik wel eens 50 euro.’
Rechters: ‘Op straat?’
Harm: ‘Ja, ik heb zelfs een keer 100 euro gekregen.’
Een van de rechters: ‘Dat geloof ik niet.’

De rechters willen weten hoe Harm zijn toekomst ziet.
Ze hebben gelezen dat hij een lijvig strafblad heeft met weinig goeds.
En dat hij niets meer te maken wil hebben met hulpverleners en instanties.

Rechters: ‘Eens komt u weer vrij. Wat gaat u dan doen?’
Harm: ‘De uitkering weer opstarten en bij mijn ouders wonen.’
Rechters: ‘Is dat wel een goed idee? Hoe lang gaat dat goed denkt u?’
Harm: ’Niet lang.’

De officier van justitie zegt dat hij niet kan bewijzen dat Harm Pim heeft geslagen met een ketting.
Maar wel dat Harm die 50 euro heeft gestolen, een diefstal die werd gevolgd door geweld.
Getuigen zeggen het en het slaan staat op beeld.
Anders dan de advocaat het ziet, zegt de aanklager dat Pim niet gewoon gaat liggen, maar een klap krijgt en dan ineen krimpt.
(Het zullen wel weer slechte beelden zijn.)

De officier van justitie zegt ook dat Harm zich vaker met geweld aan diefstal heeft bezondigd
En dat er weinig goede voornemens zijn te bespeuren.

De advocaat zegt dat Pim en Tim – ook als getuigen onder ede – liegen dat ze barsten.
Dat ze flink hadden gedronken en dat mensen die flink drinken rare dingen doen.
Bushokjes in elkaar trimmen of – in dit geval – 50 euro op straat weggeven aan een grappenmaker.
De advocaat: ‘Er is niets wederrechtelijk toegeëigend.’

De officier van justitie: ‘Hij moet straf hebben. Ik eis 8 maanden gevangenisstraf.’
Harm: ‘Pff.’

Pim en Tim hebben de rechtszaal dan al lang verlaten.

Rob Zijlstra

uitspraak op 10 november

De dappere dochter

Dat de wijsheid met de jaren komt, zal toch niet voor iedereen gelden?

Haar stem vol ingehouden woede,  maar met niet te verhullen verdriet klettert door zittingszaal 14.
Overal vallen haar woorden neer en overal is het raak.
Ze zegt dat ze lang dachten dat ze een begrafenis moesten regelen, dat ze machteloos moesten zien hoeveel helse pijn ze had, dat alles nu op de kop staat, dat ze heus wel ziet hoe haar vader zo vreselijk zijn best doet rechtop te blijven staan, terwijl ze wel weet dat hij al lang is omgevallen.
Dat ze een baan kon krijgen, eindelijk een echte baan, maar dat dat nu niet kan, dat ze met haar vriend in een huis gaat wonen, maar dat ze helemaal niet blij kan zijn omdat ze haar moeder niet alleen wil laten.
Dat ze zich afvragen of het ooit weer goed zal komen.

De woorden doen zeer.
In de rechtszaal vechten toehoorders tegen tranen, ook aan de perstafel.
Als deze ontzettend dappere dochter is uitgesproken, klopt haar moeder haar bemoedigend op haar schouder.
De moeder is het echte slachtoffer in dit verhaal.
Het is een wonder dat ze er zit.

Het intense verdriet dat de zaal heeft gevuld staat in schril contrast met de lege man die verantwoordelijk wordt gehouden voor al deze ellende.
De lege man is 71 jaar, ziek en hij heeft daarom geen te grote verwachtingen meer van de toekomst.
De officier van justitie heeft evenwel een grote verrassing voor hem in petto.

De officier van justitie zegt het beleefd.
Zegt: ‘Hoewel leeftijd van meneer en zijn gezondheid contra-indicaties zijn voor een gevangenisstraf zie ik geen enkele reden af te wijken van de richtlijnen.’
De officier van justitie eist dat de rechters de lege man voor acht maanden naar de gevangenis sturen.

De lege man heet Dirk en hij was op de dag dat het gebeurde jarig.
’s Middags was de fles Sonnema op tafel gekomen voor een paar borrels.
Hoeveel borrels?
Nou ja, een paar dus.
Drie, vier. na zes uur niks meer, dat weet hij dus zeker.

