Staatslot

mangel

Mohamed zegt dat als hij een keuze had, dat hij dan zou vliegen.
Als hij dat zegt, gaan zijn armen alsof het vleugels zijn even de lucht in.
Maar hij kan niet vliegen, hoewel hij eens piloot was.

Mohamed is 43 jaar, maar in dat veel te grote, donkere streepjespak dat hij draagt, lijkt hij al een oude, door het leven getekende man.

Een paar keer vragen de rechters wat hij nou eigenlijk wil.
‘Wat wilt u nou eigenlijk?’
Het antwoord kan hij niet formuleren.
‘Ik geloof nergens meer in’, tolkt de tolk.
Onderwijl wrijft Mohamed met twee handen vermoeid over zijn zwarte gelaat.
Wanhopige grote ogen ook.

Mohamed is een ongewenste vreemdeling die niets heeft.
Hij heeft geen dak, geen geld, geen verzekeringen of pasjes, geen vrienden om mee te praten of grapjes mee te maken, geen mp3-speler, oude schoenen, geen verlopen rijbewijs of een zoekgeraakt staatslot.

Hij heeft geen leven.
En hij heeft, als ongewenst mens, al helemaal niets te willen.

De rechters zeggen dat ze in het dossier hebben gelezen dat hij klem zit, dat hij in de mangel zit van bestuursrechtelijke procedures en dat zijn situatie hopeloos is.
Maar dat het vandaag om een strafrechtzaak gaat.

De officier van justitie zal later aanvullen dat Mohamed in de meest denkbare uitzichtloze narigheid verkeert.
Maar ook dat het feit waarvan hij wordt verdacht, een ernstig feit is.
Een ernstig strafrechtelijk feit.
Dat hij heel veel andere mensen had kunnen meenemen in de dood.
En dat hij daar straf voor moet krijgen.

Mohamed had als piloot gediend in het leger van de Somalische en door de Verenigde Staten gesteunde dictator Siad Barre.
De verschrikkingen die Barre tijdens de voortdurende burgeroorlog aanrichtte, zouden volgens Wikipedia aan 200.000 mensen het leven hebben gekost.
Een jaar na het overlijden van kolonel Barre, in 1995, vluchtte Mohamed als gemankeerde asielzoeker naar Nederland.
Post-getraumatiseerd.

Vijftien jaren probeerde hij bij ons een status te verkrijgen.
Vijftien jaren lang lieten wij hem dat ook proberen.
Maar hoe de politieke wind hier ook waaide, hij kreeg het nooit.
Procedure op procedure volgde en dat maakte dat de mens Mohamed langzaam maar zeker verstrikt raakte in de mangel die maar door en door draaide.

Hij zegt dat het een ongeluk was.
Dat hij het niet expres heeft gedaan.
En dat hij heeft geprobeerd tegen het vuur te vechten.
Ja, zegt de officier van justitie, met kranten en doeken wat niet heel adequaat is, zeker niet voor iemand die is opgeleid tot piloot.
De officier van justitie: ‘Er hing ook een brandblusser.’

De eerste jaren in Nederland verliepen voor hem nog redelijk hoopvol.
Maar na acht jaren tevergeefs procederen, werd de hoop op een nieuw leven steeds kleiner.
Toen zijn vrouw na die acht jaren de keuze maakte hem te verlaten, met de vier kinderen van wie er drie in Nederland zijn geboren, veranderde Mohamed in de oude man waar hij nu op lijkt.
Hij ging drinken om de uitzichtloosheid te benevelen.
Twee keer stond hij vol twijfel langs het spoor met een voortrazende trein.

Maar het leven ging door en zo werd het vanzelf 5 februari van dit jaar.
Zijn nare levensweg vol bureaucratie had hem van Mogadishu in het asielzoekerscentrum in Musselkanaal doen belanden.

Het brandalarm was daar die ochtend in alle vroegte afgegaan en de security had zich onmiddellijk naar kamer 121 op de eerste verdieping begeven.
Toen ze de deur met kracht openden, walmde de rook naar buiten.
Ze zagen vlammen op het gasfornuis.
Veertig tot vijftig centimeter hoog, zei de ene beveiliger.
Vlammen van wel een meter, verklaarde de ander.

Het was een ongeluk, zegt Mohamed.
Hij was al drie dagen aan het drinken, had honger en wilde in een geleend pannetje wat eten klaarmaken.
Onderwijl keek hij naar een herhaling van de immer hoopgevende Matthijs van Nieuwkerk, naar zijn De Wereld draait door.
Tafelheer was Marc-Marie Huijbregts en Bram Moszkowicz was in die uitzending een van de gasten in verband met het o zo belangrijke proces rond Geert Wilders.

Toen de beveiliging binnenkwam en het vuur doofde, riep Mohamed: fuck Obama, fuck Rutte en fuck Nederland.
En hij riep dat hij zelfmoord wilde plegen.
Zijn advocaat zegt: ‘Als de spanning hem te veel wordt, roept hij altijd dat soort dingen. Ik ken hem.’

Mohamed zegt tegen zijn rechters het een ongeluk was.
Dat er ineens brand uitbrak op zijn gasfornuis, dat het doekje waarmee hij het aanrecht altijd schoonmaakte kennelijk vlam had gevat terwijl hij dronken van narigheid was.
Dat hij had geprobeerd het vuur te bestrijden.

Niet geloofwaardig, zegt de officier van justitie.
Het pannetje staat op de pit rechtsachter.
Kijk maar naar de foto.
Dat pannetje staat daar gewoon, alsof er niks is gebeurd.

