Vergeten herinneringen

‘’Misschien heb ik als gevolg van
verkeerde beslissingen
onbewust een paar vage dingen gedaan

juwelierIn de zalen van het strafrecht wordt veel vergeten.
Er zijn verdachten die zich niets kunnen herinneren, maar wel zeker weten dat ze het niet hebben gedaan.
Rechters plachten in zo’n geval te zeggen: ‘Dat kan niet. Of u weet het niet meer of u hebt het niet gedaan. Dat zijn twee verschillende dingen.’
Verdachten zwijgen dan maar liever.

Dat geldt niet voor Tony.
Hij weet dondersgoed dat hij het niet heeft gedaan.
Tony is een trouwe bezoeker van zittingszaal 14.
Hij werd 36 jaar geleden geboren in Los Angeles, Amerika.
Hij deed dat op de dag dat in Groningen feest werd gevierd vanwege het Groningens Ontzet.
Het lot bracht hem in Hoogezand, Nederland.
Dat is bepaald geen feest geworden.

Opgeteld bracht Tony hier meer dan tien jaar van zijn leven in gevangenissen door.
Was hij vrij, dan zwierf hij door straten en over wegen.
Tony heeft een specialiteit: inbreken in scholen.
Bedrijven doet hij ook, maar nooit een woning.
Ook een inbreker heeft principes.

Tony’s staat van dienst maakt dat zijn ontkenningen er niet geloofwaardiger op worden.
Goed, de officier van justitie twijfelt of hij het was die in oktober vorig jaar Domino’s Pizza in Hoogezand binnen klauterde en er vandoor ging met 360 euro.
Tony zegt tuurlijk niet.
De eis luidt vrijspraak, want de twijfel is in zijn voordeel.
Die toestand van onzekerheid is er niet over de kraak in de Sint Gerardus Majellaschool, een dag eerder, ook in Hoogezand.
De officier van justitie zegt dat in de school bloed is aangetroffen met – jawel – een DNA-profiel dat overeenkomt met dat van Tony.
Politieagenten kennen zijn DNA uit het hoofd.

Tony heeft een verklaring.
Hij was er met dertig vrienden aan het voetballen, kinkelde met zijn lederen Adidas een ruit in en weg was de bal.
Vertelt: ‘Ik wilde mijn bal terug. Met een steen heb ik het gat wat groter gemaakt en toen ben ik er doorheen gekropen. Ik ben dus wel binnen geweest. Maar anderen ook.’

Schermafbeelding 2015-02-13 om 00.29.26De buit: de afstandsbediening voor de zonwering.
Tony: ‘Niet mijn ding. Er stonden daar computers, laptops, ipads. Die staan er nu nog. Ik ga toch niet inbreken om een afstandsbediening te stelen?’
Daar heeft hij wel een punt.

Maar de aanklager zegt dat het niet uitmaakt.
Er is iets gestolen, er is iets weg.
Dus punt uit.
Zij wil Tony nu twee jaar opsluiten in een hok dat speciaal voor veelplegers is gebouwd.
Accepteert hij hulp, dan mag hij er af en toe uit, wil hij niets dan blijft de deur gesloten.
Veelplegers kennen de maatregel (isd) en vrezen die.
Tony noemt de isd-eis hartverscheurend.
Hij werpt nog tegen dat alles wat er in gevangenissen te leren valt, hij al heeft geleerd.
Dus heel zinvol lijkt het hem niet, zo’n lang verblijf.

Dan Aziz, 20 jaar, net als Tony een veelpleger, maar dan te Utrecht.
Hij heeft een 16-pagina’s tellend strafblad wat gezien zijn jonge leeftijd welhaast onmogelijk is.
Anders dan Tony weet Aziz het allemaal niet meer, hij kan zich niets herinneren, ja dat hij in elkaar is geslagen en zo, maar verder weet hij het echt niet.
Wel dat hij veel whisky had gedronken.
Hoeveel?
Geen idee.
Maar hij heeft het niet gedaan.
Of kan hij het zich niet herinneren?
Misschien is dat het, zeg het maar.

Agenten vertelden hem toen hij wakker werd in een politiecel waar hij van werd verdacht.
Tegen de rechters: ‘Misschien heb ik als gevolg van verkeerde beslissingen onbewust een paar vage dingen gedaan.’

De rechters vragen: ‘U bent gearresteerd in de gangkast van de buren. Wat deed u daar op blote voeten?
Aziz: ‘Als ik eraan terugdenk krijg ik weer kippenvel.’
Rechters: ‘Aha. Waar denkt u dan aan terug?
Aziz: ‘Dat weet ik niet meer.’

Er is tussen zijn oren gesnuffeld en de deskundigen hebben geen kronkels kunnen waarnemen.
Aziz is een jongeman met een gemiddelde intelligentie die volgens zijn advocaat (‘ik ken hem al heel lang’) nog veel van het leven kan maken.

Schermafbeelding 2015-02-13 om 00.04.42Ook van Aziz is bloed gevonden, uitgerekend in de leeggeroofde etalage van de juwelier in de binnenstad van Groningen.
Het ijzeren hekwerk was aan stukken geflexed, het kogelwerende glas werd met een moker ingeslagen.
Dat gebeurde in de vroege ochtend waardoor de halve binnenstad wakker was geworden.
Wie toch bleef doorslapen werd een uurtje later wel gewekt door het kabaal van een politiehelikopter die de lucht was ingestuurd om de daders op te sporen.

Aziz woonde net twee weken bij zijn vriendin in de smalle steeg naast de juwelier.
Op een avond – vertelt hij – waren daar mannen die eerst aardig deden maar hem in de vroege ochtend in elkaar sloegen.
Ze hadden ook een ijzeren pistool.
Rechters: ‘Dat weet u dus nog?’
Aziz: ‘Vaag.’
Hij denkt dat hij kort daarna het bewustzijn heeft verloren.
Merkt op: ‘Ik kon mij denk ik niet aan de situatie onttrekken.’

Schermafbeelding 2015-02-13 om 00.28.27De politie was snel ter plaatse, maar de daders waren nog sneller gevlogen.
Een politiehond die goed kan ruiken bracht de agenten naar de woning van de vrouw bij wie Aziz was ingetrokken.
Daar stond een flex.
Achter de wasmachine lag een zware moker.
De deur naar het balkon stond open.
Agenten zagen vanaf het balkon nog een deur openstaan, van een andere woning, die van de buren.
Ze gingen naar binnen en daar vonden ze uiteindelijk, op blote voeten en verstopt in een gangkast, de man die in dit verhaal Aziz heet.

Aziz: ‘Wat ik daar deed? Ik had echt heel veel gedronken. Het is best wel een zwart gat voor mij.’

De buit had (heeft) een verkoopwaarde van ruim 20.000 euro en is niet teruggevonden.
De politie van Groningen zocht in Utrecht op grond van aanwijzingen, maar zonder resultaat.
Een broer van Aziz zou er bij betrokken zijn.
Maar welke?
Hij heeft er zes.
De politie is niet door blijven zoeken.
Bedrijfsinbraken kennen een lagere prioriteit dan woninginbraken waar er te veel van zijn.

De officier van justitie eist twaalf maanden celstraf, waarvan er vier voorwaardelijk mogen.

Aziz: ‘Tja.’

Hij vindt het allemaal heel spijtig.
Hij heeft ook spijt.
Zegt: ‘Uiteindelijk zijn we allemaal verliezers.’

In diezelfde stoel zit drie uur later Tony zijn laatste woord uit te spreken.
Iets minder filosofisch, maar toch ook opmerkelijk.
Want ondanks zijn ontkenning dat hij het heeft gedaan, zegt hij: ‘Ik wil mijn excuses aanbieden aan de school.’

Dus toch?

Rob Zijlstra

uitspraken op 26 februari

De voorzitter

op een zonnige voorjaarsdag

– het is buiten 21 graden –

gaat het mis

puinhoop na zitting

puinhoop na zitting

Als het tactiek is, dan is er maar één conclusie mogelijk: volslagen mislukt.
Aan het einde van de rechtszaak is de rechtszaal veranderd in een grote puinhoop.
Overal ligt tegenstrijdige informatie, warrige beweringen druipen als stroop van de tafels op de vloer, aan het plafond bungelen malle uitspraken, de muren zijn besmeurd met onduidelijkheden.

Ik heb geen cent in mijn zak gestoken, roept de verdachte voorzitter als hij het laatste woord krijgt.
De officier van justitie beweert anders.
De voorzitter heeft 82.291 euro gemeenschapsgeld van ons gepikt, roept de aanklager terug.
De verdachte voorzitter: ‘Ik wil een eerlijk proces.’
Daar voegt hij later aan toe: ‘En ik word gediscrimineerd.’

De rechters lijken ook een tactiek te hebben: kalm en rustig blijven.
Die opzet slaagt wel.
‘Tuurlijk krijgt u een eerlijk proces’, zeggen de rechters, ‘daar hoeft u niet eens om te vragen, dat is hier het uitgangspunt.’
Strafrechters zijn wel wat gewend.
De verdachte voorzitter, noem hem maar Azer, beantwoordt vragen met tegenvragen of met aanvullingen waar consequent geen touw aan is vast te knopen.
Zo probeert hij zo veel mogelijk ruis te doen ontstaan.

Een van de rechters: ‘Ik stel u een concrete vraag en dan wil ik een ja of een nee horen.’
Verdachte, met kracht: ‘Nee!’
Rechter (zucht): ‘Ik heb mijn vraag nog niet gesteld.’

Azer (43) is een innemende en enthousiaste man die zich oprecht inzet voor bewoners en voor de wijk met achterstanden waarin hij woont.
Maar hij is ook een ruziezoeker, een man die bij problemen direct schermt met juridische stappen.
Dat zeggen dezelfde mensen.
Toen hij in 2011 voorzitter werd van de bewonersorganisatie Wijert Welzijn in Groningen, kreeg hij het al snel aan de stok met de penningmeester die om die reden opstapte.
De andere bestuursleden bemoeiden zich niet met het geld.
Op papier werd zijn echtgenote van wie hij is gescheiden (‘dat ontken ik’) penningmeester.
Achteraf erkende een van de bestuursleden: ‘Wij zijn een stelletje naïeve amateurs geweest.’

Toen er vragen kwamen had Azer gezegd dat het geld van de bewonersvereniging, zo’n 75.000 euro, in zijn kluis zat, veilig opgeborgen,  beter dan bij de bank op rekening.
De kluis is onderzocht.
Geen tienduizenden euro’s subsidiegeld, er ligt welgeteld vijftien eurocent (€ 0,15) in.
Azer heeft de verklaring: de politie heeft het geld gepikt.

De bewonersorganisatie van Azer krijgt geld van de gemeente.
Voor het aanleggen van een ecologisch wandelpad door de woonwijk met veel achterstanden krijgt de vrijwilligersorganisatie 7.700 euro.
Zo’n eco-wandelpad helpt bij achterstanden.
Maar er ontstaan twijfels, want het eco-pad ligt nergens.

Op een zonnige voorjaarsdag in mei 2013 – het is buiten 21 graden – gaat het mis.
Azer is op die dag depressief, telefonisch onbereikbaar en spreekt anders dan anders met zachte stem, vertelt een medebestuurder.
Azer zou overspannen zijn en hebben opgebiecht dat hij grote fouten heeft gemaakt.
Hij heeft geld weggegeven aan asielzoekers in Ter Apel, aan Somalische gezinnen zonder eten.
De rest heeft hij vergokt in casino’s, in de hoop het geleden verlies ten behoeve van de achterstandswijk terug te winnen, wat jammerlijk mislukt.
Hij smeekt op knieën zijn medebestuurder geen aangifte te doen.
De medebestuurder doet dat wel.
De volgende dag vliegt Azer hoog door de lucht naar zijn geboortestad Teheran (Iran).
Op Schiphol spendeert hij nog zo’n vijfduizend euro.

De officier van justitie vermoedt dat Azer niets heeft weggegeven, maar het verduisterde geld heeft verpatst met het huren van dure auto’s waarin hij graag rondjes reed.
En met gokken.
Er zijn aanwijzingen dat de gevallen voorzitter verslaafd is aan gokken.
Sinds 2003 mag hij bijvoorbeeld niet meer in het Holland Casino in Groningen komen.
De aanklager: ’Hij is langzaam weggezakt in een financieel moeras.’
Azer ziet dat anders.
Hij mag niet meer in het casino komen omdat hij zeg maar bepaalde dingen weet over de balletjes.
Nee, dat hij geld heeft gepind bij geldautomaten nabij casino’s in Duitsland zegt niks.
Wat zegt dat dan?

Azer beweert gewoon dat alles niet waar is, maar anders.
De biecht op die zonnige dag is er niet geweest. Belastende e-mails die hij verstuurde heeft hij niet verstuurd, hetzelfde geldt voor sms’jes afkomstig van zijn mobiele telefoon: die berichten zijn vervalst.
De bankafschriften ook.
Hij denkt dat de gemeente Groningen hem kapot wil maken.
Zo nu en dan snoeren de rechters hem de mond.
Ik denk dat ze dat doen omdat een verdachte niet aan zijn eigen veroordeling hoeft mee te werken.