Het lijkt wel of Dirk liegt en hij maakt het misschien nog wel veel erger.
Zijn verhaal wil dat hij na een paar borrels in de middag tegen acht uur in de auto is gestapt om bij De Sultan in Vlagtwedde twee broodjes shoarma te halen, een rit van ruim dertien kilometer.

Dirk rijdt in zijn oude Peugeot over de Loosterweg, binnen de bebouwde kom, hij mag daar vijftig.
Daar, op nog geen kilometer van zijn woning, loopt ook Marja (47) met haar vriendin.
Zij oefenen voor de Nijmeegse Vierdaagse.
Ze dragen hesjes met gekleurde ledlampjes.
Die doen het ook.

Om 20.46 uur komt de eerste melding bij de politie binnen: er is een ernstig ongeluk gebeurd op de Loosterweg.
Een automobilist heeft een voetganger geschept.
Voetgangster is zeer ernstig gewond, de automobilist is doorgereden.

Dirk haalt zijn broodjes shoarma, rijdt weer naar huis, passeert de plaats van het ongeluk vol zwaailichten en vertelt aan zijn echtgenote dat er kennelijk iets is gebeurd.
Waar?
Nou hier vlakbij, op nog geen kilometer.
Ze eten de shoarma.

Dirk tegen de rechters: ‘En toen kwam de fles Sonnema ook weer op tafel.
Er zat nog een kwart in.
Die heb ik opgedronken.
Ja ik alleen, mijn vrouw dronk sherry.’

De politie doet onderzoek en vindt op de plaats van de aanrijding een afgebroken buitenspiegel.
Ze gaan kijken op het internet en stellen vast dat de spiegel hoort bij een wat oudere Peugeot.
Met die kennis gaan de agenten op pad, overal kijken.
Tegen een uur in de nacht is het raak en bellen ze bij Dirk aan.
Hij moet mee naar het bureau, de auto wordt in beslag genomen.
Om twee uur in de nacht wordt zijn adem op alcohol gecontroleerd: een apparaat meet 345 microgram alcohol per uitgeademde liter lucht.
Te veel, want 220 is de grens.

Dirk zegt dat hij van de aanrijding niets heeft gemerkt.
Hij heeft geen vrouwen met lichtgevende hesjes zien lopen binnen de bebouwde kom waar hij vijftig kilometer per uur mocht rijden.
Dat de wandelende vrouw over zijn auto heen is geklapt, heeft hij ook niet gemerkt.
Koplamp rechtsvoor stuk?
Nah, niet gezien, niet gemerkt.
Dirk zegt dat hij al 51 jaar achter het stuur van auto’s zit en nog nooit iets heeft veroorzaakt.

Rechters: ‘U was dronken.’
Dirk: ‘Nee.’
Het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) was gaan rekenen.
Wie ’s nachts om twee uur 345 ug/l blaast, zou ten tijde van het ongeval 500 tot 900 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht blazen.

Rechters: ‘Dan was u dronken.’
Dirk, getergd: ‘Nee. Ik ben pas nadat ik weer thuis ben gekomen gaan drinken. Hoe vaak moet ik dat nou nog zeggen?’
Rechter: ‘Ik hou u alleen de feiten voor, dat is mijn werk.’
Rechters: ‘Als het waar is wat u zegt, dat u pas ’s avonds na het ongeluk bent gaan drinken, dan had u’s nachts geen 345 ug/l geblazen, maar veel meer. Is het echt wel waar wat u zegt?’

Dirk wil misschien de waarheid helemaal niet weten.
Misschien denkt hij wel dat het beter is om zich van de domme te houden.
Dat de wijsheid met de jaren komt, zal toch niet voor iedereen gelden?

De verkeerstechneuten van de politie zeggen dat gezien de schade aan de auto, het niet aannemelijk is dat de bestuurder niets van het ongeluk heeft meegekregen.
De aanrijding moet een enorme klap zijn geweest.
Bij de Sultan hadden ze de volgende dag een foto van Dirk laten zien.
De Sultan zei: ‘Oh, die. De dronken man.’

