Pesten op school

pesten-19aprilJarno weet het even niet.
Hij is 19 jaar en heeft voor de zomer de schoolbanken van de havo gedag gezegd.
Misschien wil hij iets met een andere opleiding. Of werken.
Anders dan zijn tweelingbroer Simon staat hij niet te springen in het bedrijf van zijn vader te stappen.
Jarno tegen de rechters: ‘Ik ben aan het nadenken, kom er niet uit. Maar ik kan nog alle kanten op.’

De officier van justitie fronst de wenkbrauwen en zegt: ‘Meneer zegt dat hij nog alle kanten op kan. Een twijfelende persoonlijkheid dus. Zorgelijk. Je kunt ook zeggen, hij is onderkoeld en berekenend.’

Wie wordt verdacht van een strafbaar feit, moet ook in de rechtszaal vreselijk op zijn woorden passen.
Voordat je het weet ben je wat of heb je iets dat tegen je kan worden gebruikt.

Simon schiet zijn broer te hulp en zegt tegen de rechters dat hij het ook nog niet weet.
Hij die net zijn opleiding met succes heeft afgerond en hij die – zonder salaris – hard werkt in de zaak van zijn vader.
Simon zegt: ‘Wij zijn druk bezig na te denken over de toekomst, over wat te doen ook met de zaak.’

De tweeling heeft zich in maart 2012 schuldig gemaakt aan een bedreiging met een misdrijf tegen het leven gericht.
De officier van justitie beoordeelde dat als een ernstig feit.
Daarom staan de twee anderhalf jaar later terecht (of niet) voor de meervoudige strafkamer.

Het was niet zomaar een bedreiging geweest.
Jarno had plotseling een gasalarmpistool uit de broeksband gehaald en daarmee tweemaal geschoten.
Weliswaar in de grond, maar toch.
Het miste de uitwerking ook niet.
De groep – negen man sterk, incluis meisjes – die tegenover hem stond, stoof uiteen.
Een van de meisjes die het wapen van dichtbij zag, is na achttien maanden nog steeds van streek.
In de rechtszaal zegt haar moeder huilend tegen de rechters dat het gezinsleven ernstig is verstoord.
Dochter is in behandeling bij een psycholoog en eist nu een schadevergoeding van duizend euro.

Jarno en Simon voeren aan dat het wapen niet gevaarlijk is, dat je met een gasalarmpistool niemand kunt raken.
Ze zeggen dat het ook niet de bedoeling was om er mee te schieten.
Jarno had het wapen meegenomen als stok achter de deur, zegt hij.
Ook al omdat ze meenden te weten dat de groep over messen beschikte.
Dat had zelfs, zeggen ze, op het internet gestaan.
De bedoeling was echter praten.

De officier van justitie van justitie gelooft daar niets van.
Onderkoelde en berekende types als Jarno die met een wapen in de broek willen praten?
En is een tweelingbroer een haar beter?
De aanklager: ‘Kan best zijn, zo’n wapen niet gevaarlijk. Maar dat wist de groep die jullie met dat ding bedreigden natuurlijk niet.’

Nadat Jarno had geschoten had hij geroepen: ‘En we gaan hier geen politie bij halen.’
Dat gebeurde dus wel.

De officier van justitie zegt dat de aanleiding een verklaring is, maar dat die nooit een rechtvaardiging kan zijn.
Hij eist tegen de tweeling een werkstraf van 180 uur per persoon.
En om de ernst van de gebeurtenis te onderstrepen: vier maanden voorwaardelijk gevangenisstraf.
En ze moeten (eis) dus duizend euro aan het meisje betalen.

Jarno en Simon zeggen dat ze – wijsheid achteraf – het pistool thuis hadden moeten laten, dat ze dat nu ook wel inzien.
De rechters wijzen de broers erop dat ze over een strafblad beschikken, om vervolgens – turend in het dossier – te zeggen: ‘Waar niks op staat…’

De aanleiding.
Jarno en Simon hebben een zusje.
Dat zusje was toen 13 jaar, kan goed leren en is ambitieus.
Op school wordt dat niet erg gewaardeerd.
Het zusje wordt gepest en regelmatig voor de grap met de dood bedreigd.
Pogingen om het pesten te stoppen mislukken.
Gesprekken op school halen niets uit, het pesten gaat door, hun zusje komt vaak huilend thuis.

Op een dag belt het zusje, ze is overstuur, want het is weer zover.
Jarno en Simon: ‘Er plofte iets.’
Ze stappen in de auto en rijden naar het hertenkamp waar de pesters rondhangen
Voor de zekerheid nemen ze de stok achter de deur mee.
Hun doel: duidelijk maken dat de pesters hun zusje met rust moeten laten.

Maar Jarno en Simon – zij zijn geen grote jongens – worden niet serieus genomen.
In plaats daarvan worden ze door de groep uitgelachen.
Nadat ze zijn uitgelachen, zeggen de pesters: ‘En nu opdonderen anders halen we onze connecties er bij.’
Jarno en Simon lopen terug naar de auto en realiseren zich dat hun actie niets heeft uitgehaald, integendeel misschien wel.

Dan zegt Jarno: ‘Ik weet wel wat.’
Hij draait zich zonder twijfel om en schiet tweemaal in de grond.
Het pesten is daarna gestopt.

Rob Zijlstra

.

UPDATE – 27 september 2013 – uitspraak
Jarno en Simon zijn aan de beurt. De rechtbank heeft hen de taakstraf opgelegd zoals was geëist: 180 uur. Daarnaast kregen ze de vier maanden voorwaardelijk. Aan het bange meisje moeten ze samen 500 euro betalen. Aan wie een pistool wordt getoond, lijdt schade en heeft daarmee recht op een vergoeding, vinden de rechters.  Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank ook het (verboden) wapenbezit meegenomen en het feit dat de broers beschikten over illegaal vuurwerk. Over het gepeste zusje merkt de rechtbank op dat het pesten een verklaring voor hun gedrag is, maar dat dat geen rechtvaardiging is.

fragment uit vonnis:

knipsel vonnis

 

pestenstom

Politiekogels

24-kogels_23178976Harm heeft zijn beste kleren aangetrokken en wacht.
Hij wacht tot hij aan de beurt is.
Verdachten die in de middag in zittingszaal 14 moeten komen opdraven, hebben soms de pech van uren wachten.

Het is niet de enige pech van Harm.
Bijna een jaar geleden werd hij neergeschoten.
Een kogel ging door zijn hand.
Dat was de hand waarin hij het keukenmes vasthield.

Een tweede politiekogel ging eerst door zijn linkerbeen.
Er dwars door heen.
En toen door het rechter bovenbeen via een bot in de knie.

De knie is stuk en de kans dat Harm ooit weer gewoon zal kunnen lopen is er niet.
Hij heeft er dagelijks last van.
Traplopen gaat moeizaam, fietsen kan niet meer.

Zijn advocaat zegt dat Harm de rest van zijn leven invalide zal blijven.
Harm is veertig jaar en gaat met een persoonlijkheidsstoornis door het leven.
Borderline.
Hij heeft zo’n beetje alle psychiatrische instellingen in Noord-Nederland als eens bezocht.

Vorig jaar juli woonde hij bij zijn vriendin in Appingedam.
In zijn beste pak en met een vinger aan het hoofd vertelt hij gedetailleerd en met de rust van een dorp aan de rechters wat er is gebeurd.
Dat hij heel erg in zijn hoofd aan het denken was, dat zijn vriendin hem had geïrriteerd, dat hij een groot mes had gepakt en dat zij toen vluchtte, ging schuilen bij de buren.
Dat hij zijn broer had gebeld en had gevraagd of die snel wilde komen.
Als het mis dreigt te gaan belt hij altijd zijn broer.

De politie kwam rap met twee auto’s.
Harm tegen de rechters: ‘Ik keek naar het dienstwapen. De radertjes in mijn hoofd gingen werken. De gedachte was, hoe kan ik het wapen pakken. Ik vroeg me ook af of er een kogel inzat. Tegelijkertijd dacht ik, het heeft geen zin, het kan niet.’

De rechters: ‘U weet het allemaal nog precies.’
Harm: ‘Ik ben een denker.’

Een van de agenten maakte een opmerking.
Harm verstond dat als: ‘wie denk jij wel niet dat je bent?
Zegt: ‘En dat was net even te veel. Er zat zo veel adrenaline in mij. Ik dacht, wat jullie kunnen, kan ik ook.’

Hij pakt opnieuw een mes.
Voor hem staan vier agenten.
De afstand?
Vijf meter.
Harm: ‘Ze zeiden, leg het wapen weg. Ik hoorde dat wel, maar het drong niet door. Toen gebruikten ze peperspray. Dat hielp niet.’

Een eerste knal.
De kogel doorboort zijn hand.
Hij pakt het mes bij de punt en wil gooien.
Een tweede knal, in de benen.
Drie seconden later ligt Harm geboeid op de grond.
Hij moet huilen en roept naar zijn vriendin dat hij dit ook niet heeft gewild.

Rechters: ‘De agenten voelden zich bedreigd. Ze zijn bang geweest. Kunt u zich dat voorstellen?’
Harm: ‘Ja, eigenlijk wel.’
De rechters vertellen dat de agent heel lang heeft gewacht met schieten, omdat hem dat veel moeite kostte. Maar op een gegeven moment moest hij wel.’
Harm zegt dat hij het jammer vindt dat er is geschoten.

De officier van justitie komt met twee dingen.
Ten eerste, zegt hij, dat Harm de intentie had om met dat mes in zijn hand een agent te raken.
Maar dat er geen uitvoeringshandeling was van die intentie.
En dat er dus juridisch bezien gesproken dient te worden van een bedreiging.
Van een bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

De strafeis: zes maanden celstraf, maar die geheel voorwaardelijk.
Een strafeis dus als een stevige waarschuwing.
In de hoop dat Harm – de denker – een volgende keer wel tien keer nadenkt alvorens hij nog een keer gekkigheid uithaalt.

Ten tweede: de agenten zijn heel bang geweest.
De officier van justitie: ‘Het was voor de betrokken agenten een zeer ingrijpende situatie.’
De agent die Harm neerschoot wil nu 750 euro smartengeld van hem hebben
De drie agenten die er bij stonden claimen elk 600 euro.

De officier van justitie: ‘De grondslag voor een immateriële schadevergoeding is er. Je bent agent, maar dat betekent niet dat je geen schadevergoeding kunt eisen. Een agent die moet schieten kan psychische schade oplopen. Wie dat niet ziet is een beetje wereldvreemd.’