De officier van justitie eist tien maanden gevangenisstraf waarvan vier maanden voorwaardelijk.
Het verduisteren van gemeenschapsgeld moet zwaar tellen, zegt de officier van justitie.
’Hij heeft het vertrouwen geschonden, dat is erg omdat onze samenleving in zowel economisch als sociaal opzicht afhankelijk is van dat vertrouwen.
Het ware beter geweest dat medebestuurders hadden gecontroleerd, iets wat zij niet hebben gedaan, misschien door een gebrek aan financiële kennis.
Maar er is hier maar één schuldige en dat is de voorzitter.’

Dit verhaal krijgt geen onverwachte wending meer.

Ik staar naar het plafond.
Daar bungelt de opmerking van Azer dat er een ambtenaar van de gemeente Groningen bestaat met een eigen advies-bv die klussen doet voor de gemeente.
Iets hoger slingert nog de bewering dat er veel ambtenaren-bv’s zijn die elkaar klussen geven.
Het is niet uit te sluiten.
Er gebeuren soms rare dingen in ambtenarenland.
Op de vloer drupt de uitspraak dat de bewonersorganisatie een subsidie kreeg van 13.000 euro voor het aanschaffen van een aggregaat.
Alsof zo’n ding helpt in een Groninger achterstandswijk.
In een hoek van de rechtszaal ligt een puinhoop met 14.000 euro’s, geld dat de bewonersvereniging zou hebben ontvangen van de gemeente om een rotonde in de wijk op te kalefateren.

De gemeente Groningen, zegt de advocaat, heeft in dit verhaal ook een verantwoordelijkheid. De administratie was een warboel, en daar is de gemeente met al die goedbetaalde ambtenaren mede voor verantwoordelijk.
Dat kun je, zegt de advocaat, niet allemaal op de vrijwillige voorzitter afschuiven.
Wel, vindt de officier van justitie.
Sterker nog, zij wil dat Azer die 82.291 euro’s terugbetaalt.

Wanneer ik de rechtszaal verlaat, struikel ik over de terloops gedane  opmerking van Azer dat-ie net een erfenis van een half miljoen heeft gekregen.
Een van de rechters vraagt voor de zekerheid: een half miljoen?
In welke valuta?
Euro’s.

Met de wijk komt het wel goed.

Rob Zijlstra

update – 12 februari 2015 – uitspraak
De gemeente Groningen krijgt een tik op de vingers. Had de gemeente beter toezicht gehouden op de subsidiegelden, dan was de schade mogelijk beperkt gebleven, staat in het vonnis. Die kritiek geldt ook voor de betrokken woningbouwcorporatie.
Vanwege het falende toezicht ziet de rechtbank af van het opleggen van een celstraf. Azer mag boeten met een taakstraf van 240 uur en vier maanden voorwaardelijke celstraf als stok achter de deur. Dit laatste is nodig vinden de rechters omdat de man geen inzicht toont in zijn strafbaar gedrag.

update – 12 maart 2015 – uitspraak ontneming
De rechtbank heeft geoordeeld dat de voorzitter het geld dat hij heeft weggenomen moet inleveren. Het gaan dan om 82.291 euro.

Schermafbeelding 2015-02-12 om 18.00.47

klik op afbeelding voor het vonnis

 

 

Biljet van 50

cropped-euro11.jpgDe waarheid ligt niet voor het oprapen rond een op de grond gevallen biljet van 50 euro.

Harm zegt dat het zijn biljet is.
Het lag op de grond, op de grond van de Grote Markt, dat is toevallig zijn huiskamer.
En alles wat in zijn huiskamer op de grond ligt, is van hem.
Dat zegt hij.

Harm is grappenmaker.

Pim zegt dat het zijn biljet van 50 euro is.
Hij wilde zijn fietssleutel uit de broekzak halen en toen viel het biljet op de grond.
Ineens stond een man voor zijn neus en die pakte het geld.

Harm: ’Dat is niet waar.’
Pim: ‘Ik zei, geef me mijn geld terug. Ik pakte hem bruut vast, toen kreeg ik een klap of duw, ik viel op de grond. Dat was bij de poffertjeskraam.’
Harm: ‘Ik vind het heel erg voor deze meneer, maar ik heb hem niet geslagen.’

Pim is met zijn vriend Tim op stap.
Om half drie in de middag zijn ze begonnen met drinken.
Tegen middernacht wil Tim naar huis.
Pim niet.
Omdat hun fietsen met sloten aan elkaar vastzitten, loopt Tim met Pim mee.
Bij de ABNAmro pint Tim geld, want Pim moet de rekening in het cafe nog betalen.
Ondertussen kiften ze.
Tim vindt het maar niks dat Pim nog in de nacht wil blijven.

Ze zijn beide als getuigen opgeroepen.

Kan het zo zijn dat Pim boos van dat gekift het geld op de grond gooide en riep ‘ik hoef je geld niet’ en dat ineens daar Harm was?
Pim: ‘Nee.’
Tim: ’t Zou kunnen. Ik heb het beeld niet scherp.’

De rechters willen van Tim weten of hij dronken was.
Tim denkt dat hij ongeveer 20 glazen bier had gedronken.
Rechters: ‘De gemiddelde garnalenvisser kan wat meer bier wegzetten dan de kantoorklerk, maar met 20 glazen op ben je niet nuchter.’
Tim: ‘Ik was niet dronken,’

Pim wel?
Pim was die nacht gewond thuisgekomen.
Nadat hij bij de poffertjeskraam was opgekrabbeld holde hij weer achter Harm en zijn 50 euro aan.
Onder de Martinitoren zou Harm hem toen hebben geslagen met een fietsketting.
Harm schudt het hoofd.
Tim zegt dat hij het ook niet weet.
Hij zegt: ‘Toen Pim ’s nachts thuiskwam, was ik de hond aan het uitlaten.’

Er zijn twee getuigen die nabij de Febo (Grote Markt / Oosterstraat) hebben gezien hoe Pim achter Harm aanholde terwijl hij riep ‘geef mijn geld terug’.
Er zijn ook camerabeelden waarop is te zien dat Harm een slaande beweging naar achteren maakt, naar Pim.
De advocaat: ‘Ja, te zien is dat Pim blijft staan. En dat-ie dan gaat liggen.’

De rechters vragen aan Harm waarom hij het biljet niet gewoon teruggaf.
Harm zegt dat hij grappenmaker is.
Hij maakt grapjes op straat.
En daar vraagt hij dan een beetje geld voor.
Van dat geld leeft hij.

Rechters: ‘Maar het geld was niet van u.’
Harm: ‘Hij gooide het in mijn richting. Dan is het van mij.’

Harm was vroeger veelpleger en pikte vooral uw fietsen.
Nu dus niet meer, zegt hij.
Nu doet hij het dus anders.
Soms doet hij ook raadsels.
En hij kan trucjes.
Hij kan spijkers uit zijn neus toveren.

Hij zegt: ‘Voor een goede grap of raadsel krijg ik wel eens 50 euro.’
Rechters: ‘Op straat?’
Harm: ‘Ja, ik heb zelfs een keer 100 euro gekregen.’
Een van de rechters: ‘Dat geloof ik niet.’

De rechters willen weten hoe Harm zijn toekomst ziet.
Ze hebben gelezen dat hij een lijvig strafblad heeft met weinig goeds.
En dat hij niets meer te maken wil hebben met hulpverleners en instanties.

Rechters: ‘Eens komt u weer vrij. Wat gaat u dan doen?’
Harm: ‘De uitkering weer opstarten en bij mijn ouders wonen.’
Rechters: ‘Is dat wel een goed idee? Hoe lang gaat dat goed denkt u?’
Harm: ’Niet lang.’

De officier van justitie zegt dat hij niet kan bewijzen dat Harm Pim heeft geslagen met een ketting.
Maar wel dat Harm die 50 euro heeft gestolen, een diefstal die werd gevolgd door geweld.
Getuigen zeggen het en het slaan staat op beeld.
Anders dan de advocaat het ziet, zegt de aanklager dat Pim niet gewoon gaat liggen, maar een klap krijgt en dan ineen krimpt.
(Het zullen wel weer slechte beelden zijn.)

De officier van justitie zegt ook dat Harm zich vaker met geweld aan diefstal heeft bezondigd
En dat er weinig goede voornemens zijn te bespeuren.

De advocaat zegt dat Pim en Tim – ook als getuigen onder ede – liegen dat ze barsten.
Dat ze flink hadden gedronken en dat mensen die flink drinken rare dingen doen.
Bushokjes in elkaar trimmen of – in dit geval – 50 euro op straat weggeven aan een grappenmaker.
De advocaat: ‘Er is niets wederrechtelijk toegeëigend.’

De officier van justitie: ‘Hij moet straf hebben. Ik eis 8 maanden gevangenisstraf.’
Harm: ‘Pff.’

Pim en Tim hebben de rechtszaal dan al lang verlaten.

Rob Zijlstra

uitspraak op 10 november

Het baalmomentje

cropped-schermafbeelding-2014-10-25-om-21-39-38.pngDe winkeldief die van de winkelier pikt krijgt een boete van 250 euro, de winkelier die die winkeldief een paar optaters verkoopt moet een boete betalen van 350 euro.
Dit twitterde ik deze week de wereld in naar aanleiding van twee strafzaken bij de politierechter.
De reacties waren verontwaardigd en niet van de lucht: die rechter zal gekke Henkie wel wezen, veel krommer moet het in dit land niet worden, een iemand gaat emigreren.

Het is een bekend gegeven dat hoe meer feiten mensen kennen over een kwestie, hoe genuanceerder het oordeel is.
Twitter is met die 140 lettertjes inclusief de spaties wat dat betreft een regelrechte ramp voor het kennen van de waarheid (zin met 124 tekens).
Een eenkolommetje in de krant is iets beter.
Een boek is het beste.

Tijdens de eerste strafzaak zat Bernard op de publieke tribune.
Bernard (39) is ondernemer, hij verkoopt in een winkel in Groningen faillissementsartikelen.
Veel gereedschap.
Zoals alle winkeliers heeft Bernard last van winkeldieven.
Winkeldieven willen alles gratis en kosten daardoor klauwen met geld.
De politierechter zegt een paar keer tegen Bernard dat ze zich zijn frustratie heel goed kan voorstellen.

Een vaste bezoeker van de nering van Bernard was Willem (43).
Willem is een dief.
Willem had zelfs een eigen website met daarop filmpjes.
Op die filmpjes was te zien hoe Willem winkelspullen in zijn jas stopte.
Of zoals juristen dat zeggen: hoe Willem een bepaald goed uit de macht van de eigenaar haalde.
Langs de ringweg om Groningen stond enige tijd een bord met een verwijzing naar ‘Willem is een dief punt nl’.

Willem is niet komen opdagen.
Hij heeft genoeg aandacht gehad, vindt hij.
Die website was ook niet zijn idee geweest, maar dat van Bernard.
Willem had aangifte gedaan wegens het schenden van zijn privacy.
Bernard was blij met die aangifte geweest want hij zag er een bekentenis in.
Willem erkende daarmee immers dat hij de stelende man was op de beelden.

De officier van justitie vindt dat ook en beticht Willem van zes winkeldiefstallen.
Winkelier Bernard zegt dat hij voor 9.000 euro is gedupeerd en wil dat geld nu zien.
De aanklager vindt 1.400 euro reëler.
Het probleem is dat de beelden wel laten zien dat Willem dingen pikt, maar niet duidelijk is wat.
De middenstand weet daar raad mee, maar juridisch gezien is het lastig.

Omdat de diefstallen al twee jaar geleden zijn gepleegd – de strafrechtspleging verloopt uiterst traag in Groningen – vindt de officier van justitie het niet opportuun een gevangenisstraf te eisen.
Hij zegt dat-ie ook rekening moet houden met het feit dat Willem al enigszins is gestraft door die website met daarop ongewild zijn verschijning.
De officier van justitie: ‘Het openbaar maken van die beelden diende geen opsporingsbelang en Willem heeft het als straf ervaren. Alles in overweging nemende eis ik voor zes winkeldiefstallen een werkstraf van 80 uur.’

De advocaat is de duivel en zegt dat die camerabeelden helemaal niet als bewijs mogen worden gebruikt.
De beelden zijn in strijd met de Wet bescherming persoonsgegevens.
De advocaat: ‘De beelden zijn gelijk aan die van een gluurder. Komt bij dat op de beelden dan misschien is te zien dat Willem dingen in z’n jas stopt, maar er zijn geen beelden van bij de kassa. Misschien haalde Willem het spul bij de kassa wel weer uit zijn jas om te betalen. Dat kunnen we niet uitsluiten.’

