Niet chill

‘Het is alweer een tijdje geleden.
Is het nu nog opportuun
een meppende vader
langdurig naar de
gevangenis te sturen?’

Een schandaal. Een ander woord kan ik er niet voor verzinnen, hooguit kan ik er iets aan toevoegen: een grof schandaal. Want hoe anders moet het heten wanneer de machtige mannen en vrouwen van het Openbaar Ministerie drie kwetsbare kinderen in de steek laten?

Misschien hadden wij van de krant het anders moeten doen, hadden wij het verhaal groot op de voorpagina moeten plaatsen, hadden wij Tweede Kamerleden deelgenoot moeten maken – soms doen journalisten dat – opdat leden vragen hadden kunnen stellen aan de verantwoordelijke minister. Nu gebeurt er waarschijnlijk helemaal niks, ja dit stukje gebeurt, hier en weggestopt in een rubriek in de weekendkrant.

De verdachten in dit nare verhaal zijn Jeroen en Eva, een stel.
Hij is 48 en zijn baan kwijt, zij, 36, heeft een leidinggevende functie in de ict.
Jeroen heeft drie kinderen en een ex.
Eva is de nieuwe partner en daarmee de stiefmoeder.
Samen hebben ze een kind dat uit huis is geplaatst.

Ze zouden de drie kinderen van Jeroen stelselmatig hebben mishandeld. Hard slaan. Met vlakke hand en vuist. Schoppen. Met de schoenen aan, of de klompen, de keel dichtdrukken, hij met dagelijks een stuk in de kraag. Altijd schreeuwen. De gezichten van de kinderen in het bord met warm eten duwen. Heel gemeen knijpen. Steevast heetten de kinderen ‘vieze vuile tyfuskinderen’ of werden ze met ’luie varkens’ aangesproken. Dit zijn de verdenkingen die bewezen moeten worden.

In 2009 zijn er vermoedens van kindermishandeling. Het jongste kind is dan 5 jaar, de oudste 11. De biologische moeder – nu de ex – doet aangifte. Er wordt gepraat, vader Jeroen moet op het politiebureau komen, maar daar blijft het bij. In 2010 volgt een sepot.

In juli 2012 begint de politie na nieuwe signalen opnieuw een onderzoek. In mei 2013 volgt de aangifte door de oudste dochter die nu 18 jaar is. In november 2014 wordt vader Jeroen aangehouden. In 2015 draagt de politie het onderzoeksdossier over aan het Openbaar Ministerie dat besluit de zaak aan de rechtbank voor te leggen. Afgelopen maandag (oktober 2016) gebeurde dat. Eindelijk.

Vader Jeroen
weet waarom,
het is een complot

Ze ontkennen. Vader Jeroen vertelt dat er in het gezin maar een probleem was: de fantasiewereld waarin zijn kinderen leven. Ze liegen en bedreigen, de middelste steelt. Vader Jeroen weet waarom: het is een complot, aangevoerd door die doortrapte lelijke ex van hem. De advocaat vertelt aan de rechters dat Jeroen en Eva zich nu erg onveilig voelen met die raaskallende rotkinderen.

Maar de onderhuidse bloedingen, overal op het lichaam, dan?
De blauwe oren?
Deden ze zelf, zegt Jeroen, ‘ze verwondden zichzelf.’
De buren hoorden vaak geschreeuw.
Jeroen: ‘Wij hebben geen contact met de buren.’
Op de camping belden gasten met het meldpunt kindermishandeling toen ze zagen hoe Jeroen en Eva met de kinderen omgingen.
‘Onzin.’
Op de hondenclub werd Eva aangesproken op haar gedrag.
‘Ja, ik foeterde wel eens.’

Zo ging het een hele ochtend door. Halverwege haakt Jeroen af. Hij loopt onwel de rechtszaal uit en verschanst zich in een nabij het gerechtsgebouw gelegen hotellobby. ‘Hij kan het niet meer aan’, zegt Eva. Zij wel. Ze zegt: ‘Ik ben een sterke vrouw.’ Het verhaal wil dat ook zij door Jeroen wordt mishandeld. Ze vraagt: ‘Wat is geweld? Stemverheffing? Is dat geweld?’ Ze spreekt het tegen.

Heftig, zegt de officier van justitie.
Punt is dat ze de poging tot doodslag (voet op de keel) niet kan bewijzen.
De mishandelingen wel.
Nog een punt: het tijdsverloop.
De aanklager hardop: ‘Het is alweer een tijdje geleden. Is het nu nog opportuun een meppende vader langdurig naar de gevangenis te sturen?’
Haar eigen antwoord: ‘Hadden wij deze zaak eerder aan de rechtbank voorgelegd, dan was daarover geen twijfel geweest. Nu wel.’

De eis tegen Jeroen luidt 6 maanden cel. In deze eis is een strafkorting verwerkt omdat de man als verdachte lange tijd in onzekerheid heeft gezeten. Om soortgelijke reden hoeft de stiefmoeder niet naar het gevang wat het aanklager betreft. De stiefmoeder hoort een werkstraf van 200 uur eisen.

Naast mij stromen voortdurend de tranen van de oudste dochter die probeert het allemaal te begrijpen.

Ik zou het nooit zo opschrijven als dit een incident was. Maar dat is het niet. Er worden veel oude zaken (ouder dan twee jaar) aan rechters voorgelegd. Maar waarom ook deze zaak, waarin kinderen zo ontzettend slachtoffer zijn? De officier van justitie heeft het niet nodig gevonden het in de rechtszaal uit te leggen.

Ik bel het Openbaar Ministerie: een onderzoek dat begint in 2012, een aangifte in 2013, in 2014 een aanhouding en dan pas eind 2016 een strafzaak met strafkorting. Een zaak waarin kwetsbare kinderen aangifte hebben gedaan tegen hun ouders – hoe heftig moet het zijn wil het Openbaar Ministerie voortvarend te werk gaan?

Voorlichters
kunnen er ook
niets aan doen

De voorlichter van het Openbaar Ministerie Noord-Nederland zegt namens heel de organisatie dat het niet goed te praten valt, dat er inschattingsfouten zijn gemaakt en dat dit niet wenselijk is, gevolgd door een diepe zucht.
Voorlichters kunnen er ook niets aan doen.

Na Jeroen en Eva is Tijs aan de beurt. In deze strafzaak is alles andersom. Tijs, 18 jaar, staat zijn moeder en haar nieuwe vriend naar het leven. Zoonlief vernielt autobanden, is gewelddadig en hij eist onder heftige bedreigingen (‘ik snij jullie de hals af’) voortdurend geld omdat hij meent dat moeder zijn drugs moet betalen. De politie kan weinig doen, Tijs negeert huisverboden. Moeder: ‘We lopen 24 uur per dag, week in week uit, maand in maand uit, op eieren, altijd zijn we bang.’

Net als ik denk dat de portie ellende die deze dag brengt de Arbo-normen overschrijdt, gebeurt er iets.
Tijs vertelt dat hij van de drugs afblijft, dat hij zich nu beter voelt en dat hij zich verschrikkelijk schaamt, omdat het niet chill is dat hij zo lelijk tegen zijn moeder die het beste met hem voorheeft, heeft gedaan.
Hij klinkt oprecht.

Dan leest de moeder van Tijs in de rechtszaal een brief voor die ze zelf heeft geschreven.
Ze legt uit waarom ze aangifte heeft gedaan tegen haar eigen zoon en hoe vreselijk moeilijk dat is.
Maar dat het niet anders kon.
Niet tegen de rechters, maar tegen haar zoon zegt ze: ‘Jij hoeft niet te veranderen, wel je gedrag. Jij mag er zijn.’

Het wordt even stil in de rechtszaal.
Dan zegt Tijs: ‘Dat vind ik lief.’
Hij krijgt hulp en redt het wel.

Nu het Openbaar Ministerie nog.

Rob Zijlstra

 

update – 14 november 2016
Tijs kreeg een straf conform de eis: 120 dagen waarvan 71 voorwaardelijk. Wat overblijft heeft hij al gezeten. De rechtbank heeft het jeugdstrafrecht toegepast. Ook dat is lief.

Ook voor Jeroen zijn de rechters mild, misschien wel omdat het de week van de kindermishandeling is. Hij kreeg 8 maanden waarvan 4 voorwaardelijk in plaats van 12 waarvan 6 voorwaardelijk. Het verschil zit in de kwalificatie: de rechters achten de poging tot doodslag (voet op de keel) niet bewezen. Voor de zwaarste aanklacht wordt hij dus vrijgesproken wat een consequenties heeft voor de hoogte van de straf. Wel bewezen: mishandeling. Eva is eveneens veroordeeld wegens mishandeling en kreeg wel de geëiste 200 uur werkstraf en 3 maanden voorwaardelijk.

 het vervolg van deze zaak: niet chill  2 

 

 

De laatste dag

‘Dat ga ik niet betalen,
ik ben een arme man.’

 

Louis zegt dat het waar is, dat het klopt dat hij met een bakje water heeft gegooid.
Wat hij niet begrijpt is dat hij daarvoor nu al negentig dagen in de gevangenis zit.
Aan het einde van de strafzaak zegt Louis dat hij erg is geschrokken, geschrokken van de strafeis: twaalf maanden celstraf.
Dat is een jaar.
Voor zoiets.
Hij lacht, maar dat zullen de zenuwen wezen.

Louis is een grote man van 36 jaar die sterk oogt.
De relatie die hij al jaren heeft met zijn vriendin hangt nauw samen met zijn strafblad.
Het staat bol van het huiselijk geweld.
Zij is stripper en daar is hij het niet altijd mee eens.
Ze hebben vaak ruzie.
Louis wil in de rechtszaal wel even tegen de rechters gezegd hebben dat hij geen vrouwen slaat.
In ieder geval niet zoals mannen doen in een mannengevecht, dus met vuisten.
Wat hij met zijn vriendin doet, is meer duwen en trekken.

Dat duw- en trekwerk had er hoe dan ook toe geleid dat Louis een tijdje niet bij haar thuis mocht komen.
Hij had in het kader van de Wet tijdelijk huisverbod (artikel 11, lid 1) een tijdelijk huisverbod gekregen.
Op de laatste dag van het verbod was hij toch naar haar toe gegaan.
Tegen de rechters: ‘Het was heel stil in de straat. Niemand wist dat ik daar was. En we hadden geen problemen meer met elkaar. Niemand had last van ons.’
Rechters: ‘Maar u wist dus dat u er niet mocht komen en dat u in overtreding was door er toch te zijn. Wat deed u daar eigenijk?’
Louis (glimlacht): ‘Knuffelen.’

Wie, werd in de rechtszaal niet verteld, maar iemand belde die nacht de politie en meldde dat Louis bij zijn vriendin was en dat dat niet mocht.
Politie-agenten keken elkaar aan en in plaats van te gaan staken werd besloten tot onmiddellijke actie.
Met de rammeneur (een stuk ijzer met handvaten om een deur mee open te rammen, elders in het land ook wel Bonkie genoemd) in de kofferbak reden de agenten nog diezelfde nacht naar de woning van de vriendin.

Eerst belden ze aan.
Louis keek uit het raam en zag van drie hoog dat het de politie was.
Hij en zijn vriendin beseften dat de laatste dag nog niet was verstreken.
Ze besloten de deur niet te openen.
Louis: ’We hielden ons stil. Ik dacht, misschien gaan ze dan wel weg.’
Maar na tien minuten hoorden ze de rammeneur op de voordeur bonken.
Louis: ‘De vrouw raakte vol stress en ik opgefokt, de hele sfeer was opgefokt. Ik vond het zo brutaal dat ze kwamen. Alsof ik een crimineel ben. Ik riep naar beneden, als jullie me willen, kom me dan maar halen.’