Harm schrikt ervan.
Drie keer 600 euro en nog eens 750 erbij, dat heeft hij nooit.
Hij zegt: ‘Dit overrompelt mij. Ik heb maar een klein inkomen, ik zou niet weten waar ik dat geld vandaan moet halen.’

Harm’s advocaat schrikt niet maar zegt dat hij er grote moeite mee heeft.
Zegt: ‘Vier agenten hebben het gierend uit de klauwen laten lopen. Daar heeft Harm aan bijgedragen, maar de agenten ook. Die hadden de-escalerend moeten optreden. In plaats daarvan is het geëscaleerd.’

Harm’s advocaat zegt dat hij er grote moeite mee heeft dat agenten geld claimen van een verwarde man die geen cent heeft.
Hij vraagt: ‘En als die agenten dat geld dan krijgen, zijn ze dan niet meer bang?’

Rob Zijlstra

 

Schermafbeelding 2013-06-25 om 17.31.17.

 Vandaag ook  in Dagblad van het Noorden: de politie, een letselschade-specialist en de strafrechtadvocaat over de vraag ‘idioterie of passend bij de tijd van nu?’

geldzien

UPDATE – 1 juli 2013 – uitspraak
De rechtbank heeft vervroegd uitspraak gedaan. Harm is veroordeeld tot 2 maand voorwaardelijke celstraf. Aan de vier betrokken agenten moet hij 250 euro p.p. betalen. Motivatie in vonnis volgt.

UPDATE – 4 juli 2013 – motivatie
De rechtbank motiveert (helaas) niet waarom de agenten recht hebben op een immateriële schadevergoeding. Wel staat in het vonnis dat de geclaimde bedragen ‘ in de gegeven omstandigheden’ te hoog zijn.  Er staat verder: ‘Naar het oordeel van de rechtbank staat vast dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld jegens de agenten. Voor zover dezen daardoor schade in hun persoon hebben geleden kunnen zij immateriële schade vorderen.  Bedreigingen zoals door verdachte begaan kunnen zonder twijfel leiden tot immateriële schade…’

Piepelen

 

chantage-300x225Het ging niet om het geld, zeggen de rechters.
Herman reageert direct: ‘Nee, in het algeheel niet.’
Rechters: ‘Maar waar om dan?’
Herman: ‘Tja…’
Hij krabt zich achter de oren, als hij dat eens wist, dat zou een stuk makkelijker zijn. Dan maar de conclusie: ‘Het klopt natuurlijk voor geen meter wat ik heb gedaan.’

Herman was thuis aan het schilderen. Hij was naar Groningen geweest, naar de Hornbach waar hij verf had gekocht. Op de weg terug naar huis, op de ringweg, zag hij De Vries rijden. Toen kreeg hij het idee.
Hij dacht, ik ga De Vries piepelen.

De heer De Vries is zijn overbuurman van vroeger.
Hij kwam er wel over de vloer en speelde met de kinderen van De Vries.
Later toen Herman zelf groot was, zat hij regelmatig in het café in de rosse buurt van Groningen.
En dan zag hij De Vries wel eens voorbij schuiven.
Dat was in de jaren tachtig geweest

En in 2010 was het al weer raak.
Herman tegen de rechters: ‘Ik vond het zo walgelijk. Walgelijk dat hij seks buiten de deur zocht, terwijl zijn vrouw ziek was.’

Zo was het gegaan.
Rechters: ‘U heeft er wel werk van gemaakt.’
Herman kan dan beamen. ‘Ik heb een rijke fantasie. Ik schrijf offertes, maar ik ben ook bezig met een boek.’

Rechters: ‘In de brief schreef u dat u camera’s had geïnstalleerd. Pure fantasie. U schreef dat u loopjongens had, jongens die dingen doen voor geld.’
Herman: ‘Klopt.’

Op 4 januari 2012 valt de brief bij De Vries op de deurmat.
Hij leest en staat als aan de grond genageld.
Hartkloppingen.
Vraagt zich af waarin hij verzeild is geraakt.
De maffia?

In de brief staan veel privégegevens, informatie over de gezinssamenstelling, over de kerk.
Alles klopt.
In de brief staat dat er opnames zijn gemaakt vanuit een zolderkamertje van een pand aan de Nieuwstad.

De Vries moet 20.000 euro betalen.
Doet hij dat niet dan zal wereldkundig worden gemaakt dat De Vries naar de hoeren is geweest.
Dan zal de kerk over zijn escapades worden ingelicht.
Ook de kinderen zal iets overkomen.

Wanneer mevrouw De Vries thuiskomt, weet ze direct dat er iets aan de hand is.
Haar man rookt nooit binnen en drinkt overdag ook geen flesjes bier.
Hij legt uit dat hij haar nooit heeft bedrogen, dat hij nooit bij die dames binnen is geweest.
Huilend gelooft ze haar man.

Mevrouw De Vries wil betalen.
Iedere auto die langs rijdt, is verdacht.
Ze slapen niet meer, zijn bang, hun wereld staat op de kop.
Ze vertellen het de kinderen als die merken dat hun ouders uit hun gewone doen zijn.

De Vries tegen de rechters: ‘En daar sta je dan met je gezin. Ik wist me geen raad. Je doet een beroep op je kinderen, je hoopt dat ze je geloven.’

Herman reageert in de rechtszaal: ‘Ik heb d’r een droge keel van. Ik zou wel eens met hem willen praten.’

Het geld moest in een pakketje worden gestopt en dat moest voor tien uur in de ochtend op het dak van een schuurtje bij de afgelegen roeibaan worden gelegd.

De Vries besluit op het laatste moment de politie in te lichten.
De zaak wordt hoog opgenomen, zo’n zaak is ook weer eens iets anders.
In de buurt van zijn woning worden camera’s opgehangen en er komt een tap op zijn telefoon.

Rechters: ‘De politie heeft er nogal werk van gemaakt.’
Herman: ‘Ja, daar was ik wel van onder de indruk.’
Rechters: ‘U zegt dat het u niet om het geld ging. Maar u bent die dag wel gaan kijken of het geld er lag.’
Herman: ‘Ik had nooit verwacht dat hij die brief serieus zou nemen. Ik had bedacht dat als hij dat wel zou doen, hij dan het geld terug zou krijgen.’

Rechters: ‘U werkt als zelfstandige, u heeft een aardig inkomen, geen schulden en het leven goed op de rails. U had die 20.000 helemaal niet nodig.’
Herman: ‘Klopt.’

De officier van justitie is daar niet van overtuigd.
Hij zegt dat hij De Vries wilde piepelen.
Maar die brief gaat ‘iemand piepelen’ ver te boven.
De officier van justitie gelooft dat hij De Vries wel geld afhandig wilde maken.

‘Een grof strafbaar feit.’

De officier van justitie zegt dat het evenwel bij een poging is gebleven, zij het dat dat niet te danken is aan de verdachte.
Ze gelooft wel dat Herman inmiddels inziet dat wat hij heeft gedaan, niet kan.
Reden om af te zien van het eisen van een gevangenisstraf.

De eis: een werkstraf van 200 uur en drie maanden voorwaardelijke celstraf. Daarnaast moet Herman een schadevergoeding betalen aan De Vries van 1165 euro.

De Vries zegt als hij de rechtszaal verlaat tegen de rechters dat hij tevreden is met hoe de zaak is behandeld.
Herman heeft zich dan al uit de voeten gemaakt.

Rob Zijlstra

.

UPDATE – 26 april 2013 – uitspraak
Herman is veroordeeld tot een werkstraf van 20 uur en een maand voorwaardelijke celstraf. De rechtbank gaat uit van een poging tot afdreiging. Dat het om een poging gaat, kom zo redeneert de rechtbank, omdat de politie tijdig op het toneel verscheen. De schadevergoeding die moet worden betaald bedraagt ruim 500 euro.

De Marathonman (2)

rennende_jongenSaid kijkt ontzet.
Vijftien maanden, pruttelt hij richting rechters, ‘dat is wel bijna anderhalf jaar hoor.’
Hij zegt: ‘Ik ben in shock, ben sprakeloos.’

Dat komt omdat hij onschuldig is.
Said had die 150 euro dus gewoon gekregen.
Rechters: ‘Is dat niet een beetje raar?’
Said, op een onbekende dag in 1991 geboren in Kismayo, Somalië: ‘Ach, je moet een gegeven paard niet in de bek kijken. Toch?’

Dit verhaal moet eigenlijk beginnen in december 2009.
Said zag het toen even niet meer zitten, pakte een mes uit de keukenla, deed een bivakmuts over zijn jongenshoofd en stapte de Shell Shop binnen.
Tegen de medewerkster die bij de ingang stond te stofzuigen riep hij dat zij nu geen rare dingen moest doen en dat hij geld wilde.
Met 400 euro ging hij er hollend vandoor.

Dat laatste werd hem noodlottig.
Said kon namelijk ontzettend goed hard hollen en wel zo goed dat vrienden hem De Marathonman noemden.
Dat was in Veendam zijn bijnaam.
Toen Said met die 400 euro zich hollend uit de voeten maakte, passeerde toevallig een auto met daarin drie kennissen van hem.
Die zeiden tegen elkaar: ‘Hé kijk nou, daar rent De Marathonman.’
Het nieuws dat het tankstation was overvallen ging snel rond en bereikte ook de auto met daarin die drie kennissen.
Die drie legden een verband tussen wat ze net hebben gehoord en daarvoor hadden gezien.
Dat vertelden ze aan de politie.
Twee uur later zat Said op het bureau en 285 dagen later – in september 2010 – in de rechtszaal.

Hij werd niet opgeknoopt aan de hoogste boom. Dat had wel gekund, maar de rechters hielden rekening met zijn persoonlijke omstandigheden.
Het leven van Said is ingewikkeld.
Toen hij 10 jaar was, vluchtte hij met zijn moeder en zusjes naar Nederland, vader misschien wel vermoord.
Als oudste moest de kleine Said gezinstaken uitvoeren.
De psychiater schreef aan de rechters van toen dat Said was overvraagd wat had geleid tot depressiviteit en een begin van een persoonlijkheidsstoornis.
Hulp zou wenselijk zijn.

De rechters veroordeelden hem tot een gevangenisstraf van 222 dagen waarvan 180 voorwaardelijk – de tijd die hij in voorarrest had gezeten – en een taakstraf van 240 uur. Voorwaarde was dat hij hulp zocht voor zijn psychische problemen.
Hij kreeg ook een gratis advies van zijn rechters: ga weer hardlopen.

