Twee spelende meisjes [3]

GASTBLOGGER

De strafzaak rond de automobilist die in Wildervank

twee 10-jarige meisjes doodreed, heeft tot veel reacties geleid,

zowel hier als op andere plekken op het internet.

De meningen lopen uiteen. Zo is er begrip,

maar ook veel ongeloof en verontwaardiging over het feit

dat tegen de verdachte een taakstraf is geëist.

Ik heb mr. dr. Nico Kwakman, universitair docent straf(proces)recht,

verbonden aan de Rijksuniversiteit Groningen,

gevraagd zijn visie te geven.

Als gastblogger.

Dit is zijn verhaal:

Twee verkeersslachtoffertjes. De verschrikkelijke gevolgen van een moment van onoplettendheid. Het ergste wat een automobilist kan overkomen. Hoewel: niet te vergelijken natuurlijk met het verdriet dat de ouders is aangedaan en dat ze hun hele verdere leven met zich mee moeten dragen.

Voor de ouders van de slachtoffertjes kan het misschien nog een beetje helpen dat de veroorzaker van het ongeval strafrechtelijk stevig wordt aangepakt, zodat hij in ieder geval goed beseft wat hij heeft aangericht.
Maar toch: het strafrecht biedt niet altijd de uitkomst die beantwoordt aan het rechtvaardigheidsgevoel van de meesten van ons. Want voor de vraag of en hoe zwaar de veroorzaker van het ongeval moet worden gestraft, is niet doorslaggevend hoe ernstig de gevolgen zijn, hoeveel verdriet het slachtoffer of de nabestaande is aangedaan, of hoezeer we met zijn allen meeleven met de ouders.

Voor strafbaarheid is nodig dat de dader echt iets kan worden verweten. Voor verkeersongevallen waarbij slachtoffers zijn gevallen, betekent dit dat de rechter moet nagaan of er bijvoorbeeld opzet in het spel was. En zo niet, of de verdachte dan tenminste ‘aanmerkelijk onvoorzichtig’ heeft gehandeld.

Het strafrecht kent – in tegenstelling tot het civiele recht – geen ‘risico-aansprakelijkheid’. In het civiele recht kan het nog gebeuren dat je aansprakelijk wordt gesteld voor de gevolgen van je handelen zonder dat je ‘er iets aan kon doen’.

Zo is de automobilist al bij voorbaat aansprakelijk voor een groot deel van de schade als hij een fietser aanrijdt, of hij nu schuld had of niet. Hoewel het in het algemeen een verzekeringskwestie is, vinden de meeste automobilisten dat erg onrechtvaardig. Hoe dan ook, met deze risico-aansprakelijkheid wordt beoogd de zwakkere verkeersdeelnemers, zoals kinderen, te beschermen.
Een reden dus om extra alert en voorzichtig te zijn in het verkeer, met name ten opzichte van kwetsbare verkeersdeelnemers.

In het strafrecht, waarbij het niet in de eerste plaats draait om schadevergoeding maar om het ‘toevoegen van extra leed’ aan de dader, om afstraffing van de dader dus, is schuld en verwijtbaarheid wel een voorwaarde.

De hoogste rechter (de Hoge Raad) heeft uitgemaakt dat als het gaat om niet-opzettelijke verkeersdelicten, er moet worden gekeken naar de ernst van de nalatigheid, rekening houdend met alle omstandigheden van het geval. Dat wil zeggen dat de ernst van de nalatigheid, en niet de ernst van de gevolgen, daarbij – volgens de Hoge Raad – voorop staat.

Rob Zijlstra formuleert het in zijn column Twee spelende meisjes [2] zo:

‘De wet zegt dat bij de beoordeling van dit soort zaken gekeken moet worden naar de gedragingen, in dit geval van de bestuurder van de auto.
En niet naar de trieste gevolgen van die gedragingen.
Dat we de zaak niet ernstiger moeten beoordelen omdat twee vrolijke meisjes nu vreselijk dood zijn.