Het gemene vuur met kranten en doeken brandde op de pit linksvoor.
Dat heeft hij gewoon gedaan.
Nee, als Mohamed het vuur had bestreden, zoals hij beweert, zou het pannetje op de rechter achterpit daar niet zo gewoon hebben gestaan alsof er niks is gebeurd.
Dan had het pannetje wel omver gelegen tussen de pitten.

Oftewel: Mohamed heeft op het fornuis brand gesticht en wel zo dat dit een gemeen gevaar opleverde voor alle 150 andere mensen die in de asielzoekervleugel verbleven, inclusief de baby van de buren.

Een ernstig feit.
Hij had veel andere mensen kunnen meenemen in zijn keuze die ochtend voor de dood.
Straf is daarom gepast en geboden.

Mohamed: ‘Het was een ongeluk, ik deed het niet expres.’
De officier van justitie: ‘Niet geloofwaardig.’
De eis: 18 maanden gevangenisstraf, waarvan zes maanden voorwaardelijk met als bijzondere voorwaarde toezicht van de reclassering. Misschien dat die nog iets voor hem kan betekenen.

De rechters vragen aan Mohamed of hij de eis heeft begrepen.
Mohamed: ‘Nee.’

Rob Zijlstra

 

UPDATE – 30 mei 2011 – uitspraak
Mohamed heeft zich schuldig gemaakt aan brandstichting. De eis van de officier van justitie vinden de rechters aan de te hoge kant. Het vonnis: 12 maanden celstraf waarvan 6 maanden voorwaardelijk.

Doeners en denkers

Freek (23) is niet helemaal goed.

Het is niet zo dat wij die wel goed zijn, beter zijn.
Maar wij die wel goed zijn begrijpen de dingen misschien iets sneller en kunnen daardoor gemakkelijker met de dingen van het leven omgaan.
Dat zei een van de rechters.

Bij Freek zit er vaak chaos in de kop.
Zijn vader stierf toen hij nog een kind van 3 jaar was.
Dat had ook met drank te maken.
Zijn moeder is nog steeds aan de drank en wordt met enige regelmaat opgenomen.
Freek is dan alleen thuis en dan doet hij altijd de gordijnen dicht.

Het leven buiten, gaat hem veel te snel.
Het kost hem moeite mee te doen aan onze ingewikkelde maatschappij.

Freek wordt gepest door de jongens uit het dorp.
Dan voelt hij zich buitengesloten, is hij verdrietig en eenzaam.
Dan drinkt hij Cola met Beerenburg.

Eigenlijk, zeggen de rechters, is Freek die net 23 jaar is geworden, in zijn hoofd vol raars nog een kind.
Frekie.
De pest is: hij is groot en beresterk.

Anderhalf jaar geleden was er een feestje en dat liep wat uit de hand.
Hij greep twee meisjes bij de keel en een van hen viel op de grond.

Twee weken later, in december 2009, ging het weer mis.
Freek kreeg ruzie met Alfred die niet zo groot en sterk is.
Hij kreeg flinke klappen.
En een trap tegen het hoofd, terwijl Freek zijn werkschoenen nog aan had.
Alfred was buiten bewustzijn geraakt.
Alsof hij sliep, zeiden getuigen.

Vorig jaar sloeg Freek zijn moeder een paar keer.
Tegen de rechters zegt hij: ‘Maar zij sloeg mij ook.’

Donderdagochtend, anderhalf jaar na dat gedoe met die twee meisjes, zit hij in zittingszaal 14.
Freek wilde niet en daarom hadden de rechters hem vanochtend in alle vroegte door de politie van huis laten halen.

De rechter (die dat kan) spreekt lang en indringend met Freek.
Ze liggen elkaar wel, die twee.
De rechter zegt: ‘Freek luister. Jij en ik hebben allebei een moeder. En een moeder doet wel eens iets wat we niet leuk vinden. Maar wij weten allebei dat je je moeder niet slaat. Dat snap jij ook wel.’
Freek knikt.
Zegt ook dat hij het nooit weer zal doen.

De man die Freek namens onze hulpverlening een beetje in de gaten houdt, zit als getuige in de rechtszaal.
Hij vertelt dat het eigenlijk, het laatste jaar, best wel goed gaat met Freek.
Dat hij druk bezig is een woninkje voor hem te regelen, omdat het absoluut noodzakelijk is dat hij niet meer bij moeder woont.
Als alles een beetje meezit, is het woninkje binnen vier, vijf weken geregeld.

De begeleider: ‘Freek is een doener, geen denker. Maar met wat denkers is zijn omgeving, redt hij het wel.’

Er is nog iets, iets moois.

Er zijn twee boeren buiten het dorp die zich over Freek hebben ontfermd.
Een van hen, boer Klaas, zit ook in de zaal.
Hij vertelt dat Freek een jongen is met gebruiksaanwijzingen.
Maar dat het geen slechte jongen is.
Een harde werker ook.
Hij komt wel eens te laat, maar verder zijn ze dik tevreden.
Hij en zijn buurman praten ook veel met Freek.
Daar steken ze tijd in.

Rechters: ‘Heeft u daar wel tijd voor?’
Boer Klaas: ‘Nee, maar wij maken daar tijd voor.’

Ze hebben zich het lot van Freek aangetrokken.
Boer Klaas: ‘Zijn vader is overleden toen hij nog heel jong was. Ook mijn vader is overleden toen ik nog een kind was. En dat is ook mijn collega overkomen. We hebben tegen elkaar gezegd: samen helpen we hem en daar gaan we voor.’