Op de tafel stond een teiltje met water.
Louis: ‘Iedereen schreeuwde. Ik hoorde honden blaffen. Ik zag een agent vol adrenaline. En ze gingen maar door. Toen heb ik dat bakje gepakt en er mee gegooid, door het raam naar beneden. Het was half vol. Het was een reactie. Ik dacht er niet bij na.’

De rechters: ‘Er zat chloor in dat bakje.’
De officier van justitie: ‘Een bijtende vloeistof.’
De rechters: ‘En het kwam vol in het gezicht van een agent.’
De officier van justitie: ‘Een poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij een ambtenaar gedurende de rechtmatige uitoefening van zijn bediening.’
Louis: ‘Het was een schoonmaaksopje.’
De officier van justitie: ‘Op het aanrecht stonden twee flessen chloor van het Albert Heijn-merk. Een van de flessen was leeg. Twaalf maanden gevangenisstraf.’
Louis, geschrokken: ‘Dat is een jaar.’

Volgens Louis zat er meer water in het teiltje dan chloor, meer water dan dikbleek.
Het bakje stond er al een hele tijd.
Het stond op tafel.
Zijn vriendin had er die middag het tafelblad, een tafelblad van glas, mee schoongemaakt.
Louis: ‘Het rook wel, maar het rook vooral muf.’
Tegen de rechter: ‘U bent vrouw, u maakt ook schoon. Als je dikbleek en water bij elkaar doet, dan ruikt dat heel sterk. Dit niet.’

Louis had na het gooien wel direct in de gaten dat het foute boel was.
Kort voordat hij in de boeien werd geslagen, wist hij nog zijn moeder te bellen.
Hij liet haar weten dat hij er even tussenuit moest, dat hij een tijdje op vakantie zou gaan.

De getroffen politieman werd naar de spoedpoli gebracht waar artsen vaststelden dat de agent van geluk mocht spreken, dat het letsel erger had kunnen zijn.
Het rechteroog bezorgt nog wel last.
In de rechtszaal eiste de agent een schadevergoeding van duizend euro.
Louis was daar duidelijk over.
Tegen de rechters: ‘Dat ga ik niet betalen, ik ben een arme man.’

Mocht Louis worden veroordeeld – de rechters moeten nog uitspraak doen – dan is de kans groot dat hij in het gevang Michel tegenkomt.
Michel werd in dezelfde nacht opgepakt als Louis en stond deze week ook terecht.
Ook hem wordt verweten dat hij heeft geprobeerd iemand zwaar lichamelijk letsel toe te brengen.
Niet met een ‘bakje water’ maar met een klap waarmee je op de Olympische Spelen (stel dat) zonder twijfel goud zou halen.
Die gigantische klap, uitgedeeld voor de cafés van de Peperstraat in Groningen, is geregistreerd, de camerabeelden werden in de rechtszaal getoond.

Te zien is hoe het slachtoffer geen schijn van kans had, hij ging gestrekt tegen de grond waar hij twintig minuten buiten bewustzijn en in de regen lag te wachten op de komst van een ambulance.
In de rechtszaal durft Michel niet naar de bewegende beelden van zichzelf te kijken.
Hij noemt het slachtoffer een vervelende vent die zogezegd grappig doet en fietsen steelt.
Zegt: ’Toch had het niet mogen gebeuren. Het is te erg.’

Aan de rechters wordt voorgesteld dat hij, behalve vier maanden brommen in een cel, een locatieverbod krijgt voor een groot deel van de binnenstad.
Hij mag dan drie jaar lang niet in het uitgaansgebied van Groningen komen.
Michel ziet dat wel zitten: ‘Als ik uitga, krijg ik problemen. Dat wil ik niet.’

Zegt Louis op de luchtplaats tegen zijn medegedetineerde: ‘Ik had een huisverbod.’
Michel: ‘Ik mag straks drie jaar lang niet in de binnenstad van Groningen komen.’
Louis: ‘Ai. Oppassen. Niet denken, nu is het de laatste dag, nu kan het wel weer.’
Michel: ‘Hoezo?’
Louis: ‘Ach, dat is een lang verhaal.’

Rob Zijlstra

update – 5 oktober 2015 – uitspraken
Louis is tot 6 maanden celstraf veroordeeld. Hij is vrijgesproken voor de poging tot zware mishandeling. Een bakje chloorwater is een ondeugdelijk middel, vindt de rechtbank. Ui het dossier blijkt niet dat met het sopje zwaar letsel kan worden toegebracht. Er is wel sprake van een eenvoudige mishandeling. De agent krijgt 500 euro.
Michel is veroordeeld tot 240 dagen celstraf waarvan 222 voorwaardelijk, een werkstraf van 240 uur en een gebiedsverbod gedurende de proeftijd. Geen drie jaar, zoals de officier van justitie vorderde, maar 5 jaar.

Daniella – uitspraken

update – uitspraken

Geert W. is veroordeeld tot 18 jaar celstraf en tbs met dwangverpleging wegens moord en pogingen tot moord. De straf valt 4 jaar hoger uit dan de eis. > de rechter [wav.]
Karin S. is veroordeeld tot 8 jaar celstraf wegens medeplichtigheid aan moord en medeplichtigheid aan pogingen tot doodslag. Tegen haar was 4 jaar geëist.

In beide gevallen zegt de rechtbank dat de strafeisen geen recht doen aan de ernst van de feiten.
Klik op de onderstaande afbeeldingen om de vonnissen te lezen.

vonnis karin s (klik)

vonnis karin s

vonnis geert w (klik)

vonnis geert w

om te begrijpen is hij
tot monster gemaakt

tekening: annet zuurveen (fragment)

tekening: annet zuurveen (fragment)

De rechtbank doet vandaag (13.00 uur) uitspraak in een van de meest bizarre strafzaken in jaren in Groningen: de zaak Daniëlla.

De zaak Daniëlla is een strafzaak.
Een zaak met een strafdossier.
Een zaak die door de politie is onderzocht.
Een zaak met een strafproces in een rechtszaal die vier dagen duurde, met twee verdachten, met deskundigen, veel media-aandacht en afschuw.
Een zaak die zich alleen laat vergelijken met andere afschuwelijke zaken.
Een zaak die mensen heeft geraakt.

Daniëlla zelf was geen zaak.
Daniëlla was een vrouw van 20 jaar, een jonge vrouw met een verstandelijke beperking.
Net als haar twee jongere broertjes.
Ze woonde in instellingen, in het weekeinde was ze thuis bij haar zwakbegaafde moeder die na jaren weer een relatie kreeg met een zwakbegaafde man die ze had leren kennen toen hij nog in de gevangenis zat vanwege het seksueel misbruiken van kinderen in zijn vorige relatie.

Die man heet Geert, 46 jaar.
In de rechtszaal zit hij als een verschrompeld hoopje mens, bevend en angstig, het hoofd vooral gebogen, te zwijgen.
De weinige woorden die hij zal spreken (’t was niet de bedoeling’) kosten hem zichtbaar moeite.
Het is bijna niet voor te stellen dat deze man buiten de rechtszaal zoveel angst inboezemde.
Om te begrijpen is hij tot monster gemaakt.

De zwakbegaafde moeder is Karin, 50 jaar.
Ze praat en praat, een hele procesdag vol.
In het laatste woord toont ze zuinige emoties.
Ze deed niks toen Geert haar dochter misbruikte en misbruikte en ze deed niks toen hij aankondigde dat hij Daniëlla dood ging slaan met een knuppel en een kapotte stoel.

Moeders moeten dan wel wat doen, sprak de officier van justitie.
Ze zei: ‘Maar Karin offerde haar kind op voor haar relatie met Geert.’
Het is bijna niet de geloven dat deze vrouw verlamd was door angst voor Geert.
Voor een man die ze wel zag zitten, met wie ze de dodelijk gewonde Daniëlla vanuit de woonkamer naar de gang sleepte, onder aan de trap legde en toen tegen de politie zei dat haar dochter van de trap was gevallen.
Ze zegt dat ze net zo goed slachtoffer is.

Tegen Geert W. is 14 jaar celstraf geëist en TBS met dwangverpleging.
Karin S. hoorde vier jaar eisen waarvan een jaar voorwaardelijk waaraan een verplichte behandeling is gekoppeld.
Ze zullen misschien iets meer krijgen, wellicht iets minder.
Daarna volgt mogelijk een hoger beroep.
En misschien ook wel niet.
Dan is het klaar.

De uitspraak vanmiddag is het oordeel, de waarheid, van het strafrecht.
De zaak Daniëlla kent daarnaast een andere waarheid: die van de hulpverlening die gezamenlijk toekeek toen het gebeurde.
Ieder keek naar zijn eigen specialisme, of net even de andere kant, want samen zagen ze niks.
Dat verhaal van Daniëlla van Bergen moet nog worden verteld.

Rob Zijlstra

update – 7 april 2015 – inspectie
het bericht van de inspectie

→ het verslag van het strafproces van dag tot dag

de hulpverlening  

                           ↓


ondersteuning onvoldoende passend voor situatie – ondersteuning niet in relatie met calamiteit – problemen niet effectief en in samenhang opgepakt – op signalen van onveiligheid van de kinderen is onvoldoende gehandeld – signalen onvoldoende bij elkaar opgeteld – geen totaalplaatje – niet één regisseur – verschillende ideeën over casemanagement – partijen spraken zorgen onvoldoende uit – geen checks – onvoldoende hun eigen verantwoordelijkheid – onvoldoende focus op veiligheid van de kinderen – belang kinderen niet expliciet voorop gezet – onvoldoende focus op veiligheid kinderen – geen gezamenlijke ondergrens veiligheid – geen structureel zicht op de thuissituatie – geen risicotaxaties – onvoldoende oog voor de chroniciteit van de problematiek – mijden van zorg door moeder is onvoldoende als patroon herkend – partijen pakken onvoldoende door – geen gezamenlijke evaluaties  

bovenstaande regels komen uit het nog vertrouwelijke rapport van de gezamenlijke inspectiediensten waarvan de conclusies door rtv-noord naar buiten zijn gebracht – het definitieve rapport moet nog verschijnen en geniet de warme belangstelling van het openbaar ministerie 


→ rechtbanktekeningen: annet zuurveen 

dvhn / donderdag

dvhn / donderdag

Familieaangelegenheid

familieMohammed is als man van 27 jaar de baas in huis.
Een van zijn mannentaken is oppassen.
Oppassen op zijn jongere zusjes.
Dat het hier anders gaat dan in Somalië, dat weet hij.

Tegen de rechters had hij gezegd dat hij zich daarom ook aan de Nederlandse wet wil houden.
En dat hij ook wel snapt dat wat hij heeft gedaan fout is.
Volgens hem is dat geen reden voor rechters om achterlijke vragen aan hem te stellen.
Het is niet altijd slim om dergelijke uitingen van kritiek op rechters die over je moeten oordelen te uiten.
Maar Mohammed is geen domme man en is zeker niet een man om zijn mond te houden.

Op de publieke tribune zit zijn familie.
Broers en zussen.
De blikken staan op boos.
Als oppasser zou Mohammed voor veel problemen hebben gezorgd.
Hij woonde weliswaar niet meer thuis, maar in het weekeinden kwam hij langs.

Mohammed is een dominante man, had de reclassering aan de rechters gerapporteerd.
Iemand ook die nogal overtuigd is van zijn eigen gelijk.
Het zelfinzicht: gebrekkig.