Nu zit Said weer in de verdachtenbank van zittingszaal 14.
Tussen toen en nu zijn welgeteld 921 dagen verstreken

In café Rembrandt was hij Peter tegengekomen.
Ze troffen elkaar op het toilet.
Tegen de rechters zegt Said: ‘Het was een heel raar gesprek.’

Peter had gevraagd waarom hij hem zo dreigend aankeek.
Said had toen geantwoord: ‘Wat denk je zelf?’
Peter weer: ‘Hebben we nu problemen?’
Said tegen de rechters: ‘Rare sfeer. Het was alsof we zouden gaan vechten.’

Rechters: ‘Ga verder.’
Said: ‘Die jongen zei toen, weet je, we kunnen dit ook anders oplossen. Ik ben bereid jou geld te geven. Ik heb toen gezegd: doe maar. Toen zijn we naar de pin gelopen en gaf hij mij 150 euro. Toen zijn we teruggegaan naar Rembrandt.’

Op dat moment vroegen de rechters dus of dat niet een beetje raar was en begon Said over het paard en de bek.
Rechters: ‘Vond u dat u recht had op dat geld?’
Said: ‘Als ik heel eerlijk ben, ja. En als iemand je een cadeautje geeft, ben je ook blij.’

Hij geeft toe: ‘Ik was dronken, maar Peter ook.’
En: ‘Ja, misschien voelde Peter zich bedreigd, dat kan. Maar ik heb niet gezegd dat hij dat geld aan mij moest geven. Had ik dat gewild, dan hij ik zijn hele bankrekening wel geplunderd, dan wil ik toch meer dan 150 euro?’

Peter vertelde het verhaal anders.
Eerst aan zijn vrienden en daarna aan de politie.
Peter vertelde dat Said hem op het toilet bedreigde, hij zei dat hij geld wilde hebben, dat hij mij wilde neersteken en dat hij wist waar mijn familie woonde.

Said had niets aan de politie verteld.
Dat hij het geld had gekregen, vertelt hij nu in de rechtszaal voor het eerst.
Eerder had hij gezegd, ook tegen zijn advocaat, dat het geld van zijn vriendin was.

Een van de rechters, zomaar boos en met stemverheffing: ‘Wanneer vertelt u de waarheid? Of u heeft tegen uw advocaat gelogen of u zit nu te liegen? Wat is het nou?’

Said blijft rustig.
Zegt dat hij het allemaal heel erg vindt.
Hij zegt: ‘Ik zit er mee.’

De officier van justitie zegt: ‘Ik vind hem volledig niet geloofwaardig. Hij krijgt geld van iemand die hem eerder heeft verlinkt voor een overval. Zwetsverhaal. Hij heeft geld afgeperst van iemand die eerder een belastende verklaring tegen hem aflegde, van iemand die hem had zien hollen, kort na een overval op de Shell Shop. En toen de politie had gebeld. Dit is pure afpersing.’

Vijftien maanden gevangenisstraf.
Dat daarvan vijf maanden voorwaardelijk mogen, heeft Said denk ik in zijn schrik niet meegekregen.

De advocaat verzoekt te rechtbank meer rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden, van een jonge jongen die nooit de middelen heeft gekregen om zich te kunnen handhaven.

Said holt nog steeds.
Maar nu weg voor de problemen, vluchtend in drank en in drugs.
Persoonlijkheidsstoornis.
Antisociale trekken.
Geen gewetensfunctie.
Hulp zou wenselijk zijn.
Said zegt: ‘Allemaal moeilijke woorden. Ik heb gehoord dat er een kans bestaat dat ik ptss heb. En ik ben het er niet mee eens dat ik zo lang moet zitten.’

Rob Zijlstra

.
• ptss
 de marathonman, deel 1

 

.

UPDATE – 22 april 2013 – uitspraak
Said moet conform de eis van de officier van justitie zitten: 15 maanden waarvan 5 voorwaardelijk, netto is dat 10 maanden.  Zijn verhaal is niet geloofwaardig.

HET VONNIS (zodra beschikbaar)

Aanstormende jongen

dvhnEr was eens een liedje waar ik vroeger om moest lachen.
Dat liedje stond op een lp en ging over een klein jongetje op een heel groot strand. Jongetje probeerde te lopen, ik geloof richting de waterkant, maar het lukte hem niet.
Hij viel steeds.

Lopen we door of vallen we om,
We lopen, ja we lopen, nee, we vallen, bom…

In de rechtbank zie ik met regelmaat grote jongetjes die op eigen benen staan.
Ze kunnen lopen, maar blijven vallen.
Het zachte, mulle zand van het strand is vervangen door het harde, kille leven.
Kijk bijvoorbeeld naar Ibrahim.
Met zijn kindergezicht ziet hij er uit als nog maar 14, hoogtuit 15 jaar.
Maar Ibrahim is al 19.

Op een dag was hij met zijn ouders naar Nederland gekomen, na een lange vlucht uit Syrië.
Zij woonden in de onzekerheid of ze hier mochten blijven of dat ze zouden worden teruggestuurd naar daar.
Uiteindelijk besloten de ouders van Ibrahim om te scheiden en daarna ging het op school ook niet meer goed.

Ibrahim werd een jongetje met twee gezichten.
Het ene gezicht toonde een aardige en beleefde jongen die altijd zijn best deed.
Het andere liet de brutale aap zien, die zijn eigen eigenwijze regels maakte.
Een hulpverleenster die als deskundige in de rechtszaal zit heeft nog een aanvulling.
Zij zegt tegen de rechters: ‘Wij moeten zijn streetwise (-heid?) niet overschatten. Ibrahim is vooral een heel angstige jongen.’

Ibrahim kijkt voortdurend om zich heen, misschien schichtig, misschien ook wel wantrouwend en op zijn hoede.
De rechters zeggen tegen hem dat ze in de rapporten hebben gelezen dat hij jointjes rookt, ten minste vier of vijf op een dag, en dat hij dat vooral doet om te kunnen slapen.

De rechters: ‘Dat lijkt wel op een verslaving.’
Ibrahim: ‘Ik heb er geen problemen mee.’

Rechters: ‘U komt voor drie uur uw bed niet uit.’
Ibrahim: ‘Wat moet ik anders?’

Rechters: ‘Werken?’
Ibrahim, ongeïnteresseerd: ‘Weet niet.’

Twee gezichten?
‘Nee, ik ben een normaal persoon, ik ben geen slecht mens.’

Hij huurde een kamer in de stad.
Niet voor de handel in harddrugs, zoals de officier van justitie zegt, maar voor de meisjes.
De officier van justitie: ‘Voor uw twaalf vriendinnetjes?’
Ibrahim, zakelijk: ‘Ja, dat klopt.’

Hij had een wapen gekocht omdat hij al langere tijd werd bedreigd.
Waarom, dat weet hij ook niet.
Toen was hij naar de woning van Rick gegaan en had hij aangebeld.
Een meisje deed de deur open.
Rick was er niet, maar verscheen even later wel op het toneel.
Hij zat in een auto die aan kwam rijden.

Rechters: ‘Was u alleen?’
Ibrahim: ‘Ik beroep me op mijn zwijgrecht.’

Rechters: ‘Van wie had u dat wapen gekocht?’
Ibrahim: ‘Van een Nederlander.’

Rechters: ‘Naam?’
Ibrahim: ‘1.85 meter.’

Rechters: ‘En toen, wat gebeurde er toen?’
Ibrahim: ‘Ik ben naar de auto gelopen. Rick zat op de bijrijderstoel. Hij deed het raam open en was agressief. Achterin zat een vrouw, die begon ook te schelden. Toen kreeg ik een blikje bier in mijn gezicht, ik zag even niks meer, ik deed een paar stappen achteruit en toen schoot ik. In de lucht. Daarna ben ik weggerend.’

Rick vertelde het anders.
Hij zag Ibrahim en deed het raam open.
‘Ik kreeg toen direct een klap, ik mepte terug met een blikje bier. Toen schoot hij.’

Rechters willen van Ibrahim weten: ‘Wist u dat het verboden is om een wapen te dragen?’
Nee, dat wist Ibrahim niet.
Rechters: ‘Enig idee waarom het verboden is?
Ibrahim zegt dat hij dat ook niet weet.
Rechters: ‘Moeten wij dat nou echt uitleggen?’
Omdat je er iemand mee kunt doden?

Rick leeft nog, maar dat was een kwestie van een centimeter geweest.
De kogel (kaliber .22) schampte zijn hoofd; huidweefsel, bloed en haar worden op de voorruit van de auto aangetroffen.
De andere twee inzittenden bleven ongedeerd, maar zijn nog altijd niet over de schrik heen.
Ibrahim heeft een simpele verklaring voor zijn optreden: ‘Ik kreeg nog geld van hem.’

De officier van justitie zegt dat Ibrahim het achterste van zijn tong niet laat zien.
Hij wil niet zeggen van wie hij dat wapen, een schietpen, heeft gekocht.
Hij heeft gezegd dat hij het wapen heeft weggegooid, maar wil niet vertellen waar.
Hij had een rekening te vereffenen, een rekening in het criminele milieu, want het geld dat hij nog moest krijgen, was drugsgeld.
Komt bij, vervolgt de aanklager, dat meneer eerder is veroordeeld voor geweld, dat hij recent in de gevangenis bij geweld betrokken is geweest en dat de deskundigen zeggen dat de kans op herhaling levensgroot aanwezig is.

De officier van justitie zegt dat nu maar eens goed ingeprent moet worden dat het zo niet langer gaat.
De eis: drie jaar gevangenisstraf waarvan een jaar voorwaardelijk en daarna intensief toezicht door de reclassering.

Ik kijk naar Ibrahim.
Er valt niets te lachen.
Integendeel.
Ik denk, voor mij zit een kleine jongen die zich nooit staande zal kunnen houden in onze grote, snelle wereld.
Ik zie een aanstormende tbs’er.

Bom.

Rob Zijlstra

.

UPDATE – 12 april 2013 – uitspraak
Ibrahim krijgt dankzij de rapportages die over hem zijn uitgebracht alle kansen. De rechtbank heeft hem veroordeeld op basis van het jeugdstrafrecht waar hulp voorop staat. Hij kreeg 18 maanden waarvan 9 maanden jeugddetentie. De rechtbank acht de poging tot doodslag bewezen.

De socialist

Mineermotten vliegen voornamelijk in de avondschemering (bron: wikipedia)

Er zitten vier Duitse mannen op de publieke tribune van zittingszaal 14.
Ze luisteren en zitten zich te verbazen.
Bij ons in Duitsland, zeggen ze in de pauze, gaat het in de rechtszaal heel anders.

