pechvogels

Olie op het vuur

Aanvankelijk wilde de
officier van justitie
Margreet laten bloeden
voor een poging tot moord

Soms vind ik verdachten zielig. Of een beetje sneu. Dit is een linke uitlating, want voordat je het weet word je door het weldenkende deel van de natie beschimpt en weggezet als een elitaire geitenwollensokkenknuffelaar, als een softe lijpkikker. En toch vind ik het.

Ik schreef afgelopen week over de 52-jarige Femko. Wat hij had gedaan, dat kan helemaal niet. Dat is, links- of rechtsom en hoe sneu ook, niet goed te praten. De rechters vonden dat ook en gaven hem tien jaar geleden een straf die voor een man als Femko een levenslange aangelegenheid kan worden. Tbs. Afgelopen week is zijn status met een jaar verlengd. Met een beetje tegenwind doen ze dat over een jaar weer en het jaar daarop weer en een jaar later weer.

Femko vroeg nog aan de rechters: ‘Wanneer houdt het eens een keertje op?’

Hij woonde samen met zijn Trijn, al tien jaar hadden ze verkering. Veel deden ze niet. Zo waren ze bijvoorbeeld niet de buurt stelselmatig tot last. Wat ze wel deden was dagelijks sloten bier drinken, uit flesjes. Soms hadden ze ruzie. Femko wilde vaak naar zijn moeder (‘naar mammie’), het liefst elke dag. Trijn, tikkeltje jaloers misschien, wilde dat niet. Femko: ‘Dan maakte ze me de kop gek.’

Op een dag goot Femko spiritus over zijn verkering en stak hij haar met de aansteker in brand. Het ging razendsnel. Femko schrok zich het apezuur want dit was nou ook niet de bedoeling. Hij probeerde Trijn met bier te blussen. Dat ging niet. Trijn belandde in het ziekenhuis, Femko in de gevangenis waar hij het doodeng vond. De gevangenis maakte daarna plaats voor tbs-klinieken waar hij zijn dagen al jaren vult met niets. Ik had Femko, die met zijn lange grijze haren op een grote indiaan lijkt, een kleuriger leven gegund.

Ook wat Dina, eveneens 52 jaar, heeft geflikt is volstrekt gestoord. Dat vindt ze zelf ook. Ze vertelt dat ze vaker bij haar buurman op bezoek ging om te praten en om biertjes drinken. Was ze die avond dronken? Nee. Wel aangeschoten. ‘Ik kon nog lopen.’

Ruzie? Nee. Maar buurman had haar wel een klap op de arm gegeven. Zomaar. Dina: ’En toen waren alle emoties, de mishandelingen, de verkrachtingen, de hele rode draad in mijn leven, als een black-out naar boven gekomen.’ Wat ze ook gemeen vond was dat buurman rook in de neus van haar hondje had geblazen. ‘Eigenlijk was ik boos en verdrietig tegelijk.’

Rechters: ‘En toen?’

Dina vertelt dat ze naar haar huis is gelopen, een pannetje heeft gepakt en de fles zonnebloemolie. De olie heeft ze verhit en toen is teruggelopen, ze had aangebeld en toen buurman de deur opendeed, had ze gegooid. Zegt: ‘Ik richtte op de muur, niet op zijn gezicht.’ De hete olie raakte de borst en armen van buurman.

Rechters: ‘Maar waarom dan?
Dina: ‘Ik zei steeds tegen mezelf, doe het toch niet, doe het niet.’
Rechters: ‘En toch deed u het.’
Dina: ‘Totale black-out, het was chaos in mijn hoofd.’
De officier van justitie: ‘U ging planmatig te werk, u wist wat u deed.’

De buurman die ook in de rechtszaal zit – eerste- en tweedegraads brandwonden – zegt dat hij met een megalitteken op zijn arm voor het leven is getekend. Hij heeft geen schadeclaim ingediend. Zijn analyse: ‘Het ging om niks, het was de drank.’

Dina woelt met de handen door de haren en gooit alle chaos in haar hoofd eruit. Ze zegt, huilend, dat de laatste keer dat ze had gestolen in 2014 was geweest, twee cordon bleus, de boete had ze keurig betaald, dat ze van dieren houdt, dat ze het terug wil draaien, dat ze gaat verhuizen en dat ze dood wil, dat ze wel weet dat ze een alcoholprobleem heeft, dat het leven voor haar zo niet langer hoeft.

De officier van justitie vindt een werkstraf van 60 uur voldoende.
Dina: ’Een werkstraf? Oh, dat wil ik wel.’ Ze heeft gehoord dat je dan ’s ochtends met een busje wordt opgehaald en dat ze je ’s avonds weer thuisbrengen.

Ook met Margreet heb ik te doen. Margreet is (was) 43 jaar getrouwd met haar man Bob die haar op een dag vertelde dat hij een vriendin had (heeft). Gevonden op het internet. Bob en Margreet hadden 34 jaar samen een bedrijf met wisselende financiële successen. Toen Bob vertelde dat zijn vriendin ook in de onderneming kwam werken, maar dat zij, zijn vrouw dus, ook gerust kon blijven, knapte er iets. Margreet pakte een mes uit haar tas die op het aanrecht stond en stak haar Bob in de buik.

Grote schrik, maar een pleister volstond. Aanvankelijk wilde de officier van justitie Margreet laten bloeden voor een poging tot moord, maar bij nader inzien maakte hij daar een poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel van. Bij een poging is het voorgenomen misdrijf niet voltooid, wat aanzienlijk scheelt in de straf.

Margreet zegt tegen de rechters dat haar man Bob niet spoort. ‘Hij kijkt zonder emoties naar die onthoofdingsvideo’s, maar als er dan een filmpje komt over hoe de muskusratten worden gevangen moet hij huilen.’ Ze heeft vanuit de vrouwengevangenis de scheiding in gang gezet.

De rechters vragen vriendelijk: ‘Hoe gaat u straks uw leven weer oppakken?’
Margreet, droef: ‘U denkt dat ik daar een antwoord op kan geven?’

Ze vertelt dat ze moeite heeft met de regels in de gevangenis. ‘Als je 34 jaar een bedrijf runt en altijd van alles moet regelen en beslissen, dan valt het daar niet mee. Is er trammelant, dan word ik naar mijn kamer gestuurd. Dat is dan wel weer komisch. Ik bedoel, ik ben 62.’’

Ze zegt. ‘Ik heb niks meer. Ik heb geen man meer, geen huis, geen werk, geen bedrijf, ik zie de poezen niet meer en nu ben ik ook nog mijn vrijheid kwijt.’

De officier van justitie eist twaalf maanden opsluiting in een cel in de gevangenis waarvan vier maanden voorwaardelijk mogen. Margreet zegt dat ze wel naar een kliniek wil en dat dat niet zo lang hoeft te duren. Ze bedoelt een levenseindekliniek. De officier van justitie reageert: ‘Ik vind dit heel heftig. Ze heeft een geweldige familie, ik hoop dat ze hulp krijgt om de mooie dingen van het leven weer te zien.’

De strafeis blijft evenwel ongewijzigd.

Rob Zijlstra

Angstschreeuwen

Hij moet meekomen, mee naar Groningen
om daar iemand bang te maken

Schermafbeelding 2016-04-15 om 00.12.16

Om de misdaad binnen de perken te houden, richt het strafrechtsysteem zich voornamelijk op de misdaadpleger.
Een koppige geit naar de gevangenis sturen is in het kader van de misdaadbestrijding natuurlijk ook tamelijk onzinnig.
Maar misdaadplegers zelf leggen het waarom van hun doen en laten vaak buiten zichzelf.

In zittingszaal A van het Paleis van Justitie in Leeuwarden diende afgelopen week een vreselijkste rechtszaak.
Op de antieke houten stoel voor de rechters (raadsheren) zat Karin S. (51), misschien wel de slechtste moeder ter wereld.
Ze keek toe hoe haar vriend haar verstandelijk gehandicapte dochter Daniëlla doodsloeg met een honkbalknuppel.
Daarna verzon ze een leugen om haar vriend – hoe slecht is hij wel niet? – in bescherming te nemen.
Terwijl ambulancepersoneel het leven van haar 20-jarige dochter probeerde te redden, vertelde Karin aan de agenten dat Daniëlla van de trap was gevallen.

Karin S. is vorig jaar door de rechtbank tot 8 jaar celstraf veroordeeld wegens medeplichtigheid aan moord.
Ze is in hoger beroep gegaan omdat ze de straf te hoog vindt.
In haar beleving is alleen Geert de grootste slechterik.
Alles komt door hem.
Dat zij niets deed, ook.
Ze liet Geert als hij Daniëlla verkrachtte of afranselde z’n gang gaan omdat ze zo bang was. Soms gilde het moederhoofd dat ze moest ingrijpen, maar dan kreeg ze spontaan ‘blokknieën’, vertelt ze aan de rechters. ‘Dan verkrampte ik.’

De strafzaak tegen Karin S. wordt over een paar maanden voortgezet.
Die van Geert ook.

Angst speelt ook een aanjagende rol als twee mannen in december vorig jaar aanbellen bij Huibert (21) in Veendam.
Huibert zit dan met twee vrienden te gamen.
Call of duty.
Hij moet meekomen, mee naar Groningen om daar iemand bang te maken.
Iemand die geld moet betalen.
Bange mensen komen sneller met geld over de brug, zo begrijpt Huibert.
Om de klus te klaren krijgt hij in de auto een ploertendoder in handen gedrukt.
Tegen de rechters: ‘Als ik niet deed wat ze zeiden, zouden ze m’n hond doodmaken.’

Rechters: ‘Had u gedronken?’
Huibert: ‘Tien halve liters.’
Rechters: ‘Drugs?’
Huibert: ‘Een joint.’

Aangekomen in Groningen laat de man met de schulden zich op de afgesproken plek op de Grote Markt niet zien.
Gedrieën lopen ze een tijdje door de binnenstad.
Ze passeren een man die op straat staat te bellen.
Huibert loopt naar hem toe, zegt ‘moi’ en direct daarop haalt hij uit met de ploertendoder.
Twee keer, drie keer op het hoofd.
Niet heel lang daarna ligt de beller op de intensive care, waar artsen hem 24 uur in slaap houden om zijn leven te redden.
Dat lukt op het nippertje.

Huibert: ‘Het was niet de bedoeling.’
De rechters: ‘En toch is het gebeurd.’
Huibert: ‘Ja. Ik moest iets doen. Ik was zo bang, ik kon helemaal niet meer nadenken.’

De rechters zeggen dat het niet veel had gescheeld of Huibert had als moordenaar in de rechtszaal gezeten.
Hij knikt, dat snapt hij nu ook wel.
Was hij – achteraf – maar niet zo bang geweest voor die twee mannen, dan had hij het nooit gedaan.

De officier van justitie is niet gecharmeerd van deze verdachte.
Ook al omdat de twee vrienden met wie Huibert thuis zat te gamen verklaarden dat hun vriend helemaal niet werd bedreigd en niet werd gedwongen mee te gaan naar Groningen.
De aanklager: ‘Dit is een klassiek voorbeeld van zinloos geweld.’
Het voorstel: 6.000 euro betalen aan het slachtoffer en drie jaar gevangenisstraf (waarvan een jaar voorwaardelijk).
Na detentie een stevige behandeling in een strenge kliniek.
Huibert had stiekempjes gehoopt op jeugddetentie.
Voor een verblijf in een gevangenis voor volwassenen is hij een beetje bang.

Joost (45) leek om de drommel niet bang toen agenten hem wilden arresteren.
In plaats van de handen omhoog, gooide hij een 14,8 kilo wegende metalen zuurstoffles naar de agenten, bedreigde hij hen met verbale kogels en de dood, vernielde hij met zijn blote vuisten de politieauto en trok hij zich niets aan van de wapenstok en de pepperspray waarmee het gezag hem wilde vloeren.

Geboeid onderweg richting het politiebureau bleef Joost vloeken en tieren en hoogst onaardig. Eenmaal veilig achter slot en grendel vernielde hij de celdeur met zijn beenprothese.

Joost kijkt zoals hij oogt: somber.
Zegt zachtjes tegen de rechters: ‘Ik kan mij er niets van herinneren. En ik vind het heel erg wat er is gebeurd.’

Er was een 112-melding dat er een man languit op de doorgaande weg lag.

Rechters tegen Joost: ‘Dat was u.’
Joost: ‘Ik wilde dood, ik wilde zelfmoord plegen. Zou ik overreden worden, dan was alles voorbij.’
Dat hadden de rechters in het strafdossier gelezen.
Joost: ‘Ik was heel somber, ’s ochtends al. Ik heb toen zes halve liters gedronken en xtc-pillen gekocht in het bos achter de Menkemaborg. Dacht, als ik alles in een keer inneem, dan is het zo voorbij.’
Rechters: ‘U kijkt nu ook heel somber.’
Joost: ‘Ik wacht nog steeds op hulp.’
Rechters: ‘Waarom wilde u zelfmoord plegen?’
Joost, vermoeide stem: ‘Slechte jeugd gehad, veel meegemaakt.’