In augustus dit jaar kwam er een melding bij de politie binnen van een steekpartij in een woning in Hoogezand.
In de woning zit een vrouw gewond op een stoel.
Ze is met een aardappelschilmesje gestoken in arm, been en tweemaal in de rug.
Het is niet aan de verdachte te danken dat zus nog leeft, zullen de rechters later zeggen.

Mohammed vermoedde dat zijn zus op wie hij moet oppassen alcohol had gedronken en sigaretten had gerookt op een feestje.
Daarover ontstond een hevige woordenwisseling.
En toen had hij haar gestoken.

In de rechtszaal wil Mohammed er niet te veel over kwijt.
Hij zegt dat het om een familiekwestie gaat die ook als zodanig moet worden opgelost.

Twee andere zusjes zouden regelmatig door hem worden mishandeld.
Hij zou hen slaan en schoppen en lelijke dingen roepen over nooit geen kinderen.
De zussen geven aan dat Mohammed zelf een grote familiekwestie is: ze zijn allemaal als de dood voor hem.
Misschien was het daarom dat er in de rechtszaal vooral boze blikken waren.

De officier van justitie zegt dat het best zo kan zijn dat het een familieaangelegenheid betreft.
Maar dat er een moment komt dat zo’n kwestie iedereen aangaat.
En dat dat hier het geval is, omdat er iemand ernstig gewond is geraakt, omdat iemand aangifte heeft gedaan.
De officier van justitie: ‘En dan heeft de maatschappij het recht te horen wat er is gebeurd. Wij zijn immers geconfronteerd met die gedragingen en de gevolgen daarvan.’

Mohammed is er niet van onder de indruk en blijft nukkig en zwijgen.
Maar halverwege de zitting had Mohammed zich omgedraaid en was met zijn familie is discussie gegaan.
De rechters sommeerden hem daarmee onmiddellijk op te houden.
Toen Mohammed maar door bleef gaan met boos praten, werd hij uit de rechtszaal verwijderd.

De strafeis luidde: vier jaar gevangenisstraf waarvan een jaar voorwaardelijk wegens mishandeling en een poging tot moord.
Vandaag deed de rechtbank uitspraak.
Geen voorbedachte raad, dus geen (poging tot) moord.
Wel een poging tot doodslag.
En mishandeling.
Het vonnis: vier jaar.
De rechters: ‘Gezien de houding van verdachte op de zitting zien wij geen reden een deel van de straf voorwaardelijk op te leggen.’

Dat klinkt misschien wel logisch of voorstelbaar.

Maar dan…
Vier jaar cel waarvan een jaar voorwaardelijk betekent netto drie jaar zitten: 36 maanden.
Vier jaar cel zonder voorwaardelijk deel is vier jaar en dat betekent in de praktijk dat daarvan tweederde deel van moet worden uitgezeten: 32 maanden.

Achteraf kunnen ze Mohammed nog lastigvallen met dat derde eenderde deel.
Maar vooralsnog heeft hij met zijn houding ter zitting vier maanden verdiend.

Rob Zijlstra

De stiefvader

Het is in dit verhaal het een of het ander.
In het ene geval is Tom (44) het slachtoffer van een heel akelig spel.
In het andere geval is Tom een heel akelige man.

Zelf zegt hij dat er sprake is van het eerste.
Hij zegt: ‘Het verwijt dat ik mij schuldig heb gemaakt aan seksueel misbruik heeft mij diep geschokt. Niets is erger, het heeft mij kapot gemaakt.’

De ware schuldigen zijn in zijn beleving die drie rotkinderen van zijn partner van wie hij net is gescheiden na een geweldig huwelijk.
Die kinderen hebben het bedacht en dat hebben ze gedaan met maar een doel: geld.
En dat terwijl hij zo zijn best had gedaan hen op te voeden, wat ook niet gemakkelijk was geweest.
Hij was streng geweest doch rechtvaardig.
Nu krijgt hij stank voor dank.

Aan het huwelijk lag het niet, want hij had een heel goed huwelijk.
Ze hadden elkaar op het internet ontmoet.
Het had niet heel lang geduurd en zij kwam al naar Groningen om met haar drie kinderen bij hem in te trekken.
Dat was in 2000.

Toen zij vorig jaar zei dat ze wilde scheiden was dat rauw op zijn dak gevallen.
Zegt tegen de rechters: ‘Ik heb het niet zien aankomen, familie en bekenden ook niet.’
Hij had haar toen wel een klap gegeven.
Goed, dat had hij eerst ontkend, maar later toen hij met de camerabeelden werd geconfronteerd, met de beelden van zijn eigen beveiligingscamera’s in de winkel, gaf hij het toe.
Tegen de rechters: ‘Fout. Punt uit. Het had niet mogen gebeuren.’

De drie kinderen, inmiddels grote tieners en jong volwassen, eisen ruim 20.000 euro schadevergoeding.
Tom ziet daarin zijn gelijk: ‘Daar is het hen om te doen.’

Dit is kort gezegd de ene kant van het verhaal.
De andere kant is het verhaal van de twee dochters en de zoon van zijn ex.

Coby – de middelste – was 9 jaar toen ze in 2000 in Groningen kwam wonen.
Tom leek een leuke, nieuwe vriend voor moeder, een leuke nieuwe vader ook voor hen.
Heel lang duurde dat niet.
Het seksueel misbruik was al na een paar maanden begonnen en zou acht jaar voortduren.

Vier jaar geleden was ze naar de politie gestapt en had ze alles verteld.
Dat heette een informatief gesprek.
Haar moeder bleef bij hem, zodat Coby er alleen voor stond.
Dat trok ze niet en ze zette de aangifte niet door.

Toen ze vorig jaar 18 werd, deed ze alsnog aangifte.
Haar zus en broertje deden dat ook.

Coby van seksueel misbruik, broer en zus van stelselmatige mishandeling.
Ook de ex deed aangifte.
Ze was in al die jaren veel vaker dan die ene keer geslagen en geschopt.

De officier van justitie zegt dat het een verschrikkelijk strafdossier is met de meest vreselijke details.
Verkrachting en vernedering gaan er hand in hand.

De kinderen kregen vaak straf.
Dan werden ze geschopt, geslagen, geknepen, aan de haren getrokken de trap op, of aan de oren er af.
Zij kon strafvermindering verdienen in ruil voor seks.
Jarenlang – maand in, maand uit – was Coby bang dat ze zwanger zou raken.
Ook toen ze nog kind was.

In de rechtszaal spreekt ze de rechters toe.
Ze zegt: ‘Ik onderging het, om te overleven.’
Het gebeurde twee, drie keer in de week, soms vaker,
Op vakanties, tijdens ritjes met de auto, langs de kant van de weg.
Ze zegt dat ze nog steeds bang is, ook nu hij in de gevangenis zit.
Ze zegt ook dat het heel veel over haar gaat, dat dat niet helemaal eerlijk is, omdat hij ook het leven van haar broertje en zus kapot heeft gemaakt.

Ze zei het niet zoals het hier staat.
Ze sprak met hartverscheurende woorden.

Tom zegt zelfverzekerd: ‘Ik kan hier niets mee. Ik sta machteloos in dit verhaal. Zij zeggen het en ik kan mij niet verdedigen. Ik heb het niet gedaan en wat niet is gebeurd, is niet gebeurd.’

Volgens de officier van justitie is Tom een narcistische en dominante man die op alles een antwoord heeft en altijd een leidende rol wil hebben.
Tom knikt: ‘Dat laatste klopt wel. Dat is het ondernemerschap, dat zit in mij.’

Enigszins verbaasd is hij dat hij vanuit de gevangenis niet in de gelegenheid wordt gesteld zich bezig te houden met de boekhouding van zijn twee winkels.
Zegt: ‘Ik heb een complexe boekhouding, met 6, 12 en 21 procent btw. Dat kan ik eigenlijk alleen zelf doen. Nu wordt de financiële situatie steeds nijpender. Dit kan echt niet te lang meer duren.’

De officier van justitie: ‘Bekennen ligt niet in de rede van deze verdachte. Ik eis een gevangenisstraf van 6 jaar.’

Rob Zijlstra

.

UPDATE – 28 oktober 2013 – uitspraak
Tom is conform de eis van het Openbaar Ministerie veroordeeld: 6 jaar celstraf. Al hetgeen hem ten laste is gelegd acht de rechtbank bewezen.

de rechtbank heeft het vonnis niet gepubliceerd

Ouders van nu

Christiaan zit bijna zes maanden in het huis van bewaring in Ter Apel in voorlopige hechtenis en heeft zich nog nooit zo goed gevoeld.
Dat komt omdat hij niet meer blowt, iets wat hij in de voorbije achttien jaren vrijwel onafgebroken wel deed.
Christiaan, nu 33 jaar, is definitief klaar met de joint en hoopt dat uiteindelijk alles goed zal komen.
Alles zal goed zijn, zegt hij, op het moment dat hij en Birgit en hun twee kinderen een gezin vormen.

Christiaan weet dat hij eerst aan zichzelf moet werken.
Met name aan zijn agressie.
Voorlopig heeft hij nog wel even de tijd; de officier van justitie wil dat hij voorlopig in hechtenis blijft.
Ze eiste daarom vier jaar celstraf in de gevangenis.
Daarvan mag een jaar voorwaardelijk.

Mishandeling.
Hij zou Birgit flink hebben geschopt en geslagen.

Poging tot doodslag.
Hij zou Ida op de grond hebben laten vallen, zo uit zijn handen.
Hij zou ook met Ida hebben gegooid.
Hij zou een keer – en misschien wel vaker – een harde ruk aan de kinderwagen hebben gegeven waardoor Ida er uit viel.
Hij zou met zijn grote handen het kleine lichaampje meer dan stevig hebben vastgehouden.

Toen Ida tien weken oud en ondervoed was, werd ze uit huis geplaatst.
Medewerkers van het consultatiebureau hadden met bange vermoedens aan de bel getrokken nadat ze verdachte blauwe plekken zagen en schrammetjes in het gezicht.

Toen het meisje een keer op de grond viel, op de stenen vloer, had ze heel hard moeten huilen. Christiaan vertelt dat hij had geprobeerd, hoewel stomdronken, het kindje te troosten. In het ziekenhuis luidde de diagnose: schedelbreuken, ribbreuken.

Christiaan zegt tegen de rechters: ‘Ik heb ontzettend veel spijt en verdriet van wat ik mijn geliefden heb aangedaan.’

Nadat Christiaan, geboren en getogen in Amsterdam, een akelig tijdje in een gevangenis in de Verenigde Staten had doorgebracht, iets met drugs, belandde hij in Noorwegen waar hij Birgit leerden kennen.
Ze leefden van de rock’n roll en wel zo dat Christiaan opnieuw werd veroordeeld (mishandeling, diefstal) en daarna als ongewenste vreemdeling het land moest verlaten.
Birgit, inmiddels een half jaar zwanger, ging met hem mee.
In Nederland, dachten ze, zouden ze hulp krijgen, een woning en geld.

Christiaan, minzaam: ‘Maar dat viel eventjes smerig tegen. We kregen dus helemaal niks.’
Ze nestelden zich noodgedwongen in een hotel in Groningen en na drie maanden vonden ze – december 2010 – in Vinkhuizen een kamer zonder deur en privacy en met lawaaiige huisgenoten.
Daar werd, op 16 januari 2011, Ida geboren.