De politierechter denkt na.
Bernard kijkt als gedupeerde niet met een blik die duidt op veel vertrouwen in deze rechtsgang.
Hij hoort de rechter hardop wikken en wegen.
De beelden mogen want van een burger.
En te zien is dat Willem iets in zijn zak steekt wat niet van hem is.
Maar niet is te zien wat er daarna gebeurt.
Dus wat de advocaat zegt.
Niet bewezen kan worden dat er steeds sprake is van een voltooide winkeldiefstal.
Een keer (van de zes) kan dat wel, maar dan gaat het om een oud feit, uit 2012.
Komt bij dat de winkelier met die website het recht in eigen had heeft genomen.
De politierechter: ‘Ik veroordeel Willem tot een geldboete van 250 euro. Omdat we niet weten wat hij heeft gestolen, kan ik geen schadevergoeding toekennen.’

Bernard slaakt een diepe zucht.
Hij baalt stevig.
De politierechter vraagt met een vriendelijkste glimlach of hij nu naar voren wil komen, voor de volgende strafzaak.
Die is net andersom.
Bernard is nu de verdachte.
Willem het slachtoffer.
Willem is er weer niet.

Bernhard had Willem op diefstal betrapt en al veel beeldmateriaal van vorige diefstallen in z’n bezit.
Dacht: nu heb ik hem.
Willem stelde nog voor het buiten de politie om af te handelen, maar de winkelier weigerde dat; hij had de politie al gebeld.
Toen Willem dat in de gaten kreeg, wilde hij er vandoor gaan.

De winkelier verzocht de winkeldief te blijven staan.
Nee.
Hij sleurde hem aan zijn kraag uit de auto.
Daarna sloeg hij met kracht.
Nee.
Hij duwde slechts een beetje.
Nietes.

Een getuige: de winkelier bleef maar schoppen en slaan, echt heel erg.
De winkelier: die getuige is mijn buurman met wie ik in onmin leef. Logisch dat hij tegen mij is.
De medische verklaring: forse hematomen. Dat zijn blauwe plekken met zwellingen.
Dus een ernstige mishandeling, zegt de officier van justitie.
De politierechter zegt dat ze menselijkerwijs zich de frustratie bij de winkelier kan voorstellen.

De aanklager: ‘Maar het was buitenproportioneel.’
De rechter: ‘Klopt het dat u aan vechtsport doet?
Bernard: ‘Ja.’
De officier van justitie: ‘Ik eis een geldboete van 350 euro.’
De rechter: Wilt u tot slot nog iets zeggen, want u heeft recht op het laatste woord.’
Bernard: ‘Ik laat nu mijn hart spreken. Dit voelt als de omgekeerde wereld. Maar u zit hier om recht te spreken en daar wens ik u veel sterkte bij.’

De politierechter: ‘Ik geloof niet dat de getuige liegt. Maar de foto’s uit de medische verklaring zijn objectief. Op die foto’s zijn heel forse blauwe plekken te zien. Met zwellingen. Het letsel past bij het toegepaste geweld zoals het slachtoffer het omschrijft. Ik snap dat u hem wilde tegenhouden, maar daarbij bent u een grens overgegaan. Bij de vorige zaak was er onvoldoende bewijs. Ik snap dat uw baalmomentje van zojuist heel goed. Maar dit is weer een andere zaak. Ik veroordeel u tot een boete van 350 euro te vervangen door 7 dagen hechtenis.’

Bernard: ‘Zet het maar weg in dagen.’

Rob Zijlstra

update – 25 oktober 2014 – ondernemer
Bernard is een echte ondernemer: hij probeert van zijn nadeel een voordeel te maken… met een opmerkelijke advertentie in de krant.

Naar de donder

Leo (29) uit Groningen zwaait met zijn armen alsof hij aan het hiphoppen is en zegt tegen de rechters: ‘Tja, als je zit kom je niet vooruit.’
Dat waren wijze ware worden.
Leo zit liever niet vast, zegt-ie.
Verongelijkt: ’Ik wil naar de toekomst kijken, maar ja, als jullie mij dat niet gunnen…’

Hij is niet naar de rechtbank gekomen om te bekennen, dat wordt al snel duidelijk.
Leo – als bezoeker van zittingszaal 14 niet helemaal een onbeschreven blad – is misschien wel te trots om toe te geven dat hij een dief is.
En dealer in middelen.
Leo is een hosselaar die misschien wel een lange weg te gaan heeft om zijn toekomst te bereiken.

Bij de Scapino in Groningen was hij aangehouden.
Er was een burgernetactie gaande; burgers van Groningen werden via hun smartapparaten opgeroepen uit te kijken naar een tasjesdief, naar een man die lijkt op Leo.
Bij de Scapino werd hij herkend.
De politie vatte hem in de kraag.
Onder zijn jas zat een paar slippers verstopt, in de onderbroek twee mobiele telefoons waaronder de iPhone die een half uurtje eerder was gestolen uit een auto nabij de Grote Markt.
Uit die auto – niet op slot – was ook een zakje gestolen met ongeveer 100 euro.
Ook dat had Leo.

Over de slippers: ‘Per ongeluk, snap je. Ik was dronken en dan doe je onbewuste dingen. Dat wisten de rechters toch ook wel. Of zijn rechters nooit dronken?
Rechters: ‘Leo, het was tien uur ’s ochtends.’
Het zal, maar hij is geen dief.
Hoe hij aan dat geld kwam, aan die telefoon?
Hij was iemand tegengekomen, iemand die hem nog geld was verschuldigd.
Die iemand had hem die dingen gegeven.
Wie? Nee.

Justitie had nog een ander appeltje met hem te schillen.
Een jaar geleden, net op vrije voeten, dachten politieagenten te zien dat hij aan het dealen was.
Toen ze hem wilden aanhouden, rende hij weg.
Op de vlucht gooide hij een zakje in de berm.
Ook dat zagen de achtervolgende agenten (op scooters).
Ze zochten en vonden in de berm 17 bolletjes cocaïne.
Leo: ‘Niet van mij hoor.’
Als je nadenkt, lijkt hem dat ook logisch, zegt hij tegen de rechters.

Leo weet dat hij straf krijgt, of hij nou zegt dat-ie het heeft gedaan of ontkent, dat maakt toch niet uit.
De vorige keer hadden ze hem drie jaar gegeven.
Toen was ook geschoten met pistolen.
Nu niet.
Hij weet, dat scheelt.
Hij kent het spel.
Zegt tegen de rechters dat de officier van justitie wel eens een grote fout kan maken.
Want misschien ziet de officier hem voor de verkeerde aan: ‘Ik lijk namelijk heel erg op mijn broer. Wij zijn niet van elkaar te onderscheiden.’

De officier van justitie eist 8 maanden celstraf en 497 dagen die hij als bonus mag uitzitten.
Het is het deel van een eerder opgelegde straf die hij niet hoefde uit te ondergaan op voorwaarde dat hij niet opnieuw de fout in zou gaan.
De advocaat vraagt de rechters af te zien van de bonus.
De advocaat: ‘Voegt niets toe. Bovendien, Leo heeft een vriendin, maar die wacht niet eeuwig.’

Maakt het voor Leo allemaal niet zo heel veel uit – zitten hoort bij het leven – Hendrik heeft een leven te verliezen.
Hij vertelt dat hij vanaf zijn 18e zelfstandig is, dat hij altijd zijn eigen geld heeft verdiend, dat hij bedrijven heeft gehad en dat nu, nu hij 60 is, de hele boel aan flarden dreigt te gaan.
Zegt: ‘En dan ga ik naar de donder.’

Hendrik zit al drie maanden opgesloten in de Norgerhaven.
Het verbaast daarom dat hij met een verhaal op de proppen komt dat Leo had kunnen verzinnen.

Hendrik tegen de rechters: ‘Zolang ik vastzit, zijn er al drie mensen vermoord tijdens een overval op een woning. Ik was gewoon ontzettend bang.’
Hendrik is bezig uit te leggen waarom hij een wapen had, een Sig, model P220 met 47 kogelpatronen in een doosje.
De politie had bij hem aangebeld en gevraagd of het waar was dat hij een wapen in huis had.
De politie had een tip gekregen, afkomstig uit het criminele milieu.
Hendrik draaide er niet om heen.
Hij had het wapen uit de slaapkamer gehaald en aan de agenten gegeven.

De agenten vroegen vervolgens of ze eventjes rond mochten snuffelen.
Dat mocht, niet zo slim.
De agenten vonden drugsdingetjes, sealzakje, hennepgruis, flessen vol plantenvoeding, 6.700 euro (met briefjes van 500) in een plastic buis in een hok achter de badkamer, een tafelmodel diepvries met daarin zeven zaken met een witte substantie, twee blauwe regentonnen met 22 pakketjes waarin in totaal 22,88 kilo hennep zat verpakt.
De witte substantie: 12,92 kilo amfetamine (speed).
In de verkoop doet zo’n partij drugs wel een kwart miljoen euro.

Hendrik zegt 25 keer dat hij heel stom is geweest en dat hij straf heeft verdiend.
Maar hij wil het graag uitleggen.
Zijn ex was overvallen in haar woning.
Ze had de hond nog op hen afgestuurd, maar toen hadden de overvallers de hond, die ook zijn hond was geweest, neergeschoten.
Daarom had hij dat wapen gekocht.
Voor 1500 euro.
Van wie? Nee.

Rechters: ‘En die drugs in huis dan?’
Van kennissen.
Die gingen op vakantie.
Drie weken.
Of hij wilde oppassen.
Dat wilde hij wel, want zo is hij.
Ja, dat het drugs waren, wist hij.
Nee, niet dat het zo veel was.
Ja, stom, straf verdiend.

De rechters geven er vriendelijk blijk van dat ze hem niet geloven.
Ze vragen: ‘Zat u niet gewoon in de drugshandel?
Hendrik huilt even en zegt dan dat dat absoluut niet het geval is.
‘Ik ben sales manager geweest, ik ben kundig met verkoop. Ik verdien mijn geld met antiek, met meubeltjes.’
Rechters: ‘Waarom zoveel flessen plantenvoeding?
‘Een kennis wilde een lijntje met orchideeën opzetten.’
Rechters: ‘Klopt het dat de vriend van uw overvallen ex met wie u nog goede contacten heeft, eigenaar is van een growshop?’
‘Ja, dat klopte wel.’

De rechters kijken gelukkig.
Ze hebben zojuist misschien wel de waarheid gevonden.
Nog net niet in koor: ‘Wil iemand nog iets vragen? Nee? Mevrouw de officier van justitie, u is.’

Hendrik had een paar keer tijdens de zitting gezegd er vanuit te gaan dat hij 61 is als hij weer vrijkomt. Stom, maar straf verdiend.
Hij is nu 60 jaar.
De officier van justitie: ‘Heel ernstig, heel veel drugs. Ik eis 5 jaar gevangenisstraf.’

Hendrik kijkt verschrikt en vol ongeloof opzij, naar zijn advocaat: ‘Zei ze nou 5 jaar?’
Ja.

Rob Zijlstra

uitspraak op 9 oktober (op de dag dat Leo jarig is)

De slimste

de minst slimme verdachte van deze week moet Aran zijn

Er wordt wel gezegd dat de misdaad nooit eindig is.
Neemt het hier wat af, dan kun je er donder op zeggen dat het elders toeneemt.
Steeds meer, steeds vaker zijn in de misdaad veelvoorkomende begrippen.
Dat komt – denk ik – vooral omdat er zo veel mensen zijn die de misdaad onderzoeken, van lokaal tot internationaal.
Al die mini-bevindingen worden gepubliceerd en wij van de media zijn nooit te beroerd over die publicaties te berichten.
Steeds meer of steeds minder, het is steeds maar weer nieuws.

Ik vermoed dat er inmiddels meer mensen zijn die de misdaad bestuderen dan er uitvoerders van het metier zijn.

Pessimistische mensen zeggen dat de misdaad maar door kan gaan omdat de pakkans niet bijster groot is.
Als het niet hoeft van de verzekering, is de bereidheid aangifte te doen van een misdrijf laag.
Is al jaren zo.
Waarom?
Omdat menigeen van mening wil zijn dat het niet helpt.
Want ze pakken ze toch niet.

Dat laatste lijkt een volkswijsheid die wankelt.
Op basis van waarnemingen van de dagelijkse praktijk in zittingszaal 14 moet ik vaststellen dat de politie meer en meer de beschikking krijgt over slim (technisch) vernuft om de misdadige mens in de kladden te grijpen.
Wat ook meewerkt is dat de misdadige mens niet tot de categorie ‘de slimste mens’ behoort.
Je zou dan zeggen, eens moet de dag komen dat het met de misdaad is afgelopen.

Albert en Alie behoren met hun 67 en 65 levensjaren tot de categorie ‘oudere verdachten’, maar zijn verder heel erg van deze tijd: ze exploiteerden hennepplantages.
Het ging allemaal wat minder en ze konden dus wel wat extra centjes gebruiken, vertelt Albert aan de rechters.
Alie is wel verdachte, maar ze is er niet, zij zit thuis in Veendam, hulpbehoevend en kapot van de zenuwen.
Albert had op een kwade dag een paar schapen verkocht en met de opbrengst wat hennepstekjes aangeschaft op de parkeerplaats van Van der Valk.
In Winschoten kende hij een adresje voor lampen en andere kweekbenodigdheden.
Jawel, Alie wist er van.