De officier van justitie wil hem nog wel geloven.
Zij zegt: ‘Hij heeft niets gezien, hij niets gemerkt. Kan. Vanwege de alcohol. Acht maanden.’

Daar zit je dan.
Op leeftijd te ontkennen en te draaien, met vlak achter hem een vrouw die misschien nooit meer goed kan lopen en anderszins.
Hij probeert de woorden van de dappere dochter te ontwijken.
Vraagt zich misschien wel af of hij er wel goed aan heeft gedaan om nooit iets van zich te laten horen.
De rechters zeggen dat ze op 26 juni uitspraak doen.
Dirk reageert.
Hij zegt: ‘Oh, dan is mijn vrouw jarig.’

Rob Zijlstra

 

UPDATE – 26 juni 2014 – uitspraak
Dirk is veroordeeld tot 7 maanden celstraf en een rijontzegging van 3 jaar. Meer informatie volgt.

Ontkenningsfase

Schermafbeelding 2014-05-21 om 16.58.48Nog geen jaar geleden zei veelpleger Bram (42 jaar, waarvan hij er meer dan tien in de gevangenis doorbracht) tegen de rechters dat al zijn problemen waren opgelost.
Hij straalde.
Eindelijk na zoveel jaren drugsellende.
De rechters vroegen, op hun hoede:’Hoe dat zo?’
Bram had geantwoord: ‘Ik heb een vriendin.’
Alles zou daarom goed komen.

Maar alles kwam niet goed.
Bram staat weer terecht, voor de zoveelste keer.
Toen hij werd opgepakt, was hij nog maar een paar dagen vrij.
Zo gaat dat met Bram al 24 jaar achtereen.
Hij drinkt flessen sterke drank in winkels leeg en in andere winkels, zoals de Mediamarkt, glijden de spullen vanaf de schappen zo zijn zakken in.
Nee niet goed, dat hoef je hem echt niet te vertellen.
Maar een mens die leeft, moet eten.

De vriendin van toen, toen de reddende engel, heeft hij nog steeds.
De verdenking van nu is onder meer dat hij haar heeft bedreigd.
Hij had gedreigd haar ‘strot door te snijden’ en haar huis (dat nu ook de zijne is) in brand te steken.
Diepe zucht.
Zegt: ‘Luister. Ik kwam thuis en kon er niet in. Ik heb vijftien jaar op straat geleefd. Dan heb je eindelijk een huis en dan kun je niet naar binnen. Dat is flink balen. Ik was gefrustreerd. Maar we zijn nog steeds bij elkaar.’

Hij had ook met met list en bedrog bij iemand een tientje uit de portemonnee gepraat.
En hij had voor heel even een auto van een wildvreemde mogen lenen en die niet teruggebracht.
Oplichting, zegt de officier van justitie.
Bram is wereldkampioen babbels verkopen.
Dat kan hij aan de ene kan goed, maar aan de andere kant brengt het hem keer op keer in het gevang.
Hij ontkent het niet.
Zegt: ‘Ik ben op een leeftijd gekomen dat er geen ontkenningsfase meer is.’

Hij heeft een brief geschreven.
Die moeten de rechters lezen en dan zullen ze alles begrijpen en hem zonder twijfel vrijspreken.
En als hij dan wat hulp er bij kan krijgen, komt alles goed.
Een van de rechters zucht ook en merkt op: ‘Hoe vaak zijn we elkaar hier wel niet tegengekomen?’
Bram maakt met zijn hand een wegwerpgebaar: ‘Nee, hier heb ik geen zin in. Lees eerst die brief nou maar eens, het is een motivatiebrief.’

De rechters doen wat Bram vraagt en laten daarna weten niet erg onder de indruk te zijn van zijn schrijfsel.
Even was er de hoop dat Bram ergens wat licht had gezien, de hand in eigen boezem had gestoken en had besloten gemotiveerd een nieuw levenspad te gaan bewandelen.
Maar in de brief ging Bram vooral tekeer tegen zijn vriendin die nog geen jaar geleden ervoor zou zorgen dat alles goed zou komen.

De officier van justitie eist de straf die bedacht is voor mannen als Bram: de veelplegersmaatregel isd.
Dat betekent twee jaar achter de tralies, maar met de nadruk op hulpverlening.
Op hulp die al een kwart eeuw niets bij Bram heeft uitgehaald.