De officier van justitie zegt dat Christiaan en Birgit niet waren voorbereid op het ouderschap.
Er was nauwelijks kleding.
Het hongerige kind huilde veel.
Zo veel dat beide ruziënde en blowende ouders er stapelgek van werden.
Christiaan begon te denken dat het misschien wel helemaal zijn kind niet was, zoiets was hem eerder overkomen met een zwangere vriendin.

Tegen de rechters: ‘Ik had geen ervaring met baby’s. Ik was misschien wat wild.’
En ook zegt hij: ‘Wij kregen niet de hulp die we nodig hadden.’
Hij vraagt: ‘Wat vindt u van een samenleving die mensen die hulp nodig hebben in de kou laat staan?’
De rechters zeggen dat ze die vraag niet zullen beantwoorden.

Het duurde even voordat de politie in deze zorgelijke kwestie een rol ging spelen.
De Raad voor de Kinderbescherming had aangifte gedaan, maar het ziekenhuis wilde omwille de privacy – geen medische gegevens verstrekken.
Er was een justitiële vordering nodig om de medici in beweging te krijgen.
Zo versteken er maanden.
Birgit keerde intussen terug naar Noorwegen en meldde zich, opnieuw zwanger, bij een afkickkliniek.

Christiaan, niet welkom in Noorwegen, werd een half jaar geleden aangehouden.
En voelt zich nu, na bijna zes maanden, dus beter dan ooit.
Hij heeft Birgit ten minste honderd brieven geschreven en hoopt dat het goed komt, dat alles goed komt.

Hij heeft gehoord dat het tweede kind op hem lijkt.
Met een gelukkige lach: ‘Het is een rocker met een gezonde eetlust.’

De advocaat complimenteert de officier van justitie met haar verhaal, maar vindt de strafeis aan de veel te hoge kant.
Zegt dat we de rol van de psychotische Birgit niet moeten uitvlakken.
Dat ook zij, als moeder, een bedenkelijke rol heeft gespeeld.
Dat niet alles op het conto van Christiaan moet worden geschreven.

Christiaan.
Toen hij drie jaar oud was, ging zijn moeder er vandoor.
Hij bleef met twee broertjes achter bij een vader die dagelijks dronken was en losse handen had.
Hij en zijn broertjes werden dagelijks in elkaar gemept.
Het was wel vader die kwam kijken als zijn kinderen moesten voetballen.
Maar dan verscheen hij als vrouw, in vrouwenkleding.
Christiaan: ‘Wij werden altijd gepest, wij hadden geen vriendjes.’

De officier van justitie zegt dat het met Ida goed gaat.
Het meisje wordt, in Noorwegen, door een familielid van Birgit opgevoed.
Wat de gevolgen op de langere termijn zijn, is nu nog niet te zeggen, zegt de aanklaagster.
Ze zegt: ‘Kindermishandeling heeft een nadelig effect op de hersenen, er is sprake van een overdosis aan alarmprikkels, van voortdurende stress. Dat kan het basisvertrouwen van een kind ernstig schaden. Verdachte, zelf slachtoffer van kindermishandeling, is het levende bewijs.’

Rob Zijlstra

.
UPDATE – 24 september 2012 – uitspraak
Christiaan is veroordeeld tot 48 maanden celstraf waarvan 18 maanden voorwaardelijk.

.

Houden van Sofie

In de rechtszaal wordt wel eens gezegd dat jongvolwassenen nog volop in ontwikkeling zijn.
Dat jonge mensen voor hun 23-ste nog niet alles tussen de oren hebben zitten wat nodig is om een echte volwassene te kunnen zijn.
In de rechtszaal kun je dan ook overwegingen optekenen dat jeugdige verdachten van ernstige misdrijven een stevige straf verdienen, maar dat – aan de andere kant – ook rekening moet worden gehouden met de nog jonge leeftijd.

Dit laatste heeft met dat eerste te maken.

En dan kan het gebeuren dat zo’n jeugdige verdachte een (iets) lagere straf krijgt dan hij eigenlijk verdient.
Omdat we hem (nog) niet willen afschrijven.

Kay is 20 jaar.
Hij heeft een droom: hij wil auto’s verkopen.
Het openbaar ministerie heeft andere ideeën over zijn toekomst.
De officier van justitie eist naast vijftien maanden gevangenisstraf de maatregel TBS met dwangverpleging.
TBS wordt, of het waar is of niet, wel het afvoerputje van het Nederlandse strafrechtsysteem genoemd.

Mochten de rechters de eis overnemen, dan zal Kay zijn droom voor de toekomst bijstellen.
Dan pleegt hij zelfmoord.
Wanneer hij dat aankondigt, wijst hij met een priemende vinger naar de drie rechters. Zegt, heel boos: ‘Dan zijn jullie daar verantwoordelijk voor.’

In 2009 ontmoette Kay in Stadskanaal zijn huidige vriendin Sofie.
Ze gingen samenwonen.
Eerst was dat leuk, maar toen het 2010 was geworden, werd het allemaal anders.
Steeds vaker hadden ze ruzie en na een tijdje hadden ze samen elke dag mot.
Daarbij vielen klappen, soms ook over en weer, want Sofie is de gemakkelijkste niet.

Maar Kay sloeg harder en nadat hij ook was gaan schoppen, tegen Sofie, door deuren en kasten en tegen keukenlaatjes, tegen ruiten in hun woning, stond regelmatig de politie voor de deur.
Sofie was dan in tranen, had zichzelf opgesloten in de kelder beneden of in de badkamer boven.

Dan deed ze haar verhaal, dat ze na de zoveelste klappen dagenlang suizende oren had, dat ze zo vreselijk bang was voor Kay, bang dat hij haar zou vermoorden.
Daarom wilde ze geen aangifte doen.
Om dan weer monter uit te leggen dat ze helemaal niet bang was.
Ja, wel heel verdrietig.

Een paar keer liep het flink uit de hand, zoals op een dag bij het busstation in Appingedam.
Of die keer op het perron van het treinstation in Scheemda.
De politie moest er aan te pas komen.

In augustus vorig jaar ging het echt mis.
De ruzie liep zo hoog op, dat heel de straat was uitgelopen.
Kay werd aangehouden en de politie maakte foto’s van de ravage in de woning.
De rechters houden de foto’s in de lucht en merken op: ‘Een windhoos is er niets bij.’

Sofie deed haar verhaal, deed aangifte, kwam vervolgens weer met een ander verhaal en trok de aangifte in.
Dan vertelde ze dat ze alles een beetje had overdreven.
Dat ze alleen de nare dingen had verteld, niet de fijne die er ook waren.

Kay tegen de rechters: ‘Ze overdrijft niet. Ze liegt. Van alles wat zij zegt, is 95 procent gelogen.’
Hij zegt dat Sofie hem wekelijks in de gevangenis opzoekt.
Dat Sofie nooit letsel heeft bekomen.
‘Als ik sla, zou ze wel letsel hebben.’
Zegt ook: ‘Ik hou van haar.’

Bijna twee uur lang zagen de rechters Kay door.
Tientallen keren antwoordt hij dat het niet klopt.
Het wordt hem niet gemakkelijk gemaakt.
‘Het klopt niet. Moet ik dat dan blijven zeggen?’

Deskundigen: ‘Hij denkt zeer naïef vooruit.’
Rechters: ‘Bent u een luchtfietser?’

De officier van justitie zegt op zijn beurt dat hij de dossiers die bol staan van huiselijk geweld wel kent.
Dat in die dossiers liefde en haat hand in hand gaan en dat alles in zo’n dossier haaks op elkaar staat.
Maar dat hier sprake is van buitengewoon ernstige feiten, omdat Kay zijn Sofie stelselmatig heeft bedreigd en mishandeld gedurende een lange periode.
‘Sofie heeft het zwaar te verduren gehad.’

Dat Kay een behandeling moet ondergaan, staat voor de officier van justitie als een paal boven water.
Want dat zegt hij.
Hij zegt ook dat Kay zich niet wil laten behandelen.
Want dat zegt Kay zelf.
Hij zegt dat Kay zegt, ik deug, ik functioneer prima, aan mijn lijf geen polonaise, laat mij maar gaan en auto’s verkopen.
Vervolgens formuleert hij zijn strafeis.

Ditmaal wordt niet – aan de andere kant – in overweging genomen dat ook rekening moet worden gehouden met de nog jonge leeftijd van de verdachte.

Het is niet de eerste keer dat Kay tegenover rechters zit.
Hij is vaker veroordeeld wegens geweldsdelicten.
Een deel van zijn jeugd, een keer vier jaren achtereen, heeft hij opgesloten gezeten.
Kay zegt: ‘Ik heb mijn hele jeugd weggegooid. Op een wekelijks gesprekje na, was er nooit iets van behandeling. En nu, nu ik onschuldig ben, moet ik naar de TBS?’

Eerst wijst die priemende vinger richting rechters, daarna volgt een snijdende beweging langs zijn keel.

Op de tribune zit Sofie.
Nadat die nare TBS-eis is gevallen, roept ze: ‘Maar het is gewoon niet waar.’
De rechters roepen bars terug dat het publiek zich stil moet houden.
Kay, wanhopig: ‘Maar zij is geen publiek.’

In zijn laatste woord verzoekt hij de rechters om Sofie opnieuw te horen.
Omwille de waarheid en de leugens.
De rechtbank heeft daar geen trek in.

Met gebogen hoofd, met de grote mensenproblemen tussen de oren, verlaat Kay zittingszaal 14.

Rob Zijlstra

.

UPDATE – 2 februari 2012 – uitspraak
Kay is schuldig, maar niet aan alles wat door het openbaar ministerie ten laste is gelegd. Wat overblijft is te weinig voor het opleggen van de maatregel tbs. En omdat minder wordt bewezen dan was tenlastegelegd, moet ook de straf lager, vindt de rechtbank: 15 maanden waarvan 10 voorwaardelijk met een extra lange proeftijd van 3 jaar. Verder moet Kay aan zijn vriendin 230 euro en 15 cent betalen.

.

 

Maatwerk

Marcus is met zijn 71 levensjaren de op een na oudste verdachte die dit jaar in zittingszaal 14 terecht moest staan.
Van de vijf andere 65-plussers die dit jaar voor het hekje stonden in 14, hadden vier zich schuldig gemaakt aan ontucht.
Marcus niet.
Hij zat er voor een poging tot doodslag dan wel een poging tot moord op zijn partner.
Eerst probeerde hij het door met een dumbell – dat is een gewichtshalter – tegen haar hoofd te slaan.
Daarna kneep hij haar keel, mond en neus dicht en beet hij haar flink in de rug.

Bij een poging heb je het wel geprobeerd, maar is voorgenomen misdrijf niet voltooid.

De zitting die ruim drie uur duurde, maakte de heer Marcus er niet jonger op.
Hij had het zichtbaar zwaar.
De officier van justitie zei halverwege dat we moeten oppassen deze verdachte niet als een slachtoffer te zien.
Hij is verdachte die wordt verdacht van een zeer ernstig strafbaar feit.

De buurman had de politie gealarmeerd.
Buurman had angstschreeuwen (‘help, help’) gehoord en was poolshoogte gaan nemen.
In de portiek had hij aan buurman, die hij bovenop buurvrouw zag zitten, gevraagd: ‘Buurman, wat ben je aan het doen?’
Marcus had volgens hem geantwoord: ‘Ik ga haar doodmaken.’
Buurman had daarop gezegd dat hij 112 ging bellen.

Toen de politie ter plaatste kwam – ’s ochtends rond koffietijd – troffen ze een gewonde vrouw aan, met een opgezwollen gezicht en bloed op de grond.