Het kan bijna niet anders dan dat de politie heus weet waar, op welke adressen, hennepkwekerijen zitten.
Zo ingewikkeld kan dat – helemaal met de stroomleverancier in je ploeg – niet zijn.
Dat er maar één kwekerij per dag wordt ontmanteld, heeft met de bezetting te maken.
Voor meer is domweg geen tijd.

Albert en Alie hadden een uitkering en leefden heel onhandig boven hun stand.
De politie kreeg daarover een tip, ging kijken en trof op twee verstopte plekken in en rond de woning 494 hennepplanten aan en nog eens anderhalve kilo henneptoppen.
Behalve het ‘groene goud’ werden twee Mercedessen, een paardentrailer, een caravan, twee quads en een fonkelnieuwe zitmaaier in beslag genomen.

Aan stroomleverancier Enexis hebben Albert en Alie 10.000 euro moeten betalen in verband met illegaal afgetapte stroom.
Er is een langlopende regeling getroffen.
Wie uit de financiële misère wil geraken en om die reden hennep gaat telen, moet wel niet slim zijn.
Albert probeert de schade nog te beperken door tegen de rechters te zeggen dat hij maar één keer heeft geoogst, maar dat hij die niet heeft weten te verzilveren.
Rechters horen dat altijd.
De politie had ter plaatse de kalkafzetting opgemeten, geroken aan de algengroei, het groeiresidu bemonsterd en de kleuren van de koolstoffilters bestudeerd.
Op basis hiervan werd slim berekend dat Albert en Alie 77.000 euro hebben verdiend met hun misdaad.
Dat geld moeten ze nu aan ons betalen (staatskas), zo wil het Openbaar Ministerie.

Gijs en Bert zijn samenwonende broers en waren ook niet slim bezig.
Toen de politie bij hen op de stoep stond, was Gijs niet verrast.
Hij wist, op een dag is het voorbij.
Ook hun misdaad kent een grote pakkans, maar te weinig politiemensen om dat ook daadwerkelijk te doen.
In Denemarken en in Rusland doken bij lokale politie-onderzoeken ip-adressen op.
Een deel van die unieke computernummers kon worden gekoppeld aan Ziggo Nederland.
Met hulp van deze provider rolden tientallen namen van de bij de ip-adressen horende Ziggo-abonnees uit de computer.

Waarom Gijs en Bert aan de beurt waren, is niet bekend.
Wel vond de politie op harde schijven, usb-stick’s en op gebrande cd-rom’s meer dan 3 miljoen foto- en filmbestanden.
De politie scande met speciale software tien procent van alles wat uiteindelijk 28.000 foto- en filmbestanden vol ranzige kinderporno opleverde.
Gijs, met 53 jaar de oudste broer, zei dat hij een mededeling voor de rechters had, het betrof een belangrijk vaststaand feit: ‘Ik ben het strontzat.’
Bert had een beetje moeten huilen.
De advocaat verzocht de rechters het te laten bij een werkstraf van 40 tot 80 uur.
De officier van justitie eiste 12 en 15 maanden gevangenisstraf zodat beide mannen ook hun banen kwijtraken.

De minst slimme verdachte van deze week moet Aran zijn.
Hij is net 19 jaar en dus een jongen van de digitale tijd, van na de platenspeler.
Aran heeft ingebroken dan wel is hij in het bezit geweest van gestolen goed.
Dan is hij geen inbreker, maar net zo erg een heler.
Uit een woning haalde hij en of zijn vrienden – zegt de aanklager – een verzameling whisky, een drankje van vroeger, maar heel populair onder jeugd van nu.

Uit een andere woning pikte hij en/of zijn matties computers, sieraden, contant geld en een mobiele HTC-telefoon.
Ook Aran liep tegen politie-vernuft aan.
Inbrekers die mobiele telefoons stelen zijn niet alleen niet slim, maar ook ontzettend dom.
Mobiele telefoons zijn de grootste verraders van deze tijd.
De politie kon na de misdaad al heel snel zien dat het HTC-toestel werd voorzien van een andere sim-kaart en vervolgens dat er mee werd gebeld.
Met 06-nummers.
Die werden in kaart gebracht en zo konden ze het toestel traceren: op de slaapkamer van Moki, naar later zou blijken een vriendje van Aran.

Het toestel bracht de hele misdaad aan het licht: er stonden duizenden WhatsApp-berichten in opgeslagen waarvan er 800 als verdacht werden bestempeld.
Die berichten gingen over brakka’s, osso’s en doekoes, over inbraken, over huizen en over geld.
‘Ik heb doekoe nodig. Ik heb zin in een brakka, ja, we gaan een osso doen in Eelde’, appten Aran en zijn vrienden aan elkaar.

Aran ontkent, hij had zijn telefoon aan anderen uitgeleend.
Dat anderen appen over een koevoet, kan hij dus ook niet helpen.
Rechters: ‘Klopt het dat u bent aangehouden bij de Hornbach in verband met winkeldiefstal?
Ja, dat klopte wel.
Rechters: ‘En wat had u gestolen?’
Aran: ‘Een koevoet.’

Rob Zijlstra

uitspraak 11 september

Per ongeluk schuldig

foto: 112groningen

Sontweg, foto: 112groningen

Kun je per ongeluk een misdrijf plegen?
En zo ja, kun je er dan ook voor worden veroordeeld?
Jaap (47) kan het zich niet voorstellen.
Hij zegt tegen de rechters: ‘Ik deed het niet met opzet, dus dan ben ik toch ook niet schuldig?’

Maar zijn stem verraadt twijfel.
Hij zit immers wel naast een advocaat in de rechtszaal tegenover drie rechters en een officier van justitie die allen ernstig naar hem kijken.
Op de tribune, achter hem, zit de mevrouw die het slachtoffer is.
Zijn slachtoffer, dat valt niet te ontkennen.

Ja. Je kunt per ongeluk een misdrijf plegen en daardoor in de gevangenis belanden.
Iemand per ongeluk beroven vereist een sterk verhaal.
En wie zegt dat ‘ie per ongeluk een gewapende overval pleegde, recent nog, staat weer niet heel sterk.

Jaap had het aan Nico kunnen vragen.
Nico (30) is veelpleger en door de wol geverfd.
Hij stond een uur eerder terecht, zat in dezelfde stoel en tegenover dezelfde rechters.
Nico had Jaap dan kunnen vertellen dat het bij hem, vier jaar geleden, ook per ongeluk, dus niet expres, was gegaan.
En dat de officier van justitie en ook de rechters hem toen geloofden.
Maar wel mooi een straf.

Wat was er gebeurd, zou Jaap misschien hebben gevraagd.
Nico had dan verteld dat hij op 21 december 2009 zijn beste vriend Henk heeft doodgeschoten.
Ze hadden met z’n drietjes aan tafel gezeten, bij David thuis omdat die verstand had van wapens.
David had gezegd dat het wapen dat op tafel lag, geen best wapen was.
David had ook laten zien hoe je de kogels erin stopt en hoe je die dingen er weer uit kunt halen.
Hoe de veiligheidspal werkt.

Nico had het wapen van tafel gepakt.
Toen hij het vastpakte, klonk een knal.
Henk viel voorover.
Hij was op slag dood.

Gatver, zou Jaap  vast hebben gezegd, ‘maar daar kon je dus helemaal niks aan doen, net als in mijn geval.’
Maar Nico zou Jaap uit zijn dromen hebben geholpen.
Hij zou  hebben gezegd: ‘In mijn geval was er sprake van dood door schuld. Ik had geen kwade bedoelingen en ik heb het gevolg van mijn gedraging niet gewild. Maar ik ben wel roekeloos geweest. Dat kun je mij verwijten. Ik had geen verstand van wapens en toch zat ik er mee te spelen. Bij mij was sprake van een ernstig gebrek aan zorgvuldigheid.’

Jaap: ‘Een werkstrafje?’
Nico: ‘Drie jaar gevangenisstraf.’

Jaap slaakt in de rechtszaal een diepe zucht.
In zijn vrije tijd zit hij graag op de racefiets.
Maar overdag zit hij op de milieuwagen van de gemeente Groningen.
Sinds 1996 rijdt hij met zo’n rood en zwaar gevaarte door de straten van de stad waar fietsers – zegt hij – uit alle gaten en hoeken komen.

Op 10 juni vorig jaar moest hij wat rotzooi ophalen bij de brandweerkazerne aan de Sontweg.
Vlakbij de kazerne had hij acht seconden stilgestaan voor een brandweerwagen met zwaai- en lawaailichten.
Toen trok hij op om met een snelheid van 26 kilometer per uur richting de inrit bij de kazerne te rijden.
Op het moment hij de bocht naar rechts nam, leert de tachograaf, reed hij eerst 2 kilometer per uur en in de bocht zelf 12.
Ineens een akelige gil.
Onder het rechter voorwiel van de vuilniswagen ligt een fiets en een mevrouw.

Jaap: ‘Ik heb gekeken, ook in de spiegels, maar ik heb haar nooit gezien.’
Rechters: ‘Vindt u dat u haar had moeten zien?’
Jaap weet het niet, zegt: ‘Wat ik vind? Ik vind het gewoon kloten.’
Rechters: ‘Bij de politie had u gezegd, het is het risico van het vak.’
Jaap: ‘Ja, ik bedoel, ik rij niet expres iemand aan.’
Rechters: ‘Maar mevrouw was er wel.’
Jaap voorzichtig: ‘Ik heb goed gekeken… maar… maar misschien niet goed genoeg.’

De officier van justitie zegt dat in een fractie van een seconde een leven kan worden verwoest.
Eén zo’n moment, zegt ze, en we zijn allemaal verliezers.
Het slachtoffer, 50 jaar, had zeven weken in het ziekenhuis gelegen waar ze elf keer is geopereerd.
Ze was actief en sportief, nu loopt ze moeizaam en met een stok.
Dat blijft zo.

De officier van justitie zegt dat Jaap haar had moeten zien.
‘Het was een drukke spits, het was er chaotisch als gevolg van wegwerkzaamheden.
En dus had er beter opgelet moeten worden. Verdachte, een ervaren chauffeur, had nog voorzichtiger moeten zijn dan hij al was. Nee, geen opzet, ’t was ook niet expres, maar er is wel sprake van verwijtbaarheid. Ik eis een boete van 1000 euro en twee maanden voorwaardelijke rijontzegging.’

Het was niet zo, maar stel dat Nico en Jaap elkaar na hun strafzaken nog even hadden gesproken.
Nico had dan gezegd: ‘Nou, ik zei het je toch?’
Jaap: ’Tja. Trouwens, waarom moest jij terechtstaan?’
Nico: ‘Ik? Ach, ik heb een paar keer een telefoon van iemand geleend. Op straat. En nu zeggen ze dat ik die telefoons niet wilde teruggeven, dat ik die mensen bedreigde of zoiets met een mes. Die telefoons hebben ze later weer gevonden in een winkel waar ze tweedehands mobieltjes verkopen. Ik heb daar een keer een telefoon verkocht. Ze hebben toen een kopie van mijn legitimatie gemaakt en ik denk dat ze daar nu misbruik van maken. Ik bedoel, dan is het toch ook niet mijn schuld?’

Rob Zijlstra

 wegenverkeerswet, artikel 5

.
UPDATE – 20 maart 2014 – uitspraken
Jaap is veroordeeld. Hij heeft zich schuldig gemaakt aan artikel 6 van de Wegenverkeerswet: hij had de fietser kunnen en dus moeten zien. Omdat hij dat niet heeft gezien wat er wel was,  is hij onvoorzichtig geweest. Komt bij dat hij een bijzondere verrichting uitvoerde en dat het er ter plaatse druk was mede als gevolg van het tijdstip en werkzaamheden aan de weg.  Dat alles had hem, ervaren hij is, extra alert moeten maken. Dat hij dat niet is geweest, wordt hem verweten. De straf: een boete van 1000 euro en 6 maanden rijontzegging, maar die geheel voorwaardelijk. Proeftijd 2 jaar.
Ook Nico is schuldig aan wat hij heeft gedaan. Zijn straf: 12 maanden.

 

uitspraak

 

 

De nuance

Een rechtbankverslaggever probeert een zo goed mogelijk beeld te schetsen van een strafzaak en daarmee van de strafrechtspraak.
Beetje stiekem hoopt de rechtbankverslaggever dat de lezer een tikkeltje genuanceerder gaat denken.
Dat de rechtspraak niet corrupt is of wereldvreemd, dat naar slachtoffers wordt geluisterd, dat er met grote regelmaat keihard wordt gestraft.
Dat is echt waar.
Helemaal niet waar is dat verdachten van ernstige misdrijven de rechtszalen lachend en met pietluttige werkstrafjes verlaten.

Het Openbaar Ministerie – de aanklager, onze misdaadbestrijder – werkt echter niet altijd mee om een genuanceerd beeld overeind te houden.
Ik kan mij niet voorstellen dat de mensen die deze week op publieke tribune van zittingszaal 14 hadden plaatsgenomen, slachtoffers van woninginbraken, ’s avonds zorgeloos onder de dekens zijn gekropen.
Het moet inmiddels een feit van algemene bekendheid zijn dat Openbaar Ministerie de zaken nog niet zo goed voor elkaar heeft.
Ook in Noord-Nederland niet.