Er volgt een relaas, zo naar dat iedereen die het leven vrolijk lief heeft er in de war van raakt.
Hij was fitter, dat was zijn lust en zijn leven, maar toen kwam er dat akelige ongeluk en werd hij afgekeurd.
Nu zit hij 32 uur per week achter een naaimachine bij de werkvoorziening wat hij dag in en dag uit verschrikkelijk vindt.
Net als het geweld en de drank vroeger thuis, met zijn moeder van 17 en een tante die hem misbruikte, tien broers, het ongeluk, zijn been.
Een keer had hij een auto cadeau gedaan aan een jongere broer. Nog diezelfde dag reed die zich dood in die cadeau gegeven auto.

Het leven van Joost bestaat overdag uit akelige flashbacks en ’s nachts uit nare dromen.
De huisarts schreef pilletjes voor.

Het is om bang van te worden.

Officieren van justitie noemen alles wat verboden is en toch geschiedt ‘ernstige feiten’.
Zo ook nu.
Om het weer goed te maken met de samenleving: twee dagen celstraf en een werkstraf van 60 uur (eis).

Joost mompelt dat het wel goed is en zegt dat hij heel graag zijn excuses wil aanbieden aan die agenten.
De rechters: ‘Dat moet u maar met de reclassering regelen.’
Joost: ‘.’
Denkt na en zegt dan: ‘Ik schrijf wel even een brief.’

Rob Zijlstra

uitspraken volgen

→ inzetje: bram vermeulen / doodgewone jongen

De knevel en de afscheidsbrief

in een tijd dat het tamelijk naïef is
de overheid zomaar te geloven
moeten wij het maar geloven

 

Schermafbeelding 2016-01-30 om 02.09.03Dit is een beklagenswaardig verhaal, althans – zo ga ik het schrijven.
Ik weet niet zo goed of de trieste invalshoek die ik kies, wel de meest relevante is.
Misschien moet het alsnog een staartje krijgen.
Eerst maar eens de feiten.

Wim is een man van nu 34 jaar die in Groningen woont.
Op de dagen van dit verhaal – 22 en 23 november 2014 – gaat het niet zo goed met hem.
Het ging vast  al langer niet goed.
Want Wim is klaar, hij wil niet meer.
In de nacht van 22 op 23 november bericht hij via WhatsApp aan zijn familie dat hij een einde aan zijn leven gaat maken.
De familie belt geschrokken de politie die met spoed naar de woning van Wim gaat.

Wanneer de (drie) agenten zijn woning willen betreden, worden ze bedreigd door Wim.
Hij zwaait met een fileermes en een kapotgeslagen fles, hij heeft iets wat verdomd veel op een wapen lijkt (een nepper, blijkt later).

De agenten zeggen dat hij dat niet moet doen, dat hij zijn wapens moet neerleggen.
Dat herhalen ze een paar keer (volgens protocol).
Maar Wim luistert niet of wil niet horen.
Hij wil dood.
Na anderhalf uur volgt politioneel overleg en wordt besloten (door wie?) het arrestatieteam op te trommelen, in de volksmond ook wel het aanhoudings- en ondersteuningsteam.
Dat weet wel raad.
Het team dendert naar binnen en Wim wordt van korte afstand in het bovenbeen geschoten.

Uitgeschakeld.

De drie agenten doen een dag later aangifte van bedreiging.
De officier van justitie denkt dat daar voldoende bewijs voor is.
Wim heeft het ook bekend.
De officier van justitie vindt dat Wim zich schuldig heeft gemaakt aan ‘bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd’.
Er zijn geen redenen  geen straf op te leggen.
De eis: drie maanden voorwaardelijke celstraf met een proeftijd van een jaar.

Twee van de drie agenten zeggen als gevolg van de bedreiging schade te hebben geleden en willen elk 400 euro van Wim hebben.
Geld maakt alles goed.
Dat vindt de officier van justitie ook.

→ wil je eindelijk zelfmoord plegen, krijg je dit…

De advocaat is het er niet mee eens.
Het schot in het bovenbeen was niet mis, in die zin dat er in een jaar tijd dertien operaties moesten worden uitgevoerd om het been te behouden.
Het ziet er niet goed uit.
De kans is groot dat het been alsnog moet worden geamputeerd.
En dan ga je, zegt de advocaat, toch niet iemand ook nog eens een straf opleggen?

De advocaat had nog wat.
Hij zegt dat het onbegrijpelijk is dat Wim moest worden neergeschoten.
Want waarom eigenlijk?
Agenten waren al anderhalf uur met hem in gesprek.
Waarom toen geen psychiatrische hulp ingeschakeld?
Of iemand met overredingskracht?

Vrijdag kwam de rechtbank met de uitspraak.
Die agenten moeten met hun immateriële schades maar naar de burgerlijke rechter.
We zijn gekke Gerrit niet, vorderingen afgewezen.

Ten aanzien van de geëiste straf stelt de rechtbank dat de verdachte nog een onbekend aantal operaties moet ondergaan en dat het been er misschien uiteindelijk toch af moet.
Het is dan qua lopen afgelopen.
Letterlijk staat in het vonnis: ‘Het leven van verdachte is ingrijpend veranderd omdat hij niet meer kan lopen en hij zich alleen nog maar kan voortbewegen in een scootmobiel.’
Het is dan ook ongepast, vinden de rechters, een straf op te leggen.
De uitspraak: Wim is schuldig, punt.

Omdat er een agent heeft geschoten, is er een onderzoek geweest van de Rijksrecherche.
Op grond van de bevindingen van de Rijksrecherche heeft het Openbaar Ministerie besloten de agent niet te vervolgen.
Onderzoeken van de Rijksrecherche zijn vertrouwelijk.
Wij moeten het maar geloven.
In een tijd dat het tamelijk naïef is de overheid zomaar te geloven, moeten wij het maar geloven.

Uit het besluit van het Openbaar Ministerie moeten wij ook maar de conclusie trekken dat de agent van het aanhoudings- en ondersteuningsteam die schoot, schoot omdat het mocht, omdat hij niet anders kon dan schieten.

Stel dat dat waar is, dan zou ik – zou ik die agent zijn – de inhoud van het vertrouwelijke Rijksrechercherapport per direct naar de rechtbankverslaggever die ik ben sturen (lekken kan hier: e-mail / vertrouwelijk).

In het vonnis staat nog een overweging van de rechtbank.
Die luidt dat de rechtbank van mening is dat de politie alvorens het arrestatieteam in te zetten ‘psychiatrische hulp of enige andere vorm van medische hulpverlening’ had moeten inschakelen. Daar was ‘naar het oordeel van de rechtbank’ en ‘gelet op de (geestelijke) toestand van de verdachte en de zelfmoordmelding wel degelijk reden toe’.

Het optreden van de politie in deze kwestie moet dan ook,  de advocaat zei het al, onbegrijpelijk heten.

Voor Wim rest niet veel.
Ik lees in het vonnis  dat het fileermes wordt onttrokken aan het verkeer, maar dat de knevel en de afscheidsbrief aan hem teruggegeven moeten worden.

Zet ‘m op Wim.

Rob Zijlstra

 

 

 

21 & 74

terwijl zijn echtgenote een beetje
aan het tutten is in de slaapkamer,
pakt hij het groentemes uit de keuken

Schermafbeelding 2015-11-28 om 16.49.07Gerko en Ralph zaten afgelopen week op dezelfde stoel in zittingszaal 14 vanwege dezelfde strafbare feiten.
Gerko zat er maandagochtend, Ralph donderdagmiddag.
Ik denk niet dat ze elkaar kennen.
Gerko heeft met zijn 21 jaren nog heel veel stappen te zetten, Ralph is al een flink eind op weg.
Hij is 74 jaar.
Beiden zouden zich schuldig hebben gemaakt aan een poging tot doodslag.
Dat is de beschuldiging.

Het ziet er niet best voor ze uit.
De officier van justitie heeft een gevangenisstraf van drie jaar geëist tegen de detentie-ongeschikt verklaarde Ralph.
Gerko hoorde de officier van justitie met pijn in haar hart (dat zei ze) de maatregel tbs eisen.
Wanneer mannen van Ralphs leeftijd terechtstaan, staan ze vrijwel altijd terecht wegens zedenmisdrijven.
Ralph mag zich echter een van de oudste plegers van een geweldsmisdrijf noemen.
Gerko dreigt op zijn beurt ’s lands jongste tbs’er te worden.

Waarom ze messen pakten en toestaken – Ralph in maart dit jaar, Gerko een maand eerder – is een vraag.
Ralph weet het niet meer, zoals hij wel meer dingen niet meer weet.
Steeds vaker raken woorden die hij wil zeggen vlak voor het uitspreken zoek.
Cognitieve problemen met misschien wel neurologische oorzaken.
Bij Gerko is het ook ingewikkeld: hij zegt dat hij niet heeft gestoken.

Gerko vertelt met zijn boze, maar niet onvriendelijke jongenshoofd dat ze met een paar mannen in een kamer zaten te gamen, te blowen en te drinken.
Whisky.
Koos had toen irritant gedaan.
Gerko: ‘Hij begon groot te praten, lelijke dingen te zeggen over mijn moeder. Ik zei, jij moet even normaal doen. Hij daagde me uit. We gingen wat duwen en trekken. Ik zei, kom mee naar buiten dan vechten we het uit.’
De rechters: ‘Heeft u toen gezegd, ik steek je dood?’
Gerko: ‘Nee, dat heb ik niet gezegd.’

Tot een mannenvechtpartij buiten komt het niet.
Tijdens het duw- en trekwerk is er ineens een grote rode vlek op Koos’ rug.
Een ambulance brengt hem naar het ziekenhuis.
Gerko: ‘Ik had niet eens een mes.’

Gerko wordt aangehouden.
Een aangename arrestatie is het niet.
Gerko moet weinig hebben van agenten.
Hij heeft last van een ‘pathologische autoriteitsgevoeligheid’.
Hij wenst de agenten akelige ziektes en seksuele geaardheden toe en gooit tijdens de verhoren met tafels en stoelen.
Dat leidt weer tot aangiftes van de politiemannen wegens beledigingen en bedreigingen.
Een van de agenten heeft een schadeclaim ingediend.
Hij wil 276 euro om het te vergeten.
Gerko tegen de rechters: ‘Kijk, het is dom van mij, weetje. Maar ik ben niet iemand die gaat zitten voor iets wat ik niet heb gedaan. Snappen jullie dat?’

Ik ken Gerko nog van een vorige rechtszaak, hij was toen net 18 jaar.
Mannetje Pindakaas noemde ik hem.
Een deskundige repte van adolescentieproblematiek en van een anti-sociale persoonlijkheidsstoornis.
Er werd gevraagd of het ooit goed zou komen.
Een deskundige antwoordde dat het alle kanten op kon gaan.

Alles wat een kind aan ellende kan overkomen, heeft Gerko moeten meemaken.
Alles wat er aan jeugdhulpverlening is bedacht, heeft hij moeten ondergaan.
In het Pieter Baan Centrum zat hij vanwege agressie veel in de isoleer.
Het rapportcijfer van het PBC is dan ook niet best.
Gebrekkige gewetensfuncties, lage frustratietolerantie, ga zo maar door.
De officier van justitie had kennis genomen van Gerko’s verleden.
Zo triest en treurig had ze het nog nooit meegemaakt.

Gerko’s advocaat probeert wat.
Dat er met een mes is gestoken, is zo.
Maar door wie?
Iedereen in de woning was aan de drank en drugs.
Twijfel genoeg.
En over Gerko: ‘Tot tien tellen is niet zijn ding. Hij heeft niets meegekregen, hij moet zich zonder vaardigheden staande houden.’

Wat dat betreft heeft Ralph het beter getroffen in het leven.
Is Gerko de jongen van de straat, dan is Ralph een heer van stand.
Strak in pak, maar een garantie voor onberispelijkheid is dat geenszins.

Terwijl zijn echtgenote een beetje aan het tutten is in de slaapkamer, pakt hij het groentemes uit de keuken, loopt naar de slaapkamer en steekt zijn vrouw tot tweemaal toe in de hals.
Zomaar.
Ze grijpt hem stevig in het kruis en knijpt met al haar kracht, waarop hij bij zinnen komt.
Ze zegt dat hij de huisarts moet bellen, hij zegt ‘nee, dat duurt te lang’ en belt 112.
Als de politie komt, zit zij bebloed op een stoel en ligt het groentemes in de prullenbak.