Dat klinkt bijna kil.
Maar misschien is dat wel de waarheid.
De lelijkste waarheid.
Een waarheid die zo lelijk is dat we die slechts kunnen verdragen als we een schuldige kunnen aanwijzen”.

Maar is die waarheid wel zo lelijk als het op het eerste gezicht lijkt?
Daarvoor moeten we even terug in de tijd.

In het Oud-Germaanse recht kenden we de zogenaamde Erfolghaftung. Als iemand een ander schade had berokkend, of bijvoorbeeld de dood van een ander had veroorzaakt, hadden de naasten van het slachtoffer het recht de veroorzaker daarvoor bestraffen. Of hij er nu iets aan kon doen of niet. Het ging daarbij slechts om de ernst van de gevolgen die de verdachte (schuldig of niet) teweeg had gebracht. De dader werd in dat geval met gelijke munt betaald: oog om oog, tand om tand.

Dat leverde soms grote maatschappelijke onrust op en vaak diepgewortelde vetes tussen stammen en families.
Uiteindelijk heeft de overheid het recht om te straffen naar zich toegetrokken. Daarmee voorkwam de overheid dat ongebreidelde vergelding- en wraakgevoelens tot openbare ordeproblemen en een onleefbare samenleving zouden leiden.

De gedachte was dat de overheid zich minder zou laten leiden door deze (op zichzelf heel begrijpelijke) wraakgevoelens en zich meer zou beijveren om de strafbaarheid van daders te onderwerpen aan zo objectief mogelijke regels. Zodat de grenzen van een redelijke vergelding niet werden overschreden. Van de directe slachtoffers mocht je immers niet verwachten dat die voldoende afstand konden nemen van hun verdriet of van hun woede om zich in te kunnen leven in de positie van de daders en tot de conclusie te komen dat die er soms ook niet zoveel aan konden doen.

Immers, is niet iedereen tijdens het rijden wel eens wat afwezig? En moet degene die de pech heeft daardoor een ernstig gevolg te veroorzaken, voor dat moment van onachtzaamheid steeds op de zwaarst mogelijke manier strafrechtelijk worden afgerekend?

Kortom: voor risicoaansprakelijkheid was en is in het strafrecht geen plaats. Algemeen werd en wordt aanvaard dat voor straffen een bepaalde (aanmerkelijke) mate van schuld nodig is: geen straf zonder schuld.
Daarmee heeft het strafrecht de functie gekregen van een garantie tegen mateloosheid tegenover de verdachte. Zelfs als die mateloosheid voort zou vloeien uit solidariteit met het slachtoffer.

Het gaat dus niet in de eerste plaats om ‘straf’recht, maar om straf‘recht’.

Dat wil zeggen dat het straffen van burgers aan strikte rechtsregels is gebonden, vooral als het gaat om zaken waarbij veel op het spel staat. Daarmee wordt voorkomen dat de vergeldingsbehoefte in de samenleving ontaardt in redeloze wraak, in volksgerichten of andere vormen van eigenrichting.

Ook al is toe te juichen dat er in het strafrecht steeds meer rekening wordt gehouden met de belangen van slachtoffers van delicten, dat mag niet leiden tot een terugkeer naar het Oud-Germaanse (straf)recht.
Echt rechtvaardig recht biedt de beste garantie dat er straffen worden opgelegd die zo precies mogelijk passen bij de mate van schuld en verwijtbaarheid van de verdachte, bij de omstandigheden van het geval en, vooruit, waarbij ook enigszins rekening wordt gehouden met de ernst van de gevolgen en de impact die deze gevolgen hebben op de samenleving.

Maar de ernst van de gevolgen mag daarbij niet voorop staan, hoe moeilijk dat soms ook is te verkroppen.

Nico Kwakman

over Nico Kwakman

op 21 maart heeft de rechtbank Groningen in deze zaak vonnis gewezen: vrijspraak (zie hier)