Ze hadden elkaar in 1995 leren kennen.
Twee jaar later trouwden ze.
Samen hebben ze een dochter van 15 jaar.

Marcus komt uit het zuiden van het land.
Zij is van de Filippijnen.
Het boterde al jaren niet meer.
De politie was er wel eens aan de deur geweest.
In 2006 had zij een keertje aangifte gedaan wegens mishandeling.

In de buurt heeft Marcus de naam een aardige man te zijn.
De psychiater had daar aan toegevoegd dat Marcus een perfectionistische man is met een gebrekkige woedebeheersing.

Ze woonden al jaren gescheiden in zijn woning.
Hij deed de huishouding en de opvoeding van hun dochter.
Zij ging vaak weg, zei Marcus.
Dan vetrok ze met de noorderzon om plots, maar vaak maanden later, weer op te duiken.
Ondertussen maakte ze schulden van zijn geld.

In februari dit jaar was het weer eens zover.
Zij weg.
Hij beloofde zijn dochter: ‘Als moeder terugkomt, dan zal ik niets zeggen.’
Tegen de rechters: ‘Ik wil mijn dochter niet verliezen.’

Op 16 juni, vier maanden later en even na middernacht, kwam ze thuis.
Marcus trok zich terug in zijn kamer en bleef daar weken zitten.’
Tegen de rechters: ‘Om mezelf op te vreten.’

Zo nu en dan werden er over en weer lelijke woorden gesproken.
Marcus zou hebben gezegd dat hij een boek had, The perfect crime.
Iets met gemalen glas.
Je kist staan al klaar, zou hij door de muren hebben geschreeuwd.
Marcus ontkent dat: ‘Zo’n boek heb ik helemaal niet. Klinkklare onzin.’

Rechters: ‘Ging u aan de drank?’
Marcus: ‘Ja. Af en toe een klokje. Ik mocht twee glaasjes wijn per dag van de dokter.’

Op 6 juli gaat het hartstikke mis.
Marcus: ‘Ik was in de slaapkamer, zij in de woonkamer. Ze telefoneerde en ik hoorde haar irritante stem. Toen knapte er iets, ik raakte door de dolle heen, het werd me te veel.’
De officier van justitie: ‘Het liep toen gigantisch uit de klauwen.’
Marcus: ‘Ik wilde haar niet vermoorden. Ik wilde haar de les lezen.’

Rechters: ‘Bent u ook geschrokken van wat er is gebeurd?’
Marcus, met verbazing: ‘Ja natuurlijk.’

De officier van justitie moet een keuze maken: is het een poging tot moord of een poging tot doodslag?
Marcus kan zich niet alles meer herinneren wat er nou precies is gebeurd.
Maar dat hij tegen de buurman zou hebben gezegd ‘ik ga haar doodmaken’ is niet waar.
Hoe hij dat dan wel zo zeker weet?
Marcus: ‘Dat weet ik gewoon. Honderd procent.’

Wie roept iemand dood te gaan maken en vervolgens probeert de daad bij het woord te voegen, handelt voorbedacht en dan is het een moordpoging.
Wie plots in blinde woede ontsteekt, knapt van opgekropte frustraties, en dan iemand met een dumbell van 2500 gram naar het leven staat, doet aan een poging tot doodslag.

De officier van justitie denkt van alle twee een beetje.
Eerst wilde hij haar in koelen bloede vermoorden.
Want dat riep hij.
Dat had de buurman immers horen zeggen.
Later had Marcus gezegd dat dat niet zo is, dat hij zoiets nooit heeft geroepen.

Van alle twee een beetje kan juridisch niet.

Misschien dat de officier van justitie dacht: bij een poging tot moord kan ik het niet maken een taakstraf te eisen, want daar krijg je Haags gedonder van.
En maar aangescherpte wetswijzigingen.
Dat hij wellicht dacht: Om Marcus met zijn 71 levensjaren terug naar de gevangenis te sturen, is ook zo wat en zeker geen maatwerk, terwijl goed recht dat wel moet zijn.

Na veel wikken en wegen besluit de aanklager dat wat op die woensdagochtend rond koffietijd is gebeurd, een poging tot doodslag mag heten.
De bijbehorende eis: gevangenisstraf voor de duur die Marcus al heeft ondergaan in voorlopige hechtenis – een paar weken – een voorwaardelijke gevangenisstraf van een jaar en een taakstraf van 240 uur.
Met een contactverbod.
Proeftijd 2 jaar.

Filippine woont nog altijd met zijn schulden in zijn woning in de stad Groningen.
Marcus huurt ergens aan de kust een vakantiehuisje.
Dochter woont bij haar, maar is liever bij hem.

Rechters: ‘Nog niet gescheiden?’
Marcus, afgemat: ‘Die ga ik na deze strafzaak in gang zetten.’

Rob Zijlstra

uitspraak op 30 december

De lastige dame

Over uitgaansgeweld wordt wel gezegd dat de partij die als eerste het politiebureau weet te bereiken om aangifte te doen, het slachtoffer is.
De andere partij is dan automatisch de verdachte partij die moet boeten.
In de praktijk, zeggen onderzoekers van onderzoeken, is het ook vaak zo dat een slachtoffer van uitgaansgeweld, niet zelden de agressor is.
Het slachtoffer begon.

Bij huiselijk geweld liggen de zaken nog complexer.
Het zijn vaak vrouwen die het slachtoffer zijn van geweld achter de voordeur.
Maar er zijn ook mannen die door hun vrouwen worden mishandeld.
In de statistieken zijn mannen als slachtoffer van huiselijk geweld in de minderheid.
Vanwege de schaamte.

Eduard (38) is een man die zich slachtoffer voelt.
Hij zit echter als verdachte in de rechtszaal.
Hij heeft zijn vriendin Rianne (35) met een mes in de buik gestoken.
Dankzij haar zoontje (11) dat 112 belde en medisch ingrijpen, leeft zij nog.

Tijdens de zitting kunnen de rechters niet worden betrapt op enige sympathie voor de verdachte.
Wanneer Eduard zegt dat hij het zich niet kan herinneren (wat hij bij herhaling zegt), zeggen de rechters ‘kom op, u bent een intelligente man. Het lijkt erop alsof u de dingen niet wilt herinneren’.

Het verhaal zoals zich dat tijdens het onderzoek ter terechtzitting ontvouwt, is geen fraai verhaal.

Op 1 april doet Eduard een poging zichzelf van het leven te beroven door veel te veel medicijnen te slikken.
Hij wordt met spoed opgenomen in het ziekenhuis.
Op 2 april is hij weer thuis en gooit een fruitschaal naar zijn partner.
Op 3 april gaan ze samen naar het ziekenhuis voor een gesprek dat niet leidt tot een opname.
Op 4 april wordt hij wel opgenomen, maar ’s avonds vertrekt hij, dan wel wordt hij weggestuurd omdat hij een brandmelder zou hebben vernield.
Dat is tegen de ziekenhuisregels.

Op 5 april, om 01.48 uur komt er bij de politie een 112-melding binnen.
Vijf minuten later zijn twee agenten ter plaatste.
Ze bellen aan.
Eduard doet de deur open.
Zegt: ‘Kom binnen. Ik heb haar neergestoken.’
In de hand heeft hij nog het mes.

In de kamer ligt Rianne.
Ze wordt met spoed naar het ziekenhuis gebracht met twee steekwonden en moet met nog meer spoed worden geopereerd.
De steekwond in de buik is levensbedreigend.

Eduard komt die avond – vanuit het ziekenhuis – thuis en krijgt te horen dat hij een loser is, een sukkel.
Zegt: ‘Zij begon te schelden.’
Hij belt zijn moeder en gaat op de bank liggen.
Zegt: ‘Daarna is er een zwarte plek.’

Het zoontje van Rianne ligt in bed, maar slaapt niet.
Hij hoort zijn stiefvader en zijn moeder weer eens bekvechten.
Hij hoort zijn moeder roepen.
Hij gaat kijken en ziet hoe zijn moeder, onder aan de trap, wordt geschopt en geslagen.
Ze komen zijn slaapkamer binnen.
Zoontje probeert 112 te bellen, maar hij pakt de telefoon uit zijn hand.
Het schoppen en slaan gaat door.

Ze gaan naar beneden.
Zoontje weet nog een telefoon te liggen en belt opnieuw 112.
Het is dan 1.48 uur.
Dan gaat ook hij naar beneden en ziet zijn moeder op de grond tegen de muur liggen.
Ze is gestoken in haar zij.
Hij gaat voor haar zitten, om haar te beschermen.

Eduard roept dat hij op de bank moet gaan zitten.
Zoontje doet dat, waarna Eduard op Rianne afloopt en haar met het mes in de buik steekt.
Zoontje tegen de politie: ‘En toen moest ik nog harder huilen.’

Om 01.53 uur bellen de agenten aan en doet Eduard de deur open.
‘Kom binnen.’

Rechters: ‘Is het zo gegaan?
Eduard: ‘Ik kan het mij niet herinneren. Ik was in een verwarde toestand.’
Rechters: ‘Bij de politie heeft u gezegd dat u klaar met haar was, dat u flauw van haar was, flauw van haar geouwehoer.’
Eduard: ‘Ik weet het niet.’
Rechters: ‘Tegen de politie zei u, ik weet gewoon nog alles, ik heb er nachtmerries van, ik zie steeds weer die beelden.’
Eduard: ‘Die woorden zijn mij in de mond gelegd.’
Rechters: ‘Is dit uw houding?’
Eduard: ‘Het is algemeen bekend dat ik heel vergeetachtig ben.’
Rechters: ‘Vergeten. Verward. Dat zijn gemakkelijke woorden in de rechtszaal. Doet u wel uw best om het te herinneren?
Eduard: ‘Geprobeerd, maar ik kom er niet achter.’

Een paar maanden eerder zou hij Rianne hebben mishandeld.
Zij wilde naar zijn kinderen en hij wilde haar tegenhouden.
Trok haar van de trap.
Zij viel.
Eduard: ‘Dat was niet opzettelijk. En ze was dronken.’

Gedragsdeskundigen hebben zich in Eduard verdiept en kwamen tot weinig vrolijk stemmende conclusies: aanpassingsstoornis, een zwakke innerlijke structuur, rigide, dominant, narcistisch, zelfingenomen, onvoldoende empathie en snel gekrenkt.
Kans op herhaling: erg groot.

Eduard is het er niet mee eens: ‘Het is hun conclusie. Ik weet van mezelf wat voor een persoon ik ben. Dat weet ik beter dan hen.’
Geeft toe: ‘Ik ben gevoelig voor overspannenheid, ik heb wel hulp nodig.’
Zijn conclusie: ‘Zij heeft mij gemaakt zoals ik nu ben.’

Zijn ex met wie hij 17 jaar een relatie had, schreef in een brief aan de rechtbank dat Eduard in al die jaren met haar samen nooit gewelddadig is geweest.’
En ook de ex van Rianne schreef een brief.
Hij schreef dat hij zich kan voorstellen hoe Eduard zich moet hebben gevoeld.
Dat zij (Rianne) ook hem kapot heeft gemaakt.
Dat zij tot het uiterste gaat.

De advocaat van Eduard zegt dat Rianne bekendstaat als een lastige en onvoorspelbare dame met een drankprobleem.
Dat zij met haar denigrerende gedrag bij hem het bloed onder de nagels vandaan haalde.

Rianne zit aan de tafel naast die van Eduard, voor in de rechtszaal.
Ze trilt, huilt en eist 8.000 euro schadevergoeding.