De Nederlandse strafrechtspraak kenmerkt zich door een raar woord: efficiency.
We doen het grondig en met zorg (echt waar), maar het mag bij ons allemaal niet te lang duren.
Bij hun wel.

Hoewel openbaarheid ook bij ons een groot goed is, speelt een groot deel, het grootse deel van het goed, van het openbare proces, zich af achter gesloten deuren.
Anders dan bijvoorbeeld in Duitsland worden in Nederland zelden getuigen op zitting gehoord.
Wat ook anders is, is dat onze rechters bij aanvang van een strafproces alles, maar dan ook alles al hebben gelezen.
Zij hebben, net als mensen, bij aanvang al een idee, een beeld, bedenkingen en/of vermoedens van schuld of onschuld.
Maar nog geen professionele mening (moeten we aannemen), ook zeker ook nog geen rechterlijk oordeel (mogen we hopen).
Bij hun in Duitsland beginnen rechters blanco (zeggen zij).

Tijdens het openbare gedeelte worden de meest relevante stukken van de officier van justitie door de objectieve, maar goed ingelezen rechters aan de onschuldige verdachte voorgehouden.
De beklaagde mag daar dan op reageren.

Na een tijdje vragen de rechters (na al dan niet een blik op de klok) of het zo voldoende is.
Dan knikt de officier van justitie en ook de advocaat blijft meestal gewoon zitten.
Mooi, zeggen de rechters dan weer, want dan kunnen we verder.
Dan zeggen de rechters dat geacht wordt dat alle stukken voldoende zijn voorgehouden.
Ook als dat niet zo is.

Rechters tezamen hebben ook alle belang bij voortvarendheid, want gerechten worden door het ministerie van Veiligheid en justitie gefinancierd op basis van het aantal vonnissen (uitspraken) (echt waar).
Daar kunnen individuele rechters ook niks aan doen.

Woensdag is in Groningen een omvangrijk strafproces begonnen.
Er zijn 17 verdachten en evenzoveel advocaten van wie er eentje woensdag vanuit het Westen veel te laat verscheen met de trein van 08.14 uur (aankomst Groningen).

Er zijn acht zittingsdagen met uitloopmogelijkheden
Tientallen dossiers (dikke multomappen, klappers vol).
Daarin staan uitgeschreven honderden verklaringen.
Duizenden en duizenden uren aan politieonderzoek.
Onderzoeken die namen hebben gekregen als Mineermot, Zeespin, Afghanistan en Muskiet.
Die onderzoeken vallen onder een project: Project Golfclub.
Veel verdachten reden in Golfjes, dat zijn auto’s, geen van de verdachten had ooit eerder gehoord van het bestaan van de mineermot, de vlinder die vooral in de avondschemering vlindert

De Duitse gasten luisterden aandachtig, maar konden er uiteindelijk geen touw aan vastknopen.
Waaraan?
Nou, dat weet ik eerlijk gezegd ook niet.

Project Golfslag is met alle deelonderzoeken zo omvangrijk dat het meest relevante dat op de eerste zittingsdag is voorgehouden, kleiner was dan een topje van een ijsberg.
Dan zit je dus uren te luisteren en dan denk je na verloop van tijd: waar gaat dit over?

Het ging bijvoorbeeld over een speciaal ingerichte kamer waar vingers afgesneden konden worden.
Op een boerderij in Tripscompagnie, Oost-Groningen.

Het ging over mannen die tegen andere mannen met papieren zakken over hun hoofden en handen met elektriciteit-draden samengebonden, schreeuwden dat ze hun oren van de kop zouden knippen.
Maar daar draaide het niet om, het ging over veel meer dan een draai om de oren.

Op deze eerste dag stonden vier verdachten terecht.
Zij zouden zich schuldig hebben gemaakt aan pogingen tot moord in vereniging.
Daar kun je zomaar acht jaar celstraf voor krijgen.

Twee van de vier verdachten zitten al vijftien maanden in voorlopige hechtenis.
Dat schijnt bij hun in Duitsland onbestaanbaar te zijn.
Bij ons hier kan dat, zij het dat het best wel heel lang is.

De verdachten die al vijftien maanden in de gevangenis zitten en zeggen onschuldig te zijn, mochten reageren op hetgeen de rechters hen kort voorhielden.
Omwille de efficiency was het niet nodig de verdachten uitvoerig te horen tijdens het verhoor ter zitting.

Rechter des ochtends: ‘Er zitten heel, heel veel verklaringen in het dossier. Als ik die allemaal met u ga bespreken, zitten we hier vanmiddag nog. Dat gaan we dus niet doen.’
Rechter des middags: ‘Wij gaan hier vandaag dus geen avondwerk van maken.’

Efficiënt samengevat:
Er zijn twee groepen.
De verdachten van vandaag zijn nu de verdachten.
Hun slachtoffers zijn volgende week de verdachten.
De twee groepen liggen elkaar niet.

De twee groepen, de verdachten van nu en de slachtoffers van straks, troffen elkaar op een boerderij in Tripscompagnie.
Op een dag in augustus in 2011.
Aan dat treffen is iets vooraf gegaan.
De politie weet ondanks duizenden uren van onderzoek niet wat.
Er is wel een vermoeden: gedoe, iets met hennep.

De twee groepen bedreigen elkaar.
De twee groepen ripten elkaar (misschien)
De twee groepen spreken elkaar.
De twee groepen spreken met elkaar iets af.
De twee groepen schieten op elkaar.
De ene groep zegt dat de andere groep begon.
De andere groep zegt dat het net andersom was.
De twee groepen geven elkaar de schuld.
De twee groepen worden gearresteerd.

De officier van justitie zegt dat voor beide beweringen aanknopingspunten te vinden zijn in het dossier.
Dat dus beide groepen gelijk kunnen hebben.
Maar omdat twee tegenstrijdigheden niet samen waar kunnen zijn, moet de officier van justitie kiezen.

Hij kiest voor Mo en zijn gang.
Wie voor Mo is – die volgende week terecht moet staan – kiest tegen Aboe.

Aboe zegt dat hij socialist is en God groot.
Dat hij al 13 jaar in Nederland is en nog nooit problemen heeft gehad.
Dat hij in Nederland altijd een blije man was, een blije grapjesman, twee prachtig zonen heeft van wie er een arts wil worden, maar dat Mo zijn leven en die van zijn gezin kapot heeft gemaakt.
Kapot, en dat zonder respect.
Dat hij al vijftien maanden onschuldig tussen vier muren zit.
Met als zijn gezondheidsproblemen.

De tweede verdachte heet Izzy,
Izzy zegt: ‘De mensen over wie het Openbaar Ministerie zegt dat wij hebben geprobeerd hen te vermoorden, zitten bij ons in de gevangenis. Jullie hebben hen bij ons op de afdeling geplaatst. Wij worden kapot gemaakt. Waarom? Wij zijn slachtoffers, geen daders. Zij gooiden tegen het huis van mijn vrouw en kinderen molotovcocktails.’

Aboe had in Syrie een eigen groentenbedrijf.
Izzy werkte in Nederland bij de NAM, had daar als technicus een goede baan met een auto van de zaak.

Aboe hoort vier jaar celstraf eisen.
Wegens een drievoudige poging tot moord.
Izzy: 3 jaar, wegens medeplegen pogingen doodslag op diezelfde slachtoffers.

Dan is er nog Amar, de jongste.
Vijf jaar.
Hij was niet alleen bij de schieterij aanwezig, maar dreigde ook oren en vingers te knippen in het onderzoek Zeespin.

Een vierde verdachte hoorde een werkstraf eisen van 240 uur – de helft voorwaardelijk vanwege aanwezigheid en iets met zweetvoeten.

Dus:
Er is een groot strafproces gaande.
Met veel verdachten en over ernstige zaken.
Op de eerste dag is tegen drie verdachten al 12 jaar celstraf geëist.
Dertien verdachten moeten nog.

Heel verhaal.
Maar waar het nou precies over ging en de komende zeven, acht dagen over gaat?

Kan de openbaar aanklager aan de geschokte rechtsorde iets meer vertellen, ook als dat iets minder efficiënt is?

Rob Zijlstra

uitspraken op 27 december

Vrijdag stonden vier mannen terecht wegens onder meer overvallen op woningen (op zoek naar hennepplantages), afpersing van een 14-jarige jongen en in verband met gijzeling. Maandagochtend worden deze zaken voortgezet met het requisitoir van de officier van justitie (de eisen).

De hulpverlener

Rick is negen jaar lang kickboxer geweest.
Niet snel bang.
Henk is jongerenwerker.
Weet wat er te koop is.

Rick en Henk kennen elkaar niet.
In mei van dit jaar kwamen ze elkaar tegen en dat was geen plezierige ontmoeting geweest.
Ze waren, los van elkaar, op stap in Groningen.

Henk – hij woont in Zoetermeer – was die avond samen met Lisa naar Groningen gekomen, met de auto.
Lisa had een moeilijke tijd achter de rug.
Ziekenhuis, niet fijn, eigen bijdrages, schulden.
Lisa, zegt hulpvaardige Henk, kon dus wel een verzetje gebruiken en een stapavondje in Groningen leek hen een goed idee.
Nee, Lisa was niet zijn vriendin, Lisa was gewoon een vriendin, al sinds de middelbare school.

Ze belandden in Groningen in een café.
Henk was wat gaan dansen, terwijl Lisa een jongen ontmoette.
Die jongen heette Rick.
Even later was Henk verdwenen en vroeg Lisa aan Rick of hij haar naar bioscoop Pathé kon brengen.
Rick, immers niet snel bang, wilde dat wel.
Hij haalde zijn scooter op en met Lisa achterop reed hij naar de bioscoop aan het Gedempte Zuiderdiep.

Rick zegt tegen de rechters: ‘Ik was altijd hulpvaardig, nu ben ik wantrouwend.’
Henk zegt dat hij dat wel begrijpt.
Hij zegt het heel erg te vinden, spijt, spijt, spijt.
Het voelt, zegt hij, alsof hij een stukje vrijheid bij Rick heeft weggenomen (…)

Wat gebeurde er dan?
Op het moment ze bij de bioscoop aankomen, stapt Lisa van de scooter.
Op vrijwel hetzelfde moment springt Henk achterop, zet een mes op Rick’s keel en dwingt hem weg te rijden om niet veel verder diens rugzak en portemonnee op te eisen.

Jawel, de hulpverlener overvalt hier de voormalige kickboxer.