Rob Zijlstra

uitspraak over twee weken

Veel getuigen

 

tekst

Een van de rechters zei het halverwege de zitting een beetje tussen neus en lippen door.
De rechter zei: ‘Er waren heel veel mensen, maar zoals wel vaker heeft iedereen iets anders gezien.’
Eigenlijk zou dit helemaal geen losse opmerking moeten zijn.
Zo’n opmerking zou in grote letters op muren van rechtszalen moeten worden geschreven.

Getuigen spelen in strafzaken een grote en niet zelden een doorslaggevende rol.
In Groningen is eens iemand tot levenslang veroordeeld op basis van een verklaring van een (1) getuige.
Beetje gek is wel dat getuigen – hoe belangrijk ook – in de rechtszaal zelden lijfelijk aanwezig zijn.
Op uw televisie worden getuigen in de rechtszaal slim en stevig ondervraagd, in het echt getuigen ze achter gesloten deuren.
Wat zij verklaren wordt op papier gezet en dat moeten de rechters dan weer lezen opdat ze weten wat een getuige als dan niet heeft gezien of gehoord.

Deze werkwijze is vooral niet beter, maar wel heel erg praktisch en efficiënt.
Dit laatste is een kenmerk van het Nederlandse strafrechtsysteem.
Het moet zorgvuldig, maar het moet ook niet te lang duren.
In Duitsland duurt de behandeling van een moordzaak weken, in zittingszaal 14 kan een moord in een paar uurtjes zijn gepiept.

Verklaringen van getuigen zijn, eenmaal afgelegd en op papier gezet, vogelvrij.
Past een verklaring in het straatje van het Openbaar Ministerie, dan is de getuige in de ogen van de officier van justitie al snel betrouwbaar.
Zo niet, dan niet.
Advocaten redeneren op dezelfde manier.

Aldrik (23) is met vrienden op stap in de drukke disco van Stadskanaal.
Hij staat op de hoek van de dansvloer in ’t Vossehol, met in zijn hand een glas met daarin bier.
Plots wordt hij op de dansvloer geduwd en krijgt hij een klap op de neus.
Bloedneus.
Hij wil weglopen, maar er komen jongens hem achterna.
Aldrik zegt: ‘Ze moesten me hebben, ik raakte in paniek.’
Hij zwaait met zijn armen, vergeet het bierglas in de hand.
Hij zwaait nog eens en het glas spat in het gezicht van Piet uiteen.
Hij de hand kapot, Piet het gelaat, met veel oppervlakkige wonden, maar ook met drie diepe snijwonden door neus, wang en lip.
De snijwonden zijn nu levenslange littekens.
Aldrik: ‘Ik sloeg, maar ik deed het niet expres.’
Ze worden samen in een (1) ambulance – ook zo praktisch – naar het ziekenhuis gebracht.

Slachtoffer Piet heeft een andere lezing.
Piet zegt dat hij zomaar vanuit het niets een duw kreeg, een duw met glas in zijn gezicht.
Er zijn veel ooggetuigen.
De bakker zegt gezien te hebben dat de man met het bierglas zich plots omdraaide en toen vol uithaalde.
De slager zegt dat niet te hebben gezien, anderen half om half.
Toen zei de rechter dus: ‘Er waren heel veel mensen, maar zoals wel vaker heeft iedereen iets anders gezien.’

De officier van justitie gelooft de getuigen die het verhaal van het slachtoffer onderbouwen.
En hoewel er verklaringen zijn die gunstig(er) voor Aldrik zijn, zegt de officier van justitie doodleuk dat uit niets blijkt dat het anders is gegaan.

Wilko (24) is ook op stap, maar dan in de binnenstad van Groningen waar camera’s als stille getuigen zo’n beetje alles proberen vast te leggen.
De camera’s zien bijvoorbeeld twee mannen dor de Gelkingestraat lopen.
Een van hen draagt een grijs vest draagt – het is Wilko.

Rechters: ‘U loopt rustig het beeld binnen.’
Wilko knikt. Zo is hij.