De rechters zeggen dat zoiets toch prachtig is.

De officier van justitie ziet het anders.
Zegt dat die trap tegen het hoofd met de werkschoenen nog aan een poging tot doodslag is.
Dat ze daar, of ze nou wil of niet, niet om heen kan.
En dat ze daarom een gevangenisstraf eist van achttien maanden waarvan zes voorwaardelijk.

De rechters vragen of hij de eis begrijpt.
Freek schrikt, zijn grote handen trillen.
Met bange, vragende ogen kijkt hij naar zijn advocaat, dan weer naar zijn begeleider, of achterom, naar boer Klaas.

Een van de rechters: ‘De officier van justitie wil je een jaar opsluiten in de gevangenis, Freek.’

Rob Zijlstra

.

UPDATE – 4 mei 2011 – uitspraak
Freek is vrijgesproken voor de poging tot doodslag, omdat hij volgens de rechters – de denkers – geen opzet had op de dood. Hij is wel veroordeeld wegens een poging tot zware mishandeling: een werkstraf van 240 uur + 6 maanden voorwaardelijke celstraf. Het openbaar ministerie zal vast in hoger beroep gaan.

Houd de dief !

Menso, 40 jaar, is een oude rot in het vak.
Toen de veelpleger nog moest worden bedacht, hield hij zich al veelvuldig bezig met het plegen van strafbare feiten.
Ruben is een ander verhaal.
Hij is nog maar 19, maar al zonder vaste woonplaats en als beginneling bezig in Menso’s voetsporen te treden.

Menso en Ruben stonden achtereenvolgens, maar in verschillende strafzaken, terecht in zittingszaal 14.

Menso vertelt aan de rechters dat hij het die dag in september vorig jaar even helemaal had gehad.
Problemen met zijn vriendin, zijn stagebaantje kwijtgeraakt waardoor ook zijn opleiding op de klippen liep.

Zijn leven is als een toren van blokken die steeds omvalt.

Uitgerekend op die rotdag kuierde hij door Haren.
Hij had stevig gedronken.
In een tuintje zag hij een mevrouw die het gras aan het maaien was.
Dat bracht hem op een slecht idee.
Hij liep een blokje om en ging via de achterdeur de woning binnen.
Hij snaaide een tas waarmee hij zich uit de voeten wilde maken.

Maar daar was ineens de grasmaaister.
Zij riep, heel klassiek: Houd de dief!

Zoals gezegd, het was zijn rotdag, want de roep om hulp bereikte een dappere fietser.
Menso tegen de rechters: ‘Ik zag de bui al hangen.’
De rechters: ‘Hij kwam achter u aan.’
Menso: ‘Ja, en hij was ook heel boos en gaf niet zomaar op. Ik was op dat moment redelijk bang voor de gevolgen.’

Rechters: ‘U bedreigde hem.’
Menso: ‘Ik dacht, ik laat hem schrikken. Hij was aan het bellen en ik riep dat hij die telefoon weg moest doen.’
Rechters: ‘U zou geroepen hebben: als ik je weer tegenkom, dan pak ik je.’
Menso: ‘Ik sluit het niet uit, ik was in paniek.’

Na een korte worsteling koos Menso uiteindelijk, zonder buit, maar langs de Albert Heijn, het hazenpad.
En weer pech: de camera’s van de grootgrutter registreerden zijn vlucht en agenten herkenden hem later van de beelden.
Zeiden: ‘Kijk nou, onze Menso.’

Op het politiebureau besloot hij schoonschip te maken en vertelde dat hij een week eerder twee auto’s had gekraakt.
Uit een Fiat Panda had hij een sporttas met weinig van waarde gestolen, uit een zwarte Audi een TomTom die onder de stoel van de bijrijder had gelegen.
Het navigatieapparaat verpatste hij aan een voorbijrijdende taxichauffeur.

Menso vertelt aan de rechters dat hij voor zichzelf een plaatje heeft gemaakt voor de toekomst.
Hij heeft een vriendin die heel belangrijk voor hem is.
Zij heeft beloofd bij hem weg te gaan als hij weer heroïne gaat gebruiken.
Daar was Menso twintig jaar geleden mee begonnen en die drugs maken ook dat hij steeds weer omvalt.

Hij probeert het wel.
Als ervaringsdeskundige geeft hij lezingen.
Zijn boodschap aan moeilijke jongeren: blijf toch van de rotdrugs af.

De officier van justitie had tien jaar geleden al eens tegen Menso gezegd dat hij te oud wordt om nog langer als junk door het leven te gaan.
Nu zegt de aanklager: ‘De indruk die hij op mij maakt is geen slechte en ik hoop ook oprecht dat het vanaf nu goed met hem gaat. Maar we moeten eerst aftikken: één jaar gevangenisstraf, de helft voorwaardelijk.’

Op de dag dat Menso zijn eerste misdrijf pleegde, moest Ruben nog worden geboren.
Dat gebeurde ook, maar het leven bracht hem zoveel tegenslag dat hij al jong vanuit de Randstad in Het Poortje in Groningen belandde.
Toen de deuren voor hem open gingen, was hij volwassen en besloot hij in het Noorden te blijven.
Hij gebruikt wekelijks drugs, maar een probleem is dat niet, zegt hij.

Menso zou hem op andere gedachten kunnen brengen, maar Ruben heeft geen weet van het bestaan van zijn voorganger in de rechtszaal.