Het was een complot geweest.
Lisa zou in een café een man verleiden om hem vervolgens naar de donkere steegjes rond de bioscoop te lokken.
Daar zou Henk toeslaan.
Henk: ‘Het was haar idee om snel geld te maken.’
Rechters: ‘Wat een rare manier om iemand die het moeilijk heeft gehad te helpen.’
Henk beaamt dat: ’t Is zo naïef.’

Hij vertelt dat ze het in het café al hadden afgesproken, dat ze hem zouden pakken. Zegt: ‘Het stond me tegen, want zo ben ik niet opgevoed, het zijn niet mijn waarden en normen. Maar Lisa drong aan. Ze zei ook dat ze ervaring had met dit soort berovingen. Ik zei nog nee, maar Lisa zei, alles komt goed.’

Henk ontkent overigens dat hij Rick heeft bedreigd met een mes.
Rick zit als getuige en als slachtoffer in de rechtszaal.

Als getuige zegt hij dat hij wel is bedreigd met een mes, met de punt op zijn keel, ook tijdens het rijden.
Hij zegt dat hij, negen jaar kickboxen, nooit zomaar iets aan iemand zou afgeven.
Zegt: ‘Dan kan ik net zo goed aan iedereen wel mijn dingen geven. Hij dreigde met een mes en tegen een mes kun je niet op.’

Als slachtoffer noemt hij de beroving ‘laag’ en ‘laf’.
Hij volgt traumatherapie, wat zwaar valt en vermoeiend is.
Rick: ‘Al die ellende voor een paar tientjes.’
Richting de hulpverlener: ‘Wees een kerel en beroof een bank.’

Henk is weer bij zijn ouders gaan wonen, vanwege de positieve energie die hem dat geeft.
Zijn familie is vandaag ook, he-le-maal vanuit Den Haag, met hem meegekomen naar Groningen, ter ondersteuning bij de gang naar het rechte pad.
Henk: ‘Mijn moeder werkt bij de reclassering.’
Zelf doet hij nu even geen hulpverlening, maar verzorgt hij op Schiphol de bagage.
Ondertussen werkt hij hard aan de oprichting van een eigen bedrijf.
Iets met marketing en netwerken.

De officier van justitie spreekt van een ernstig feit.
Diefstal met geweld.
Ze zegt dat ze gelooft dat Henk Rick wel degelijk heeft bedreigd met een mes.
Ze eist 39 dagen gevangenisstraf, de tijd die Henk heeft vastgezeten.
Daarnaast zes maanden voorwaardelijke celstraf.
En een taakstraf van 240 uur.

De rechters hadden al vastgesteld dat Henk geen strafblad heeft.
Dat hij altijd braaf naar school is gegaan.
En dat hij werkt voor zijn geld.
Eigenlijk geen problemen.
Het enige zorgelijke is, zo merken de rechters op, dat Henk praat als een jongerenwerker.
Die zijn eigen rol niet ziet.

De advocaat heeft een mooi verhaal wetende dat zijn cliënt (zo noemen advocaten verdachten) zich met zo’n strafeis in de handen mag knijpen.
Toch zegt de advocaat niet: beste rechters, wat ons betreft helemaal top, hier doen we het voor.
Hij zegt, wikkend en wegend: ‘Die werkstraf, tja… Eigenlijk heeft mijn cliënt het daar te druk voor. Het zou wel eens contraproductief kunnen werken.’

Hulpverlener Henk sluit in stijl af.
Hij zegt tegen de rechters dat hij Rick graag wil helpen er weer bovenop te komen.
Dat hij daar een rol in kan spelen, misschien wel een stukje meer dan Rick nu beseft.

Rick reageert er niet op, misschien heeft hij niks met hulpverleners.
Of niets met hulpverlener Henk in het bijzonder.
Dat kan natuurlijk ook.

Rob Zijlstra

UPDATE – 18 oktober 2012 – uitspraak
Henk is aan de beurt. Een taakstraf zoals geeist doet geen recht aan de ernst van de feiten, vinden de rechters van de meervoudige strafkamer. Wat wel recht doet en passend is, is een gevangenistraf van 15 maanden waarvan 5 voorwaardelijk. Een en ander betekent dat Henk zich moet melden aan de gevangenispoort.

Mannetje pindakaas

Gerko is nog maar net 18 jaar, maar hij kan al de heel de wereld aan.
Hij is mannetje pindakaas.
Schijt aan alles

Zo bleekscheterig als het maar kan, want geboren in Oost-Groningen, spreekt hij met een Antilliaans accent.
Zangerig en kortaf.
Hij zegt: ‘Heb Antilliaanse vrienden, snap je.’

Gerko ridikulo.

Zijn strafzaak is tijd verspillen.
Dat zegt hij zelf.
Te vermoeiend ook, hij heeft er geen zin an.
Tegen de rechters die maar door zeuren en zemelen: ‘Geen commentaar, geef me straf, zit ik wel uit, geen probleem toch.’

Hij ontkent dat hij Chantal een mes op de keel heeft gezet.
Zou hij nooit doen, mes op de keel van Chantal.
Chantal zegt dat?
Chantal spoort niet.
Jawel, hij had haar telefoon genakt, maar zij had snuif bij hem gekocht, niet betaald.
Dus.
Dus wat?
Gerko: ‘Tss…’

Het eerste deel van de strafzaak heeft achter gesloten deuren plaats.
Omdat het ging over iets wat was gebeurd toen Gerko nog maar 17 jaar was, strafrechtelijk gezien nog een kind.
Dat gedoe met Chantal en daarna met Bouke was toen hij al volwassen was.
Al helemaal 18.

Kinderrechters noemen verdachten bij hun voornaam en zeggen je en jij
Grote mensenrechters zeggen altijd u en meneer tegen verdachten.
Gerko eist dat ook.
Want hij is een grote man.
Hij is the King, the Godfather.

Tegen de rechters, verveeld: ‘Maakt mij niet uit wat jullie allemaal zeggen, het duurt me te lang, weet je.’

De officier van justitie zegt dat Gerko de 14-jarige Bouke heeft beroofd.
Bij het station in Winschoten.
Gerko reageert met een blik vol minachting richting de officier van justitie.
Wijf!

Hij had tegen Bouke gezegd dat hij zijn zonnebril moest afzetten.
Daarna spoot hij peperspray in de ogen van Bouke, die ook al vanwege zijn autisme, extreem bang was geweest.
Maar volgens Gerko had Bouke er om gevraagd, had Bouke gewoon even een lesje nodig.
De ketting?
Die gaf hij spontaan.
Dus wat is er aan de hand?

Peperspray?
Tegen de rechters: ‘Wat nou? Ik had ook een vuurwapen bij me. Dus…’
Rechters tegen Gerko: ‘Waarom zegt u dat nou? Bedoelt u te zeggen dat het nog erger had gekund?’
Gerko zwijgt.
Snappen die rechters dan niks?
Zangerig: ‘Ik ga niet meer met jullie praten.’

Rechters: ‘Was het wapen echt?’
Gerko, diepe zucht, kortaf: ‘Nee. Een nepper.’

Zo erg als Gerko zich als verdachte voordoet, zo erg maak je het niet dagelijks mee in zittingzaal 14.
Een paar keer keek hij achterom de rechtszaal in.
Ik ving zijn blik en zag een mix van angst en vijandigheid.

Hij zegt: ‘Ik zou nooit een wapen gebruiken.’
Had hij dan niet iemand bedreigd met een mes omdat hij geen shagje mocht draaien?
Nee, dat had hij niet.
Rechters: ‘U had wel een schroevendraaier.’
Gerko: ‘Ja. En dat is geen mes.’

Ik dacht, misschien doet Gerko zich wel anders voor.
Misschien is hij helemaal niet ridicuul en valt hij best mee.
Er was ook een deskundige.
Die sprak over de adolescentieproblematiek, over Gerko als een dikke puber.
Dat zijn problematiek wordt verhard door een anti-sociale persoonlijkheidsstoornis in ontwikkeling.
Komt het ooit goed?
’t Kan nog alle kanten op, dacht de deskundige.

Als kind van 3 jaar werd Gerko uit huis geplaatst en moest hij opgroeien in de een na de andere instelling.
Dat werd een fiasco.
In de wandelgang van het gerechtsgebouw hoor ik meer.
Inmiddels wel wat gewend, maar ik kreeg kippenvel van wat ik hoorde
De verteller zei dat dat vertrouwelijk was.
Kom het ooit goed?
‘…’

Rechters vragen: ‘Uw leven? Alleen maar kommer en kwel.’
‘Ja.’
Rechters: ‘Nooit eens een plekje gehad waarvan u dacht…’
‘Nee.’
‘Nou ja, in H. was het wel relaxed geweest. Ik kon daar niet weglopen, dat was wel goed. Later kon dat wel, dus toen ben ik ook weggelopen.’

De officier van justitie zegt dat ze zich zorgen maakt.
De advocaat: ‘Hij komt wat onverschillig over.’
De officier van justitie: ‘Wat moeten we d’r mee?’
De advocaat: ‘Het is een beetje zijn houding.’
De officier van justitie: ‘We gaan proberen hem te helpen.’
De advocaat probeert de scherpste kantjes er van af te halen.

De officier van justitie: ‘Vijftien maanden gevangenisstraf, daarvan vijf maanden voorwaardelijk. Wil hij niet, dan zien we hem hier helaas terug.’

De zitting is na ruim twee uur bijna ten einde.
Of hij nog wat wil zeggen omdat hij het recht heeft op het laatste woord?
Vermoeid wrijft Gerko met de handen door het gezicht.
Mompelt dan: ‘Neuh.’
Rechters, niet onvriendelijk: ‘Het duurt u allemaal te lang hè?’

Dan valt hij uit zijn rol, is hij ineens niet meer de grote, stoere, onverschillige Godfather.
Met een glimlach: ‘Ja. De kont dut mie zeer van ’t zitt’n.’

Rob Zijlstra

.
UPDATE – 12 oktober 2012 – uitspraak
Gerko zal nog even moeten blijven zitten. De rechtbank heeft hem conform de eis veroordeeld tot 15 maanden celstraf waarvan 5 voorwaardelijk. Of hem dat zal leren is een ander verhaal.