Ralph zit nu negen maanden vast.
Hij zegt nog altijd verbijsterd te zijn over wat hij heeft gedaan.
Dat hij zo ontzettend blij is dat zij het heeft overleefd.
Op de dag van het incident hadden ze ruzie gehad, maar waarover weet hij niet meer.
Zo hij ook steeds maar weer de namen van zijn kinderen vergeet.
Tegen de rechters: ‘We hadden een turbulente relatie. Veel ruzies. Ze had een ijzersterk geheugen. Ze confronteerde me vaak met dingen van jaren geleden.’
De rechter knikt.
Ze zegt: ‘Dat doen vrouwen vaak.’
Ralph: ‘Maar ik wilde haar niet kwijt en nog steeds niet. We moeten het uitpraten.’

Ze bezoekt hem vrijwel wekelijks, maar hij mag geen contact met haar zoeken, dat is zo afgesproken.
Ralph zegt dat zijn leven nu behoorlijk op de kop staat.
De gevangenis was geen plek voor hem.
Hij zit nu in een gesloten instelling van Lentis.
Eigenlijk wil hij daar wel blijven.
Aardige mensen, jonge mensen ook, dat stimuleert.
‘Oudere mensen’, zegt hij tegen de rechters, ‘die zeuren zo.’
Ook zegt hij: ‘Ik kan nu nieuwe dingen leren. Hoe een wasmachine werkt bijvoorbeeld. Ik ben in het leven vreselijk verwend. Ik had vrouwen en werkgevers die altijd alles voor mij regelden.’

De officier van justitie zegt dat Ralph maar een beetje verminderd toerekeningsvatbaar is en dat hij vijf jaar celstraf in gedachten had.
Gezien de persoonlijke omstandigheden en gesteldheid mogen dat wat hem betreft ook drie zijn. Drie jaar.
Dat is de eis.
Om de verdachte enigszins gerust te stellen: ‘De gevangenisdirecteur heeft de bevoegdheid u door te plaatsen naar een gesloten instelling.’

Ook voor de halve eeuw jongere Gerko dreigt zo’n gesloten instelling, alleen staat er dan met grote letters TBS op.
Mogelijkheden tot doorplaatsing zijn daar de komende tien jaren nihil.
De kommer en kwel die hij te verduren kreeg, zullen nooit verdwijnen.
De hulp waar hij wat aan heeft, moet nog worden uitgevonden.

Mannetje Pindakaas dreigt het leven mis te lopen.

Rob Zijlstra

mannetje pindakaas

update – 7 december 2015 – uitspraak
Gerko is de klos. De rechtbank heeft hem veroordeeld wegens een poging tot doodslag en bedreiging tot een jaar celstraf en de maatregel tbs met dwangverpleging. Met deze veroordeling is Gerko de jongste tbs’er van Nederland. Er is zelfs een kans dat hij nooit weer op vrije voeten zal komen. Gerko heeft nog een kans: hoger beroep. Advocaat Maartje Schaap heeft kort na het vonnis laten weten dat ook te zullen doen. ,,Erger dan dit kan niet.”

update 10 december 2015 – uitspraak
Ralph komt er mee weg. Twee jaar waarvan de helft voorwaardelijk in plaats van de gemiste drie jaar kaal. Aansluitend op detentie moet hij zich laten openen voor behandeling, maximaal gedurende een jaar. Daarna moet hij van de rechters ergens wonen met veel zorg en goede begeleiding.

update 10 december 2015 – Gerko
Wat, waar, waarom en wanneer is er iets misgegaan? Dat ga ik uitzoeken. Gerko is de jongste tbs’er van het land, maar volgens mij kan hij beter. Verhaal volgt, ergens in maart 2016.

Loodzware ballonnen

Schermafbeelding 2015-10-03 om 10.45.33Ik schreef dat Bram geen taartjes had meegenomen naar de rechtszaal, waar geen kleurrijke slingers en ballonnen hingen en dat de rechters ook niet voor een keertje gingen staan om hem in hun armen te sluiten, dan toch op z’n minst stevig zijn hand te drukken.
Bram zat 25 jaar in het vak en kondigde in de rechtszaal aan dat het mooi was geweest.
Nooit, maar dan ook nooit zouden ze hem weerzien.
Het besluit met de criminaliteit te stoppen was niet genomen tijdens de cursus ‘christelijk geloven’ die hij volgde.
De ware reden: Bram was zo vreselijk moe.
Het drugsverslaafde lichaam was doodop van een kwart eeuw jachtig leven op straat.

De rechters zeiden niet ‘nou Bram, heel veel succes en we gaan je missen na al die jaren’.
Wat werd uitgesproken was de strafmaatregel isd (inrichting stelselmatige daders), bedacht voor veelplegers als Bram: isd is twee jaar met hulpverleners achter de tralies.

Deze week zat Bram er weer.
’t Is mislukt.
Had hij de vorige keer een partij moerdoppen gestolen bij de Praxis, ditmaal moest hij zich verantwoorden voor de diefstal van vier flessen Robijn (wasmiddel) bij de Coop en tien pakken koffie bij de Jumbo in Groningen.

Bram is begin dit jaar 50 geworden en nog altijd is hij onverminderd moe.
Niet alleen van het leven, maar hij is inmiddels ook moe van de hulpverlening.
Alles wat het hulpgilde de voorbije dertig jaar heeft bedacht de wereld te verbeteren, is op Bram losgelaten.
’t Hielp niets.

Bram heeft ook niet veel tekst meer.
Hij kent de rechterlijke riedels.
Laat hem maar weer twee jaar zitten, laat hem dan wel een beetje met rust en, als het even kan, wil hij ook graag zijn methadon blijven gebruiken.
Zo zal het gaan.
De officier van justitie eiste voor de vierde keer in acht jaar tijd de twee jaar durende isd-maatregel en de rechtbank zal die over twee weken opleggen.

Wat Bram is, probeert Nick (25) te worden.
Hij gebruikt heroïne en cocaïne en heeft ter financiering tachtig tot honderd euro per dag nodig.
Dat is dagelijks een loodzware opgave want hij heeft ook veel schulden.
Op een dag van hoge nood pikte hij de mobiele telefoon van zijn 16-jarige zus.
Hij verpatste het toestel voor een paar tientjes.
Tegen de rechters: ’t Klopt helemaal. Ik heb er natuurlijk wel spijt van.’

In de rechtszaal zit ook Nick’s moeder.
Ze zegt, bijna verontschuldigend, dat Nick toch haar zoon blijft.
Namens haar dochter heeft ze wel een schadeclaim ingediend.
Droef: ’Ik heb hem zo vaak de hand boven het hoofd gehouden, maar dat kan ik niet meer.’

Nick had een tijdje in het metaal gezeten.
Van de daken van het winkelcentrum en de scholen in Hoogezand had hij lood gestolen.
De schade bij het winkelcentrum alleen al bedroeg 14.000 euro.
Lood stelen is zwaar werk.
Zo heel raar was het dus niet dat hij na de nachtelijke arbeid even was gaan rusten.
De volgende ochtend hadden ze hem slapend aangetroffen in het struikgewas bij de basisschool Het Ruimteschip (aan de Astronautenlaan).
Naast hem honderd kilo lood.

Ook daar heeft hij natuurlijk spijt van.
De man van het winkelcentrum die de schade komt verhalen (2500 euro eigen risico) zegt tegen de rechters dat hij naar de rechtbank is gegaan met het idee heel boos te zullen worden op de verdachte.
‘Maar ik zie een man die tussen wal en schip is gevallen. Ik wens hem heel veel sterkte en ik hoop dat hij het redt.’

Moeder slaat van schrik de handen voor haar mond en begint te huilen.
De winkelman troost haar.
Nick ruikt zijn kans en zegt dat hij nog wel een tip heeft voor de winkeliers: ‘Draai alle hekken eens op slot, dan kan ik ook niet binnenkomen.’

Na de strafzaak wordt Nick teruggebracht naar de psychiatrische kliniek waar hij momenteel verblijft en waar hij – mocht de rechtbank de strafeis van 180 dagen waarvan 135 voorwaardelijk met voorwaarden overnemen – nog wel anderhalf jaar zoet is met de hulpverleners.

Dan stuitert de 30-jarige Patricia met een luid ‘hallo’ de rechtszaal binnen.
De diefstal van de telefoon en een armband bekent ze.
Geen probleem.
Nee, de portemonnee uit de kerk toen het koor zong niet.
Zeker weten van niet.

Rechters: En de diefstal van de telefoon uit het Vrijdag Theater?
Patricia: ‘Heb ik niet gedaan.’
Rechters: ‘Goed, dan gaan we de beelden bekijken.’
Patricia: ‘Ik heb het wel gedaan.’
Rechters: ‘Mooi, dan hoeven we de beelden ook niet te bekijken.’

Patricia is eigenlijk als Bram, alleen is zij – veel jonger – nog vol levenslust.
Voordat het proces goed en wel is begonnen, roept Patricia: ‘Luister, we kunnen hier natuurlijk een hele discussie aangaan. Maar kijk, voor mij ligt het gemakkelijk. Geef me alsjeblieft isd. Klaar.’

De rechters zijn een beetje beduusd.
Zo werkt het natuurlijk niet.
De rechters willen eerst de strafbare feiten die aan de verdachte ten laste zijn gelegd zorgvuldig bespreken, daarna willen ze praten over de persoonlijke omstandigheden en dan moet de officier van justitie er nog iets van vinden.

Praktische Patricia: ‘Toe nou mevrouw de rechter. U heeft mij al zo vaak veroordeeld. Ik ben hier zo vaak geweest. Het heeft geen zin. Straks geven jullie me een jaar of zo. Daar heb ik dan weer schijt aan. Dus. Geef me isd. Ik weet dat er een plekje vrij is, kan ik morgen aan de slag.’

De rechters: ‘Maar…’
Patricia die nu haar geduld begint te verliezen: ‘Ik ben gebruiker, jullie zijn rechters. Jullie begrijpen het niet. Ik heb hulp nodig in mijn kop. Als ik nu weer buiten kom, denk ik alleen maar aan geld, geld, geld. Dan gaat het weer fout.’

De officier van justitie zegt dat hij dit nog nooit heeft meegemaakt.
Normaal gesproken vrezen veelplegers de isd.
Hij wikt en weegt.
Zegt dan: ‘Ik eis isd.’
Om praatjes achteraf te voorkomen: ‘Dat had ik ook geëist als verdachte het niet zou willen.’

Tja, zeggen de rechters op hun beurt: ‘Normaal doen wij altijd twee weken later uitspraak. Maar nu u zo aandringt veroordelen wij u tot de maatregel isd, 2 jaar.’

Patricia is blij.
Ze zou slingers en ballonnen willen ophangen, of haar rechters even in haar armen sluiten voor een knuffel.
In grote tevredenheid verlaat ze zittingszaal 14 en roept: ’Bedankt mensen. Doei.’

Rob Zijlstra

uitspraken Bram en Nick op 12 en 15 oktober

Street boy

Schermafbeelding 2014-05-31 om 11.35.28Een jaar geleden zag ik hoe de 19-jarige Ibrahim de rechtszaal verliet.
Met het geschoren hoofd gebogen, wantrouwende blikken, broek op half zeven en met een strafeis van drie jaar aan de kont.
Drie jaar is voor een kleine jongen van 19 die niet zo stevig in zijn hippe schoenen staat niet mals.
Ibrahim had ruzie met een jongen van wie hij nog geld kreeg.
Hij had ook een wapen.
Dat was weer omdat hij al langere tijd werd bedreigd wat te maken had met blote meisjes die voor hem werkten.
Omdat Ibrahim zijn geld niet kreeg, schoot hij kogels richting zijn opponent.
Een kogel schampte het hoofd.
De officier van justitie sprak van een poging tot moord.
Ibrahim zei dat het per ongeluk ging.

Hij is als baby vanuit Syrië naar Nederland gekomen. Eenmaal hier gingen zijn ouders scheiden en ging hij – licht zwakzinnig – heel veel drinken en nog meer blowen en toen ging het ook nog eens fout op school.
Ibrahim werd een brutale aap die op straat baas wilde wezen.
Een hulpverleenster zei een jaar geleden tegen de rechters dat Ibrahim streetwise is, maar dat we dat niet moeten overschatten.
Ibrahim, zei ze, is vooral een heel angstige jongen die zich zonder hulp nooit staande zal houden.
Zonder hulp gaat het fout.
Ik noteerde in mijn aantekeningen: ‘angstige jongen, toekomstige tbs’er’.

De rechtbank veroordeelde hem tot 18 maanden jeugddetentie waarvan de helft voorwaardelijk.
Deze week zag ik hoe Ibrahim, jaartje ouder, maar nog net zo klein, zittingszaal 14 binnenkwam.
Hij wordt nu verdacht van een gewelddadige overval op een woning in Beijum, Groningen, begin dit jaar.
Hij was nog maar een paar maanden op vrije voeten.
De overval pleegde hij met twee foute vrienden.
Hij droeg een creep-masker en was gewapend met een mes en een ploertendoder.

Er was een reden de woning te overvallen.
Hij en zijn vrienden hadden een tip gekregen.
In de woning zouden duizend xtc-pillen liggen.
Die pillen wilden ze hebben.