Ruben had een manier bedacht snel geld te verdienen: hij vroeg jongeren die dachten dat hij een echte vriend was om tegen een kleine vergoeding telefoonabonnementen op hun naam af te sluiten.
Een duur abonnement levert een gratis mobiel toestel op die hij dan verpatste.
Van BlackBerry’s tot iPhones, drieëntwintig stuks.
Aan zijn slachtoffers vertelde hij dat hij een handig trucje kende om de abonneegegevens bij de telefoonmaatschappijen te wissen.
Dan kwam er mooi geen rekening.

Zijn slachtoffers geloofden het en zitten nu met de gebakken peren.
Incassobureaus komen namens de telefoonboeren aan de deur en willen geld.
Want de rekeningen kwamen natuurlijk mooi wel.

De officier van justitie zegt dat Ruben zijn slachtoffers niet alleen vroeg abonnementen af te sluiten, maar hen ook bedreigde en intimideerde met zijn mes.
En dat er daarom sprake is van een ernstig misdrijf.

Ruben lijkt niet onder de indruk.
Hij ontkent geweld te hebben gebruikt of daarmee te hebben gedreigd.
Zegt: ‘Ze deden het vrijwillig.’
Zijn advocaat: ‘Ze deden dom, die slachtoffers. En ze verzinnen het geweld als excuus dat ze zo dom hebben kunnen zijn.’
Volgens de advocaat komen de jonge slachtoffers uit een circuit waar veel softdrugs wordt gebruikt.
‘En van blowen wordt een mens niet slimmer.’

De officier van justitie richt zich eerst tot Ruben en eist zonder opbeurende woorden achttien maanden celstraf waarvan zes voorwaardelijk.

Dan kijkt hij even over het hoofd van de beklaagde heen om verontwaardigd tegen de samenleving te zeggen hoe het in de wereld mogelijk is dat jongeren het een na het andere abonnement van duizenden euro’s kunnen afsluiten.

Zegt: ‘Al die telefoonwinkels in de Herestraat van Groningen. Die enorme lichtvoetigheid.’

Rob Zijlstra

.

UPDATE – 17 maart 2011 – uitspraken
Menso is veroordeeld tot 8 maanden celstraf waarvan 4 voorwaardelijk, een onsje minder dan de eis. Ruben moet netto een jaar zitten. Hij is conform de eis veroordeeld: 18 maanden waarvan 6 voorwaardekijk. 

Guus

Er schijnen mensen te bestaan die altijd geluk hebben.
Als dat waar is, zullen er vast ook soortgenoten bestaan die voor het ongeluk geboren zijn.
Zo iemand zou Guus kunnen zijn.

Als Guus – hij wil commerciële economie gaan studeren – ooit directeur wordt van een goedlopende onderneming, dan kun je er gif op innemen dat de zaak binnen drie maanden failliet gaat.
Of dat, terwijl de zon prachtig schijnt, het plots gaat regenen omdat Guus besloten heeft een wandelingetje te maken.
Dat hij dan zegt: ‘Heb ik weer’

Hij raakte eens ongewild betrokken bij een brand in zijn woning en omdat er iets mis was met de verzekering, zeult hij nu een schuld achter zich aan van 50.000 euro.

In 2008 reed Guus in een auto en toen hij de oprit van een woning wilde oprijden, stond daar een agent die hij bijna van de sokken reed.
Die agent stond juist daar omdat er een vermoeden bestond dat de auto waar Guus in reed, gestolen was.
De agent moest springen voor het leven.

Guus rijdt wel vaker in auto’s waarop de verdenking rust dat die voertuigen van diefstal afkomstig zijn.
Volgens Guus komt dat dan door anderen.

Het was begonnen toen hij beroepsmilitair wilde worden.
Dat ging mis tijdens de opleiding.
Uitgerekend tijdens een controle zat hij aan de drugs.

De afgelopen twintig maanden is hij drie keer door de meervoudige strafkamer van Groningen veroordeeld.
Justitie had een veelvoud geëist van de tien maanden die hij opgeteld kreeg opgelegd.

Maandagochtend zat Guus er weer.
De eenvoudige gympen die hij draagt, zijn – net als de vorige keer – beschikbaar gesteld door het huis van bewaring waar hij momenteel moet verblijven.
Met een groene viltstift is ’46’ op de hakken geschreven.
Ze zullen zijn maat wel niet hebben gehad.

In oktober vorig jaar lag Guus in Winschoten op het dak van het gebouwtje van de schietvereniging.
En weer pech, want tegen de gevel sprong zo’n speurhond van de politie.
Kort daarvoor had hij nog in een rode Peugeot gezeten.
Dat ging ook al mis.
Want terwijl Guus wat heen en weer toerde, kwam er ineens een politieauto achter hem rijden.
Omdat hij dat geen prettige gedachte vond, gaf hij gas en sloeg snel links en rechts af.
Een doodlopende straat in.

De grootste pech moest toen nog komen.
In die rode Peugeot vond de politie drugs.
En wel 79 XTC-pillen, 49,5 gram speed en 4,9 gram cocaïne.
En een boksbeugel.

Het was daarom dat Guus maandagochtend weer in de rechtszaal zat.
Hij zegt tegen de rechters dat hij niets te zeggen heeft.
Het enige dat hij kwijt wil is dat hij die rode auto had geleend en van die drugs geen weet had.
Hij had het spul niet zien liggen.