Wie vanavond (of morgen) op heterdaad wordt betrapt op een woninginbraak moet er rekening mee houden dat hij volgend jaar niet meer voor de rechter zal verschijnen.
Dat wordt pas in de loop van 2015.

Vraag het maar aan Mathieu (25) en Chris (26) uit Stadskanaal en omgeving.
In november en december 2011 hadden ze ingebroken in woningen en auto’s in Mussel en Musselkanaal.
De buit was enorm.
Uit een woning haalden ze sieraden uit een brandkast die in de kelder stond.
De sleutel hing aan het rekje in de keuken.
De waarde van het gestolen goed: zo’n 25.000 euro.
Het had drie- tot vierduizend euro opgeleverd.

Bij een andere woning werd zo veel gereedschap en aanverwante apparatuur (compressors, draaibank) gestolen dat Mathieu en Chris een hele nacht bezig waren geweest om het goed in te laden.
In een derde woning groeide tegen de verwachting in geen tropisch paradijs aan wietplanten.
Wel namen ze een kluis mee met daarin 2200 euro.

Mathieu en Chris zeggen niet zo veel.
Aan hen wordt ook niet zo veel gevraagd.
Ze hebben bekend en dat maakt een strafproces er niet ingewikkelder op.
De rechters willen wel weten waarom ze er steeds zo’n enorme puinhoop van maakten.
Rechters: ‘Ongelooflijk. Jullie haalden die woningen compleet overhoop. Alsof er een orkaan door de woning was gegaan. Dan kom je als bewoner thuis en dan schrik je je toch de rambam. Waarom?’

Mathieu en Chris staren voor zich uit, het is natuurlijk ook al weer bijna twee jaar geleden.
Na een tijdje ongemakkelijk staren zeggen ze eensgezind: ‘Wee nie. Gewoon…’
De vraag blijkt te ingewikkeld.
Rechters: ‘Kom op nou, we kunnen er hier toch rustig over praten? We vreten jullie niet op.’
De inbrekers moeten een beetje lachen.
Gekke rechters.

De goederen die ze buit maakten werden verkocht in Groningen.
Op een adresje bij een vrouw.
En bij de winkel in de binnenstad.
Een van de rechters kent die winkel wel, want hij noemt de naam.
De zaak was ten tijde van de rechtszaak ook gewoon geopend.

Chris had, nadat hij was aangehouden, zestien dagen vastgezeten.
Daarna mocht hij – in afwachting van de strafzaak – naar huis.
Mathieu mocht na dertien dagen het huis van bewaring verlaten.
Nu gaat het goed met ze.
Mathieu was toen hij werd aangehouden nog maar net vrij van een straf van veertien maanden cel.
Ditmaal heeft hij zijn leventje beter opgepakt.
Hij heeft werk en vier maanden geleden is zijn dochtertje geboren.
Hij woont bij zijn ouders.
De relatie is uit.

Ook met Chris gaat het goed, zegt hij.
Hij heeft nu twee kinderen, van wie  er eentje zeker van hem is.
Het andere kind ziet hij niet meer en met de moeder heeft hij geen contact.
Waarom niet?
Chris denkt na en zegt dan: ‘De moeder is een beetje een… hoer.’
De reclassering merkt nog op dat er met Chris geen afspraken zijn te maken.

De rechters: ‘Mooi. U heeft werk. En we lezen dat u veel spijt heeft van wat u heeft gedaan. Dat is goed. Maar wat heeft u ondertussen ondernomen richting de slachtoffers? Bent aan het sparen om hen schadeloos te stellen?’
Mathieu en Chris kijken nu alsof hen is gevraagd in een paar woorden de snaartheorie uit te leggen.
Nee, ze hadden nog niets ondernomen.
Rechters: ‘Je kunt wel zeggen dat je spijt hebt, maar als daar geen gedrag bij zit, komt het nogal goedkoop over.’

De slachtoffers krijgen alle gelegenheid hun zegje te doen en de vorderingen die ze hebben ingediend toe te lichten.
De sieraden van 25.000 euro bleken niet goed verzekerd.
Er rest nog een schadepost van 20.000 euro.
Het gedupeerde echtpaar claimt dat bedrag.
Probleem: ze hebben geen bonnetjes.
Sommige sieraden waren erfstukken of geschenken van oma aan de kinderen.
Tja, zegt de officier van justitie, de vordering is daarmee onvoldoende onderbouwd.
‘Ik kan gaan tot 313 euro voor de ring, voor het overige moet de vordering worden afgewezen.’

Ook een tweede slachtoffer blijkt geen administratie te hebben aangelegd van het goed dat uit zijn woning is gestolen.
Een mevrouw van Slachtofferhulp voert als verzachtende omstandigheid aan dat ‘meneer niet kan lezen en ook niet kan schrijven. Dus…’

De officier van justitie vraagt aan de twee verdachten wat ze ervan zouden vinden als ze terug moeten naar de gevangenis. Mathieu en Chris hebben daar wel een antwoord op: dat zouden ze niet zo leuk vinden.
De officier van justitie zegt nogmaals ‘tja’ en kwalificeert de inbraken als zeer ernstig, memoreert aan de enorme puinzooi die is aangericht, zegt dat de inbraken goed waren voorbereid en dat de buit fors mag heten.
Zegt: ‘En daar horen gevangenisstraffen bij.’
Om vervolgens tegen beide mannen een werkstraf van 200 uur te eisen.
De motivatie is dat Mathieu en Chris hun leven nu goed op rails hebben staan.
Terug naar de gevangenis zou dat leven opnieuw kunnen doen ontsporen.

Buiten het gerechtsgebouw zie ik dat de twee verdachten uitgelaten en vrolijk in hun auto’s stappen, een van hen in een glimmende BMW zonder dak (cabrio).
De rechtbankverslaggever hoopt dan dat dit de slachtoffers even ontgaat .

Rob Zijlstra

UPDATE – 7 oktober 2013 – uitspraken
Mathieu en Chris zijn conform de eis veroordeeld. De rechtbank vindt in beginsel een gevangenisstraf van aanzienlijker duur passend. Maar met het Openbaar Ministerie is de rechtbank van mening dat het opsluiten van de twee dieven een averechts effect zal hebben. Een werkstraf is daarom een passende reactie staat in het vonnis. Er is naast de werkstraf wel een forse voorwaardelijke straf opgelegd: er hangt hen 300 dagen celstraf boven het hoofd in het geval ze binnen de proeftijd opnieuw de fout ingaan.

de rechtbank heeft het vonnis  (nog) niet gepubliceerd

 openbaar ministerie: nijpend probleem

Cheb wordt vervolgd

pot-rode-verfCheb is in z’n eentje zo’n beetje het hele Marokkanenprobleem in Groningen.

Anders gezegd: er zijn wel Marokkanen in Groningen, maar in de rechtszaal komen ze zelden, ze hebben daar kennelijk niks te zoeken.
Cheb daarentegen is al jaren een van de meest trouwe bezoekers van zittingszaal 14.
En altijd voor hetzelfde: inbraken en insluipingen.

Hij kwam 34 jaar geleden vanuit Beni Bouifrour naar Nederland.
Veel heeft hem dat niet gebracht.
De eenvoudige sportschoenen die hij draagt zijn van de penitentiaire inrichting in Ter Apel.

Cheb is behept met een dijk van een drugsverslaving, een vlotte babbel en een enorm zelfinzicht.
Met zijn diepdonkere ogen zegt hij tegen de rechters: ‘Ik vind het vreselijk dat ik zo laag ben gezonken, zo laag om in te breken in de synagoge, ook gezien de historie en het feit dat ik Marokkaans ben.’

Hij wandelde in juni dit jaar door de Folkingestraat in de binnenstad van Groningen.
Hij zag dat in de synagoge een tentoonstelling was waarvoor entree moest worden betaald.
Zijn hersenen begonnen meteen te ratelen: entree is geld, geld is drugs.
Het lichaam deed de rest: dat begon te klimmen en via een plat dak en met behulp van een koevoet die hij altijd bij zich draagt ging hij naar binnen.
Hij vond de kassa met daarin de entreegelden en enige eagle-munten.

Hij werd gesnapt en nu heeft hij zo ontzettend veel spijt.
Bij de politie had hij gezegd dat hij schoon schip wilde maken.
Want hij is verliefd.
Cheb: ‘Tot over mijn oren.’
Op het bureau werden alle verloven ingetrokken want als Cheb gaat biechten zou het oplossingspercentage van inbraken en insluipingen wel eens tot een recordhoogte kunnen stijgen.
Alle wijkagenten van Groningen gingen om hem heen zitten en keken hem vol verwachting aan.
Cheb: ‘Alle andere zaken heb ik niet gedaan.’

De inbraak in de synagoge was ook meer een samenloop van omstandigheden geweest.
Ze heet Anna op wie hij smoorverliefd is.
Ze hadden een heftige ruzie gehad, zo heftig dat hij een gat in de deur had geslagen en toen naar buiten was gegaan, met het hoofd helemaal vol.
Tegen de rechters: ‘Zij zat de hele dagen te zeuren om geld en drugs. Daarom besloot ik op pad te gaan om in te breken.’

Nu hij in de gevangenis zit, mist hij haar.
Zo erg dat hij er bijna gek van wordt.

Cheb heeft ‘s nachts geen frisdrankautomaten opengebroken in het UMCG.
Hij heeft ook niet ingebroken in het gebouw waarin onder meer de biljartverenging is gevestigd.
Ook de laptops uit een gebouw van het Noorderpoortcollege heeft hij niet gestolen.
In het studentenpand waar mobiele telefoons waren ontvreemd, is hij nog nooit geweest.

Dat er foto- en filmmateriaal is waarop Cheb te zien is ten tijde van de diefstallen doet daar volgens hem niet aan af.
Zijn dna op een blikje Fanta in het pand waar de biljartvereniging huist, met de kans kleiner dan 1 op 1 miljard dat het van iemand anders is?
Die telefoon die hij had, afkomstig uit dat studentenpand?

Hij zegt: ‘Die telefoon die ik had, had ik geruild met iemand.’
Beelden van beveiligingscamera’s?
Blikje Fanta met daarop zijn dna?
Cheb: ‘Kan wel kloppen, want ik ben daar geweest. Maar niet om te stelen, maar om rustig drugs te kunnen gebruiken. Ik zoek altijd rustige plekken op omdat ik mijn moeder niet wil confronteren met mijn drugsgebruik. Maar ik ontken ten stelligste dat ik daar heb ingebroken. En u moet het volgens de wet wettelijk bewijzen.’

Rechters: ‘U weet hoe het werkt.’

De officier van justitie ook: ‘Wettig en overtuigend.’
Cheb: ‘Ik mis Anna ontzettend. Ik wil graag met haar trouwen en kinderen krijgen en aan mijn vader met wie ik al acht jaar niet heb gesproken laten zien dat ik ook goed kan doen.’

De officier van justitie: ‘U krijgt nog een kans.’
Cheb: ‘Ik verdien straf voor die inbraak in de synagoge.’

De officier van justitie: ‘Achttien maanden waarvan twaalf voorwaardelijk.’
Cheb: ‘Ik zou liever iets voor de samenleving terug willen doen. Ik wil de synagoge wel schilderen, van binnen en van buiten… In plaats van gevangenisstraf.’

De officier van justitie: ‘Met als bijzondere voorwaarde een behandeling in een kliniek voor de duur van maximaal een jaar. Doet u dat niet, dan moet u een jaar extra zitten.’
Cheb knikt, snapt hij: ‘Ik wil niet langer als een tweederangsburger leven, niet meer stelen, want zo ben ik niet.’

Ik vrees: wordt vervolgd.

Rob Zijlstra

.

UPDATE – 7 oktober 2013 – uitspraak
Cheb is veroordeeld tot achttien maanden celstraf waarvan een lang deel voorwaardelijk: een jaar. Dat is bedoeld als stok achter de deur. De straf is conform de eis. Dat is desondanks het feit dat de rechtbank minder feiten bewezen acht dan het Openbaar Ministerie.  De insluiping in het Noorderpoortcollege en in de studentenwoning kan niet worden bewezen.

de rechtbank heeft het vonnis (nog) niet gepubliceerd

 cheb de flipper (september 2011)

Het dwaalspoor

ambonNee hè. Niet hij weer.
Maar als hij de rechtszaal betreedt, is er geen twijfel mogelijk: ’t is onmiskenbaar Bram. De praatjesmaker, de boef.
Bram de sportman pur sang.
Vijf jaar geleden overhandigde hij in zittingszaal 14 aan de rechters een brief.
Op acht handgeschreven velletjes papier legde hij uit waarom hij zijn leven zou beteren en wat aan dat goede voornemen ten grondslag lag: de marathon van Rotterdam.

Na die 42 kilometer zou alles goed met hem komen.
Maar volgens de hulpverleners die hem al twintig jaar kennen, heeft hij nog een lange weg te gaan.