In de woning waren drie jongens, leeftijdgenoten, aan het gamen en chillen.
Ze werden geslagen en schreeuwend gedwongen op de bank te gaan zitten.
Daar zaten ze, bijna een uur lang, van hun vrijheid benomen en doodsangsten uit te staan.
Ondertussen haalden Ibrahim en kompanen de woning overhoop, wat kapot kon, ging stuk.
Toen ze waren vertrokken, durfden de drie niet eens de politie te bellen, zo bang.

De rechters zeggen dat ze gelezen hebben dat Ibrahim een man is die moeite heeft met het begrijpen van de wereld.
Ibrahim: ‘In welke zin?’
Op zich geen rare tegenvraag.

Rechters: ‘Heeft u zich schuldig gemaakt aan de woningoverval?’
Hij haalt de schouders op en zegt dat hij zich er niets van kan herinneren, hij weet het gewoon niet meer.
De officier van justitie: ‘Heeft u dat vaker, dat u helemaal niets meer weet?’
Ibrahim: ‘Dat weet ik niet.’

De tweede overvaller is Mark met een panty over zijn hoofd.
Hij moet zich later verantwoorden bij de kinderrechter, omdat hij nog een kind is.

De derde overvaller is Patrick, 20 jaar.
Hem zag ik niet eerder.
Anders dan de andere twee was Patrick niet gemaskerd.
De rechters: ‘U kwam zoals u bent.’

Patrick ontkent het niet.
Hij heeft spijt.
Zegt: ‘We hadden die tip, ik dacht, we gaan naar binnen, pakken die zak met pillen en dan gaan we weer. Ja, het is anders gelopen, het was niet zo gepland.’
Hij had de jongen die met de ploertendoder op het hoofd was geslagen nog geholpen met wc-papier, om het bloeden te stoppen.
‘Ik vond het zielig.’
Maar hij had wel tegen die drie gezegd: ‘Ik kom hier zonder masker, dus jullie weten hoe ik eruit zie. Maar vergeet niet dat ik ook weet hoe jullie eruit zien.’
Dat volstond.

Ik kijk naar Patrick.
Je hoeft geen medelijden te hebben met jonge mannen die met veel geschreeuw en geweld overvallen plegen om daar ten koste van anderen zelf beter van te worden.
Maar toch…

Patrick is net als Ibrahim belazerd door leven.
Hij kwam jaren geleden met zijn getraumatiseerde ouders vanuit Kosovo naar Nederland.
Hij had de vreselijkste dingen gezien en moeten ervaren.
In Nederland viel hij om.
Er waren bevrijdende drugs en slepende procedures, slechte cijfers op school, de voortdurende dreiging te worden teruggestuurd.
Een grote broer was dat overkomen, van hem werd hij gescheiden.
Toen Patrick ook een brief kreeg van de IND was hij ontzettend bang geworden en sloeg hij op de vlucht.
De politie was toen al naar hem op zoek.

Acht maanden wist hij spoorloos te blijven.
De rechters vragen hoe dat was, als jongen van 19, 20 jaar op de vlucht.
Een groot avontuur?
Diepe zucht.
Nee.
Ontzettend zwaar, zegt hij.
De rechters zeggen dat ze in het dossier hebben gelezen dat hij zich vijftien dagen schuil heeft gehouden in een bos.
Rechters: ‘Hoe hield u dat vol? Waar leefde u van?
Patrick: ‘Cocaïne. Ik ben vijftien dagen wakker geweest.’

De officier van justitie moet eisen.
De feiten zijn heel ernstig, zegt ze.
Ze vraagt zich hardop namens de samenleving af wat we straks op straat terugkrijgen als wij een jongen als Ibrahim naar de gevangenis voor volwassenen sturen.
Ibrahim zit nu in een jeugdinrichting en doet het daar redelijk.
Aan de andere kant: hij is al eens veroordeeld voor een poging tot moord.
Wikken. Wegen.

De eis: de maximale jeugddetentie van  24 maanden.
Plus die negen maanden die hij eerder voorwaardelijk kreeg.
En als nieuwe stok achter de deur: een voorwaardelijk pij.
Dat is jeugd-tbs.

Dat is een hele waslijst, maar voor een 20-jarige is het nog wel een kans.
Ibrahim wordt nog niet helemaal afgeschreven.

Voor Patrick zijn er geen kansen meer.
Een behandeling in een kliniek zou voor hem het allerbeste zijn, daarover is iedereen het eens.
Maar dat kan niet.
Patrick is illegaal geworden, hij is hier als mens niks meer.
Dat is bedacht, maar niet verzonnen.
Het beste wat wij hem in onze eigen crisis te bieden hebben: 5 jaar gevangenisstraf.
Dat is de eis.
Daarna wordt hij het land uitgezet.

De rechtszaak duurt tot in de avonduren.
Buiten het gerechtsgebouw staat een oude, magere man.
Hij noemt de namen.
Komen ze vrij?
Ik zeg, dit zijn de eisen.
De oude man begint te huilen.

Rob Zijlstra

 

UPDATE – 6 juni 2014 – uitspraken
De rechtbank voelt zich onvoldoende geïnformeerd om uitspraak te kunnen doen. Beide verdachten moeten nader worden onderzocht. De zaak krijgt dus een vervolg. Wanneer is onbekend.

 

sixtol

Een verdachte gek

pianoman-3.jpg?w=420&h=272Wanneer de 25-jarige George de rechtszaal binnenkomt, komt een jongeman binnen die meer is dan alleen verdachte.
Dat zie je zo.
Ik moet direct denken aan de pianoman, de man die in (op?) Engeland aanspoelde en zweeg.

George loopt krom, oogt als een 16-jarige en hij straalt angst uit.
Hij kijkt alsof hij in de veronderstelling is dat hij na het proces direct geëxecuteerd zal worden.
Als hij gaat zitten naast zijn advocaat, raakt zijn voorhoofd nog net niet het tafelblad voor hem.
Er zitten scheuren, zonder modieuze bedoelingen, in zijn spijkerbroek.
Zijn handen houden twee enveloppen vast op een manier die verraadt dat die enveloppen belangrijk voor hem zijn.
Hij zegt niks.

Wie zwijgt is verdacht, lees ik in een recensie van Bernlef’s boek De Pianoman (2008).
Er staat: ’Blijkbaar verklaren wij iemand die niet reageert op woorden bij voorbaat voor gek. Iemand die zwijgt, is verdacht.’

Niemand weet veel over de verdachte George.
Wat we weten is dat hij uit Roemenië komt, dat hij in 1988 is geboren en dat er scheuren zitten in de broek die hij draagt.
Wij hebben hem voor alle zekerheid alvast opgesloten in een psychiatrische kliniek van justitie in Vught.
Er is het vermoeden dat er sprake is van een ernstige stoornis.
De gedragsdeskundigen van de kliniek weten het niet zeker, maar denken aan schizofrenie.

De officier van justitie houdt het graag zwart-wit.
Hij zegt: ‘Het is een gek.’

Hoe hij in Groningen terecht is gekomen?
Met de trein.
Maar verder? En waarom?
Niemand die het weet.
Niet uitgesloten wordt dat George niet alleen verdwaasd is, maar ook verdwaald.

Hij heeft iets heel merkwaardigs gedaan.
Op 28 oktober vorig jaar fietste hij door de stad Groningen.
Tussen 11.00 uur ’s ochtend en 12.25 uur – net ’s middags – sloeg hij zeven willekeurige vrouwen heel hard met zijn vuist in het gezicht.
Om half drie mishandelde hij in de Oosterpoort nog een achtste vrouw.

Een vrouw liep naast haar vriend toen het zomaar gebeurde.
Een andere vrouw liep met haar kind dat nog in een wandelwagen lag.
Een jonge vrouw dacht dat het een aanslag was op haar leven, zoals ze als kind had moeten meemaken toen ze nog in Irak opgroeide.

George weet het niet.
Hij kan het zich niet herinneren.
De tolk zegt dat hij, George, geen vrouwen slaat.
Dat hij excuus wil maken.
Omdat hij dan vrij komt.

Rechter: ‘U denkt dat als u excuses maakt, dat u dan wordt vrijgelaten?
George: ‘Ja.’
Rechters: ‘Dat is niet zo.’
George buigt diep het hoofd en zwijgt.

Rechters: ‘Weet uw familie dat u hier in Nederland bent, dat u bent opgesloten?
Nee.
Hij heeft gebeld met zijn vader
Rechters: ‘Die weet het dus.’
Nee.
Rechters: ‘Hebt u contact met andere mensen?’
Nee.
Hoe lang bent u al in Nederland?
De tolk: ‘Hij weet het niet.’
Rechters: ‘Wat doet u?
Niks.
Rechters: ‘Helemaal niks?’
Nee
Rechters: ‘TV-kijken?’
Jawel.

Hij zegt dat hij het niet bewust zal hebben gedaan.
En dat hij nog weet dat hij een botsing heeft gehad met een blonde vrouw.
Maar dat er geen intentie was om te slaan.

De officier van justitie is consistent:  ‘Loop je op straat, is daar ineens een gek.’
Het is een rare officier, ik had hem ook niet eerder gezien.
Hij zei nog: ‘Acht keer wordt door verdachte een wilsbesluit genomen om iemand een hengst te geven.’

Kennelijk bedoelt de aanklager namens ons te zeggen dat gekke George niet helemaal gek is, anders kun je immers geen wilsbesluit nemen.
Dus dat hij wel een beetje toerekeningsvatbaar is.
Niet helemaal straffeloos.
Vervolgens stelt de officier van justitie voor om geen straf op te leggen.
George moet worden opgenomen in een psychiatrische kliniek, gedurende twaalf maanden maximaal.
Daar hoort een ovar – een ontslag van alle rechtsvervolging – bij, maar daar had de officier het niet over.

Einde merkwaardige strafzaak.
George wordt afgevoerd en misschien denkt hij nu wel echt dat hij over een paar minuten de kogel krijgt.
Weet hij veel waar hij is.

Na de zitting vertel ik in gerechtsgebouw’s wandelgangen aan een advocaat over deze merkwaardige strafzaak.
De advocaat: ‘Wie was die officier van justitie dan?’
Ik zeg:‘Die en die, nooit eerder gezien in zaal 14.’
De advocaat: ‘Oh, maar die is van Leeuwarden. Die vent is zelf gek.’

Ik hoop dat George nooit weer vrouwen slaat en dat hij op een dag gezond en wel ergens thuis zal komen.

Rob Zijlstra

 

UPDATE – 28 maart 2014 – uitspraak
George is schuldig bevonden, maar krijgt geen straf: hij is ontslagen  van alle rechtsvervolging (ovar). Wel: een gedwongen opname van een jaar in een psychiatrische inrichting.

VONNIS pianoman

 

 

De Marathonman (2)

rennende_jongenSaid kijkt ontzet.
Vijftien maanden, pruttelt hij richting rechters, ‘dat is wel bijna anderhalf jaar hoor.’
Hij zegt: ‘Ik ben in shock, ben sprakeloos.’

Dat komt omdat hij onschuldig is.
Said had die 150 euro dus gewoon gekregen.
Rechters: ‘Is dat niet een beetje raar?’
Said, op een onbekende dag in 1991 geboren in Kismayo, Somalië: ‘Ach, je moet een gegeven paard niet in de bek kijken. Toch?’

Dit verhaal moet eigenlijk beginnen in december 2009.
Said zag het toen even niet meer zitten, pakte een mes uit de keukenla, deed een bivakmuts over zijn jongenshoofd en stapte de Shell Shop binnen.
Tegen de medewerkster die bij de ingang stond te stofzuigen riep hij dat zij nu geen rare dingen moest doen en dat hij geld wilde.
Met 400 euro ging hij er hollend vandoor.

Dat laatste werd hem noodlottig.
Said kon namelijk ontzettend goed hard hollen en wel zo goed dat vrienden hem De Marathonman noemden.
Dat was in Veendam zijn bijnaam.
Toen Said met die 400 euro zich hollend uit de voeten maakte, passeerde toevallig een auto met daarin drie kennissen van hem.
Die zeiden tegen elkaar: ‘Hé kijk nou, daar rent De Marathonman.’
Het nieuws dat het tankstation was overvallen ging snel rond en bereikte ook de auto met daarin die drie kennissen.
Die drie legden een verband tussen wat ze net hebben gehoord en daarvoor hadden gezien.
Dat vertelden ze aan de politie.
Twee uur later zat Said op het bureau en 285 dagen later – in september 2010 – in de rechtszaal.

Hij werd niet opgeknoopt aan de hoogste boom. Dat had wel gekund, maar de rechters hielden rekening met zijn persoonlijke omstandigheden.
Het leven van Said is ingewikkeld.
Toen hij 10 jaar was, vluchtte hij met zijn moeder en zusjes naar Nederland, vader misschien wel vermoord.
Als oudste moest de kleine Said gezinstaken uitvoeren.
De psychiater schreef aan de rechters van toen dat Said was overvraagd wat had geleid tot depressiviteit en een begin van een persoonlijkheidsstoornis.
Hulp zou wenselijk zijn.