Maar er is een andere camera die even later op de Grote Markt een groepje jongeren in beeld brengt.
Te zien is hoe twee personen het groepje naderen.
Een van die twee draagt een grijs vest – het is weer Wilko.
De beelden suggereren – er is geen geluid – dat er een woordenwisseling ontstaat.
Er wordt opgefokt met armen gezwaaid, ook geduwd en aan elkaar getrokken.

Camera drie komt in beeld.
Die toont een man die roerloos op de grond ligt, midden op straat waar de bussen en taxi’s mogen rijden.
Te zien is ook hoe twee jongens bij de liggende man weglopen.
Een van hen draagt een grijs vest.

Wilko zegt dat hij niets heeft gedaan, want zo is hij.
Hij zegt wel dat er een meisje was met lang blond haar dat hem in het gezicht sloeg.
Wilko: ‘Toen ben ik weggelopen, ik heb mij afzijdig gehouden.’
Rechter: ‘Maar op de beelden is dat niet zo. Op de beelden, mijn interpretatie, bent u agressief. De beelden geven de indruk dat u slaat. En dat blonde meisje komt pas veel later in beeld.’

Er zijn ook levende getuigen die net als de camera’s van alles hebben geregistreerd.
Van stromend bloed tot door de lucht vliegende geschoeide voeten.
De metgezel van Wilko wordt ook geslagen.
Hij verklaart: ‘Die jongen die mij heeft geslagen, lag later knock out op de busbaan. Hoe dat kan, weet ik ook niet.’
Een getuige zegt: ‘De man met het grijze vest, die door de politie is meegenomen, die gaf iemand op de busbaan twee schoppen tegen het hoofd.’
Rechter tegen Wilko: ‘Er is een andere getuige die zegt dat u tegen het hoofd trapte zoals een keeper de bal uittrapt.’
De camera’s hebben dit niet vastgelegd.

Soms is het zo dat wie het eerst bij de politie is om aangifte te doen, wordt gezien als het slachtoffer.
Wie zich daarna meldt, ook om aangifte te doen, moet dan wel de dader wezen.
Wat Wilko tegen heeft is dat hij al twee jaar van zijn nog jonge leven in de gevangenis heeft doorgebracht.
Zijn laatste veroordeling is van 29 december 2011: toen kreeg hij negen maanden celstraf.
Hij had op de Grote Markt een man die op de grond lag, meerdere keren tegen het hoofd geschopt.
Tegen de rechters zegt hij dat hij geen agressieprobleem heeft.

De officier van justitie zegt dat er ook onafhankelijke getuigen zijn, toevallige passanten die geen belang hebben bij een gekleurde verklaring.
Of die daarom ook beter waarnemen, is maar de vraag, maar voor de officier van justitie is het duidelijk: Wilko met zijn gebrek aan eerbied voor de lichamelijke integriteit is zonder twijfel de agressor.
De strafeis komt erop neer dat Wilko zestien maanden naar de gevangenis moet en dat er daarna nog eens acht maanden celstraf boven zijn hoofd hangen als hij het nog eens flikt.

De advocaat probeert wat. Hij komt met een variatie op de opmerking die de rechter tussen neus en lippen maakte.
Hij zegt: ‘Als getuigen iets hebben gezien, wil dat nog niet zeggen dat het is gegaan zoals ze hebben verklaard.’

Die mag ook op de muur.

Rob Zijlstra

waarnemen (perceptie)

 

UPDATE – 22 mei 2014 – uitspraken
Wilko moet een jaar zitten voor zinloos. De rechters hadden er geen goed woord voor over. Alleen al om de norm te handhaven is hier een forse gevangenisstraf op z’n plaats, vinden de rechters. Naast de celstraf moet hij verplicht meewerken aan een onderzoek. Doet hij dat niet, dan wachten hem nog een acht maanden celstraf die hem nu voorwaardelijk zijn opgelegd. Het onderzoek moet uitwijzen waaraan Wilko geholpen moeten worden: aan zijn drankprobleem, zijn agressieprobleem of aan beide.

Ook Aldrik is veroordeeld. Het kan best dat hij is aangevallen, maar dat rechtvaardigt niet datgene hij heeft gedaan. Zijn straf: 91 dagen celstraf waarvan 90 dagen voorwaardelijk en een taakstraf van 240 uur.