In 2006 werd Bram veroordeeld wegens een poging tot zware mishandeling in het daklozencircuit: tien maanden celstraf.
In 2009 kreeg hij de veelplegersmaatregel isd (twee jaar in de gevangenis) opgelegd vanwege het leegdrinken van een fles Pisang Ambon in de Albert Heijn en – daaropvolgend – een poging een Playstation te stelen bij de Mediamarkt.
In 2012 – net vrij – wilde het Openbaar Ministerie hem nogmaals twee jaar ’isd’ opleggen wegens een gevalletje van oplichting.
De rechtbank trapte er al dan niet in en legde negen maanden celstraf op waarvan vier maanden voorwaardelijk.

Op 17 april dit jaar kwam Bram met zijn cocaïneverslaving op vrije voeten.
Het duurde maar even en hij zat weer op het politiebureau.
Hij had een paar blikjes bier gestolen bij de Jumbo in de Euroborg.
En kroketbroodjes.
En een bak met ijs.

De rechters vragen aan hem: ’Klopt dat?’
Bram: ’Klopt.’
Rechters: ’Hoe kwam dat zo?’
Bram: ’Ik had een huisvestingsprobleem. Was gefrustreerd, reageerde wat impulsief, ’t gleed zo de tas in.’

In 2009 zeiden de rechters tegen hem: ’U bent 37 jaar. Al zestien jaar lang heeft u problemen met politie en justitie. Van die zestien jaren heeft u er tien in de gevangenis gezeten. U bent een maatschappelijk probleem (…).
Nu, vijf jaar verder, lijkt er aan het mislukte rotleven van Bram weinig veranderd.

Hij is nog altijd een sportman pur sang – dat zei hij in 2009 en dat herhaalde hij deze week.
Nog steeds gieren de goede bedoelingen door het magere lijf en is er de chaos in de kop als hij geen alcohol drinkt.
De cocaïne sloopt ondertussen ongestoord verder.

Bram ziet het anders.
Tegen de rechters: ’Eigenlijk heb ik geen probleem. Een alcoholprobleem zoals jullie zeggen? Nee. Ik drink wel eens een biertje, maar altijd verspreid over de dag. Ik heb tien jaar op straat gelopen, ik had een huisvestingsprobleem. Maar dat probleem is nu opgelost.’

Hij vervolgt, steeds enthousiaster: ’Ik heb er wel slechter voor gestaan. Een stukje begeleiding, dat kan ik wel hebben. En ik heb een paar corrigerende tikjes nodig als ik op het dwaalspoor beland… Maar verder?’

De rechters vragen waarom het hem ditmaal wel zal lukken?
Bram, glunderend: ’Ik heb een vriendin. Zij heeft een huis in Emmen. Ik heb dus geen huisvestingsprobleem meer.’

In 2009 meldde de reclassering aan de rechtbank dat Bram zijn laatste kans had verspeeld.
Alle hulp die hij de afgelopen jaren aangeboden had gekregen, was op niets uitgelopen. Bram heeft, zei de reclassering, wel een reële kijk op de wereld, maar hij is niet in staat de juiste keuzes te maken.
Nu – in 2013 – zegt de reclassering: ’Zijn motivatie is goed en oprecht. Maar wat wij ook doen, hij haakt op het laatst altijd weer af. De enige mogelijkheid die wij zien is nogmaals een langdurige en gedwongen behandeling. En dat kan wat ons betreft alleen binnen een isd-tracject van twee jaar.’

Bram, wanhopig : ’Maar we houden van elkaar. Ik zou een isd verschrikkelijk vinden want dan ben ik haar twee jaar kwijt. Ik weet niet of ik dat wel aankan.’

Bram’s liefde zit achter in de zaal.
Af en toe draait hij zich om en werpt haar lieve blikken toe.
Hij zegt: ’Ik moet hier een kans mee verdienen.’
De liefde, twintig lentes jong, staat onder begeleiding van de hulpverlening.

Rechters: ’Hoe komt u er bij dat u bij haar mag intrekken?’
Dat heeft ze aangeboden.
Rechters: ’Heeft zij u ook opgezocht in de gevangenis?’
Dat heeft ze niet, want ze heeft veertig graden koorts gehad.
Rechters: ’Is uw relatie belangrijk omdat ze u een woning verschaft?
Oh nee, zo moeten de rechters het niet zien.

De officier van justitie eist de twee jaar durende veelplegersmaatregel isd.
Bram’s wereld sodemietert in elkaar.

Maar dan.
Dan is daar Lidewij Wachters, de advocaat.
Zij zegt dat de rechtbank de isd-maatregel helemaal niet kan opleggen want er wordt niet voldaan aan de criteria.
Die zijn dat tegen een verdachte ten minste tien processen-verbaal in de voorbije vijf jaar moeten zijn opgemaakt in verband met strafbare feiten.
En de advocaat telt er maar negen.

Terwijl Bram met wapperende handen sussende gebaren maakt richting de liefde, rommelt de officier van justitie in haar papieren.
Na even zegt ze: ’De advocaat heeft gelijk. De isd kan helemaal niet worden opgelegd. Ik eis 82 dagen celstraf – dat is de tijd die verdachte al vastzit – wegens de diefstal van blikjes bier en kroketbroodjes.’

Bram danst in blijde verwachting de dans te ontspringen de rechtszaal uit.

Rob Zijlstra

.
UPDATE – 12 september 2013 – uitspraak
De rechtbank heeft vervroegd uitspraak gedaan. Bram kan niet naar de isd, zoals de advocaat al bepleitte. Voor de diefstal heeft hij twee maanden celstraf gekregen, niet toevallig de tijd die Bram al heeft gezeten. Hij mocht kort nadat uitspraak was gedaan de gevangenis met zijn goede voornemens en vlinders in de buik verlaten.  Zet’m op Bram.

Ketchup

ketchupWeet je wel, vraagt de advocaat kort voor aanvang van de zitting, hoe ze mijn cliënt noemen? Ik zeg dat ik geen idee heb. Ik had zijn echte naam wel gezien, zo zou een kind liefkozend een groot knuffelbeest kunnen noemen.
‘Ze noemen hem de ketchup-dief’, zegt de advocaat terwijl hij haastig zijn toga dichtknoopt.

De advocaat is wat verlaat, want hij moest helemaal uit Amsterdam komen.
Ik dacht, het is toch wat.
Dan ben je advocaat, kantoorhoudende in een van de fraaiste stadsdelen van Amsterdam, in zo’n statig prachtpand en dan moet je helemaal naar Groningen om een ketchup-dief bij te staan.

Maar in de rechtszaal is het nooit wat lijkt.

De ketchup-dief heet in dit verhaal Razvan.
Hij is een grote man van 44 jaar, geboren in een industriestad vol aardolie ten noorden van Boekarest, Roemenië.
Met zijn mooiste kleren aan en een vriendelijkste glimlach had hij kunnen doen wat hij volgens de officier van justitie ook heeft gedaan: mensen beroven.
De officier van justitie zegt dat verdachte misschien wel veel meer mensen heeft beroofd dan de tien die zij zegt te kunnen bewijzen.

De slachtoffers waren kwetsbaar: ze waren bijvoorbeeld 77, 81, 83 en 85 jaren oud.
De jongste was 51, maar blind.

Razvan ontkent de beschuldigingen.
Hij was naar Nederland gekomen om hier geld voor zijn gezin te verdienen, voor zijn twee lieve kleine kinderen en voor zijn vrouw met een hartinfarct en haar oude moedertje.
Bij zijn aanhouding was hij in het bezit van servetjes, van zakjes ketchup die je bij McDonald’s kunt krijgen en een Opel Vectra, gekocht voor 650 euro.
Op het politiebureau had Razvan niet veel willen zeggen.
Hij had gezegd dat hij zijn verhaal wel zou doen bij de rechter.

Rechter: ‘Hallo, hier ben ik. Vertel.’
Razvan: ‘Ik heb werk gezocht, maar kon niets vinden.’
Rechter: ‘Hoe kwam u aan dat geld?’
Razvan: ‘Meegenomen vanuit Roemenie.’
Rechter: ‘Dat is gek. Toch? U kwam hier om geld te verdienen. En nou zegt u dat u geld vanuit Roemenie heeft meegenomen naar hier. U heeft, hebben wij in het dossier gelezen, grote geldbedragen overgemaakt naar uw vrouw, naar haar moeder. Dus nog een keer: hoe kwam u aan dat geld?’

Razvan kijkt onrustig, naar zijn tolk en dan weer naar de advocaat.
De advocaat vraagt de rechter of die zijn vragen op een wat andere toon wil stellen, wat minder bozig.
De rechter zegt dat de advocaat zijn mond moet houden, dat de advocaat wel weet dat hij zijn mond moet houden als een rechter probeert in gesprek te geraken met een verdachte.

Razvan zegt dat hij auto’s wilde kopen om die dan weer te verkopen.
Rechter tegen Razvan: ‘Verdachte, wij zijn niet op ons achterhoofd gevallen.’

De advocaat uit Amsterdam gaat staan en zegt: ‘Ik wraak u. U doet mij geloven dat u niet echt wilt luisteren naar wat mijn cliënt zegt, uw ondertoon is bozig en u laat mij niet uitspreken.’

Een wraking van een rechter is een heel gedoe.
In het kort kwam het erop neer dat de wrakingskamer – drie collega’s van de gewraakte rechter die wel weten hoe direct hij kan zijn – concludeerde dat er niets aan de hand is.
De strafzaak mag met dezelfde strafrechters worden voortgezet.
Ruim drie uur na de wraking wordt de zitting hervat en vraagt de rechter aan Razvan: ‘U heeft in totaal 32.850 euro overgemaakt naar Roemenie. Dus vertel, hoe kwam u aan dat geld?’

De officier van justitie spreekt van ernstige feiten.
Bijzonder kwalijk is dat meneer de ketchup-dief bewust zijn slachtoffers zocht onder kwetsbare mensen, dat vrijwel alle slachtoffers met een rolator liepen, dat een van hen visueel gehandicapt is.
De officier van justitie: ‘Alleen een forse straf is hier op z’n plaats. Ik eis vier jaar gevangenisstraf.’

Razvan schrikt zich het apelazarus.
Hij roept: ‘Vier jaar? Maar ik heb niemand vermoord!’

De verdenking is dat hij naar Nederland is gekomen om hier misdrijven te plegen.
Zijn werkterrein was vooral de omgeving van het winkelcentrum in Vinkhuizen in Groningen.
Hij hield zich, met zijn mooie kleren aan en een vriendelijkste glimlach op het gezicht, op bij pinautomaten.
Met haviksogen (zei de officier van justitie) keek hij toe hoe ouderen geld opnamen.
Aan de handbeweging kon hij zien welke pincode werd ingetoetst.
Wist hij die, dan volgde hij zijn slachtoffer, soms tot aan de voordeur van de seniorenflat aan toe.

Daar sloeg hij zijn slag.
Dan zei hij beleefd, ‘mevrouw er zit iets vies op uw jas’.
Met een servetje veegde hij vervolgens tomatenketchup weg.
Zijn slachtoffers waren hem meestal dankbaar, zo een alleraardigste man, zo behulpzaam ook bij het uittrekken en schoonmaken van de zomaar vieze jas.
Ja, wel een beetje vreemd.
Tegen de tijd dat het slachtoffer ontdekte dat de pinpas weg was, waren er al grote bedragen van de bankrekening afgeschreven.
De verdenking is dat Razvan ook elders in het land, in Rotterdam, in Apeldoorn actief is geweest.

‘Vier jaar. Maar ik heb niemand vermoord!’

Op de publieke tribune van zititngszaal14 zit een aantal belangstellenden de strafzaak te volgen.
Een van hen zegt dat zijn moeder van 85 een van de slachtoffers was.
Dat zijn moeder op haar hoge leeftijd nog altijd een heel zelfstandige vrouw was.
Maar dat de beroving een enorme impact op haar heeft gehad.
En dat zijn moeder twee weken na de beroving is overleden.

Rob Zijlstra

.

UPDATE – 12 september 2013 – uitspraak
Razvan is conform de eis veroordeeld tot vier jaar gevangenisstraf wegens diefstal en witwassen. De rechtbank neemt het de man bijzonder kwalijk dat hij bewust ouderen uitzocht als slachtoffer. De rechtbank concludeert dat de uit Roemenië afkomstige man naar Nederland is gekomen om misdaden te plegen en dat dat bijzonder laakbaar is.

Kaapverdië

spuitbussen op fb-pagina van jakobIn het strafdossier staat dat Hans (48) erg overtuigd is van de juistheid van zijn eigen opvattingen.
Zijn laatste veroordeling – een taakstraf van 90 uur – was wegens het bedreigen en beledigen van een ambtenaar in functie, een politieman.
Nu is hij, zegt hij stellig, onschuldig.

Jakob (37) is graffitikunstenaar en  komt uit een gegoede familie  van hardwerkende mensen. Zelf was hij na twee jaar feesten in de hennep beland en in dat verband was hij al eens overvallen en gegijzeld.