De officier van justitie kiest partij voor haar.
Er is, zegt ze, sprake van twee pogingen tot moord en een mishandeling.
Dat het leven een van de belangrijkste rechtsgoederen is dat de mens heeft.
Dat Eduard momenten heeft gehad van bezinning.
Dat de houding van Eduard in de rechtszaal in negatieve zin doorwerkt.
En dat het feit dat hij moeder Rianne met een mes in de buik stak, terwijl het zoontje er bij was, strafverzwarend moet werken.

Opgeteld: 6 jaar gevangenisstraf.

Rob Zijlstra

UPDATE – 4 augustus 2011 – uitspraak
Rechters komen tot een ander oordeel wat de strafmaat betreft: 48 maanden  waarvan 6 maand voorwaardelijk. Netto betekent dit dat de straf voor Eduard een half jaar korter is dan de eis. Dat hij de moeder neerstak in het bijzijn van het zoontje, wordt hem zwaar aangerekend.


Das Auto

Marko heeft een heel klein kerstballetje aan de linker wenkbrauw hangen.
Maar erger is, volgens het openbaar ministerie, dat de 23-jarige Marko een kort lontje heeft.
De reclassering zou daar eens naar moeten kijken en er een reclasseringsrapport over moeten schrijven, zegt de officier van justitie.
Want de officier van justitie maakt zich zorgen over Marko’s toekomst.
Zij bedoelt hiermee dat ze bang is dat Marko in die toekomst nog meer misdaden gaat plegen.

Wanneer de rechters geen behoefte hebben aan een voorlichtingsrapport van de reclassering, dan moet Marko’s toekomst de komende anderhalf jaar de gevangenis zijn, zo luidt het eerste deel van de strafeis: 24 maanden gevangenisstraf waarvan zes voorwaardelijk.

Het tweede deel van de eis moet volgen zodra Marko zijn vrijheidsstraf er op heeft zitten: dan wacht hem een jaar lang een rijontzegging.
Dan mag hij een jaar lang geen auto rijden.
En de auto waarin hij reed, waarmee hij ook zijn misdaden pleegde, moet verbeurd worden verklaard.

Marko is gek op autorijden en dan in het bijzonder in VW Golfjes.
Volkswagens zijn de beste auto’s die er bestaan, vindt hij.
Dat vindt hij zo erg dat hij het zelfs in zijn hals heeft laten tatoeëren.
Er staat daar een heel verhaal, maar wat ik kan lezen is: ‘Volkswagen is the best’.

Marko zelf is geen lezer.
Zo leest hij geen post.
Zo kwam het dat hij nooit heeft geweten dat de reclassering met hem wilde praten.

Mogelijk als gevolg van dat vermeende korte lontje moet Marko terechtstaan voor een poging tot doodslag, voor afpersing, diefstal, vernieling en voor bedreiging van een politieagent.

De bedreiging van de politieagent met enig misdrijf tegen het leven gericht bestond uit de woorden: ‘Ik weet nu waar je woont.’
Marko was boos en op het politiebureau om wat spullen uit zijn in beslag genomen auto te halen.
Jawel, de hoofdagent was toen echt bang geworden.

Dat komt vanwege de reputatie van Marko.
Die is niet best als je niet aan zijn kant staat.
Tenminste, dat wordt gezegd.
Gezegd wordt dat je met Marko maar beter geen ruzie kunt krijgen.
Niet met Marko, maar ook niet met zijn familie.

De officier van justitie: ‘Marko pakt wat ie pakken kan en wie hem niet aanstaat, daar gaat hij met zijn auto achter aan. En wie aangifte tegen hem doet, wordt te grazen genomen.’
Marko mompelt dat dat allemaal best meevalt.
En dat hij met iedereen die aangifte tegen hem heeft gedaan, weer een goed contact heeft.
Dus wat nou?

Zijn vriendin was weggelopen en ergens anders gaan wonen, ergens in een appartementencomplex.
Dat beviel Marko niets (‘allemaal alcoholisten daar’) en dus reed hij daar in zijn blauwe Golf vaak, hard en luid toeterend langs.
Marko: ‘Ach, beetje uitdagen, beetje schrik aanjagen.’
Rechters: ‘Beetje schrik aanjagen? U was strontvervelend.’

Hij had er al een paar keer met vuurwerk, met strijkers, gegooid.
En met verfbommetjes tegen geparkeerde auto’s.
Verfbommetjes op waterbasis, dat dan weer wel.

De bewoners van het appartementencomplex waren het na een tijdje zat en een van hen besloot een beveiligingscamera aan de gevel te hangen.
Maar juist op het moment hij dat deed, staande op de ladder, twee meter hoog, kwam Marko aangescheurd.
Hij stopte, keerde om, reed achteruit, zo tegen de ladder aan.
Het openbaar ministerie: een voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon van het leven te beroven, terwijl de uitvoering van dat misdrijf niet is voltooid.
De man op de ladder leeft nog.

Marko zegt dat hij de ladder niet heeft geraakt.
Getuigen zeggen van wel.
Een getuige die alles zag, weet het niet zeker.

In 2008 had Marko een auto aan een kennis verkocht.
Hij had er een brommer en 200 euro voor gekregen.
Dat wil zeggen, zegt hij, dat hij die 200 euro nooit heeft ontvangen.
De koper zegt van wel en diens moeder die getuige was van de deal ook.
Vier briefjes van vijftig had ze gezien.
Bijna twee jaar lang zat Marko de koper achter de broek aan.
Hij eiste 100 euro.

Rechters: ‘Het ging toch om 200?’
Marko: ‘Ik nam genoegen met 100. Dan heb je nog wat. Beter iets dan niets.’

Steeds als Marko de man tegenkwam, was die aan de beurt.
Dan vielen er klappen, werd er geschopt, moest een scooter er aan geloven, reed Marko met hoge snelheid op de man in om steeds net op tijd te stoppen.
De koper heeft twee jaar lang in doodsangst geleefd, zegt de officier van justitie.
De vrienden van de koper: ‘En wij waren te bang iets te doen.’

Eenmaal deed de koper aangifte en dat kwam hem op een afranseling te staan achter de C1000.
De officier van justitie zegt dat Marko het oogmerk heeft gehad zich wederrechtelijk te bevoordelen door met geweld en/of bedreiging met geweld een persoon te dwingen tot afgifte van 100 euro.
Afpersing.

Op een dag liep Marko door de Begoniastraat waar een auto stond met daarin een autoradio en een navigatiesysteem. Omdat de auto niet was afgesloten had hij het spul maar meegenomen en in zijn eigen auto ingebouwd.
Volgens de eigenaar – die 1035 euro wil hebben – was de auto wel afgesloten, hoe anders de beschadiging aan het slot?
Marko wijst naar achteren, naar een man op de publieke tribune: ‘Alleen met hem daar heb ik nog geen goed contact.’
‘Hem daar’ is de eigenaar van de gekraakte auto.

Hij vernielde met een mes een bank omdat een ruzie met zijn ex-ex wat uit de hand was gelopen.
Marko: ‘Klopt wel.’

Tot slot die bedreiging tegen het leven gericht aan het adres van de bange hoofdagent.
Bij nader inzien vraagt de officier van justitie op dit punt om een vrijspraak.
Toen Marko zei te weten waar de agent woont, had dat wel heel bedreigend geklonken, maar het is geen ‘strafbare bedreiging’, concludeert de officier van justitie.

Dat vindt ook de advocaat: ‘Het maatschappelijk betamelijke is niet overschreden.’
Voor het overige, zegt de advocaat: ‘Doe een werkstraf, een paar maanden voorwaardelijk er desnoods bij.’

Maar de officier van justitie wil dat de rechters de strafzaak tegen Marko aanhouden om de reclassering de tijd te geven hem eens nader te bekijken.
Want misschien kan Marko wel wat hulp gebruiken.

Rechters: ‘Wat vindt u er nou van, van dit alles?’
Marko: ‘Dom’.
Rechters: ‘U komt onverschillig over.’
Marko knikt, terwijl hij met beide handen onophoudelijk friemelt aan zijn petje.
Hij zegt dat hij wel hulp zou willen, een heel klein beetje hulp.
‘Voor werk en zo.’

Rechters: ‘En u wilt wel contact met de reclassering?’
Marko: ‘Zeker weten.’
Rechters: ‘En wat wilt u dan?’
Marko, heel zachtjes, alsof hij zich er voor schaamt: ‘Beetje praten.’
Rechters: ‘Omdat u in de toekomst geen strafbare feiten meer wilt plegen?’
Marko knikt.

De schrik van Stadskanaal lijkt ineens een gewone jongen van 23 jaar te zijn geworden.
Hij zegt dat hij zijn leven wil beteren, ook al omdat hij sinds kort weer een goed contact heeft met zijn moeder.

Rob Zijlstra

.

 

UPDATE – 18 juli 2011 – uitspraak
De rechtbank heeft geen behoefte aan een rapport van de reclassering. Marko is veroordeeld wegens een poging tot zware mishandeling, afpersing en vernieling.  Hij moet 18 maanden zitten en mag daarna een jaar lang geen motorrijtuigen besturen. De VW Golf die in beslag is genomen, krijgt hij ook niet terug.

Relatietwist

Er had maar een klein stukje in de krant gestaan.
Boven het artikeltje stond: Stadjer dood door relatietwist.

Het bericht zelf vermeldt dat de politie denkt dat een uit de hand gelopen ruzie de oorzaak is van een gewelddadige dood van een 34-jarige man uit Groningen. Het slachtoffer is met een mes neergestoken. Een 30-jarige vrouw wordt als verdachte gezien.
Verder vermeldt het krantenbericht dat de twist in de relationele sfeer ligt.

Bijna altijd zijn vrouwen het slachtoffer van relatietwisten.
Nu is het andersom.
Het mes in de borst had een kransslagader geraakt wat heeft geleid tot functieverlies van het hart van Jurnel J. Peters, zo staat het ietwat klinisch in de dagvaarding.

Donderdagmiddag wordt de inmiddels 31-jarige Paula zittingszaal 14 binnengeleid. Schichtig kijkt ze de rechtszaal in, waar, op de volle publieke tribune, niet alleen haar vriendinnen zitten, maar ook de verdrietige familie van haar vriend die nu nabestaanden zijn.

De rechters zeggen tegen Paula dat er op 23 april wat is gebeurd.
En of ze nog eens wil vertellen wat.

Als ze is uitgepraat, wordt weer eens duidelijk hoe akelig dun de lijn is tussen een kapot gegooid servies en een gewelddadige dood.
Bedenk daarbij dat de meeste levensdelicten in Nederland een oorzaak hebben in huiselijke twisten.

Paula vertelt dat ze samen aan het schoonmaken waren.
Dat ze haar zoon naar zwemles moest brengen en dat, toen ze klaar waren met schoonmaken, haar dochter thuis was gekomen van school.
Ze hadden toen al flink ruzie.
Dit was een dag eerder.
Hij was toen weggegaan.

Ze hadden vaker ruzie.
Heel vaak, had een buurman later tegen de politie gezegd, zij het dat het hem was opgevallen dat het de laatste tijd wel wat rustiger was.
Vorig jaar november had zij een keer aangifte gedaan.
En weer ingetrokken.
De oudste dochter had de politie ook wel eens gebeld.

Op vrijdag, vroeg in de ochtend, hoort ze hem weer thuiskomen.
Ze had op haar telefoon gekeken en zag dat 05.20 uur was.
Hij had toen zijn dingen gedaan, koffie gedronken en sigaretten gerookt.
Daarna was hij gaan slapen.