 

Biertje

OLYMPUS DIGITAL CAMERAHet zal best zo wezen dat anderen hebben verklaard dat hij er ook bij was.
Lammert kan het zich niet herinneren.
Nog niet met de beste wil.
Maar een ding weet hij zeker, honderd procent: ‘Ik heb het niet gedaan.’

Natuurlijk vroegen de rechters hoe dat dan kan?
Dus dat je niet meer weet wat er is gebeurd, maar dat je wel zeker weet dat je het niet hebt gedaan.
Lammert haalt de schouders nog maar een keer onverschillig op: ‘Ik weet niets meer.’
Dat lijkt hem het meest logisch.

De rechters zeggen: ‘U zou de man zijn geweest die met de loden pijp heeft geslagen. Anderen verklaren daar over.’
Lammert reageert geschokt: ‘Ik? Stel je voor. Ik een vechtersbaas. Nee. Ik ben geen agressief persoon.’
Hij denkt nog eens diep na.
Zegt dan: ‘Als ik iemand in elkaar sla, dan moet ik dat toch merken?’

Lammert is jarig op de dag dat hij moet terechtstaan.
Hij is 41 geworden.
De rechters vragen wel wanneer, op welke datum hij is geboren, maar dat leidt niet tot felicitaties.
Lammert lijkt dat niet te deren, hij is wel wat gewend.
Toen hij acht was, stond hij er al alleen voor, op eigen beentjes.
Zegt: ‘Ik moest toen al mijn eigen aardappeltjes koken.’

De officier van justitie zegt dat Lammert zich schuldig heeft gemaakt aan een zeer ernstig misdrijf.
Dat het ook juridisch gezien niet te danken is geweest aan Lammert dat het slachtoffer nog leeft.
Want dat is meer een kwestie van geluk geweest.
Het slachtoffer is ook nog altijd niet hersteld van de opgelopen kwetsuren, ook al zijn in tijd acht maanden verstreken.
Het praten gaat nog moeilijk, hij weet wat hij wil zeggen, maar het komt er dan niet uit.
Via de logopedie moet dat weer beter worden.
Het zicht is ook nog altijd wazig en zijn er zwarte vlekken en immer tintelende handen, zo citeren de rechters uit de papieren die voor hen op tafel liggen.

Lammert toont zich niet onder de indruk.
Hij vraagt aan de rechters: ‘En staat er ook bij dat-ie ons bedreigt? Nee? Hij zoekt ons op, een voor een. Hij wil wraak nemen.’
Dat had hij dan toch maar even mooi gezegd.

Met ‘ons’ bedoelt Lammert de andere vijf mannen met wie hij deze misdaad zou hebben gepleegd.
Die andere mannen zijn eind vorig jaar al veroordeeld, Germ zelfs tot drie jaar gevangenisstraf wat ze met z’n allen wel heel erg veel hadden gevonden.
Hun slachtoffer – zeg maar dat hij Rinus heet – was niet zomaar een willekeurige passant.
Rinus had er een beetje zelf om gevraagd, want hij had eerst babbels gehad en toen een grote bek.
De zakenpartner van Rinus, Klaas, was daar helemaal flauw van geworden.
Ze hadden een meningsverschil over de verdeling van geld dat ze samen hadden verdiend met de teelt en verkoop van hennep.

Klaas had toen een besluit genomen.
Hij ‘whatsappte’ door zijn netwerk en verzamelde op die manier wat kracht om zich heen.
Rinus werd bij hem thuis ontboden, zogenaamd om de kwestie uit te praten.
Eenmaal binnen werd hij met alle aanwezige kracht in elkaar gebeukt.
Dat beuken duurde welgeteld tien minuten.
Iemand had een loden pijp.
Ze stopten omdat ze het wat zielig begonnen te vinden.
Rinus’ lichaam sleepten ze daarna het huis uit, vouwden het op en smeten hem in zijn auto.
Voor alle zekerheid werden de autoruiten aan diggelen geslagen.
Nu wisten ze zeker dat hij Klaas voor eens en altijd met rust zou laten.

Klaas betaalde zijn mannen 500 euro voor de getoonde kracht.
Een aantal van hen ging direct door naar het café om het verdiende loon om te zetten in wat te drinken.