Hans kijkt bij aanvang van de strafzaak even opzij, naar Jakob. Zijn blik drukt maar een ding uit: als ik de kans krijg vreet ik je voor het oog van de rechters op.
Om dat te voorkomen zitten er zes politiemensen – dat is extra – in de zaal.

Hans en Jakob zouden witwassers, oplichters en flessentrekkers zijn.
Ze zouden op naam van Hamer Brandstoffen bv luxe goederen en bouwmaterieel hebben gehuurd.
Het gehuurde werd niet betaald, maar doorverkocht.
Er zijn 46 bedrijven die aangifte hebben gedaan.

Het viel de politie bij die aangiftes op dat er overeenkomsten zaten in al die verschillende verhalen.
De politie ging er eens goed voor zitten, stelde vast dat ze een capaciteitsprobleem hadden, belde met de bovenregionale recherche in Zwolle die onder de codenaam Kaapverdië een groot onderzoek begon.
Drie maanden later, op 15 januari dit jaar, werden twee verdachten aangehouden.
Het zijn Hans en Jakob.

Een niet volledige opsommingen van de buit: dakramen, sanitair, een zitmaaier, een houtversnipperaar met toebehoren, minishovels, graafmachines, aanhangers, een vorkheftruck, bestelauto’s, een auto-ambulance, een frontmaaier, hogedrukreinigers, 130 spuitbussen (verf) en een jacuzzi.

Een graafmachine en 130 spuitbussen zijn teruggevonden.
De rest is spoorloos.

Rechters: ‘Waar zijn die spullen gebleven?’
Hans wijst naar Jakob: ‘Jullie moeten bij hem zijn.’
Jabob schudt het hoofd: ‘Ik heb er niks mee te maken.
Hans lacht minzaam.

Ze zouden er 146.570 euro aan hebben overgehouden.
Hans briest: ‘Toen ik werd aangehouden had ik negen euro op zak. Dat is alles wat ik had.’
Hij wil maar zeggen: hoeveel bewijs voor onschuld wil je hebben?
Jakob staart voor zich uit.

Hans wil wel toegeven dat hij in ruil voor 1500 euro een bv op zijn naam had laten zetten.
Op papier was hij de directeur van Hamer Brandstoffen bv.
Hij zegt dat hij de intentie had eerlijk zaken te doen.
‘Maar ik ben belazerd, ik ben genaaid. Anderen hebben mijn naam gebruikt. Het lijkt alsof ik de grote man ben, maar dat is niet zo. Ik heb een paar keer te goeder trouw wat spullen opgehaald. Dat is alles.’

Jakob vertelt iets soortgelijks.
Hij zegt dat hij opdrachten kreeg van Hans om spullen op te halen.
Hij zegt: ‘Ik woon op een flatje, wat moet ik met een shovel of graafmachine?’
Jakob zegt dat hij zes of zeven keer een ritje heeft gedaan voor Hans en daar vier- tot vijfhonderd euro mee heeft verdiend.

De rechters willen van Hans weten: ‘Door wie bent u genaaid?
Hans: ‘Dat zeg ik niet.’
Rechters: ‘ Waarom niet?’
Hans: ‘ Ik heb een vrouw en kinderen.’

De graafmachine werd teruggevonden omdat er een  track en tracesysteem was ingebouwd.
De 130 spuitbussen lagen in flatwoning van Jakob.
Op zijn Facebookpagina staan foto’s van wel 130 spuitbussen.
Jakob: ‘Die had ik al, want ik ben immers graffitikunstenaar.’

Na drie uur vragen stellen door de rechters is er nog  veel niet duidelijk.
Ik moet denken aan de bovenregionale recherche.
Zouden die met hun onderzoek Kaapverdië echt niet meer boven water hebben gehaald dan wat nu wordt besproken in de rechtszaal?
Misschien kampt het bovenregionale rechercheteam ook wel met tekorten in de capaciteit.
Moest het team zich beperken tot twee.

De advocaat van Hans mag de naam wel noemen.
De advocaat zegt dat de grote man achter de schermen Mister X moet heten.
Die naam kan worden gelinkt aan een persoon die in 2012 is veroordeeld wegens het oplichten van bedrijven die spullen verhuren.
Mister X zelf is een jongeman die eerder is veroordeeld wegens oplichting met motoren op marktplaats.nl en later wegens mensenhandel.

Maar Mister X & Co. zijn geen verdachten.
De officier van justitie rept ook met geen woord over een groter geheel.
De boeven zijn Hans en Jakob en dat moet voldoende zijn.

Ze zegt: ‘Ze wijzen naar elkaar, maar die bedrijven zitten met de gebakken peren.’
De officier van justitie wil dat Hans en Jakob samen 146.570 euro – de berekende winst – storten in de staatskas.
Ook moeten ze de gedupeerde bedrijven schadeloos stellen.
Geld dat ze aan de bedrijven betalen mag in mindering worden gebracht op de storting in de staatskas.
Daarnaast moet Hans boeten met 24 maanden gevangenisstraf (eis).
Jakob, met iets meer zaken op de tenlastelegging, hoort 36 maanden eisen.

Hans oogt nu weer zo woedend als hij keek bij aanvang van de strafzaak.

Jakob kijkt alsof hij water ziet branden.
Hij had zicht op een vaste baan, via een kennis in een warm land van ver, in de keuken van een multinational.
Dan zou hij zijn moeder die al zijn schulden inloste kunnen terugbetalen.
Hij mompelt: ‘Zesendertig maanden in de gevangenis, dat overleef ik niet.’

Rob Zijlstra

.

UPDATE – 22 juli 2013 – uitspraken
Jakob is veroordeeld tot achttien maanden celstraf waarvan een half jaar voorwaardelijk. Hans heeft dertig maanden gekregen.

Twee croissantjes

hij schrok best wel even

crfotoEen dag op de rechtbank loopt nooit op rolletjes.
Wat op het ene moment zo lijkt, blijkt even later helemaal niet zo te zijn.
De enige zekerheid is dat strafzaken (bijna) altijd te laat beginnen.

De strafzaak van de dag is niet die van Manzu die schichtig om zich heenkijkend de rechtszaal betreedt, alle aanwezigen begroet met grote vragende ogen en dan met zijn veel te grote spijkerbroek aan maar gaat zitten.
Manzu heeft last van psychoses, er is sprake van een schizofrene ontwikkeling (werd gezegd) en in de gevangenis ging het niet goed met hem.
Maar nu wel weer, klinkt het bijna blij uit zijn mond, misschien wel blij omdat hem ook eens iets werd gevraagd.

’Op maandag en vrijdag werk ik en ik voetbal elke zaterdag.’

Manzu komt uit Sierra Leone en heeft bij de Albert Heijn twee croissantjes gestolen.
Dat is de verdenking.
De officier van justitie vertelt hoe ze daar bij komt en zegt vervolgens dat het wettig en overtuigend kan worden bewezen.
Manzu zegt dat hij honger had en geen geld en toen de broodjes in zijn jaszak stopte.
Maar de kassa was hij nog niet gepasseerd.
Dus.

De officier van justitie eist een week celstraf.
En omdat hij opnieuw in de fout is gegaan, komen daar de 180 dagen bij die hij in 2012 voorwaardelijk opgelegd had gekregen.
In 2004 was Manzu ook al eens voor een winkeldiefstal veroordeeld.
De drie rechters zeggen dat ze er goed over zullen nadenken en dat ze dan over twee weken uitspraak doen.

De strafzaak van de dag is ook niet die van Wim die agressief wordt wanneer hij alcohol drinkt en cocaïne snuift.
In juli 2009 kreeg Wim in zittingszaal 14 al eens een laatste kans.
Zou hij ooit weer de fout in gaan, dan wacht hem tbs, werd toen dreigend gezegd.
Wim hield zich lang koest, maar eind vorig jaar sloeg hij weer toe.
Een andere officier van justitie: de tbs is het voorland dat lonkt, maar hij krijgt een laatste kans: tien maanden zitten.

Niet de zaak van Leo uit Bedum die inbreekt wanneer zijn dorpsgenoten te kerke gaan.

Ook de zaak van de 20-jarige Lubbe is niet de strafzaak van de dag.
Lubbe wilde nog even naar Dirk, naar zijn kameraad, maar kon de fiets niet vinden.
Dan maar de auto.
Hij had al een paar flesjes bier gehad.
En 28 rijlessen, maar nog geen rijbewijs.
De auto was van zijn vader, maar straks zou het zijn Opel Vectra zijn.
Lubbe had ruzie met zijn vader gehad, omdat hij eens stiekem toch had gereden.
Maar nu, nu was zijn vader er niet.

Bij Dirk tikte hij nog twee flesjes bier weg, ze namen wat bier mee voor in de auto en toen stapte ook Anneke in, Anneke die bloemist wil worden.
Zonder doel, maar met hoge snelheden reden ze richting Stadskanaal.

Getuigen verklaren later dat ze wel met honderd door Stadskanaal scheurden,
maar Lubbe ontkent dat, hij houdt het op zeventig, tachtig.
Maar daarna ging het weer harder, hij schrok ’best wel even’ toen hij 160 op de teller aangewezen zag staan.
Er kwam een flauwe bocht, het rechter wiel graasde door de berm en een fractie van een seconde later was Lubbe alle controle kwijt.
Lubbe: ‘Ik had het gas al losgelaten, ik reed tachtig, vijfentachtig.’
Het Nederlands Forensisch Instituut: minimaal 112, maximaal 144, voor 99 procent zeker.

Wat volgde was een crash tegen bomen over vijftien meter.

Dirk en Anneke werden zwaargewond afgevoerd, Lubbe moest met wat
kneuzingen ter controle naar het ziekenhuis.
Dirk en Anneke zijn nu, ruim een jaar later, nog altijd niet hersteld.
Anneke kan een arm niet meer gebruiken en denkt daarom geen bloemist meer te kunnen worden.
En ons Dirk, vertelt de verdrietige moeder in de rechtszaal, is niet meer ons Dirk van voor het ongeluk.

Lubbe zegt dat hij de bocht verkeerd heeft ingeschat, dat hij sowieso die dag
niet goed had nagedacht.
En dat hij spijt heeft.
De reclassering spreekt van een onbezonnen jeugddaad, maar de officier van justitie kan daar niet mee leven: ’Er is sprake van een opeenvolging van foute beslissingen. Hij heeft nota bene zelfs bier in de auto gedronken.’
Lubbe: ’Maar een paar slokjes.’

Lubbe hoopt stilletjes op een taakstraf.
Om in de rechtszaal goed voor de dag te komen, heeft hij een colbertje aangetrokken.
Het jasje hangt ruim over zijn tengere postuur en is te lang.
Daardoor lijkt het alsof hij een jurkje aan heeft.

Zijn advocaat zegt dat Lubbe een opleiding volgt en werkt.
‘Laat in vredesnaam zijn leven doorgaan en onderbreek dat niet.’

Lubbe zelf heeft dan al de beide handen voor de mond geslagen.
Hij heeft de officier van justitie zojuist horen zeggen dat hij zijn baan en opleiding maar een tijdje moet opschorten omdat hij wat de aanklaagster betreft een jaar naar de gevangenis moet.

Nee, de zaak van de dag is die van het stel, een man, een vrouw, die worden verdacht van ontucht.
Samen zouden ze een meisje van 15 jaar seksueel hebben misbruikt, zij net zo erg als hij.
De voltallige regionale en digitale pers was voor deze pikante zaak komen opdraven, want een 22-jarige ontuchtige vrouw is geen dagelijkse kost, zij is zeg maar gerust een zeldzaamheid in de rechtszaal.

Omdat de zaak van Lubbe een uur langer duurde, begon de zaak van de dag een uur later.
Na een uur wachten was het na nog geen tien minuten voorbij: de strafzaken tegen de man en de vrouw worden over een paar maanden voortgezet.
Eerst moet er een psychiatrisch onderzoek komen naar de ontuchtige vrouw van 22 jaar.
Zij heeft het verstandelijke vermogen van een 7-jarige.

Nooit kun je na een dag op de rechtbank zeggen: dit was een leuke dag.
Maar het is altijd bijzonder.

Rob Zijlstra

.

UPDATE – 30 mei 2013 – uitspraak
De rechtbank heeft vervroegd uitspraak gedaan in de zaak van Manzu: een week celstraf wegens diefstal. Maar geen 180 dagen erbij als bonus. Wel wordt zijn proeftijd met een jaar verlengd. Komt er op neer dat Manzu kort na de uitspraak is vrijgelaten.

UPDATE – 6 juni 2013 – geen uitspraak
De rechtbank heeft geen uitspraak gedaan in de kwestie Lubbe. De rechters willen twee deskundigen aan de tand voelen met betrekking tot de remsporen. Er komt een vervolg in de vorm van een extra zitting. Wanneer is onbekend.

De palingrookton

desoxyribonucleïnezuur

Schermafbeelding 2013-05-17 om 20.07.24Kortom, zegt de officier van justitie nadat zij uitvoerig verhaal heeft gedaan over de feitelijkheden, de verdachte heeft heel wat uit te leggen.
Strafrechtadvocaat Cees Eenhoorn schudt kort het hoofd.
Verontwaardigd: ‘Pardon?’
Hij maakt zich iets groter en zegt dan tegen de rechters: ‘Het lijkt me toch dat het aan het Openbaar Ministerie is te bewijzen dat de verdachte het heeft gedaan. Wat zullen we nou krijgen zeg?’