Hij treft het niet met de rechters.
Rechters: ‘Dus u wilt ons wijsmaken dat u dat niet heeft gezien?
Guus: ‘Klopt.’
Rechters: ‘Reed u dan met de ogen dicht?’
Guus: ‘Het was niet mijn auto.’
Rechters: ‘Zit u nou te liegen of probeert u zich er uit te praten?’

Uitgerekend Guus krijgt rechters die op voorhand niet geloven dat hij onschuldig is tot het tegendeel is bewezen.

De reclassering heeft een niet zo’n best rapport over hem opgesteld.
Conclusie: niets meer mee te beginnen.
Guus is het daar niet mee eens.
Zegt: ‘Er staan alleen maar negatieve dingen over mij in.’
Rechters: ‘Oh. Zijn er dan positieve dingen over u te melden?’

De officier van justitie zegt dat Guus, die nog maar 23 jaar is, al een fors strafblad heeft.
Negen pagina’s vol pech.
Guus merkt op dat dat niet helemaal klopt.
Er zitten volgens hem wat ongelukkige dubbeltellingen tussen.

De rechters willen weten hoe hij zijn toekomst ziet.
Guus zegt dat hij naar de Hanzehogeschool wil om er te studeren.
De economie, dat boeit hem.
Hij heeft een vriendin en die zal hem helpen.
Dat wil zeggen, ze zal helpen als hij snel op vrije voeten komt.
Punt is dat hij binnenkort al langer vastzit dan dat hij haar kent.
Nog langer binnen, zo vreest hij, en ze gaat er vandoor.

De officier van justitie eist een jaar gevangenisstraf.

Heette hij maar anders.

Rob Zijlstra

.

UPDATE – 14 februari 2010 – uitspraak
Guus heeft pech in die zin dat de rechtbank het drugsbezit bewezen acht. Vrijspraak voor de boksbeugel. Het vonnis: 6 maanden celstraf en daarnaast een taakstraf van 240 uur.

HET VONNIS

Geen netwerk meer

Bedroefd rijd ik even na middernacht de stad uit, langs links en rechts de donkere weilanden richting huis.
Even voorbij de kaasfabriek licht de IPhone in de houder aan de voorruit geplakt op en meldt dat ik geen netwerk meer heb.
Daar zat ik nou juist over te piekeren.

Want het was een rotrechtbankdag.
Ik had net het blogverhaal geschreven dat zaterdag in de krant moet staan en morgen (vrijdag) al op dit weblog staat.

Het gaat over een echtpaar dat vertelde dat ze 28 jaar buikpijn had omdat hij en zij wel wisten dat het niet deugde wat ze samen hadden uitgevroten.
Nu worden ze met de nek aangekeken.
Hij op het voetbalveld, waar ze hem lelijke dingen naroepen.
Zij komt de deur niet meer uit, vanwege de schaamte.
Met niemand nog contact.

Geen netwerk meer.

De officier van justitie zei dat het gaat om een berekenend echtpaar dat op de blaren hoort te zitten.
Ze zei: zielig en sneu doen, is nu flauwekul.
Dat opa dreigt met zelfmoord, is chantage,
Nee, opa en ook oma moeten naar de gevangenis.

Eerder op de dag had de rechtbank uitspraak gedaan in de zaak van de 17-jarige jongen uit Haren.
De strafzaak was twee weken geleden achter gesloten deuren behandeld omdat de verdachte minderjarig is.

Het vonnis – de uitspraak – heeft echter plaats in het openbaar.
Omdat dat moet.
En omdat de jongen vorig jaar oktober de rechtsorde heeft geschokt, mag of moet diezelfde rechtsorde nu kennis (kunnen) nemen van de achtergronden van die schokkende gebeurtenissen.
Daarom heeft de rechtbank het vonnis voor eeuwig op het internet gepubliceerd.

Ik heb niet vaak eerder een vonnis gelezen dat zo triest tot de verbeelding spreekt.

Naast mij zat de terneergeslagen vader van de verdachte.
Succesvolle man in het zakenleven, wordt gezegd.
Maar mislukt als opvoeder, schrijven de rechters in het vonnis.

De rechters schrijven dat er sprake is van een uiterst complexe gezinssituatie.
Waar geen aandacht was voor (alledaagse) problemen.
Het motto was: niet zeuren, maar presteren.

De zoon van 17 van deze vader heeft zijn vrouw, de moeder van 49, doodgeslagen met een hockeystick.
In een immense opwelling.
Die opwelling kwam nadat die moeder, de dominante moeder wordt gezegd, haar zoon de opdracht gaf haar te helpen zelfmoord te plegen.
Zij wilde samen naar het bos, naar een boom.
En dan moest hij het krukje waarop zij zou gaan staan, in dat bos verplaatsen.

Hij zei dat hij dat niet kon en ook niet wilde en probeerde haar op andere gedachten te brengen.
Hij dacht, in paniek en in een toenemende vernauwing van het bewustzijn – tot een zeer ernstige verminderde toerekeningsvatbaarheid aan toe – zijn moeder te kunnen redden door een dreigende situatie te creëren.
Hij pakt daarom een hockeystick die daar in de woning in Haren stond en hield die stok met beide handen in de lucht.
Zei: ‘Dit wil je niet, mama.’
Moeder: ‘Dit wil ik wel.’
Vader was in Amerika.
Zoon van 17 sloeg toen in de immense opwelling.
Tenminste vijftien keer.

Rechercheurs die wel wat gewend zijn en ter plaatse waren geweest, zeiden dat ze wel wat gewend zijn, maar zoiets nog nooit.
Ze zeiden: ‘Je wilt het niet weten.’