De rechters veroordeelden hem tot een gevangenisstraf van 222 dagen waarvan 180 voorwaardelijk – de tijd die hij in voorarrest had gezeten – en een taakstraf van 240 uur. Voorwaarde was dat hij hulp zocht voor zijn psychische problemen.
Hij kreeg ook een gratis advies van zijn rechters: ga weer hardlopen.

Nu zit Said weer in de verdachtenbank van zittingszaal 14.
Tussen toen en nu zijn welgeteld 921 dagen verstreken

In café Rembrandt was hij Peter tegengekomen.
Ze troffen elkaar op het toilet.
Tegen de rechters zegt Said: ‘Het was een heel raar gesprek.’

Peter had gevraagd waarom hij hem zo dreigend aankeek.
Said had toen geantwoord: ‘Wat denk je zelf?’
Peter weer: ‘Hebben we nu problemen?’
Said tegen de rechters: ‘Rare sfeer. Het was alsof we zouden gaan vechten.’

Rechters: ‘Ga verder.’
Said: ‘Die jongen zei toen, weet je, we kunnen dit ook anders oplossen. Ik ben bereid jou geld te geven. Ik heb toen gezegd: doe maar. Toen zijn we naar de pin gelopen en gaf hij mij 150 euro. Toen zijn we teruggegaan naar Rembrandt.’

Op dat moment vroegen de rechters dus of dat niet een beetje raar was en begon Said over het paard en de bek.
Rechters: ‘Vond u dat u recht had op dat geld?’
Said: ‘Als ik heel eerlijk ben, ja. En als iemand je een cadeautje geeft, ben je ook blij.’

Hij geeft toe: ‘Ik was dronken, maar Peter ook.’
En: ‘Ja, misschien voelde Peter zich bedreigd, dat kan. Maar ik heb niet gezegd dat hij dat geld aan mij moest geven. Had ik dat gewild, dan hij ik zijn hele bankrekening wel geplunderd, dan wil ik toch meer dan 150 euro?’

Peter vertelde het verhaal anders.
Eerst aan zijn vrienden en daarna aan de politie.
Peter vertelde dat Said hem op het toilet bedreigde, hij zei dat hij geld wilde hebben, dat hij mij wilde neersteken en dat hij wist waar mijn familie woonde.

Said had niets aan de politie verteld.
Dat hij het geld had gekregen, vertelt hij nu in de rechtszaal voor het eerst.
Eerder had hij gezegd, ook tegen zijn advocaat, dat het geld van zijn vriendin was.

Een van de rechters, zomaar boos en met stemverheffing: ‘Wanneer vertelt u de waarheid? Of u heeft tegen uw advocaat gelogen of u zit nu te liegen? Wat is het nou?’

Said blijft rustig.
Zegt dat hij het allemaal heel erg vindt.
Hij zegt: ‘Ik zit er mee.’

De officier van justitie zegt: ‘Ik vind hem volledig niet geloofwaardig. Hij krijgt geld van iemand die hem eerder heeft verlinkt voor een overval. Zwetsverhaal. Hij heeft geld afgeperst van iemand die eerder een belastende verklaring tegen hem aflegde, van iemand die hem had zien hollen, kort na een overval op de Shell Shop. En toen de politie had gebeld. Dit is pure afpersing.’

Vijftien maanden gevangenisstraf.
Dat daarvan vijf maanden voorwaardelijk mogen, heeft Said denk ik in zijn schrik niet meegekregen.

De advocaat verzoekt te rechtbank meer rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden, van een jonge jongen die nooit de middelen heeft gekregen om zich te kunnen handhaven.

Said holt nog steeds.
Maar nu weg voor de problemen, vluchtend in drank en in drugs.
Persoonlijkheidsstoornis.
Antisociale trekken.
Geen gewetensfunctie.
Hulp zou wenselijk zijn.
Said zegt: ‘Allemaal moeilijke woorden. Ik heb gehoord dat er een kans bestaat dat ik ptss heb. En ik ben het er niet mee eens dat ik zo lang moet zitten.’

Rob Zijlstra

.
• ptss
 de marathonman, deel 1

 

.

UPDATE – 22 april 2013 – uitspraak
Said moet conform de eis van de officier van justitie zitten: 15 maanden waarvan 5 voorwaardelijk, netto is dat 10 maanden.  Zijn verhaal is niet geloofwaardig.

HET VONNIS (zodra beschikbaar)

Johnny Cash

Mensen worden om uiteenlopende reden verdachte in een strafzaak.
Er zijn mensen die het worden omdat ze in de war zijn.
Verwarde mensen willen in een samenleving die in een hoog tempo voortraast wel eens struikelen.
Via het strafrecht proberen wij deze ‘sneuvelaars’ weer op te lappen en in het gareel te krijgen.

De 49-jarige Dick is een man die met twee trillende benen in het leven staat.
Als kind al was hij altijd bang, later mocht dat een angststoornis heten.
Om die te lijf te gaan, ging Dick gokken.
Na jaren op en neer strandde zijn huwelijk en liep alles in de soep.
Hij verslonsde en de schulden liepen op.
Uiteindelijk meldde zich de onvermijdelijke deurwaarder.

Op 16 februari, ’s ochtends om negen uur, zou die voor de laatste keer bij hem op de stoep staan.
Dick moest zijn huis uit.

Hij had het anders bedacht.
Technisch als hij was leidde hij de afvoer van de cv-ketel naar de badkamer.
Daar sleepte hij het bed naar toe en zo probeerde hij op 15 februari ’s avonds in diepe slaap te vallen.
Op de televisie had hij iets gezien over koolmonoxidevergiftiging.
Als alles goed zou gaan, zou hij nooit weer wakker worden.

Opnieuw zat hem niet mee.
Hij overleefde de poging en besloot in verwarring tot drastischer maatregelen.
Hij zette de gaskraan open, stak wat kaarsen aan en barricadeerde de voordeur met de wasmachine.
Struikelend verliet hij via het balkon zijn woning.
Maar eenmaal buiten belde hij 112 en vertelde wat hij had gedaan.
Niet lang daarna, de brandweer was er al, klonk een enorme explosie die de voorpui wegblies.
Dat er geen doden en gewonden zijn gevallen, is voor iedereen een groot geluk geweest, zegt de officier van justitie.

Dick zegt bijna niks, zegt dat hij het niet meer zo goed weet.
In het Pieter Baancentrum twijfelen ze aan zijn vergeetachtigheid.
Een klinische behandeling is noodzakelijk.
De rechters: ‘Zoiets kan jaren duren, beseft u dat wel?’
Dick, vlak en emotieloos: ‘Als dat zo is, dan moet het maar zo zijn.’

Hij zit nu 39 weken in de gevangenis, waar hij minder eenzaam is en weer redelijk gezond te eten heeft.
Eigenlijk vindt hij het leven wel goed zo.

Voor Leo, 42 jaar en hoefsmid, is het andersom.
Hij had het in zijn huisje, in een portiekflat in Groningen waar hij al 19 jaar woonde, prima naar zijn zin.
In januari ging het mis en deze zomer werd hij als trouwe huurder uit huis gezet en nu is zijn leven een zooitje.
Zegt: ‘M’n twee lievelingskatten kwijt, mijn eigen bedrijvigheid naar de kloten. Het is één grote teringellende.’
Leo leeft nu in zijn auto, vol hoefijzers, hamers, een aambeeld en vuur.
Zegt: ‘Ik droom van een klein kneuterig arbeidershuisje met een badkamer en een voordeur.
Een eigen brievenbus lijkt me ook leuk.’

Leo kreeg hommeles met de buren.
Hij vermoedt dat het een complot is, dat ze hem weg willen hebben.
Af en toe moest de politie er aan te pas komen, om gemoederen te bedaren, soms om Leo even mee te nemen.
Tegen de rechters: ‘Als mijn grote dikke bovenbuurman naar het toilet ging, kon ik dat horen. Maar ik lette daar nooit zo op.’

Tuurlijk, hij snapt zijn buren ook wel een beetje.
Zegt: ‘Ik ben een babbelkont. Als ik een gedachte heb, spreek ik die uit. Maar ik ben niet gek, wel wat apart.’
De buren waren vooral bang en zeiden dat ze met Leo in de buurt altijd op hun hoede moesten wezen.
Leo lacht boos: ‘Ik heb nooit iemand aangeraakt.’

Rechters: ‘Heeft u uw buren met de dood bedreigd?’
Leo: ‘Nee. Zo ben ik niet. Kijk, ik leef met honden, met paarden. Dan draait alles om lichaamstaal. Ik heb een uitgesproken lichaamstaal. Dat zie je aan mij.’
De rechters zeggen in het dossier te hebben gelezen dat hij wel eens op het balkon stond en dan schreeuwde. ‘Dan riep u: jullie hebben mijn boekhouder vermoord en ook zijn vrouw. Wat bedoelde u daar mee?’
Leo, diepe zucht: ‘Rare gedachten spreek ik ook uit. Okay, niet altijd slim. De volgende dag wist ik dat dat van die boekhouder en zijn vrouw dikke flauwekul was.’

Rechters: ‘U riep tegen uw buren dat ze allen dood zouden gaan. Dat ze verraders waren. Dat hun tijd was gekomen.’
Leo raakt uitgeput van al dat gevraag.
Met zijn laatste krachten: ‘Mijn buren houden van Marco Borsato. Ik van Johnny Cash, maar ook van Motörhead, Slayer. Dan zing ik metal-teksten, dat gaat alleen maar over die, die, dood, dood. Johnny Cash, Cut you down. Dat roep ik dan in mijn eigen woning. Niet tegen iemand of zo. Mag het?’

Rechters: ‘De psychiater zegt dat bij u sprake is van waanideeën, schizofrenie. Dat er soms sprake is een psychotisch toestandbeeld die gepaard gaat met ontremmingen.’
Leo: Die psychiater is een takkewijf.’

In juni dit jaar werd Leo door de politie uit huis gehaald. Na 19 dagen in een cel belandde hij met een machtiging van een rechter in een psychiatrisch inrichting.
Na twee maanden stuurde de directeur hem naar huis met de woorden: ‘Dag Leo, met jou is niets aan de hand.’

De officier van justitie: ‘Beetje zorg, beetje begeleiding.’
Tegen Leo: ‘Wat zoek je ook als vrije jongen in de stad? Zoek het platteland op. En een andere muziekkeuze. Love is all van The Beatles is ook een heel leuk liedje om te zingen. Ik eis wegens bedreiging een gevangenisstraf van honderd dagen waarvan 81 voorwaardelijk.’

Leo moppert dat het niet weer zal gebeuren en dat hij nu met rust wil worden gelaten.

Rob Zijlstra

UPDATE – uitspraak – 26 november 2012
Leo heeft zich vijf maal schuldig gemaakt aan bedreiging tegen het leven gericht. meermalen gepleegd. De rechtbank komt tot een andere straf die nauwelijks verschil maakt: een gevangenisstraf van 79 dagen waarvan 60 dagen voorwaardelijk. Dat is wel lager dan de eis.

De strafzaak van Dick is aangehouden, het vervolg is in afwachting van een rapport van de reclassering over de gewenste behandeling.  

Mannetje pindakaas

Gerko is nog maar net 18 jaar, maar hij kan al de heel de wereld aan.
Hij is mannetje pindakaas.
Schijt aan alles

Zo bleekscheterig als het maar kan, want geboren in Oost-Groningen, spreekt hij met een Antilliaans accent.
Zangerig en kortaf.
Hij zegt: ‘Heb Antilliaanse vrienden, snap je.’

Gerko ridikulo.

Zijn strafzaak is tijd verspillen.
Dat zegt hij zelf.
Te vermoeiend ook, hij heeft er geen zin an.
Tegen de rechters die maar door zeuren en zemelen: ‘Geen commentaar, geef me straf, zit ik wel uit, geen probleem toch.’

Hij ontkent dat hij Chantal een mes op de keel heeft gezet.
Zou hij nooit doen, mes op de keel van Chantal.
Chantal zegt dat?
Chantal spoort niet.
Jawel, hij had haar telefoon genakt, maar zij had snuif bij hem gekocht, niet betaald.
Dus.
Dus wat?
Gerko: ‘Tss…’

Het eerste deel van de strafzaak heeft achter gesloten deuren plaats.
Omdat het ging over iets wat was gebeurd toen Gerko nog maar 17 jaar was, strafrechtelijk gezien nog een kind.
Dat gedoe met Chantal en daarna met Bouke was toen hij al volwassen was.
Al helemaal 18.

Kinderrechters noemen verdachten bij hun voornaam en zeggen je en jij
Grote mensenrechters zeggen altijd u en meneer tegen verdachten.
Gerko eist dat ook.
Want hij is een grote man.
Hij is the King, the Godfather.