Rinus slaagde erin thuis te komen, ging naar bed en was de volgende ochtend niet meer aanspreekbaar.
In allerijl werd hij naar het ziekenhuis gebracht.
De artsen constateerden hersenkneuzingen.

Lammert luistert met aandacht naar wat de rechters hem vertellen.
Af en toe schudt hij het hoofd, een teken dat hij het er niet mee eens is.
En hoe vaak moet hij het nog zeggen?
Hij zegt: ‘Ik heb geen aandeel in die vechtpartij, als ze dat verklaren dan hebben ze dat onderling afgesproken want, nogmaals, ik ben niet een agressief persoon.’

Rechters: ‘U was toen ook in dat café. En u had veel geld bij u. Er werden rondjes gegeven.’
Lammert: ‘Ik heb ja maar 40 euro in de week.’
De rechters zeggen dat ze dat nou juist bedoelen, dat hij ineens veel meer geld had.
Nog een schepje er bovenop: ‘Mensen die toen ik het café waren hebben verklaard dat u onder het bloed zat.’

Lammert blijft maar met zijn hoofd schudden.
En dat blijft hij ook doen als de officier van justitie het woord neemt.
De aanklager zegt dat Lammert schuldig is aan het medeplegen van het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.
Dat er sprake is geweest van een lokale maffia-actie.
En dat allemaal voor een paar rotcenten.
De aanklager zegt dat Lammert geen enkele compassie toont en dat er sprake is van een lage motivatie om zijn leven op de rails te zetten.

Diepe zucht.
Goed, hij had de afgelopen vier jaar in ledigheid doorgebracht.
Altijd dronken.
De schatting: een krat bier per dag, de eerste fles bij het ontwaken.
Dat was begonnen toen zijn partner overleed.
Nu zitten er gaten in het hoofd.
Korsakov.
Zegt: ‘Ik heb vier jaar vergooid. Als ik maar in een roes leefde.’

Nadat hij was aangehouden en werd opgesloten kwamen de ontwenningsverschijnselen.
Die waren zo heftig dat hij moest worden opgenomen in het gevangenisziekenhuis in Scheveningen.
Hij zag in zijn wanen medewerkers als kabouters en dat was niet om te lachen geweest.

Hij zegt dat het nu, nu hij al acht maanden vastzit, een stuk beter met hem gaat.
Niet zonder trots: ‘En ik drink niet.’
Rechters: ‘Nee, nogal wiedes, want u zit vast.’
Lammert, grote lach: ‘Ik kan in de gevangenis elke dag wel drank krijgen. Als ik het wil, komen ze het zelf brengen. Ha ha. Het is binnen bijna nog gemakkelijker dan buiten.’

De rechters reageren er niet op.
Misschien willen ze niet eens weten waar ze dag in en dag uit mensen naar toesturen.
De rechters vragen hoe hij zijn toekomst ziet.
Lammert veert op, want hij kijkt sowieso liever naar de toekomst dan naar het verleden.
Enthousiast: ‘Ik wil werken. En dan ’s avonds moe op de bank. Met een lekker biertje erbij.’
De rechters springen op: ‘Met een biertje? Is dat gezien uw verleden nou wel zo verstandig?’
Maar Lammert is niet meer te houden met zoveel geluk in het verschiet: ‘Ja, en dan bij het eten een lekker glaasje wijn.’

De officier van justitie: ‘Ik eis 24 maanden gevangenisstraf.’

De rechters vragen of hij de eis heeft begrepen.
Voor Lammert is de lol eraf.
Hij zegt: ‘Tja, phoeh, 24 maanden… Ik snap het wel een beetje. Ik ben niet zo slim, maar ik vind 24 maanden wel aardig pittig.’

Rob Zijlstra

.

UPDATE – 18 april 2014 – uitspraak
Lammert moet – zoals wel kon worden voorspeld – zitten, maar iets minder pittig: 15 maanden.