Een moeder die haar zoon vraagt haar te vermoorden.
Een moeder die van haar zoon eist dat hij haar helpt zelfmoord te plegen.

Geen netwerk meer.

Ik heb vanavond op de krant geprobeerd, met het beeld van die terneergeslagen vader naast mij, het vonnis zo goed mogelijk weer te geven.
Maar eigenlijk zou iedereen die geschokt is of doet, dat vonnis zelf eens moeten lezen.

Het vonnis.

Rob Zijlstra

De toekomst

Gerrie is een verhaal apart.
Hij is in 1983 geboren in Hoogeveen.
Zijn advocaat zegt dat Gerrie alle ellende die een kind mee kan maken, heeft meegemaakt.

Een waardeloze verwaarloosde jeugd.
Het heeft hem gemaakt zoals hij nu is.
Gerrie is een overlever, zegt de advocaat.
Hij kan niet verder kijken dan de dag van vandaag.
Als hij aan de dag van morgen denkt, aan de toekomst, raakt hij in paniek.
In zijn toekomst gaat alles mis, de toekomst heeft hem nog nooit iets goeds gebracht.
Dat is in zijn verleden altijd zo geweest.

Gerrie oogt als een keurige jongeman.
De advocaat: ‘Maar hij hoeft niet op veel sympathie te rekenen.’

Op 26 juli haalt een bewoner van een serviceflat in Veendam ’s ochtends de post uit de bus.
Als hij weer in de kamer komt, zijn er spullen weg, een bankpasje bijvoorbeeld.
Met dat pasje wordt even later bij de Rabo geld gepind, 1250 euro.

Op 7 augustus wordt aangebeld bij een echtpaar dat in een serviceflat in Haren woont. De bewoner (82) doet open en denkt te maken te hebben met een servicemedewerker. De onbekende man gaat naast zijn vrouw (85) zitten. Zij zegt niets, maar kijkt naar het NOS Journaal van zes uur.
De bewoner gaat verder met het aansnijden van een meloen in de keuken.
De onbekende vraagt om een glaasje water en krijgt dat.

Na een kwartiertje stapt de servicemedewerker op.
De bewoner ziet hoe hij de handtas van zijn vrouw meeneemt.
Als de oude man roept, wordt hij omver geduwd en valt.
Door het raam ziet de echtgenote de keurige jongeman nog net wegrijden in een rode Escort.

Op 8 augustus krijgt een inwoner van Steenwijk bezoek van een vage kennis.
Of hij even op de computer mag kijken, naar Uitzending Gemist. Als dat mag, gaat de deurbel en praat de inwoner een kwartiertje met de aanbeller.
Als hij weer in de kamer komt, is de bezoeker verdwenen.
Zo ook de Playstation en de mobiele HTC-telefoon. De buren hadden een jongeman zien wegrijden, in een Rode Escort.

Op 15 augustus wordt ingebroken in een recreatiewoning in Hoenderloo. De bewoners hadden een wandelingetje gemaakt en bij terugkomst is er van alles weg, inclusief de autosleutels en de daarbij horende Renault Megane Scenic.
Met fietsendrager.

Een dag later, 16 augustus, ontdekt een man op zijn werk dat zijn huissleutel niet meer in de jaszak zit. Als hij later die dag thuiskomt, blijkt al het computerapparatuur met aanverwanten gestolen, evenals een Sony Cybershot 600 en de mobiele Siemens.
In het schuurtje staat de fiets niet meer.

In de media verschijnen berichten over de beroving van het bejaarde echtpaar in Haren.
De Groninger Gezinsbode publiceert een foto van de mogelijke dader. De foto is afkomstig van camera’s die waken in de serviceflat.

Appie leest de berichten en ziet ook de vage foto.
Hij weet genoeg.
Hij stapt naar de politie.
Zegt dat hij weet wie de dader is, het is de man met wie hij in de gevangenis heeft gezeten.
Hij weet het 110 procent zeker.
De man rijdt in een rode Escort.
Appie is dan misschien ook geen lieverdje, maar bejaarde mensen beroven, dat gaat hem net even te ver.
Vandaar.

De politie gaat met de tip van Appie aan de slag en na enig speurwerk wordt Gerrie in Groningen getraceerd en wordt hij ‘buiten heterdaad’ aangehouden.
In de gestolen Renault Megane Scenic.
Met fietsendrager.

Vervolgonderzoek brengt de andere zaken samen.
Van de pintransactie in Veendam zijn camerabeelden: Gerrie.
Op het in Haren aangeboden kopje water zat DNA.
Het NFI: Gerrie.
In het schuurtje waar de fiets had gestaan, werd een aangebroken blikje bier aangetroffen.
Het NFI: weer Gerrie.
Met een van de gestolen telefoons werd gebeld.
De tap: Gerrie met zijn vriendin.

Bij de politie beroept Gerrie zich op zijn zwijgrecht.
Ook bij de rechter-commissaris houdt hij de mond dicht.

De rechters: ‘U heeft wel iets uit te leggen.’
Gerrie: ‘Is dat een vraag?’
De rechters: ‘…’
Gerrie: ‘Ik beroep me op mijn zwijgrecht.’
Rechters: ‘U zwijgt, dus eigenlijk zegt u, rechtbank trek maar conclusies.’
Gerrie: ‘Nee, dat zeg ik niet. Ik zeg niks.’