Paula was op haar beurt opgestaan om haar dingen te doen.
Ze had de broodtrommeltjes voor de kinderen klaargemaakt.
Ze moest die dag met haar auto naar de garage voor de APK.
En om elf uur was er iets op de school van haar zoontje waar ze bij mocht zijn.

Tegen de rechters zegt Paula: ‘Hij had nog vijftig euro van mij. In zijn broekzak vond ik dertig euro. Ik heb twintig gepakt en tien laten zitten, zodat hij niet blut zou zijn.’

Als ze later thuiskomt, is hij wakker en zit hij achter de computer.
Sinds de ruzie van de vorige dag hebben ze nog niks tegen elkaar gezegd.
De kou is nog niet uit de lucht.
Er vallen opnieuw woorden.

Hij wil zijn geld terug.
Zij weigert, zegt dat het haar geld is.
Op de tafel ligt een mes.

Paula: ‘Hij wou dat mes pakken. Maar ik was eerder.’
Rechters: ‘En toen?’

Paula vertelt dat ze samen aan haar tas trokken, aan de tas met daarin het geld.
Rechters: ‘Stond u dicht bij elkaar?’
Paula: ‘Ja.’

Ineens laat hij de tas los en zegt: ‘Je hebt me gestoken.’
Zij: ‘Dat kan niet.’
Ze loopt weg, want ze wil weg.
Ze loopt naar buiten, naar haar fiets.
Hij loopt achter haar aan.
En zakt in elkaar.

Paniek.

Paula gooit het mes in de brievenbus, zet haar vriend die dan nog bij bewustzijn is, in de auto en rijdt zo snel ze kan naar het ziekenhuis.
Rechters: ‘Naar het UMCG. En niet naar het Martiniziekenhuis, dat veel dichterbij was.’
Paula: ‘Ik was in paniek.’

In de hal van het ziekenhuis schreeuwt ze dat er iemand gewond in de auto zit.
Niet lang daarna sterft Jurnel J. Peters.

Paula wordt in het ziekenhuis aangehouden.
Eerst vertelt ze nog een leugen.
Dat haar vriend plots voor de deur stond, gewond was en dat zij hem toen snel naar het ziekenhuis had gebracht.
Het is een te snelle leugen.
Dan vertelt ze het verhaal zoals ze dat zojuist aan de rechters heeft verteld.

Zegt: ‘Het was een vechtpartij.’
En dat hij, als ze ruzie hadden, wel vaker met een mes dreigde of daarmee achter haar aanzat.
Dat ze best bang voor hem was.
Dat ze plannen had de relatie te verbreken.
Hij had nog een andere vrouw.
Daar was hij die nacht ook geweest.

De advocaat vult aan: ‘Het mes was ook van de minnares.’

De officier van justitie zegt dat het geen moord is.
Maar wel doodslag.
Dat Paula niet heeft gemerkt dat ze heeft gestoken, vindt ze niet geloofwaardig.
‘Zeven centimeter diep.’

De advocaat: ‘Is er sprake van opzet? Van boze opzet?’
De officier van justitie: ‘Ze heeft eerst gelogen. Ze heeft vanuit het ziekenhuis vriendinnen gebeld tegen wie ze zei dat ze Jurnel had neergestoken.’

De advocaat: ‘Ze hadden ruzie, hij wilde het mes pakken, hij nam een meer dan dreigende houding aan.’
De officier van justitie: ‘Ze moet met kracht hebben gestoken. Er is ook een rib doorkliefd.’

De advocaat: ‘Ze heeft zijn dood niet gewild. ‘
De officier van justitie: ‘Ze heeft een verkeerde keuze gemaakt.’

Advocaat: ‘Het is noodweer.’
Officier: ‘Ik eis zeven jaar gevangenisstraf.’

Rob Zijlstra

.

UPDATE – 4 november 2010 – uitspraak
Paula is veroordeeld wegens doodslag tot vier jaar celstraf. De rechtbank vindt dat er sprake is van opzet, zij het geen boze opzet. Tijdens de ruzie pakte ze een mes dat op tafel lag. Daarmee heeft ze het risico aanvaard dat het fout zou aflopen. De rechtbank komt tot een lagere straf dan was geeist, omdat er in de relatie vaker sprake was van geweld waarbij het slachtoffer de agressor was. Noodweer, zoals de advocaat had betoogd, gaat nie top omdat er geen noodweersituatie was. Bovendien heeft Paula zich niet bewust verdedigd, immers ze had niet door dat ze haar partner stak.

HET VONNIS (volgt)

Fatma Abdelaziz

Op 21 maart 2010 gebeurt er iets verschrikkelijks op een balkonnetje van een flatwoning aan de Lierstraat in Groningen.
Rond elf uur die zondagochtend wordt daar de dan 35-jarige Fatma Abdelaziz doodgestoken.
Met 25 messteken.
De officier van justitie spreekt van een weerzinwekkende moord en eist achttien jaar gevangenisstraf.

De dader is Ali (52).
Hij wordt kort na de steekpartij op straat aangehouden, met de armen in de lucht, de handen onder het bloed.
Niet alleen buren zijn getuige van het drama, ook hun 5-jarige dochter heeft het moeten aanzien.

Volgens de officier van justitie handelde Ali met voorbedachten rade.
Hij, een traditionele islamitische man, was gekrenkt en wilde zijn eer redden.
Ali zegt dat dat niet zo is, maar dat ineens alles donker werd en dat hij weer bij zinnen kwam toen hij het bloed aan zijn handen opmerkte.

Hij zegt dat hij Fatma niet heeft willen doden.
Dat hij niet een traditionele islamitische man is, maar al 22 jaar in Nederland leeft en weet wat de waarden en normen hier zijn.
Af en toe moet hij huilen.

De rechters willen van hem weten hoe eerlijk die tranen zijn.
De rechters vragen dat omdat hij niet de waarheid wil vertellen over zijn achtergrond.
Hij zegt dat hij Ali heet en in 1958 is geboren in Bagdad.
Maar tijdens het onderzoek wordt duidelijk dat Ali in werkelijkheid Abdel heet en in 1963 is geboren in Cairo.
Hij zegt dat hij geen antwoorden heeft op vragen die vragen naar zijn identiteit.
De rechters zeggen dat de tranen van Ali misschien niet echt zijn, omdat hij, Abdel in werkelijkheid, zakelijk en berekenend is.

Aan het drama gaan dingen vooraf.
Bijvoorbeeld het volgende:

Om 10.17 uur die zondagochtend belt Fatma ruim 35 minuten (in het dossier: 2120 seconden) met een collega van haar werk.
Dat gesprek duurt tot 10.52 uur.
Om 11.05 wordt via 112 alarm geslagen.

Conclusie: Fatma is na 10.52 uur en voor 11.05 uur om het leven gebracht.

De collega van Fatma speelt een rol.
Hij wordt drie keer gehoord door de politie, de eerste keer twee dagen na het drama.
Pas tijdens de derde keer, op 26 mei – ruim twee maanden later – vertelt hij aan het einde van dat telefoongesprek met Fatma een raar geluid te hebben gehoord.
Een boem, gerinkel, toen een schreeuw.
En dat het gesprek abrupt werd beëindigd.

Waarom heeft die collega dat niet direct aan de politie verteld?
Waarschijnlijk, zo valt tijdens de zitting te beluisteren, omdat Fatma en die collega een heimelijke relatie hadden.
De officier van justitie: ‘Hij moest een paar bruggen over voordat hij dit verhaal kon vertellen.’

Uit onderzoek blijkt dat Fatma in de drie maanden voorafgaand aan het drama 469 maal telefonisch contact heeft gezocht met die collega.
En die collega in diezelfde periode 853 maal met haar.
Er zijn sms’jes met teksten die erop duiden dat de relatie meer was dan alleen een vriendschappelijke.

Fatma telefoneert met haar collega.
Plots een boem, gerinkel, een schreeuw.
Ali (Abdel) komt binnen.
Zij verbreekt abrupt de verbinding en zegt: ‘Ik hou niet van jou. Ik heb een ander.’
Kort daarna bellen buren 112.

Ali zegt dat het anders is gegaan.
Hij was naar Fatma toegegaan om met haar te praten.
Vijf minuten, had ze gezegd.
Toen hij binnenkwam, had Fatma een mes in handen.
Ze schreeuwt, hij vertrekt, zij blijft schreeuwen.
Daarom, zegt hij, gaat hij terug, slaat het ruitje van de deur in, opent de deur, pakt het mes uit de handen van Fatma, hoort het dochtertje roepen ‘mama, nee’.
En toen werd alles donker.
Zegt dat het voelde alsof zijn hand met daarin het mes door iemand anders werd geleid.

Buren zeggen dat ze wel de deur hebben gehoord.
Maar niet het geschreeuw.

De rechters zeggen dat zijn verhaal, zijn lezing, niet kan kloppen met het feit dat Fatma tot 10.52 uur telefoneerde met de jongen van haar werk.
Ze vragen: ‘Bent u wel eerlijk?’
Hij zegt: ‘Ja.’

Ali kwam in 1988 naar Nederland en krijgt in 1995 de Nederlandse nationaliteit.
In februari 1996 trouwt hij met de jonge Fatma.
Het is een georganiseerd huwelijk.
In 1998 komt Fatma naar Nederland.
Het huwelijk wordt in augustus 2001 ontbonden, maar ze houden wel contact.
Formeel betrekt Ali een andere woning die hij onderverhuurt.

Terwijl Ali fietsen repareert, gehoorzaamt Fatma aan de wetten van haar man.
Dit verandert als zij in 2008 via de sociale dienst een baan krijgt bij de Groninger Archieven.
Daar komt de vrouw, die in Cairo een universitaire opleiding heeft genoten, tot bloei.
Zij ontwikkelt zich, hij verslonst.

Ze krijgt van hem te horen dat de kleding die ze draagt als ze naar haar werk gaat, kleding is die je draagt als je naar een feest gaat.
En dat het niet goed is dat zij zich opmaakt.
In januari 2010, rond half elf ’s avonds, komt de politie er aan de deur na een melding van huiselijk geweld.
Ali wordt door de politie, in het bijzijn van de kinderen, weggestuurd.
Agenten zeggen dat hij de woning niet zonder toestemming van Fatma mag betreden.

Fatma is bang dat hij de kinderen zal meenemen naar Egypte.
Mede daarom was zij bezig de kinderen haar achternaam te geven.
En ze hoopte dat hij een straatverbod zou krijgen zodat hij haar thuis niet lastig zou vallen.

Maar Ali wil de relatie herstellen.
Hij vraagt familieleden, de oudste broer, te bemiddelen.
Zoekt hulp bij de imam en de voorzitter van de moskee.
Hij smeekt haar, gooit zich op de grond voor haar voeten.

Maar Fatma is een moderne moslimvrouw geworden en wil niet meer.
Ze wil nu haar eigen leven, in Nederland met haar kinderen.
Ze heeft ambities en wil definitief scheiden.
Maar Ali zou gezegd hebben: ‘Scheiden, dat nooit, zelfs niet als de hemel op de aarde valt.’

De rechters vragen of het waar is dat hij zijn vrouw op het balkon, zichtbaar voor de buitenwereld, heeft afgeslacht om de eer te redden?
Dat hij daarom ook haar hoofddoek aftrok en die naar beneden gooide?
Omdat ze een hoer zou zijn?

Ali schudt het hoofd, zegt dat het niet waar is.
Hij huilt en vertelt haast onverstaanbaar dat hij zo veel spijt heeft.
Omdat zijn kinderen nu geen moeder meer hebben.
En dat hij in twee minuten tijd zijn leven kapot heeft gemaakt.
De rechters: ‘Even voor alle duidelijkheid, u bent hier geen slachtoffer.’