Tegen de rechters, verveeld: ‘Maakt mij niet uit wat jullie allemaal zeggen, het duurt me te lang, weet je.’

De officier van justitie zegt dat Gerko de 14-jarige Bouke heeft beroofd.
Bij het station in Winschoten.
Gerko reageert met een blik vol minachting richting de officier van justitie.
Wijf!

Hij had tegen Bouke gezegd dat hij zijn zonnebril moest afzetten.
Daarna spoot hij peperspray in de ogen van Bouke, die ook al vanwege zijn autisme, extreem bang was geweest.
Maar volgens Gerko had Bouke er om gevraagd, had Bouke gewoon even een lesje nodig.
De ketting?
Die gaf hij spontaan.
Dus wat is er aan de hand?

Peperspray?
Tegen de rechters: ‘Wat nou? Ik had ook een vuurwapen bij me. Dus…’
Rechters tegen Gerko: ‘Waarom zegt u dat nou? Bedoelt u te zeggen dat het nog erger had gekund?’
Gerko zwijgt.
Snappen die rechters dan niks?
Zangerig: ‘Ik ga niet meer met jullie praten.’

Rechters: ‘Was het wapen echt?’
Gerko, diepe zucht, kortaf: ‘Nee. Een nepper.’

Zo erg als Gerko zich als verdachte voordoet, zo erg maak je het niet dagelijks mee in zittingzaal 14.
Een paar keer keek hij achterom de rechtszaal in.
Ik ving zijn blik en zag een mix van angst en vijandigheid.

Hij zegt: ‘Ik zou nooit een wapen gebruiken.’
Had hij dan niet iemand bedreigd met een mes omdat hij geen shagje mocht draaien?
Nee, dat had hij niet.
Rechters: ‘U had wel een schroevendraaier.’
Gerko: ‘Ja. En dat is geen mes.’

Ik dacht, misschien doet Gerko zich wel anders voor.
Misschien is hij helemaal niet ridicuul en valt hij best mee.
Er was ook een deskundige.
Die sprak over de adolescentieproblematiek, over Gerko als een dikke puber.
Dat zijn problematiek wordt verhard door een anti-sociale persoonlijkheidsstoornis in ontwikkeling.
Komt het ooit goed?
’t Kan nog alle kanten op, dacht de deskundige.

Als kind van 3 jaar werd Gerko uit huis geplaatst en moest hij opgroeien in de een na de andere instelling.
Dat werd een fiasco.
In de wandelgang van het gerechtsgebouw hoor ik meer.
Inmiddels wel wat gewend, maar ik kreeg kippenvel van wat ik hoorde
De verteller zei dat dat vertrouwelijk was.
Kom het ooit goed?
‘…’

Rechters vragen: ‘Uw leven? Alleen maar kommer en kwel.’
‘Ja.’
Rechters: ‘Nooit eens een plekje gehad waarvan u dacht…’
‘Nee.’
‘Nou ja, in H. was het wel relaxed geweest. Ik kon daar niet weglopen, dat was wel goed. Later kon dat wel, dus toen ben ik ook weggelopen.’

De officier van justitie zegt dat ze zich zorgen maakt.
De advocaat: ‘Hij komt wat onverschillig over.’
De officier van justitie: ‘Wat moeten we d’r mee?’
De advocaat: ‘Het is een beetje zijn houding.’
De officier van justitie: ‘We gaan proberen hem te helpen.’
De advocaat probeert de scherpste kantjes er van af te halen.

De officier van justitie: ‘Vijftien maanden gevangenisstraf, daarvan vijf maanden voorwaardelijk. Wil hij niet, dan zien we hem hier helaas terug.’

De zitting is na ruim twee uur bijna ten einde.
Of hij nog wat wil zeggen omdat hij het recht heeft op het laatste woord?
Vermoeid wrijft Gerko met de handen door het gezicht.
Mompelt dan: ‘Neuh.’
Rechters, niet onvriendelijk: ‘Het duurt u allemaal te lang hè?’

Dan valt hij uit zijn rol, is hij ineens niet meer de grote, stoere, onverschillige Godfather.
Met een glimlach: ‘Ja. De kont dut mie zeer van ’t zitt’n.’

Rob Zijlstra

.
UPDATE – 12 oktober 2012 – uitspraak
Gerko zal nog even moeten blijven zitten. De rechtbank heeft hem conform de eis veroordeeld tot 15 maanden celstraf waarvan 5 voorwaardelijk. Of hem dat zal leren is een ander verhaal.

UPDATE –  oktober 2013 – niets geleerd

pindakaasKnipsel

UPDATE – 14 maart 2014 – tullen
Gerko zit weer in de rechtszaal. Er is niet veel veranderd. De officier van justitie wil  5 en 3 maanden die eerder voorwaardelijk zijn opgelegd, omzetten in onvoorwaardelijk. Die moet hij dan zitten. Reden: hij heeft de voorwaarden overtreden.Dat is de trieste balans, zeg de officier van justitie. Een nieuwe kans zit er nu even niet in. De zitting lijkt op de vorige. ‘Een hond heeft een baas, ik ben geen hond.’  Gerko zegt: ‘Ik wil wel veranderen, heel graag, maar het lukt niet in een keer. Dat kunnen jullie niet van mij verwachten. Ik ben een probleemjongere.’

UPDATE – 23 november 2015 – recidive
Het is mis. Gerko staat opnieuw terecht. De eis is ditmaal niet mals: het verslag (volgt)

Crimineeltje

Om zijn rechterpols draagt hij een zweetbandje – groen, geel, rood. Het een rastazweetbandje met een hennepblaadje er op.
Wanneer hij vanuit de verdachtenbank even achterom kijkt, zie ik zijn gezicht.
Grote ogen, een jongensgezicht nog.
Maar hij is al 18 jaar en dus volwassen voor het recht.

Hij, Alex, heeft een rotstreek uitgehaald.
Op 4 februari dit jaar was hij met twee vriendjes in Hoogezand het criminele pad opgegaan.
Ze wilden auto’s kraken en als dat niet zou lukken, zouden ze een mens pakken.
Dat laatste gebeurde.

Op het hoekje zagen ze een man staan.
Een opa, zeiden ze tegen elkaar.
Ze zetten de man, die 64 jaar is, een Bibi-gun op het hoofd en zeiden: ‘We willen je geld.’
De man dacht, daar ga ik.
Dat laatste schreef hij in een brief aan de rechters.

Met zijn portemonnee gingen ze er laf vandoor.
Er zat geen geld in.

In de brief schreef het slachtoffer ook dat hij altijd vrolijk was, maar nu niet meer.
Hij is nu bang op straat, bang ook als hij donkere jongens ziet.
Eerst was dat nooit zo.
Wanneer hij overdag weggaat, wordt hij gehaald door vrienden.
Die brengen hem ook weer thuis.
Hij heeft besloten te verhuizen.
‘Ik heb hier elf jaar met veel plezier gewoond, maar nu wil ik er zo snel mogelijk weg.’

Alex reageert: ‘Pijnlijk. Ik heb er geen woorden voor.’

Alex is ook niet een jongen van veel woorden.
Wat hij gedaan heeft, vindt hij niet kunnen.
Waarom hij het dan heeft gedaan?
Stress.
Hij wil zijn excuses maken.
Nee, dat heeft hij nog niet gedaan.
Nog niet de kans gehad.

De rotstreek kwam uit.
Een vriendje biechtte de boel op.
Ongeveer gelijktijdig meldde zich een moeder op het politiebureau met het verhaal dat haar zoon zijn Bibi-gun – zijn balletjespistool – had uitgeleend en dat met dat lelijke ding een overval was gepleegd.

Alex zegt dat hij de angst in de ogen van de man had gezien.
Hij herkende dat.
Het was de angst die hij vroeger ook had gevoeld, wanneer hij zelf bang was.

De reclassering ziet geen heil meer in Alex.
De reclassering had met hem gepraat en in een rapport aan de rechtbank een beeld geschetst.
De rechter met de langste staat van dienst in Groningen zei dat hij nog nooit eerder zo’n negatief rapport had gelezen.

Het beeld: Alex brengt zijn dagen door met blowen, whisky drinken, eten en slapen.
Voor werken, had hij gezegd, is hij niet gemaakt.
Alex heeft andere plannen: hij wil crimineel worden.
Dat wil zeggen, de komende twaalf jaar.
Daarna, wanneer hij 30 jaar is, wil hij dood, als het even kan door een kogel.
Want, zo redeneert hij, vanaf 30 takelt het lichaam af, dan heeft alles toch geen zin meer.

Ook wil hij het record jointjesroken verbreken.
Dat staat nu op naam van Rasta: 25 op één dag.
Het persoonlijk record van Alex is momenteel twaalf.

Rechters: ‘Leuk. Komt u in het Guinness book of records.’
Alex: ‘Nee, ik ben gestopt met blowen in detentie.’
Rechters (verbaasd): ‘Goh. Hoe bent u zo op dat idee gekomen?’
Alex: ‘Ik wil straks weer naar school. Dan is dat niet goed.’

Rechters: ‘U drinkt ook veel. Twee jaar geleden lag u in het ziekenhuis in verband met comazuipen.’
Alex: ‘Ik stop ook met drinken. Dat heb ik met mijn moeder afgesproken.’
Rechters: ‘De reclassering noemt u een crimineeltje in de dop.’
Alex: ‘?’
Rechters: ‘Ze bedoelen dat u kunt uitgroeien tot een echte crimineel.’
Alex zegt dat hij in de gevangenis heeft horen spreken over de cursus ‘kiezen voor verandering’.
Dat wil hij wel.
Rechters: ‘U bent 180 graden gedraaid?’

Alex vertelt met weinig woorden dat hij heeft nagedacht.
En dat het anders moet met zijn leven.
Een beetje sarrend vraagt een van de rechters: ‘Heeft u ook nagedacht over dat zweetbandje dat u draagt? Nagedacht over de vraag of u zo’n bandje nou wel moet dragen als u naar de rechtbank gaat?’
Nee, dat had hij niet.
Rechter: ‘Ik heb geen verdere vragen.’

Soms, heel soms, zou je willen dat er eens een harde, ja een bikkelharde, crimineel in zittingszaal 14 opduikt.
Zo’n crimineel die het leven leeft zoals Alex dat misschien wel ziet in zijn stoutste dromen.
Eens iemand die geen beroerde jeugd heeft gehad, maar puur uit slechtheid en gewetenloosheid het criminele pad heeft gekozen.
Een keer wat anders.

Alex is niet anders.
Hij is als een van de velen die in zittingszaal 14 moeten komen opdraven na een onbezonnen misdaad waar ze later spijt van hebben.
Jongens met gemankeerde levens waar ze ook niet om hebben gevraagd.

Alex groeide op op Curaçao en werd door zijn moeder gedwongen naar Nederland te gaan. Omdat moeder vriendinnen had, ontbrak een mannelijk rolmodel in zijn leven (zei de advocaat). Later zat zijn moeder in de gevangenis wegens drugs en moest de kleine Alex zelf de bonen doppen.

De advocaat zegt: ‘Het beeld dat over hem wordt geschetst is onjuist. Er zit meer in hem dan alleen laksheid. Hij is niet levensmoe en hij wil de schade ook wel betalen.’

De officier van justitie kiest de kant van de reclassering
De officier van justitie zegt: ‘Op mensen die een leven willen leven zoals hij , zit niemand te wachten. Parasiteren op anderen. Slapen, eten, drinken en blowen en op z’n dertigste maakt ie er een einde aan. De tijd die hij nog in vrijheid leeft, moeten met 24 maanden worden bekort. Dat is mijn eis.’

Alex, 18 jaar.
Afgeschreven.

Rob Zijlstra

.

UPDATE – 25 juni 2012 – uitspraak
Alex is conform de eis veroordeeld tot 24 maanden gevangenisstraf wegens afpersing. Aan het slachtoffer moet hij 1019 euro betalen

HET VONNIS [zodra beschikbaar]

Blowen en gamen

Wanneer Arjen de rechtszaal binnenkomt, raast de onrust door zijn lijf. Dat kun je zien. Hij oogt vijandig.
Rechters: ‘U maakt een agressieve indruk.’
Arjen doet zijn pet af en zegt: ‘Kan wel kloppen.’
Zijn rechterbeen trilt.
Het gebeurde tijdens de les instructietekenen.
Wouter zat naast hem.
Arjen: ‘Het was een opeenstapeling van weken.’
Rechters: ‘Kunt u het zich nog herinneren?’
Arjen knikt. ‘Zeker.’