Gerrie is in zijn rotleven al tientallen keren veroordeeld, de eerste keer in 1998 toen hij 15 jaar was.
Altijd voor diefstallen.
In september vorig jaar werd hij door de rechtbank in Assen veroordeeld tot de ISD, de twee jaar durende veelplegersmaatregel.
Hij had zich schuldig gemaakt aan insluipingen in serviceflats in diverse plaatsen in Drenthe.
De Groninger officier van justitie was tot voor kort hetzelfde in Assen.
Ze zegt: ‘Ik ken Gerrie.’

Ze zegt dat de feiten en gevonden bewijzen schreeuwen om een verklaring.
Maar dat Gerrie er voor kiest te zwijgen.
Mag, moet hij weten.
Maar, zegt ze, ‘ik heb het wel helemaal gehad met hem.’
Volgens de officier heeft Gerrie met die ISD-maatregel – ‘ons allerlaatste middel’ – een kans gekregen, maar dat hij die kans grandioos verknald.
Ze zegt: ‘Bejaarde mensen die je een glaasje water aanbieden, beroven in hun eigen woning. Hoe brutaal kun je wezen, hoe gek kun je het maken?’

De officier van justitie besluit, weg er mee: ‘Ik eis veertig maanden gevangenisstraf.’

Het was om dit alles dat de advocaat zei dat Gerrie niet op veel sympathie hoeft te rekenen.
Dat hij de schijn ook tegen heeft.
Maar dat er hier een daar ook gerede twijfel is, dat we de bewijskracht van DNA niet moeten overdrijven, dat die oude man misschien wel niet is geduwd is, maar viel hij omdat hij schrok, dat er wel aanwijzingen zijn, maar dat een aanwijzing nog geen bewijs is.

Er moet wel iets met Gerrie gebeuren, vindt ook de advocaat.
Maar of dat een lange gevangenisstraf zoals door de officier is geëist, moet zijn, helpt misschien wel niet.
Omdat Gerrie de gevangenis altijd verlaat zoals hij er in is gekomen.
De advocaat: ‘Een behandeling en een matiging van de strafeis is beter.’

Met een vriendelijke glimlach wordt Gerrie afgevoerd.
Terug naar de cel.
Terug naar zijn toekomst.

Rob Zijlstra

.

UPDATE – 13 december 2010 – uitspraak
Gerrie is veroordeeld tot drie jaar celstraf. De beroving van het echtpaar in Haren noemde de rechtbank een daad die getuigt van grote brutaliteit. Dat hij vooral ouderen, kwetsbare mensen, als slachtoffer zocht, rekent de rechtbank hem zwaar aan. Aan drie slachtoffer moet hij schade vergoeden van in totaal ruim 1500 euro.


Apeldoorn

Het doet denken aan die filmpjes op de televisie die ineens heel grappig werden op het moment dat ‘even Apeldoorn bellen’ in beeld verscheen.

Gerbrand (39) kan er niet om lachen.
Hij lacht al twee maanden niet.
Wat hem in augustus is overkomen, is namelijk echt gebeurd.

Als de rechters hem tijdens de zitting vragen hoe hij zijn toekomst ziet, reageert hij verongelijkt.
Gerbrand vreest de toekomst.
Hij verwacht, zodra hij weer op vrije voeten komt, een ‘kogel door de kop’.
Zegt tegen de rechters: ‘Want ik heb een heel groot probleem.’

Gerbrand is schilder en glaszetter.
Daarom heeft hij wel eens bloedende wondjes aan zijn hand.

Eerder was hij veelpleger te Winschoten met een drugsprobleem.
In 2008 had hij nog twintig maanden celstraf gekregen wegens een serie woninginbraken in zijn woonplaats.
Tijdens die rechtszaak beloofde hij de rechters niet terug te zullen keren naar Oost-Groningen. Hij zou zich in Friesland vestigen, ver weg van zijn criminele vrienden.

Had Gerbrand dat maar gedaan.

Hij was heel de week aan het werk geweest en had voor zichzelf vastgesteld dat hij lekker bezig was.
Sinds zijn vrijlating, maanden geleden alweer, had hij nog geen inbraak gepleegd en nu was hij serieus van plan dat zo te laten blijven.
Maar toen kwam hij op zondag 15 augustus iemand tegen met een tip.

Rechters: ‘Wie?’
Gerbrand kijkt wel uit.
Hij zegt dat hij zich op zijn zwijgrecht beroept.
Zegt: ‘Ik heb al een groot probleem, daar moet geen tweede bijkomen.’

De tip luidt dat er in een woning in Winschoten veel geld zou liggen, ja heel veel geld.
En dat de bewoners op vakantie zijn.
Gerbrand krijgt het adres erbij.
Hij denkt aan al die schulden die hij nog moet inlossen en belt zijn vriendje Kip.

Die zondagavond komt er bij de politie in Winschoten een melding binnen dat er bij de buren op 14 iets niet in de haak lijkt.
De hond van 18 had al aangeslagen.
De politie gaat kijken en treft een beschadigde deur aan.
Meer niet.
Tegen vijf uur in de ochtend komt de tweede melding.
Nummer 12 meldt nu dat er mensen in de woning op 14 zijn.
Dat dat gek is, omdat de buurtjes op vakantie zijn.
Ja, hij had al eerder gebeld.

Terwijl de politie in actie komt om snel ter plaatse te zijn, krijgt Gerbrand de schrik van zijn leven.
Hij denkt: nou ben ik dood.