Is het moord of, zoals de advocaat het zegt, een passionele doodslag?
Voorbedacht of een impulsieve daad, een ogenblikkelijke gemoedsopwelling nadat zij riep dat ze een ander had?

Direct nadat Ali op het balkon een einde maakte aan het leven van de jonge vrouw, haalt hij uit een kast een envelop met daarin 3500 euro.
Met dat geld gaat hij naar de buren, zegt – voordat hij weer naar buiten rent – dat hij Fatma heeft gedood en dat het geld is bestemd voor de kinderen.

Aan de vooravond van het drama heeft Ali een gesprek met de voorzitter van de moskee. Hij praat over een gezinsdrama dat zich kort daarvoor in Limburg heeft afgespeeld.
Een vader vermoordde daar zijn kinderen en echtgenote en pleegde toen zelfmoord.
De voorzitter zegt tegen Ali dat je niet de moeder van je kinderen mag vermoorden.

Er is onderzoek gedaan naar het mes.
Had hij dat mes vanuit zijn eigen woning meegenomen?
De politie vindt daarvoor geen aanwijzingen.
De oudste zoon krijgt vier messen voorgelegd.
Hij herkent er drie, maar niet mes nummer 2.
En dat is wel het mes.

Er is een schriftje gevonden in een wit mapje.
Ali had daarin woorden geschreven, woorden als vrijspraak, ontslag van alle rechtsvervolging, vergiffenis, afscheid nemen.

In het Pieter Baancentrum wordt vastgesteld dat Ali een man is met een lage intelligentie, misschien wel zwakbegaafd.
Maar er worden geen stoornissen vastgesteld.
Hij is volledig toerekeningsvatbaar, zij het, zegt de psycholoog van het PBC, met een paar slagen om de arm.
Ali had gezegd dat hij teleurgesteld is in de bevindingen van het onderzoekscentrum.
Rechters: ‘Hoezo?’
Ali: ‘Als je normaal bent, dan doe je zoiets toch niet?’

Rob Zijlstra

Afgelopen zaterdag is in Groningen een benefietconcert gehouden, een initiatief van collega’s van Fatma. Diverse Groninger muzikanten en dichters hebben hier aan bijgedragen. De opbrengst is bestemd voor de kinderen. >> vrienden van Fatma

.

UPDATE – 11 oktober 2010 – uitspraak
Ali is conform de eis veroordeeld tot een gevangenisstraf van 18 jaar.  Ali liep al langere tijd met kwade gedachten rond en drong zich op aan het slachtoffer. Hij kon niet verkroppen dat zijn vrouw bij hem weg wilde. Hij voelde zich in toenemende mate in zijn eer gekrenkt. De rechters stellen dat hij heeft gehandeld uit een van te voren genomen besluit. Daarmee is de voorbedachte rade – en dus moord – bewezen.

HET VONNIS

.

UPDATE – 21 april / 4 mei 2011 – hoger beroep / uitspraak
Ali is door het hof veroordeeld tot 18 jaar celstraf wegens moord. De straf is conform de eis in hoger beroep. De advocaat pleitte voor doodslag en een lagere vrijheidsstraf.

.

UPDATE – 9 oktober 2012
Het strafproces in hoger beroep tegen de inmiddels 54-jarige Ali moet over. Dit heeft de Hoge Raad bepaald. Volgens het hoogste rechtscollege heeft het hof te gemakkelijk aangenomen dat er sprake is geweest van voorbedachten rade en dus van moord. Hier moet in een nieuwe strafzaak opnieuw naar worden gekeken.
Volgens de Hoge Raad staat niet vast dat Ali tijdens het steken zich heeft kunnen beraden, een vereiste om van moord te kunnen spreken. De zaak was bij de Hoge Raad aanhangig gemaakt door strafrechtadvocaat Mathieu van Linde uit Groningen.
Het hof in Leeuwarden moet de zaak opnieuw behandelen. Mocht het hof tot een ander oordeel komen, doodslag in plaats van moord, dan zal dat gevolgen hebben voor de hoogte van de straf.

UPDATE – 14 februari 2013 – nieuwe eis
Voor het hof in Leeuwarden is opnieuw 18 jaar celstraf geeist tegen Ali nadat de Hoge Raad besloot tot een nieuwe proces. Het OM houdt vast aan de kwalificatie moord.

UPDATE – 28 februari 2013 – uitspraak
Het hof in Leeuwarden ziet voldoende bewijs voor de voorbedachten rade. De opgelegde straf is opnieuw 18 jaar wegens moord.

HET ARREST

UPDATE – 6 oktober 2014 – nieuwe eis
Het Openbaar Ministerie heeft in hoger beroep (3e keer) 13 jaar celstraf geëist. Uitgangspunt is niet meer moord, maar doodslag. Daarom een lagere strafeis. Het OM is tot een ander inzicht gekomen, zo werd in de rechtszaal gezegd. Het hof in Arnhem doet over twee weken uitspraak.

UPDATE – 20 oktober 2014 – uitspraak / arrest
Geen moord, wel doodslag. Geen 13 jaar (eis), maar 12 jaar.

HET ARREST (20 okt ’14)

Dagelijks bier

De setting is er niet naar, maar het had woensdagochtend net zo goed om moord kunnen gaan in zittingszaal 14.
Wat afwijkt is dat er geen publiek is.
Bij moord en doodslag is er altijd publiek, dan zit de zaal doorgaans propvol.
Wat ook anders is, is het slachtoffer.
Ze mag dan wel het slachtoffer van haar partner zijn, zoals de meeste slachtoffers van levensdelicten, maar zij leeft nog.

Maar voor de rest had het net zo goed gekund.
De verdachte is Gert, 29 jaar, timmerman van beroep, maar daags na zijn aanhouding ontslagen.
Hij is geen prater.
Het is ook niet iedereen gegeven te spreken in het openbaar.
Gert beperkt zich in zijn antwoorden vooral tot ja, nee, absoluut niet, zou kunnen en weet niet.

Hij wipt onophoudelijk met zijn voeten.
Alsof de grond daaronder te heet is.

Het ging niet lekker met Gert en Greet.
Ze hadden vaak ruzie, ook fysiek.
Waarover?
‘Weet niet. Kleine dingetjes.’

Hij had al eens een huisverbod van tien dagen gekregen.
Tien dagen lang had hij niet thuis bij Greet mogen komen. Zo hoopte iedereen dat er een einde zou komen aan het huiselijk geweld in hun koopwoning in Groningen.
Hij had haar al eens neergestoken met een schroevendraaier.
Daar was toen geen politie aan te pas gekomen.

Wel is hij vaker veroordeeld: twee maal in 2008 en eenmaal in 2007.
Steeds ging het om geweld in huiselijke sferen en steeds was Greet de pineut geweest.

Gert oogt van geen kant op een geweldenaar, maar dat geldt voor de meeste klanten van zittingszaal 14.
Zelf vindt hij zich een leuke vent in de omgang.
Nee, kinderen wil hij niet.
Absoluut niet. Dat zou hem in zijn vrijheid beperken.

Er is ruzie op 12 juli dit jaar.
Hij had haar buiten hun deur gezet en haar geslagen met een waterpas.

Rechters – zij hebben het dossier gelezen – willen weten: ‘Bent u verslaafd aan alcohol?’
Gert: ‘Weet ik niet.’
Rechters: ‘U dronk dagelijks bier.’
Gert: ‘Ik zie het probleem niet.
Rechters: ‘U bent nogal gesteld op uw biertje.’
Gert: ‘Ik ben niet van plan er van af te blijven.’

De rechters zeggen dat de reclassering heeft geschreven dat het verstandig is dat hij iets aan zijn drinkgedrag doet.
Gert zegt dat hij daar niet aan meedoet.

Rechters: ‘Is dat uw koppigheid?’
Gert: ‘Denk ik.’
Rechters: ‘Hoe moet het nu verder met u?’
Gert: ‘Weet niet.’
Ze vragen het nog een keer, maar dan iets anders.
Gert: ‘Weer aan ’t werk.’

Er is ruzie op 24 augustus.
Hij komt thuis van zijn werk, heeft boodschappen gedaan.
De sfeer in huis is gespannen.
– Waarover?
‘Gert weet het niet.’
– U was wel boos?
‘Ja.’
– Bedreigde u Greet?
‘Iedereen zegt wel eens wat als ‘ie kwaad is.’
– Heeft u gezegd: ik maak je vanavond dood als je ligt te slapen?
‘Ja.’

Greet zou – ook boos – hebben gevraagd of hij niet nodig naar zijn vrienden moest, naar zijn vrienden om alcohol te drinken en drugs te gebruiken?
Gert tegen de rechters: ‘Ik vind het flauwekul als ze zoiets zegt.’

Gert gaat niet naar zijn vrienden (‘ik de koelkast lag ook bier’), maar pakt een mes van het aanrecht.
Een scherp broodmes.
Greet zit dan op een stoel die kan draaien voor de computer.
Gert wil haar even bang maken en maakt een steekbeweging.
Zij schrikt, draait en weert zich af.
Hij steekt haar in het bovenbeen.

Rechters: ‘Als Greet zich niet had afgeweerd, had u haar in de buik gestoken.’
Gert: ‘Had gekund.’

Greet belt haar zus die de politie waarschuwt.
Geert gooit nog een fles naar haar toe, maar mist.
Dan slaat hij haar in het gezicht, zij slaat terug.
De politie treft haar even later buiten op straat aan in een broek vol bloed.

Rechters: ‘Hoe kijkt u hier nou op terug?’
Gert: ‘Kan niet. Hoort niet zo.’
Rechters: ‘Heeft u wel spijt?
Gert: ‘Zeker wel.’

De officier van justitie spreekt van een heel ernstige zaak en een zorgelijk verleden, al met al van een groot probleem.
Bij de politie had Gert gezegd dat hij bang is dat zijn agressie eens fatale gevolgen zal hebben.
De officier zegt dat zolang ‘meneer hier’ niet bereid is iets aan zijn alcoholprobleem en aan zijn agressie te doen, de kans op herhaling hartstikke groot is.
‘Dan zit meneer hier binnen de kortste keren weer. En dat moeten we voorkomen.’

De rechters vragen nog of Gert ook wel eens aan zijn oom moet denken.
Gert knikt.
En of hij bang is dat hem ook zoiets overkomt?
Gert: ‘Ja.’
Oom had tante doodgeschoten en daarna zichzelf.

Gert zegt: ‘Ik ben nu eenmaal zoals ik ben.’
Rechters: ‘Kunt u veranderen?’
Gert: ‘Wel wat.’
Rechters: ‘En hoopt u dat de relatie met Greet weer goed komt?
Gert: ‘Ja.’

De officier van justitie eist een gevangenisstraf van 30 maanden waarvan 10 maanden voorwaardelijk.

Rob Zijlstra

UPDATE – 23 december 2009 uitspraak
De rechtbank gaat uit van een poging tot doodslag, twee bedreigingen en mishandeling. De rechters houden rekening met het feit dat er sprake is van een langlopend relatieprobleem waarin ook de vrouw haar aandeel heeft. Zolang verdachte zich niet laat behandelen aan zijn alcoholprobleem is de kans op herhaling groot, denkt de rechtbank.  Al met al komt de rechtbank tot een lagere straf dan de eis: 24 maanden celstraf waarvan 8 voorwaardelijk.  Daarnaast moet de reclassering toezicht houden.