Zegt: ‘Ik ben van de straat. En dan zit er zo’n verwend jongetje naast me. Praatte alleen maar over zijn vader en wat hij allemaal wel niet kreeg. Eerst leende hij mijn pen, toen mijn potlood, daarna verdween het gummetje en toen de geodriehoek. Ik zei er wat van, want ik raakte geïrriteerd. Hij gaf een dom antwoord. Daarom wilde ik hem een knal geven. Ik bedoel, ik ben al blij dat ik naar school kan, want mijn verleden is niet al te best. Maar ik moet alles zelf betalen.’

Rechters: ‘En toen?’
Arjen: ‘Ik heb hem in een houdgreep genomen, mijn arm om zijn nek. Ik heb hem vastgehouden tot de leraar kwam. Toen die kwam heb ik hem losgelaten.’

Rechters: ‘De leraar zegt dat hij heeft geprobeerd u weg te trekken, de leraar probeerde de armklem los te krijgen.’
Arjen zucht diep: ‘Hij mag leraar zijn, met een voorbeeldfunctie, maar dat geeft hem nog niet het recht te liegen.’

Wouter zou even buiten bewustzijn zijn geraakt en Arjen werd naar de directeur gestuurd, geschorst en vervolgens van de opleiding verwijderd.
Dat kostte hem ook zijn baantje.
Rechters: ‘Eigenlijk ging het nergens over. Een gummetje.’
Arjen: ‘Ik moet voor mezelf zorgen, want niemand zorgt voor mij. Wat voor hem heel klein is, is dat niet voor mij.’

Het openbaar ministerie: een poging tot doodslag

Dit was niet het enige.

Hij was naar kroeg aan het Marktplein gegaan.
Thuis had hij een fles Apfelkorn leeggedronken.
In de kroeg was ruzie ontstaan en daar had Arjen geen zin in.
‘Ik had geen zin in gezeur.’
Hij liep naar buiten om op huis aan te gaan.
Niet veel verderop, vanuit een openstaand raam, hoorde hij ineens roepen: ‘He Arjen, je moeder is een hoer.’

Arjen: ‘Dat ging in het verkeerde keelgat.
Hij kende de woning wel.
Hij stormde naar boven en vernielde een deur.
Zegt: ‘Ik ben naar binnen gegaan en heb met mensen gevochten. Meer weet ik niet.’
Een man – niet de roeper – kreeg zeker twintig harde klappen.
Rechters: ‘Boksbeugel?’
Arjen: ‘Nee, zo zit ik niet in elkaar.’

Het openbaar ministerie: zware mishandeling.

En nog wat.
Gedoe in de disco.
Hij was er met Ria.
‘We liepen rondjes door de disco. Doelloos, maar dan heb je wat te doen op dat moment. Ineens kreeg ik bier over me heen. Daar stond Ben, in kickbox-houding. Ben is de ex van Ria. Ik denk jaloers. Hij ging populair doen. Ik heb hem een duw gegeven. Meer niet.’

Rechters: ‘Hij had een schouder uit de kom.’
Arjen: ‘Ben is een achterbakse toneelspeler. Hij heeft bij mij thuis alle ramen ingegooid. Daar doe ik dan dus geen aangifte van. Zo ben ik niet. Ik kom hem wel weer tegen en dan pak ik hem.’

Het openbaar ministerie: mishandeling.

Rechters: ‘Alcohol?’
Arjen: ‘Kom op zeg, ik ben geen alcoholist, waar zien jullie mij voor aan? Omdat ik mij vanochtend niet heb geschoren?’

Rechters: ‘Hoe gaat het met het blowen?’
Arjen, verrast door die vraag: ‘Ja, heel goed, lekker, fijn.’
Rechters: ‘Veel?’
Arjen: ‘Jaa, acht, negen jointjes per dag.’
Rechters: ‘… ‘
Arjen: ‘Nou ja en soms wat cocaïne.’

Het is het enige wat Arjen doet: blowen en gamen.

Hij vertelt: ‘Ik zit altijd binnen. Ik heb een kamer, maar mijn sociale leven is weg. Ik kom alleen buiten om boodschappen te doen. Dan kijk ik altijd om me heen. Ik ben bang, ook bang voor mijn eigen agressie. Ik vertrouw mezelf niet. Ik heb geen ouders meer, ik heb geen vrienden, ik heb niets. Met drank op ben ik een animal, een duivel. Altijd weer geweld en dan zit ik weer hier. Daar heb ik ook geen zin meer in. Dus blijf ik binnen.’
In december 2006 werd Arjen veroordeeld tot drie jaar celstraf waarvan een jaar voorwaardelijk.
Poging tot moord.
Hij had iemand met een tafelpoot geslagen en daarna brand gesticht.

Eens ging het wel goed met Arjen.
Eens was hij een verdienstelijke jeugdvoetballer die het ver had kunnen schoppen.
Rechters: ‘Maar dat ging fout toen u op uw 17e een herseninfarct kreeg. Dat verstierde uw droom als voetballer.’

Arjen valt stil.
Het wordt hem even te veel.
Hij moet huilen.
Huilt: ‘Ik heb geen leven meer, ik zit in detentie in mijn eigen woning. Ik weet het ook niet meer. Als dat toen niet was gebeurd, had ik hier niet gezeten.’

Het advies is dat Arjen zich klinisch laat onderzoeken.
Maar dat is het laatste wat hij wil.
Zegt: ‘Dat doe ik niet. Nee, nee, nee.’

Een van de rechters probeert wat.
Zo vriendelijk mogelijk: ‘U bent geestelijk niet helemaal gezond en daar valt misschien wel wat aan te doen. Maar dan moeten ze eerst wel weten wat er aan de hand is. Nu zit u alleen maar te blowen en te gamen, dat kan toch zo niet doorgaan? U wilt naar het buitenland, maar dat is vluchten. Los het op in Nederland. Pak die kans. Het kan de weg zijn naar een nieuwe opleiding, naar een baan. U wilt liever een lange gevangenisstraf, maar dat brengt u niet verder. Straks staat u weer buiten en dan is alles nog net zo.’

Arjen haalt een kaartje tevoorschijn.
Het is het visitekaartje van de trajectbegeleidster van Humanitas.
‘Ik heb wel vertrouwen in die mevrouw. Ze heeft mij vanochtend ook van huis opgehaald. Ik lag nog in bed. Zonder haar had ik hier niet gezeten.’

De trajectbegeleidster zegt tegen de rechters: ‘Hij is wel gemotiveerd.’
Arjen: ‘Maar geen klinische opname.’

De officier van justitie verzoekt de rechtbank Arjen vrij te spreken van het incident in de disco.
Te veel onduidelijkheden, te veel twijfel.
Maar over de wurggreep tijdens het instructietekenen bestaat geen twijfel.
En ook niet over die klappen in die woning.

De officier van justitie: ‘Meneer is beestachtig te keer gegaan. Er moet wat gebeuren. Ik eis 24 maanden celstraf waarvan acht maanden voorwaardelijk met een behandelverplichting. Klinische opname is niet per se noodzakelijk, maar misschien is hij nog over te halen.’

De advocaat zegt dat de eis betekent dat Arjen zestien maanden moet zitten. En dat dat niet niets is. En misschien wel averechts uitpakt.
Advocaat: ‘Beter is zachte drang en overreding. Hem zestien maanden opsluiten, daar heeft niemand wat aan.’

De officier van justitie persisteert.
Arjen pakt zijn pet.
Zegt tegen de rechters: ‘Ik was in het begin een beetje achterdochtig. Sorry. Ik hoop op een werkstraf.’

Rob Zijlstra

UPDATE 4 juni 2012 – tussenvonnis
De rechtbank voelt zich niet voldoende geïnformeerd om uitspraak te kunnen doen. Op last van de rechters wordt een onderzoek uitgevoerd naar de geestvermogens van Arjen. Nader onderzoek moet ook antwoord geven op de vraag of de verdachte toerekeningsvatbaar is. De strafzaak krijgt dus een vervolg, wanneer is niet bekend.

UPDATE – 1 februari 2013 – vervolg
Het Openbaar Ministerie heeft een gevangenisstraf geeist van 24 maanden waarvan 8 maanden voorwaardelijk.

UPDATE – 15 februari 2013 – uitspraak
De armklem en het bijbehorende gedoe mag zijn gebeurd, strafrechtelijk gezien past voor deze ‘poging tot doodslag’ vrijspraak, vindt de rechtbank. De rest is wel bewezen. Dit leidt tot een andere straf dan de eis: 12 maanden voorwaardelijke celstraf en een taakstraf van 150 uur. Voorwaarde is dat Arjen zich laat behandelen in een kliniek. Dat mag maximaal 18 maanden duren. Doet hij dat niet, dan wachten hem die 12 maanden celstraf.

Kooiman

Op een dag, op 20 december 1982 om precies te zijn, is Ernst geboren.
Hij had de pech dat dat gebeurde in een van de armste landen ter wereld.
Liberia.
Het gebeurde ook in een tijd dat dat land in de greep was van de vreselijkste gewelddadigheden en wetteloosheid.
Ernst is nu 29 jaar en in Nederland, waar hij soms moet leven in een kooi.
Dat is ook zijn bijnaam, Kooiman.

Vanochtend moest hij voor de rechtbank in Groningen terechtstaan.
Hij was er niet, want dat zou veel te gevaarlijk zijn.
Ernst verblijft in de dr. S. van Mesdagkliniek omdat hij in 2008 de maatregel tbs kreeg opgelegd.

Hij lijdt aan chronische psychoses.
Sinds 2001 is hij dat onafgebroken.
Dat zou een gevolg van zijn afkomst zijn.
Ernst denkt dat iets hem naar deze wereld heeft gestuurd om ons te redden.
Een andere reden voor zijn bestaan heeft hij niet.

Eerst viel hij onder de vleugels van de GGZ in het zuiden van het land.
Om hem te kunnen behandelen, hadden ze een kooi voor hem gemaakt.
Daar moest hij dan in, anders was het niet te doen.

Nu, nu hij in de Van Mesdag zit, geniet hij de hoogste staat van beveiliging.
Altijd opgesloten.
Wil hij iets, dan moeten er tenminste vier mannen aan te pas komen.

Op 16 december 2010 sloeg hij een activiteitenbegeleider onverhoeds in het gezicht.
Op 6 januari 2011 mepte hij een andere medewerker op het achterhoofd.
Op 2 februari 2012 gaf hij – na kalm beraad en rustig overleg en met grote kracht, zegt het openbaar ministerie – de pastor zomaar een vuistslag in het gelaat.

De officier van justitie vindt dat er sprake is van pogingen tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel en dat daarom een nieuwe tbs met dwangverpleging moet worden opgelegd.
De advocaat van Ernst komt niet verder dan mishandeling, geen strafbaar feit dat tbs-waardig is.
Hij ziet liever dat Ernst weer onder de hoede komt van de GGZ.

In het dossier zit ook een advies van een deskundige.
Die rapporteert dat het inhumaan is geen tbs op te leggen.
Bij de GGZ wacht hem immers opnieuw de kooi.
De advocaat begrijpt het dilemma.

De rechtbank wil nu eerst met Ernst praten.
Daarom gaat de rechtbank volgende week, in de vorm van één rechter – de oudste rechter – naar de Van Mesdagkliniek toe.
Daarna wordt de strafzaak afgerond.

Op een dag geboren in een land vol beestachtig geweld en
belanden in een land waar een kooi voor je is gemaakt.
Hoe raar kan een leven lopen.

Rob Zijlstra

UPDATE – 2 mei 2012 – vervolg
Ernst is inmiddels in de Van Mesdag-kliniek door een van de rechters gehoord. Hij gaf daarbij aan toch naar de rechtbank te willen. Dat gebeurde vrijdag 27 april. De eis om hem tbs op te leggen, is niet veranderd. De rechtbank doet op 11 mei uitspraak.

He laatste nieuws: de rechtbank doet vervroegd uitspraak op donderdagmiddag 3 mei.

.

UPDATE – 3 mei 2012 – uitspraak
Ernst is ontslagen van alle rechtsvervolging (ovar) omdat hij ontoerekeningsvatbaar is. Wel is hem de maatregel  tbs met dwangverpleging opgelegd wegens tweemaal een mishandeling en eenmaal een poging tot zware mishandeling. Die laastse is tbs-waardig. Volgens de rechtbank is er geen alternatief gezien het ernstige ziektebeeld en het hoge recidiverisico. Een tbs-kliniek is de enige plek waar de veiligheid van het personeel enigszins gegarandeerd is en er een humaan contact met verdachte kan zijn, zo staat in het vonnis.

UPDATE – 2012 – hoger beroep
Het gerechtshof in Leeuwarden vernietigt het vonnis van de rechtbank in Groningen. De tbs-status verdwijnt, Ernest blijft wel in de Van Mesdag.

De mooie leugen

foto: peter wassing (archief dvhn)

Zittingszaal 14, de grootste rechtszaal van de rechtbank in Groningen, is de meest bizarre openbare ruimte van heel Groningen.