UPDATE –  oktober 2013 – niets geleerd

pindakaasKnipsel

UPDATE – 14 maart 2014 – tullen
Gerko zit weer in de rechtszaal. Er is niet veel veranderd. De officier van justitie wil  5 en 3 maanden die eerder voorwaardelijk zijn opgelegd, omzetten in onvoorwaardelijk. Die moet hij dan zitten. Reden: hij heeft de voorwaarden overtreden.Dat is de trieste balans, zeg de officier van justitie. Een nieuwe kans zit er nu even niet in. De zitting lijkt op de vorige. ‘Een hond heeft een baas, ik ben geen hond.’  Gerko zegt: ‘Ik wil wel veranderen, heel graag, maar het lukt niet in een keer. Dat kunnen jullie niet van mij verwachten. Ik ben een probleemjongere.’

UPDATE – 23 november 2015 – recidive
Het is mis. Gerko staat opnieuw terecht. De eis is ditmaal niet mals: het verslag (volgt)

De directeur en de FNV

Doodsbang rennen Wim en Herman het politiebureau binnen.
Wanneer ze na 35 minuten wachten eindelijk aan de beurt zijn, roepen ze: ‘Hij wilde ons vermoorden.’
De dienstdoende agent logt in en begint van alles met twee vingers in te tikken.
Na enige tijd vraagt de agent: ‘En wie wilde u vermoorden?’
Wim en Harmen: ‘De directeur.’
Agent: ‘En u heeft daar geen toestemming voor gegeven?’

Integendeel, antwoorden de twee bange mannen.
Ze vertellen.
Dat ze aan het werk waren, bij de personeelsingang van het bedrijf van de directeur.
Ze waren personeel aan het enquêteren.
Ze wilden weten of het personeel wel volgens de cao werd gewaardeerd.
Dat soort dingen.

De agent kijkt naar de twee mannen en vraagt: ‘En waarom wilden wij dat allemaal weten?
Wim en Herman: ‘Wij zijn vakbondsmannen van de FNV.’

De agent schrikt en beseft ineens dat het hier gaat om een situatie van ernst.
Of de heren koffie blieven. Of slachtofferhulp?
Zegt: ‘Mannen, ik roep er een collega bij. Dit moet tot op de bodem worden uitgezocht. Het kan niet zo zijn wij, wij dienstverleners, de ambtsdragers van de samenleving, worden belaagd. Of je nou politieman, ambulanceman of vakbondsman bent, dit moet aangepakt. Wanneer is het gebeurd?’

Wim en Herman: ‘Drie dagen geleden, op 13 april.’
‘Helder’, zegt de agent en noteert 16 april.

Het relaas van Wim en Herman wordt met alle details op papier gezet en als dat klaar is lezen de verbalisanten het proces-verbaal zoals dat moet nog eens voor, opdat niets aan het toeval wordt overgelaten.
Wim en Herman kunnen zich er in vinden.
Kennelijk was de opwinding op dat moment zo groot, dat niet alleen de mannen van de vakbond, maar ook de twee verbalisanten vergeten hun handtekeningen te plaatsen.
De wet vereist dat wel.

De directeur wordt aangehouden en verhoord.
Ook de tweede directeur, hij was kort na de moordaanslag op het toneel verschenen, moet een verklaring afleggen.
En de bedrijfsleider en nog een medewerker die niets bijzonders had gezien.
Na een paar weken wordt het politieonderzoek afgerond en naar het openbaar ministerie gestuurd.
Weldra zal de directeur publiekelijk terecht moeten staan wegens een poging tot moord dan wel een poging tot doodslag, meermalen gepleegd.
Dat de beoogde slachtoffers dienstbaar aan de samenleving zijn zal vast en zeker strafverzwarend werken.

De officier van justitie die de zaak moet beoordelen wikt en weegt en gaapt.
Denkt directeuren en vakbonden, altijd gesodemieter.
Alsof wij op parket niets beters te doen hebben.
Met een ferme zwaai pakt hij de stempel en drukt af.
Sepot.
Volgende zaak.

De vakbond wordt in kennis gesteld van dit besluit en bromt: ‘Mannen, dit pikken we niet.’
De bond stapt naar het gerechtshof en doet conform artikel 12 Wetboek van strafvordering beklag.
Het hof beoordeelt de kwestie, concludeert dat de officier van justitie in Groningen iets te snel door de bocht is gegaan met het sepot en beveelt dat het openbaar ministerie alsnog vervolging moet instellen.

Zo gebeurde het dat de directeur deze week, ruim twee jaar na dato, tegenover de politierechter zit.
Niet vanwege een poging tot moord of doodslag, maar voor bedreiging.

De officier van justitie zegt dat de directeur met zijn auto op Wim en Herman is ingereden waarbij hij zijn snelheid niet heeft aangepast aan de situatie ter plekke.
Dat de vakbondsmannen, mannen die opkomen voor een goede zaak, moesten wegspringen om het vege lijf te redden.
Weliswaar waren de mannen verzocht het bedrijfsterrein te verlaten.
Dat ze dat niet deden, geeft de directeur nog niet het recht op deze manier te handelen.
Geschillen moeten op een andere manier worden beslecht.
De officier van justitie spreekt van een kwalijke zaak.
Zo heeft een van de slachtoffers weken achtereen geen poortacties durven houden.

Het bewijs: de twee aangiftes van Wim en Herman, in combinatie met een uitlating van de directeur tijdens het politieverhoor.
De directeur had gezegd dat hij boos was en ook: ‘Ik reed niet langzaam.’

De aanklaagster laat meewegen dat de directeur slechts een paar veroordelingen van de kantonrechter op zijn documentatie (‘kantondocu’) heeft staan en dus tot op zekere hoogte first offender mag heten.
Ze eist voor de kwalijke zaak een boete van 750 euro, maar die geheel voorwaardelijk met een proeftijd van een jaar. Daarnaast moeten de twee vakbondsmannen recht hebben op smartengeld: 200 euro per persoon.

De aanwezige vakbondsman met opgestroopte mouwen kijkt tevreden.
Eindelijk zal het recht zegevieren.
De directeur – glimmende manchetten – oogt getergd.

De directeur zegt wanneer het zijn beurt is: ‘Het is een mooi verhaal, maar het is niet waar. Ik heb absoluut niet op die mensen ingereden.’
Hij vertelt dat ‘ons’ bedrijf al weken door FNV-medewerkers werd geterroriseerd. Dat de maat vol was en dat de vakbondsmannen keurig en netjes waren verzocht het terrein te verlaten. Ja, daarbij is ook een beetje geduwd, ja.
Uiteindelijk was hij in zijn Mercedes gestapt en had hij geroepen: ‘Ik spreek geen woord Frans en nu wegwezen’

De directeur: ‘Ik kwam gewoon aanrijden en ben weer gestopt om nog een keer te zeggen dat ze weg moesten gaan. Ze stonden toen tussen geparkeerde auto’s. Ze hoefden helemaal niet weg te springen.’

De tweede directeur die iets later kwam, verklaarde: ‘Die FNV’ers reden weg, met een vlag en maakten al claxonerend nog een paar rondjes over het terrein.’
De bedrijfsleider: ‘De FNV was provocerend aanwezig.’
De medewerker die binnen zat: ‘Ik heb niets bijzonders gezien.’

Vakbondsman Herman: ‘Ik doe mijn werk. In dat werk zoeken we naar de balans tussen werkgevers en werknemers. Maar in een gesprek bleek dat niet mogelijk. De directeur zette zijn auto in als wapen. Dat tast alles aan waar ik in geloof. Wij komen altijd ergens in het midden uit, de balans. En dan wil hij mij willens en wetens torpederen, dat gaat me te ver.’
De advocaat van Herman, die eigenlijk zijn mond moet houden: ‘Ze waren bezig met het uitoefenen van een grondrecht, het recht op vereniging. Door die bedreiging is hen dat grondrecht afgenomen.’

De advocaat zegt dat de FNV paranoïde is.
Dat de dagvaarding rept van 16 april, terwijl het drie dagen eerder is gebeurd.
Dat de processen–verbaal niet zijn ondertekend, een vormverzuim, artikel 153, strafvordering.
Dat wanneer er een aanslag op je is gepleegd, je toch onmiddellijk naar de politie gaat en niet drie dagen later.
Dat je na een aanslag op het leven niet eerst nog even een groot spandoek gaat ophangen op het terrein (‘mijn baas is een dwaas’).
Dat de medewerker die binnen zat niets bijzonders heeft gezien, niet bij de directeur, maar ook niet bij de vakbondsmannen.
Dat vakbondsman Wim als een stalker met de passie van een pitbull het privéleven van de directeur is binnengedrongen wat zijn verklaringen er niet geloofwaardiger op maakt.

Kortom: het gaat bij de politierechter van welles tot nietes.
Voor alle zekerheid meldt de rechter: ‘Ik was er niet bij.’

Zegt vervolgens tegen de beklaagde: ‘Er liggen twee aangiftes – weliswaar niet ondertekend, dus niet opgemaakt op ambtseed – maar waarin wel zwart op wit staat dat u op hen bent ingereden. Daartegenover staat uw verklaring, inclusief uw opmerking dat u ‘niet langzaam’ kwam aanrijden. Maar daar kan ik geen bedreiging uithalen. Bovendien wordt uw verhaal ondersteund door uw mededirecteur, de bedrijfsleider en door de medewerker die zegt niets bijzonders te hebben gezien.’

De politierechter spreekt de directeur vrij.

Rob Zijlstra

extra
artikel 12 Wetboek van strafvordering
artikel 153 wetboek van strafvordering

Roti speciaal

El Ben is niet aaibaar, maar enige charme kan hem niet worden ontzegd. De rechters zijn misschien daarom wel iets vriendelijker dan ze doorgaans zijn bij mannen die je maar beter kunt opsluiten.

El Ben is het levende bewijs dat het leven ingewikkeld is.
Te ingewikkeld voor eenvoudige oplossingen, voor verleidelijke maar te snelle oordelen.

Het leven dat hij zelf tot nu toe leefde was grijs en regenachtig.
Dus met nauwelijks zonneschijn.

El Ben werd 24 jaar geleden geboren in Tunesië.
Hij woonde bij zijn moeder, bij zijn oma en tussendoor – zo anders dan de toeristenhotels – in vieze kindertehuizen.
Zo werd El Ben vooral in zijn eentje 9 jaar en bracht het lot hem in Nederland, waar zijn moeder toen al woonde.
Vraag me niet waarom.

Het leek er even op dat de lente in El Ben’s leven op springen stond, maar na vijf jaren hier ontdekten administratie-ambtenaren dat de dan 14-jarige El Ben een illegaal kindermens was.
Hij werd van school gehaald en als grof vuil over de schutting gekieperd.
Geen Pauw en Witteman, geen briefje van een staatssecretaris.