De miljonair

downloadEen klein deel van het verhaal had ik eerder gehoord.
Dat was toen het net was gebeurd.
Ik had gehoord dat een medewerkster van de slijterij was aangevallen door een grote man.
Toen de man wegrende en er hard werd geroepen ‘houd de dief’  was er niemand die iets deed.
Terwijl er wel veel mensen op dat moment op straat  waren.
Deze mensen beperkten zich tot kijken.
De mens die wordt aangevallen heeft daar dus helemaal niets aan.

Dit deel van het verhaal werd in de rechtszaal niet verteld.
In de rechtszaal werd verteld dat de grote man samen met zijn vriendin in de slijterij was.
De medewerkster zag dan wel dacht te zien dat de vrouw een fles in haar tas stopte.
Toen zij vroeg of ze even in de tas mocht kijken, zei hij van nee.
Tegen de rechters: ‘Ik zei, er wordt dus niet in de tas gekeken. Zij wilde dat wel. En ik probeerde bij mijn standpunt te blijven, laat ik het zo zeggen.’

Er ontstond een handgemeen.
En er gebeurden toen dingen waar iedereen naar keek.
Iedereen keek wel uit.

Drie weken later werden twee flessen wijn gestolen bij de supermarkt in hetzelfde dorp.
Weer tien dagen later verdwenen vijf flessen uit het zalencentrum aan het Kerkpad.
Op die dag ook kwam er een vrouw bij de politie die vertelde dat ze was mishandeld.
Door haar grote vriend, met wie ze nog niet zo heel lang samenwoonde.

De politie ging naar haar woning waar de aanwezige vriend weigerde de deur te openen.
Agenten gingen toch naar binnen en troffen de grote man aan in bed.
Op de grond de lege flessen drank.

De grote man heet Sjoerd.
Hij is 31 jaar.
Hij heeft de onrust in de kop.
Dat heeft hij al heel zijn leven.
Daarom drinkt hij.
Als hij drinkt, is de onrust rustiger.

Sjoerd ontkent niet dat hij zijn vriendin heeft mishandeld.
Hij kan het zich niet herinneren, maar hij gelooft niet dat ze liegt.

Hij zegt: ‘Alcohol is al heel mijn leven het probleem. Honderd procent van al mijn problemen heeft daar mee te maken. Het was altijd mijn probleem, nu  heb ik daar ook anderen mee belast.  Voor mij was dat een heel zwarte dag, het grootste dieptepunt in mijn leven.’

Grote man heeft spijt.
Zijn vriendin heeft hij na die dag nooit weer gezien.
Ze hadden elkaar ontmoet in een verslavingskliniek.
Hij de alcohol.
Zij de GHB.
Nu is ze weg.
Hij zegt met diepe zucht: ‘Dat moet ik accepteren.’

Sjoerd zegt tegen de rechters: ‘Mijn leven had veel prachtiger kunnen zijn dan wat ik er tot nu van heb gemaakt.’
Rechters: ‘Dat mag je wel zeggen. Want u komt uit een zeer vermogend gezin.’
Sjoerd spreekt het niet tegen.
Zegt zuinigjes: ‘Ja.’

Zeven jaar geleden was er de erfenis.
Sowieso in rijkdom opgegroeid, maar ineens stonden er ook eigen miljoenen op de bankrekening.
Er was wel iets geregeld.
Hij moest zien rond te komen van 15.000 euro per maand, dat is van 500 euro per dag.

De officier van justitie: ‘Laat dit het dieptepunt blijven.’
Sjoerd knikt, dat hoopt hij ook.
De officier van justitie: ‘Diefstal in vereniging. Gevolgd door geweld. Daar kan ik 12 jaar celstraf voor eisen. Niet dat ik dat ga doen, maar toch.’
Sjoerd laat het gelaten over zich heenkomen.
De officier van justitie eist dan 8 maanden celstraf waarvan 6 voorwaardelijk.
En om de ernst van de misdrijven te onderstrepen doet hij er nog een werkstraf van 240 uur bij.
Een voorwaarde: geen alcohol, geen drugs.

Gall & Gall claimt 19,75 euro, de prijs van de gestolen fles whisky, inclusief gederfde inkomsten.
Sjoerd: ‘Normaal zou ik zeggen, direct afrekenen. Maar financieel zit ik aan de grond. Ik kan het niet betalen. Alles is op.’

Rob Zijlstra

uitspraak op 6 maart