De ruimte op zich stelt niet zo heel veel voor.
Er hangen kunstwerken in zachte pastelkleuren aan de muur – als tegenhanger van de harde feiten van de misdaad.
Dat beoogde de kunstenaar die, hoe wrang, zelf bij een naar auto-ongeluk om het leven kwam.

In de hoek staat Beatrix.
Aan het plafond hangen aan draadjes boxen van Bose voor het geluid, er zijn camera’s voor de veiligheid en er zijn grote televisieschermen die maar zelden worden gebruikt.

Er valt veel meer te vertellen.
Dat het Groninger gerechtsgebouw, anders dan je misschien zou denken, helemaal geen 14 zalen of nog meer heeft, zo er ook – heel raar – geen tweede verdieping is.
Na de eerste komt de derde.
Ach, u moet zelf maar eens gaan kijken.
De koffie kost er slechts 45 cent.

Het bizarre van zittingszaal 14 zit ‘m natuurlijk in de verhalen die er (moeten) worden verteld.

Donderdag luisterde ik heel de ochtend naar de 34-jarige Anan uit Algerije die op een dag met de trein naar Groningen was gekomen.
Hij had zeventien maanden in Rotterdam in de vreemdelingenbewaring gezeten.
Op zijn eerste dag in vrijheid ging hij, als ongewenst mens, naar de disco.

De officier van justitie zei: ‘Om zich vol te laten lopen.’
Toen hij vol was, waggelde hij naar de Nieuwstad en klopte met 40 euro aan bij een prostituee.
De officier van justitie: ‘Om haar op gruwelijke wijze te verkrachten.’

Anan ontkent.
Hij zegt tegen zijn tolk: ‘Wel seks, geen geweld.’
De tolk: ‘Hij schaamt zich.’
De officier van justitie: ‘Lariekoek, ik eis 4 jaar celstraf.’

Na Anan kwam Tammo.

Tammo zei, toe maar.
Hij zou zijn dronken ex hebben mishandeld.
Tammo zei: ‘Ach.’
De officier van justitie: ‘Meneer zit al drie maanden vast en dat is mooi genoeg geweest.’
De advocaat: ‘Zo is het maar net.’
De rechters: ‘Heeft u het begrepen? De officier van justitie eist dat u vandaag nog naar huis mag. Dat is me toch een heugelijke mededeling.’
Toe maar, zei Tammo weer.

Tammo ging, Hans kwam.
Met hem werd het avondwerk in zittingszaal 14.

Soms denk je dat je na honderden strafzaken, duizenden uren aan de perstafel, alles wel zo een beetje hebt gehad, gehoord en gezien.
Maar dat is dus niet zo.
Het kan in de rechtszaal altijd nog gekker, nog rauwer.
Er zijn kennelijk geen grenzen aan de triestheid van het bestaan.

Hans, 27 jaar, keilde na een woordenwisseling met zijn vader, met een steen uit de voortuin een ruit in en vertrok.
Met de auto reed hij naar het Esso-tankstation, dronk daar wat en nam een besluit.
Een laatste redmiddel.
‘Ik had niets meer te verliezen’, zegt hij tegen de rechters.

Hij reed terug en parkeerde de auto honderd meter van de ouderlijke woning.
Hij rookte nog een sigaret en deed – wat hij anders nooit doet – de gordels om.
En gaf plankgas, recht op de woning van zijn ouders af met, dacht hij zelf, 70 tot 80 kilometer per uur.

De auto ramt het lage stenen muurtje, wordt gelanceerd en knalt door de glazen ruiten in de voorgevel om in de woonkamer tot stilstand te komen.

De rechters: ‘Waar eerst de eettafel stond, stond nu uw auto. Kunt u zich voorstellen dat uw ouders vreselijk zijn geschrokken?’
Hans knikt en er verschijnt een pijnlijke lach op zijn gezicht.
Zegt: ‘Dat was ook de bedoeling. Ik laat me niet kapot maken.’

Hans vertelt met een stem die verzadigd is van wanhoop dat hij zielsalleen in de wereld staat, dat niemand hem wil helpen, de huisarts ook niet.
Dat hij zo onvoorstelbaar ongelukkig is en eenzaam, zich onbegrepen voelt, dat hij sinds zijn twaalfde slaapproblemen heeft, dat eerst alcohol en later drugs, vooral speed, hem enige verlichting geeft.

Hij zegt dat hij recht heeft op de waarheid, die nu voor hem verborgen wordt gehouden door de poppenkast die zijn ouders voor de wereld opvoeren.
‘Mijn moeder is een egoïst. Zij geniet ervan mij geestelijk pijn te doen.’

De rechters: ‘U klinkt nogal mysterieus.’
Hans: ‘Ik wil niet dood.’

Psychiaters en psychologen zeggen dat er sprake is van wanen die zijn gedrag sturen.
Wanen die sterker zijn dan de wil zodat hij geen keuzes kan maken.
Conclusie: volledig ontoerekeningsvatbaar.

De officier van justitie zegt dat Hans zich schuldig heeft gemaakt aan pogingen tot zware mishandeling met voorbedachten rade.
Een strafbaar feit, maar de verdachte is geen strafbare dader.
De eis: ontslag van alle rechtsvervolging en een gedwongen opname voor een jaar in een psychiatrisch ziekenhuis.

De verdrietigste ouders schreven een brief aan de rechters die tijdens de zitting wordt voorgelezen.
Ons huis is kapot, maar een huis, ach, dat zijn maar stenen.
Ze schreven: ‘Maar onze jongen is stuk en hem bouw je niet zomaar weer op. Als hij eerder hulp had gekregen, dan hadden we hier vandaag niet gestaan.’

Hans reageert: ‘Een mooie leugen.’

Rob Zijlstra

• ontslag van alle rechtsvervolging

 art. 352, lid 2 Wetboek van strafvordering

.

UPDATE – 6 oktober 2011 – uitspraak
De rechtbank en het openbaar ministerie zitten op een lijn: Hans is schuldig, maar is niet strafbaar en dus volgt ontslag van alle rechtsvervolging. Hij wordt nu op last van de rechtbank opgenomen in een psychiatrische inrichting voor maximaal een jaar.

.

Staatslot

mangel

Mohamed zegt dat als hij een keuze had, dat hij dan zou vliegen.
Als hij dat zegt, gaan zijn armen alsof het vleugels zijn even de lucht in.
Maar hij kan niet vliegen, hoewel hij eens piloot was.

Mohamed is 43 jaar, maar in dat veel te grote, donkere streepjespak dat hij draagt, lijkt hij al een oude, door het leven getekende man.

Een paar keer vragen de rechters wat hij nou eigenlijk wil.
‘Wat wilt u nou eigenlijk?’
Het antwoord kan hij niet formuleren.
‘Ik geloof nergens meer in’, tolkt de tolk.
Onderwijl wrijft Mohamed met twee handen vermoeid over zijn zwarte gelaat.
Wanhopige grote ogen ook.

Mohamed is een ongewenste vreemdeling die niets heeft.
Hij heeft geen dak, geen geld, geen verzekeringen of pasjes, geen vrienden om mee te praten of grapjes mee te maken, geen mp3-speler, oude schoenen, geen verlopen rijbewijs of een zoekgeraakt staatslot.

Hij heeft geen leven.
En hij heeft, als ongewenst mens, al helemaal niets te willen.

De rechters zeggen dat ze in het dossier hebben gelezen dat hij klem zit, dat hij in de mangel zit van bestuursrechtelijke procedures en dat zijn situatie hopeloos is.
Maar dat het vandaag om een strafrechtzaak gaat.

De officier van justitie zal later aanvullen dat Mohamed in de meest denkbare uitzichtloze narigheid verkeert.
Maar ook dat het feit waarvan hij wordt verdacht, een ernstig feit is.
Een ernstig strafrechtelijk feit.
Dat hij heel veel andere mensen had kunnen meenemen in de dood.
En dat hij daar straf voor moet krijgen.

Mohamed had als piloot gediend in het leger van de Somalische en door de Verenigde Staten gesteunde dictator Siad Barre.
De verschrikkingen die Barre tijdens de voortdurende burgeroorlog aanrichtte, zouden volgens Wikipedia aan 200.000 mensen het leven hebben gekost.
Een jaar na het overlijden van kolonel Barre, in 1995, vluchtte Mohamed als gemankeerde asielzoeker naar Nederland.
Post-getraumatiseerd.

Vijftien jaren probeerde hij bij ons een status te verkrijgen.
Vijftien jaren lang lieten wij hem dat ook proberen.
Maar hoe de politieke wind hier ook waaide, hij kreeg het nooit.
Procedure op procedure volgde en dat maakte dat de mens Mohamed langzaam maar zeker verstrikt raakte in de mangel die maar door en door draaide.

Hij zegt dat het een ongeluk was.
Dat hij het niet expres heeft gedaan.
En dat hij heeft geprobeerd tegen het vuur te vechten.
Ja, zegt de officier van justitie, met kranten en doeken wat niet heel adequaat is, zeker niet voor iemand die is opgeleid tot piloot.
De officier van justitie: ‘Er hing ook een brandblusser.’

De eerste jaren in Nederland verliepen voor hem nog redelijk hoopvol.
Maar na acht jaren tevergeefs procederen, werd de hoop op een nieuw leven steeds kleiner.
Toen zijn vrouw na die acht jaren de keuze maakte hem te verlaten, met de vier kinderen van wie er drie in Nederland zijn geboren, veranderde Mohamed in de oude man waar hij nu op lijkt.
Hij ging drinken om de uitzichtloosheid te benevelen.
Twee keer stond hij vol twijfel langs het spoor met een voortrazende trein.

Maar het leven ging door en zo werd het vanzelf 5 februari van dit jaar.
Zijn nare levensweg vol bureaucratie had hem van Mogadishu in het asielzoekerscentrum in Musselkanaal doen belanden.

Het brandalarm was daar die ochtend in alle vroegte afgegaan en de security had zich onmiddellijk naar kamer 121 op de eerste verdieping begeven.
Toen ze de deur met kracht openden, walmde de rook naar buiten.
Ze zagen vlammen op het gasfornuis.
Veertig tot vijftig centimeter hoog, zei de ene beveiliger.
Vlammen van wel een meter, verklaarde de ander.

Het was een ongeluk, zegt Mohamed.
Hij was al drie dagen aan het drinken, had honger en wilde in een geleend pannetje wat eten klaarmaken.
Onderwijl keek hij naar een herhaling van de immer hoopgevende Matthijs van Nieuwkerk, naar zijn De Wereld draait door.
Tafelheer was Marc-Marie Huijbregts en Bram Moszkowicz was in die uitzending een van de gasten in verband met het o zo belangrijke proces rond Geert Wilders.

Toen de beveiliging binnenkwam en het vuur doofde, riep Mohamed: fuck Obama, fuck Rutte en fuck Nederland.
En hij riep dat hij zelfmoord wilde plegen.
Zijn advocaat zegt: ‘Als de spanning hem te veel wordt, roept hij altijd dat soort dingen. Ik ken hem.’

Mohamed zegt tegen zijn rechters het een ongeluk was.
Dat er ineens brand uitbrak op zijn gasfornuis, dat het doekje waarmee hij het aanrecht altijd schoonmaakte kennelijk vlam had gevat terwijl hij dronken van narigheid was.
Dat hij had geprobeerd het vuur te bestrijden.

Niet geloofwaardig, zegt de officier van justitie.
Het pannetje staat op de pit rechtsachter.
Kijk maar naar de foto.
Dat pannetje staat daar gewoon, alsof er niks is gebeurd.

Het gemene vuur met kranten en doeken brandde op de pit linksvoor.
Dat heeft hij gewoon gedaan.
Nee, als Mohamed het vuur had bestreden, zoals hij beweert, zou het pannetje op de rechter achterpit daar niet zo gewoon hebben gestaan alsof er niks is gebeurd.
Dan had het pannetje wel omver gelegen tussen de pitten.

Oftewel: Mohamed heeft op het fornuis brand gesticht en wel zo dat dit een gemeen gevaar opleverde voor alle 150 andere mensen die in de asielzoekervleugel verbleven, inclusief de baby van de buren.

Een ernstig feit.
Hij had veel andere mensen kunnen meenemen in zijn keuze die ochtend voor de dood.
Straf is daarom gepast en geboden.

Mohamed: ‘Het was een ongeluk, ik deed het niet expres.’
De officier van justitie: ‘Niet geloofwaardig.’
De eis: 18 maanden gevangenisstraf, waarvan zes maanden voorwaardelijk met als bijzondere voorwaarde toezicht van de reclassering. Misschien dat die nog iets voor hem kan betekenen.

De rechters vragen aan Mohamed of hij de eis heeft begrepen.
Mohamed: ‘Nee.’

Rob Zijlstra

 

UPDATE – 30 mei 2011 – uitspraak
Mohamed heeft zich schuldig gemaakt aan brandstichting. De eis van de officier van justitie vinden de rechters aan de te hoge kant. Het vonnis: 12 maanden celstraf waarvan 6 maanden voorwaardelijk.