De Arabische taal nauwelijks meester zwierf El Ben helemaal in zijn up door de onveilige en smerige stegen van Tunis, want daar horen illegale kinderen thuis.
Hij leerde daar dat je moet pakken wat je pakken kunt, omdat je anders in de straten van Tunis dood gaat.

Zo werd El Ben een overlever.
Na vier lange en verwarde jaren belandde hij toch weer in Nederland, bij zijn ingewikkelde moeder.
Zijn rugzakje zat vol met straatwijsheid, want hij had de overlevingsmentaliteit voor alle zekerheid meegenomen.

Gedragsdeskundigen rapporteerden: El Ben is een bodemloze jongeman.
Met antisociale trekken.
En hij drinkt, wel zo veel dat gerust gesproken kan worden van een ziekelijke stoornis.
Met onze drank probeert El Ben nare herinneringen aan zijn verleden te dimmen.
Heel logisch, vinden de deskundigen, maar niet goed en gezond.
De officier van justitie zegt iets soortgelijks: ‘Zijn verleden is een tranentrekkend verhaal. Een verklaring voor zijn gedrag, maar het is geen excuus.’

El Ben zegt tegen de meelevende rechters: ‘Ik ben een goede jongen, maar als ik drank op heb, doe ik domme dingen, dan ben ik niet El Ben.’
Nu hij al 24 jaar is (‘ik word ook ouder’) wil hij veranderen: ‘Ik wil niet meer vechten op straat.’

Hij staat terecht voor een serie misdrijven.
Op camerabeelden is te zien hoe hij in de Peperstraat in Groningen in zestien seconden veertien maal met elleboog en viermaal met vuist op Achmed inbeukt.
In de rosse buurt schopte hij iemand die op de grond lag, met een aanloopje, alsof hij een penalty nam.
Hij had seks met een meisje dat nog geen 16 jaar, maar wel dronken van de whisky was.

En El Ben had een maaltijdbezorgster beroofd van haar portemonnee.
Of overvallen met geweld.
Dat was de vraag.
De maaltijd, een roti speciaal – de lekkerste van Humsies – moest worden afgeleverd op een adres aan de Wibenaheerd, een straat in Groningen.
El Ben hing daar op dat moment in de buurt rond, hangend met vrienden.
Zij zagen de bezorgster op haar scooter aan komen rijden.
El Ben riep haar.
Want hij kende Suzanne wel.

Ze kletsen en ouwehoeren wat.
Hij dolt, doet alsof hij de maaltijd wil meenemen.
Ze gaan als vrienden uit elkaar.
Wanneer Suzanne even later de roti bij de klant aflevert, ontdekt ze dat de portemonnee is verdwenen.
Ze belt haar baas die zegt dat ze de politie moet bellen.
Doet ze.
Ze zal tegen de rechters zeggen dat ze dat deed, terwijl ze boos, verdrietig en ook teleurgesteld was.

Op het politiebureau vertelt ze dat de overvaller haar bij de keel had vastgepakt.
En dat de overvaller haar had bedreigd.

El Ben ontkent het niet.
Hij ontkent niet dat hij de portemonnee uit de bak achterop de scooter had gepakt.
Maar hij had Suzanne niet bij de keel gegrepen.
En ook niet gezegd, zoals het wel in de aangifte staat: ‘Geef me je geld.’

Diefstal of overval met dreigend geweld
Zoiets scheelt nogal in straf.

De advocaat van El Ben zette in op diefstal en had daarom Suzanne opgeroepen als getuige.
Suzanne wilde dat niet, maar ze kwam wel, wel na een dreigend telefoontje (‘anders komen we je halen’) vanuit de rechtbank.
Met haar haren nog nat van het douchen schoof ze zenuwachtig aan in zittingszaal 14.
Suzanne is 17 jaar.

Rechters: Heeft u bij de politie de waarheid gesproken?
Suzanne: ‘Nee. Hij heeft mij niet bij de keel gepakt, dat heb ik gezegd, maar dat is niet waar.’
Rechters: ‘Wat is er dan gebeurd?’
Suzanne: ‘Nah. Hij riep mij, ik stopte. We gingen praten… Gewoon, over hoe gaat het en zo. Ik weet het niet meer… Ik moest van mijn baas aangifte doen, omdat er geld weg was. Hoe het geld is weggeraakt? Dat weet ik dus niet. Het geld zat in mijn bak, dat valt er niet zomaar uit, dus…’

Rechters: ‘Bent u overvallen?’
Suzanne: ‘Weet ik niet.’
Rechters: ‘Kom kom, u bent nog jong, uw geheugen is vast beter dan de onze. Zei hij, geef me je geld?’
Suzanne: ‘Klopt.’
Rechters: ‘Was u bang?’
Suzanne: ‘Ja.. uuh, ik weet het niet meer.’

Rechters: ‘U bent een beetje een vergeetachtig meisje.’
Suzanne: ‘Ja.’

El Ben mag ook vragen stellen aan de getuige.
Vraagt: ‘Suzanne, heb ik gezegd, geef me je geld?
Ja.
El Ben: ‘Was je bang voor mij?’
Ja.
El Ben, met al zijn charme: ‘Suzan, waarom spreek je niet de waarheid?’
Zij, luid en paniekerig: ‘Ik spreek de waarheid!

Een precaire situatie, zeggen de rechters, ze zeggen dat omdat Suzanne een beetje pat staat.
Of zo heeft een valse aangifte gedaan bij de politie.
Strafbaar.
Of ze spreekt als getuige onder ede in de rechtszaal niet de waarheid.
Nog strafbaarder.

Rechters: ‘We waarschuwen u. Meineed, dat is goed voor twee maanden gevangenis. Dan moet u vanavond de nacht in de cel doorbrengen, en misschien daarna nog wel een nacht.’

Heeft Suzanne het bij de politie een tikkeltje aangedikt?
Of is ze wel beroofd, maar wil ze El Ben niet verraden?
Wil ze loyaal zijn aan zowel haar baas als aan El Ben?
Of…

De rechters bevelen na het ongemakkelijke getuigenverhoor dat Suzanne de rechtszaal mag verlaten, maar niet het gerechtgebouw.
Ze moet als getuige beschikbaar blijven en wachten op de gang.
Suzanne knikt.
Maar eenmaal daar, op de gang, moet ze huilen en gaat ze, smart of niet, met haar mobiel belapparaat aan het oor er vandoor.

Ondertussen in de rechtszaal, verzucht de officier van justitie: ‘Iedereen zegt iets anders. Ik twijfel en dat moet in het voordeel zijn van de verdachte.’
De eis voor vechten op straat, voor de vrijpartij met het whiskymeisje en voor de diefstal van een portemonnee van een maaltijdbezorgster – in plaats van een overval – luidt: dertig maanden celstraf waarvan twaalf voorwaardelijk.

De advocaat stelt vrijspraak, vrijspraak en vrijspraak voor.
En als de rechtbank daar toch anders over denkt, dan moet de op te leggen straf als het even kan niet boven de 24 maanden onvoorwaardelijk uitstijgen.
El Ben heeft namelijk een aanvraag lopen voor de verlening van zijn verblijfsvergunning. Een straf hoger dan 24 maanden betekent automatisch een afwijzing en dan wordt El Ben nog een keer ons land uitgekieperd.

De advocaat: ‘Terugkeer naar Tunesië is voor hem de nachtmerrie.’
El Ben: ‘Ik ga hier sowieso niet meer komen.’

Rob Zijlstra

UPDATE – 25 juni 2012 – uitspraak
El Ben is veroordeeld 24 maanden celstraf waarvan 8 voorwaardelijk. De rechtbank acht de overval op de maaltijdbezorgster niet bewezen. Wel de diefstal van de portemonnee. Vandaar een lagere straf dan de eis. Zwaar tilt de rechtbank aan het zedendelict: het plegen van ontuchtige handelingen met het meisje. El Ben heeft de lichamelijke integriteit van het meisje op grove wijze geschonden. Alleen dat al is goed voor een celstraf van aanzielijke duur, aldus de rechtbank. .

HET VONNIS [zodra beschikbaar]

Trigger happy (niet)


 

De rechtbank van Groningen spreekt zich vanmiddag uit over een bijzondere kwestie.

Een agent van de regiopolitie Groningen wil duizend euro hebben van een man die hij met zijn dienstwapen neerschoot.
Dit is niet de wereld op de kop.

De agent zegt dat hij baalt omdat hij heeft moeten schieten.
Dat is hem niet in de koude kleren gaan zitten.
Hij heeft psychische schade geleden.
Dat zegt deze agent en dat zegt ook zijn advocaat Hans Anker (of was het Wim?).
De Ankers staan niet alleen boeven bij, maar als het zo uitkomt net zo gemakkelijk ook de politie.
De kachel bij de Ankertjes moet ook branden, zeg maar.

De claim: duizend euro.

Het incident had plaats op 19 maart dit jaar in Finsterwolde.
De 38-jarige verdachte bedreigde eerder op die dag een aantal mensen met een pijl en boog.
De politie werd gewaarschuwd, de agenten wisten wel waar hij woonde en wilden de man aanhouden in zijn woning.
De verdachte weigerde zijn haard te verlaten.

Consternatie.

Eerst gooide de verdachte, door een ingeslagen ruit ter grootte van een stoeptegel, een pijl richting de agenten die voor de deur stonden.
Dat was niet zo gevaarlijk, ondeugdelijk in ieder geval om kwaad te kunnen doen.
Maar vervolgens spande hij de boog en richtte een tweede pijl op de agenten die nog steeds achter de kapotte deur stonden.
Op die pijl zou een punt van een mes zijn vastgemaakt.

Een van de drie betrokken agenten voelde zich zodanig bedreigd dat hij zijn dienstwapen trok.
En schoot.
Hij raakte de verdachte in het bovenbeen.

Ambulance.

Het openbaar ministerie (OM) gaat uit van een poging tot moord en heeft 42 maanden celstraf geëist tegen de boogschutter.
De schadeclaim wordt door het OM ondersteund.
Ook de twee andere agenten eisen een schadevergoeding van eveneens duizend euro en 600 euro.
Zij schoten niet, maar hebben zich wel bedreigd gevoeld.

Het is bij de politie vandaag de dag beleid dat agenten die worden beledigd, bedreigd of belaagd een schadeclaim indienen.
De afdeling juridische zaken van de politie heeft het daar maar druk mee.
Bij eenvoudige zaken wordt standaard 260 euro van de verdachte gevorderd.
De politie wil zo duidelijk maken dat verbaal noch fysiek geweld tegen agenten wordt getolereerd.