Verdediging is strijd, strijd om de rechten van de verdachte, noteerde de Berlijnse schrijver en strafrechtadvocaat Ferdinand von Schirach in zijn laatste boek (Schuld, bladzijde 12).
Hij citeert de regel uit het ‘zakboekje van de strafpleiter’.
Niemand hoeft zijn onschuld te bewijzen en dus adviseert Von Schirach – net als advocaten in Nederland – zijn cliënten soms te zwijgen.

Nu is de verdachte in dit verhaal een apart geval.
De kans dat Lionel Messi bij u thuis komt inbreken is net zo groot als de kans dat Gert een prachtig of winnend doelpunt scoort.
Gert is, zegt zijn advocaat Eenhoorn, de ene helft van de dag dronken en de andere helft is hij onder invloed van drugs.
Van Gert moet je, zo wil de verdediger maar zeggen, geen grootse prestaties verwachten.

Gert zwijgt niet, dat is ook nergens voor nodig, want hij kan het zich allemaal niet herinneren.

Zo zou hij vorige maand bij Douglas in de binnenstad van Groningen parfums hebben gestolen.
Een medewerkster zag een manspersoon flesjes uit de graaibak met aanbiedingen stelen.
De winkeldief gaf het gestolen goed aan een ander die er met het waar vandoor ging.
Bij bakker Bart werd Gert aangehouden, met de parfums.

Gert haalt de schouders op, terwijl hij met de linker hand zijn rechterbovenarm aan het kneden is, en zegt: ‘Ik kan mij daar niets van herinneren. Ik kom in supermarkten, maar nooit in Douglas.’

Gert zou hebben ingebroken in een woning in Groningen, in juni 2011.
Laptops, telefoons, de dvd-speler, portemonnee met geld en pasjes, duur horloge, iPod, videocamera’s, een TomTom, rekenmachine, spelcomputer, alles weg.
Zo ook de autosleutels en de zwarte BMW 320 voor de deur.

Gert: ‘Nee.’
Rechters: ‘De auto is teruggevonden. In de asbak lagen twee sigarettenpeuken. Met daarop uw DNA.’
Gert: ‘Ik zit vaak bij mensen in de auto en ik ben een sterk verslaafde roker. Met die inbraak heb ik niets te maken.’

De rechters hebben nog iets.
Jawel, antwoordt Gert, bij het Leekstermeer komt hij wel eens, af en toe.
Ja, klopt ook, zegt hij, zijn moeder heeft daar een vakantiehuisje.
Bij dat huisje stond een palingrookton te koop.
De koper maakte de ton schoon en vond onderin de ton een portemonnee zonder geld maar met pasjes.
Van de man bij wie in juni 2011 was ingebroken, de man ook van de BMW 320.

Rechters: ‘Hoe kan dat nou?’
Gert: ‘Zou het niet weten.’
Rechters: ‘Nee, nee, dit moet u echt wel weten. Of heeft uw moeder het gedaan?’

Misschien denkt Gert nu wel, ik ga gewoon zo door, er komt vanzelf een einde aan zo’n rechtszaak.

Er was een man met autopech, ter hoogte van Knol’s Koek.
De auto werd aangeduwd en een straat verder sloeg de motor aan.
Terwijl de motor draaide, ging de eigenaar even ergens naar binnen om iets te halen.
Binnen zag hij hoe iemand anders in zijn auto stapte en er mee wegreed.
Gert: ‘Nee.’
Maar de rode Opel Astra werd een paar dagen later gevonden met lege blikjes bier en cola waarop DNA-sporen zaten.
Van Gert.
Gert: ‘Ik leen vaak auto’s.’

Er was ingebroken in een woning in Bedum.
En ondanks dat dat gebeurde gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, had een buurvrouw twee mannen gezien.
In de tuin werd een vreemde rugtas gevonden met daarin een breekijzer.
Op de tas zat DNA-materiaal van Jan.
Jan werd aangehouden en verklaarde dat hij de inbraak samen met Gert had gepleegd. Gert: ‘Dat is niet leuk dat Jan dat zegt. Ik heb ruzie met hem.’

Rechters: ‘Drinkt u wel eens blikjes bier die je bij de Albert Heijn kunt kopen?’
Gert ontkent het niet.
Rechters: ‘Zo’n blikje is aangetroffen in het pand van studentenvereniging Vindicat aan de Grote Markt. Nadat daar was ingebroken. Anderen zeggen dat u daar aan mee heeft gedaan.’
Gert: ‘Lijkt me sterk.’
Rechters: ‘Op dat bierblikje zat uw DNA.’
Gert: ‘Dat is dan heel toevallig.’
Rechters: ‘U weet het niet meer?’
Gert: ‘Dat blijkt wel ja.’

Het was getuigen opgevallen dat Gert op de avond van die inbraak geld had en grijze schoenen terwijl hij normaal nooit geld heeft en bruine schoenen.
Iemand had hem die avond ook zien fietsen met beeldschermen.
Bij Vindicat waren beeldschermen gestolen, kratten bier, beelden van olifanten en grijze schoenen.
Gert: ‘Niks mee te maken.’

De officier van justitie: ‘De verdachte moet worden vrijgesproken van de diefstal van de olifanten. Het overige acht ik wettig en overtuigend bewezen en ik verzoek uw rechtbank verdachte te veroordelen tot 18 maanden gevangenisstraf waarvan 9 maanden voorwaardelijk.’

De advocaat zegt dat het DNA aantoont dat verdachte mogelijk in die auto’s heeft gezeten, maar dat het DNA hem bij geen van de feiten op de plek van de diefstal brengt.
De advocaat heeft natuurlijk gelijk.
Maar Gert is wel een apart geval en vaker veroordeeld voor zulks.

Je kunt het ook omdraaien.
Dus dat de kans vrij groot is dat als Messie scoort, Gert aan het stelen of inbreken is.

Rob Zijlstra

• Ferdinand von Schirach
• Cees Eenhoorn

.

UPDATE – 30 mei 2013 – uitspraak
Gert is veroordeeld, maar heeft niet de volle mep gekregen. Wel: 6 maanden waarvan 3 voorwaardelijk.  De rechtbank acht minder feiten bewezen  dan de officier van justitie doet.  Een en ander betekent dat Gert op vrije voeten is.

– de rechtbank heeft het vonnis niet gepubliceerd

Onbevreesd en onschuldig

kebabWie niets heeft gedaan, heeft niets te vrezen.
Zeg dat maar een keertje tegen de 22-jarige Mario als hij weer vrij is.
Hij heeft niets gedaan en toch zit hij een half jaar in de gevangenis.
Hoe kan dat dan?
Omdat drie anderen beweren dat hij wel iets heeft gedaan.

Mario had bij de BIM getankt en wilde nog een broodje kebab scoren voordat hij naar huis zou gaan.
Hij parkeerde de auto voor de broodjeszaak op de stoep.
Mag niet, maar toe maar.
Op de stoep stonden drie studenten, om zes uur in de ochtend.

Ze schrokken zich broodnuchter een ongeluk.
De auto stopte op luttele centimeters voor hen.
Een dikke meter, zegt Mario.
Met piepende remmen, beweren de studenten.
Mario: ‘Ik remde netjes. Er waren geen remsporen.’

Kortom, er was op de nog vroege zondagochtend bij een broodjeshuis in de binnenstad van Groningen een opstootje.
De studenten noemden Mario met zijn gevaarlijk rijgedrag een kut-neger.
Mario zei op zijn beurt: ‘fuck you‘ en bestelde binnen een broodje.
Toen hij weer buiten kwam, stonden de drie studenten hem op te wachten.

Mario zou toen eerst met een mes hebben gezwaaid en vervolgens hebben geprobeerd hen met zijn auto dood te rijden.
Dat zeggen de studenten.
Mario ontkent dat.
Zegt: ‘Er reed een politieauto voorbij. Als het waar is wat ze zeggen, waarom sloegen ze toen geen alarm?’
Hij zegt dat er ook geen mes is gevonden. ‘Want er was geen mes, er was alleen een woordenwisseling.’

De studenten deden aangifte en Mario werd een uur na het gedonder thuis aangehouden.
Dit alles gebeurde op 23 september 2012.
Mario zit sindsdien vast.

De officier van justitie zegt dat hij moet kiezen.
Hij kiest voor de waarheid van de studenten omdat de situatie dankzij Mario met zijn strafblad is geëscaleerd.
Hij baseert zich op de verklaringen van het drietal, ander bewijs is er niet.
Mario kan in z’n eentje zeggen wat hij wil, drie weten nu eenmaal meer dan één.

De officier van justitie (‘er is hier behoefte aan vergelding’) komt met een stevige eis wegens bedreiging en een poging tot zware mishandeling: 365 dagen gevangenisstraf waarvan 172 dagen voorwaardelijk.
Op de dag van de uitspraak – over twee weken – heeft Mario dan precies 193 dagen achter slot en grendel gezeten.
Dat mag voldoende zijn.
Daarnaast een taakstraf van 240 uur.
En een rijontzegging van anderhalf jaar vanwege de auto op de stoep.
En aan een van de studenten (die psychische hulp had ingeroepen) moet hij 750 euro betalen.

Zo gevaarlijk kan het, als je niets te vrezen hebt, in de rechtszaal dus zijn.

Het kan ook anders.
Er bestaan verdachten die wel iets hebben gedaan, maar ook dan niets te vrezen hebben.
Dennis is zo iemand.
Hij is net als Mario 22 jaar en zit al heel zijn leven in de criminaliteit zegt hij.
Hij zit vaker in de gevangenis dan hij buiten is.

Hij zegt tegen de rechters: ‘Ik ben gelukkig.’
Een van de rechters: ‘U heeft problemen, want u zit weer vast en tegenover mij.’

De reclassering meldt dat Dennis iemand is die zich nergens druk over maakt en zijn eigen manieren heeft om geld te maken.
De gemiddelde mens zou er gek van worden, maar hij vindt het allemaal wel prima.

Dennis zou drie woninginbraken hebben gepleegd en twee keer hebben gestolen in winkels.
Hij bekent alleen de diefstal van een flesje eau de toilette bij Aktie Maxi.
Dat spul had hij geruild voor een beetje heroïne.
Maar negen pakken luiers bij de Kruidvat?
Ja of nee?
Dennis beroept zich op het zwijgrecht, dat lijkt hem beter.

In een woning waar was ingebroken – een studentenwoning, laptop weg – was een bloedspoor gevonden.
DNA. Van Dennis.
Dennis vraagt aan de rechters: ‘Moet ik de waarheid spreken?’
Rechters: ‘Nee, maar het wordt wel op prijs gesteld.’

Dennis zegt: ‘Eens woonde daar een vriendinnetje van mij. Dan kwam ik daar wel eens. Dat moet de verklaring zijn.’
Er was een spoor aangetroffen op een regenpijp die was gebruikt om via een raam in een andere woning te komen.
Spoor van Dennis.
Hij zegt dat hij wel eens in die regenpijp klimt.
Naast dat huis waar is ingebroken woont een dealer en daar komt hij wel.
‘Dan klim ik eerst in de regenpijp om op het raam te kunnen kloppen.’

In de derde woning stond een fles op het aanrecht, een fles die voor de inbraak nog in de koelkast stond.
Uit de fles was gedronken. Speeksel. DNA.
Jawel, rapporteert het NFI: ”t Is weer Dennis.’

Dennis: ‘Ik was die avond op stap met een kennis. Hij wilde een woning doen, ik wilde niet mee. Ik zat toen een half uurtje in een cafetaria. Daarna ben ik even gaan kijken, hij had alles over de kop gehaald. Ik heb toen een slok uit die fles genomen en ben weggegaan. Ik heb dus niet ingebroken of iets gestolen.’

De officier van justitie, droogjes: ‘Meneer overtuigt mij niet van zijn onschuld.’
De officier van justitie noemt Dennis een notoire inbreker op het foute pad die niet van goede wil is.
De advocaat smeekt (bijna) om Dennis een aller-, aller-, allerlaatste kans te geven.
De officier van justitie piekert er niet over.

Even later verlaat Dennis de rechtszaal met een strafeis van 23 maanden cel aan de broek.
Onbevreesd, want in zijn hoofd onschuldig.

Rob Zijlstra

.

UPDATE  – 4 april 2013 – uitspraken
Mario is veroordeeld, want schuldig, vinden de rechters. Schuldig aan bedreiging, mishandeling en aan de overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994. Dat leverde hem 370 dagen celstraf op waarvan 172 dagen voorwaardelijk. Dat betekent dat Mario vandaag de gevangenis mag verlaten waarna een rijontzegging van 12 maanden in werking treedt.  Aan een van de slachtoffers moet hij 550 euro betalen.

Dennis moet een jaar zitten. De rechtbank acht vier van de vijf diefstallen bewezen.