Recent diende een Groninger agent een schadeclaim in tegen een jonge straatrover die hem zou hebben mishandeld.
De verdachte was op de vlucht geslagen.
In een poging hem aan te houden, botste de rennende verdachte, klein van stuk, tegen de agent, in de kracht van zijn leven, aan.
Beide vielen rollebollend op de grond.
Ook deze claim wordt door het OM ondersteund.

Advocaat Piet Huisman – hij staat de man uit Finsterwolde bij – vindt het fundamenteel onjuist dat agenten in dit soort zaken schade claimen.
Hij verwijst naar een uitspraak van de Hoge Raad.
Piet Huisman: ‘De Hoge Raad zegt dat schadevergoeding kan worden uitgekeerd als er sprake is van een psychisch ziektebeeld. Maar balen dat je hebt moeten schieten, lijkt mij dan onvoldoende.’

Maar ook principieel vindt Huisman het een slechte zaak, die claims.
Volgens hem moet een agent geen persoonlijk belang krijgen bij een aanhouding.
Geen troostpremie.
Het is een glijdende schaal, zegt Huisman.
Hij zegt: ‘De volgende stap is corruptie. Dat zijn dikke woorden, die je misschien niet zo mag uitspreken, maar zo is het wel.’

Huisman wijst er op dat agenten zijn getraind in het gebruik van het dienstwapen.
Voegt toe: ‘Daarnaast bestaat er een schietinstructie. In deze zaak heeft die agent naar mijn overtuiging te vroeg geschoten. De verdachte stond te boek als een lastpost, maar zeker niet als een gewelddadig persoon. De agenten hadden juist de-escalerend moeten optreden. Ze hadden zich ook terug kunnen trekken.’

Op het vaak feestelijke moment dat een politieagent(e) politieman of –vrouw wordt, meestal in het bijzijn van trotse familieleden, weet de agent dat hij misschien ooit zijn wapen zal moeten gebruiken.
’t Kan erbij horen, schieten.

Feit is ook dat verreweg de meeste politieagenten gedurende hun blauwe carrière hun wapen nooit hoeven te trekken.
Je kunt veel over de Nederlandse politie zeggen, maar niet dat die trigger-happy is.
Niet schietgraag.

Maar als het moet, dan moet het.
Dan moet je ook niet zeuren.
Laat staan balen.
Of psychisch gaan leuteren.

Of is dit te kort door de bocht?
Ik lees graag uw mening.

De mening van de Groninger rechters over deze bijzondere kwestie zal ik vanmiddag rond half twee hier kenbaar maken.

Rob Zijlstra

 pijl en boog (rechtbankverslag van de zitting)

.

UPDATE – 22 september 2011 – uitspraak

De rechtbank heeft de verdachte vrijgesproken van de poging tot moord. Bij de rechtbank bestaat te veel twijfel over de pijl waarmee hij zou hebben gedreigd. Het politieonderzoek is op dit punt onzorgvuldig, aldus de rechtbank. Eddie – de verdachte – is wel vooroordeeld wegens bedreiging en dat zes maal. De straf: 9 maanden de cel in. En dat betekent dat Eddie binnenkort op vrije voeten komt.

De schadevergoeding: De rechtbank heeft aan de schietende politieagent  een schadebedrag toegekend van 350 euro. Ook de twee andere agenten krijgen geld, de een ook 350 euro, de ander 250.

 

UIT HET VONNIS:

Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de vorderingen zullen worden toegewezen met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft gepleit voor niet-ontvankelijk verklaring van de vorderingen aangezien agenten voor dit soort situaties worden getraind. Daarnaast is niet gebleken van schade in de zin van een psychiatrisch erkend ziektebeeld, zoals door de Hoge Raad in zijn uitspraak van 3 juli 2007 (LJN: BA5624) vereist voor toekenning van immateriële schadevergoeding te kunnen komen.

Standpunt van de benadeelde partijen
De advocaat van de benadeelde partijen, mr. H. Anker, heeft ter zitting gewezen op het feit dat het niet uitzonderlijk is dat politieagenten zich stellen als benadeelde partij en ook een schadevergoeding krijgen toegewezen. Het gebeuren heeft veel impact gehad op de agenten. Functionarissen met een publieke taak dienen beschermd te worden tegen dit soort bedreigingen. De advocaat heeft voor gehele toewijzing van de vorderingen gepleit en toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.

Beoordeling (rechtbank)
Met betrekking tot de verwijzing naar de uitspraak van de Hoge Raad overweegt de rechtbank dat de Hoge Raad daar oordeelde over een andere situatie, namelijk die waarin iemand schadevergoeding vordert voor zogenaamde shockschade. Het gaat dan om geestelijk letsel dat wordt opgelopen door de hevige schok die wordt ervaren als een (nabije) ander iets ernstigs overkomt. In deze zaak vorderen de benadeelde partijen echter immateriële schadevergoeding voor rechtstreekse aantasting van de eigen persoon.

Naar het oordeel van de rechtbank is komen vast te staan dat aan de benadeelde partijen door het bewezenverklaarde immateriële schade is toegebracht. De rechtbank heeft dit bedrag naar redelijkheid en billijkheid vastgesteld op € 350,– voor benadeelden [aangever 1] en [aangever 2] en € 250,– voor benadeelde [aangever 3]. De rechtbank zal de vorderingen tot deze bedragen toewijzen.

De rechtbank zal aan verdachte de verplichting opleggen voornoemde geldbedragen ten behoeve van de benadeelde partijen aan de Staat te betalen. De rechtbank heeft daartoe besloten omdat verdachte jegens de benadeelde partijen naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht en het belang van de benadeelde partij ermee is gediend niet zelf te worden belast met het innen van de toegewezen schadevergoeding.

Angstaanjager

De 40-jarige Milos zit sinds mei dit jaar in de gevangenis.

Hij zit daar omdat hij heeft geprobeerd vijf mensen te vermoorden.
Op zich is het dus niet zo raar dat wij Milos hebben opgesloten.

En toch is het dat wel.
Want de vijfvoudige poging tot moord waar de officier van justitie hem van beticht, is alleen op papier gebeurd.
Op het papier van de tenlastelegging.

In het echt heeft Milos mensen bedreigd.
Dat wil zeggen, dat zegt de officier van justitie nu, in de rechtszaal.

Dus:
Milos zit in de gevangenis op verdenking van pogingen tot moord.
Maar in de rechtszaal staat hij terecht voor bedreigingen.
De officier van justitie zegt dat de scheidslijn tussen de pogingen tot moord en de bedreigingen in deze zaak heel dun is.
De officier van justitie lijkt hiermee te willen zeggen dat het dus wel terecht is we Milos momenteel van zijn vrijheid beroven.

Het gaat in mei niet zo goed met Milos die is geboren in het voormalige Joegoslavië, maar in Delfzijl woont en werkt als automonteur.
Hij is zich wanhopig en verdrietig.
Suïcidaal ook, zeiden later de deskundigen die met hem hadden gesproken.

Milos wil met zijn huisarts praten.
Hij maakt een afspraak, maar als hij in de praktijk moet zijn, ligt hij te slapen.
Zijn partner belt daarom met de doktersassistente en maakt een nieuwe afspraak.
Milos wordt wakker, kijkt op de klok, schrikt en haast zich naar de praktijk, niet wetende dat zijn partner een nieuwe afspraak heeft gemaakt.

In de wachtkamer krijgt hij te horen dat hij te laat is, dat de arts nu geen tijd meer voor hem heeft.
Dat hij de volgende week terug kan komen.
Dat er al een nieuwe afspraak is.

Milos vertrekt.
Boos.
Tegen de rechters: ‘Boos op mezelf. Omdat ik te laat was.’
Rechters tegen Milos: ‘U was niet boos op anderen?’
Milos: ‘Nee, niemand is verplicht mij te woord te staan.’

Als hij thuiskomt, is hij nog steeds boos.
Hij zou hebben geroepen: ‘Ik wil dood.’
Dan stapt hij in de auto en een paar minuten later dendert hij met het voertuig door de glazen schuifdeuren, zo de dokterspraktijk binnen.
De vijf aanwezigen schrikken, logisch, en sluiten zich op in een kantoortje.

Milos rijdt nog een keer achteruit en weer vooruit, rijdt naar buiten en knalt nog twee keer tegen de gevel aan.
Hij stapt uit en schreeuwt lelijke en dreigende woorden.
De politie houdt hem aan.
In verwarde toestand, zo bericht de politie een dag later aan de pers.

Milos zegt dat hij het zich niet goed kan herinneren.
Van de politie hoorde hij wat hij had gedaan.
Wat hij weet, weet hij van de politie.

De rechters zeggen dat ze het wel opmerkelijk vinden dat hij het niet meer weet, dat hij zich niets kan herinneren.
Rechters zeggen dit vaak omdat onderzoek hen heeft geleerd dat ‘het niet meer weten’ in de rechtszaal vaak ‘het niet meer willen weten’ is.

De officier van justitie gaat een stapje verder.
Zij noemt het ‘niet meer weten’ volstrekt ongeloofwaardig.
Waarom de officier van justitie dit vindt, vertelt ze er niet bij.

Milos zegt dat hij pijn heeft en moet een beetje huilen.

Het met een auto een gebouw binnen denderen kan heel gevaarlijk zijn.
Maar in dit geval, zegt de officier van justitie, kan ik de pogingen tot moord niet bewijzen.
In dat halletje stond namelijk niemand.
De kans dat hij met de auto iemand omver had gereden is nihil, omdat de vijf aanwezigen zich elders in het gebouw bevonden.

De officier van justitie: ‘Ik kom dus niet toe aan pogingen tot moord. Wat ik kan bewijzen is de bedreiging. Hij wilde angst aanjagen.’
Goed voor een eis van anderhalf jaar celstraf.
Tien maanden voorwaardelijk.

Is gevangenisstraf het juiste medicijn voor een man in de war?
Een huisarts zal het een angstaanjagend idee vinden.

Rob Zijlstra

.

UPDATE – 8 september 2011 – uitspraak
De poging tot moord cq doodslag acht de rechtbank niet bewezen. Op het moment dat Milos met zijn auto de praktijk binnenreed, was daar niemand aanwezig. Er bestond geen reeele kans dat iemand door zijn actie zou komen te overlijden. Een bedreiging tegen het leven gericht kan wel worden bewezen. En ook de vernieling. Het juiste medicijn is volgens de rechters 14 maanden celstraf waarvan 6 voorwaardelijk. Verder stellen de rechters vast dat hulp voor Milos geboden is.

.