De melding van de buren klopt.
Er zijn mensen in de woning: Gerbrand en vriendje Kip.
Terwijl Kip alles van waarde (computers, plasma-tv, boxen, fotocamera, flesjes parfum, doosje met wiet, een paar schoenen) in tassen klaar zet in de gang, doorzoekt Gerbrand alle kasten en laatjes, op zoek naar dat vele geld.

De woning verandert in korte tijd in een enorme puinzooi.
Gerbrand krijgt die schrik van zijn leven als hij graaiend en grabbelend ineens een papiertje in handen heeft waarop staat wie er op nummer 14 woont.
Kort daarop hoort hij tot overmaat van ramp de politie al komen.
Hij verstopt zich onder een bed, misschien wel in de hoop dat het maar een nare droom is.

Gerbrand zegt dat de straf die de rechters hem zullen opleggen, in geen verhouding zal staan tot de straf die hem daarna te wachten staat.
Omdat de woning die hij overhoop heeft gehaald, de woning is van de man die volgens Gerbrand levensgevaarlijk is.
Ja, misschien wel de meest levensgevaarlijke man van heel Noord-Nederland.
Een man waar niemand mee spot, die bekend is op alle politiebureaus en rechtbanken.

Tony Montana.
Dat wil zeggen, zo word de man door iedereen genoemd en dat is heus niet voor niets.

Gerbrand zegt tegen de rechters dat hij nooit meer in Winschoten zal kunnen komen, dat hij zich ergens anders zal moeten vestigen om een nieuw leven op te bouwen.

Kip kan in de hal van de woning eenvoudig worden gearresteerd.
De aanhouding van Gerbrand heeft meer voeten in de aarde.
De agenten tillen eerst het bed op en laten dat dan op hem vallen (bed ook nog stuk).
De agente die hem in de boeien moet slaan, krijgt ongeneeslijk ziektes naar het hoofd geslingerd en wordt daarna bedreigd wat zou kunnen leiden tot een kunstgebit.

Gerbrand: ‘Daar heb ik heel veel spijt van. Maar ik flipte door, omdat ik wist bij wie ik in de woning was geweest. Ik was helemaal overstuur.’
Rechters: ‘Omdat het consequenties kan hebben?
Gerbrand: ‘Nee. Het heeft consequenties.’

De officier van justitie: ‘Dat zal.’
En ook: ‘Mooi dat er nog oplettende buren zijn.’

Ze eist twaalf maanden celstraf, waarvan vier voorwaardelijk.
De strafeis is inclusief de inbraak in de slijterij van Heiligerlee, begin dit jaar.
Bij de kraak is bloed aangetroffen op de luxaflex.
DNA-onderzoek wijst naar Gerbrand.
Hij ontkent.

Zegt dat hij zou bekennen, als hij het gedaan zou hebben.
‘Zo ben ik.’
Hij kwam regelmatig in de slijterij voor een flesje drank.
Vandaar misschien het bloed op de luxaflex.
Hij zet immers ook glas.

Kip zegt bijna niks.
Hij zegt dat hij alles al aan de politie heeft verteld en dat hij dat niet nog eens gaat overdoen. De officier eist tegen hem zestien weken celstraf waarvan zes voorwaardelijk.

Gerbrand zegt – net als twee jaar geleden – dat hij na het uitzitten van de straf gaat verhuizen.
Ik zou zeggen: Apeldoorn.
Mag hij dit verhaal meenemen.

Rob Zijlstra

.

UPDATE – 28 oktober 2010 – uitspraken
De kraak in de slijterij is niet overtuigend bewezen, zegt de rechtbank en spreekt Gerbrand daarvan vrij. DE foute inbraak bij Tony Montana acht de rechtbank wel bewezen, zij het dat het wordt gekwalificeerd als diefstal. Dit omdat de deur openstond. In zo’n geval is er geen braak en dus geen inbraak. Al met al: 7 maanden gevangenisstraf.
Kip komt weg met 115 dagen celstraf waarvan 42 voorwaardelijk. Betekent dat hij vandaag naar huis mag, dan wel de veiligheid van de gevangenis achter zich moet laten.

de Telegraaf

De advocaat zegt – hij weet hoe gevoelig dit soort dingen vandaag de dag liggen – dat hij het niet wil bagatelliseren.
Daarom zegt de advocaat, van wie bekend is dat hij kan bulderen als een oud Russisch vliegtuig – het voorzichtig, bijna fluisterend.
Hij fluistert tegen de rechters: ‘Agenten zijn niet vogelvrij. Maar in dit geval hebben de agenten niet die angst gehad die ze zeggen te hebben gehad. Het psychische lijden van de agenten wordt hier opgevoerd om een vordering in te kunnen dienen.’

Die vordering is van een van de agenten.

De agent raakte gebutst bij het incident waarvoor Anton (41) terecht moet staan.
Anton wordt ervan verdacht dat hij twee politieagenten aan gort wilde slaan.
Juridisch: Anton wordt een poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel ten laste gelegd.

De agenten hadden het wapen waarmee Anton in de rondte zwaaide, kunnen afweren.
Niet kordaat. zoals je van een agent misschien zou verwachten, maar ternauwernood.
Een van de agenten had niet kunnen voorkomen dat hij toch een tik kreeg.
De officier van justitie: ‘De verdachte nam de kwade kans voor lief de agenten zwaar te verwonden.’

De advocaat had foto’s van de arm van de agent gezien.
Zegt, opnieuw niet al te hard: ‘Een blauwe plek is geen verwonding, het is een kneuzing. Het kan wel even pijn hebben gedaan, maar de agent kon wel gewoon blijven werken.’

Mag zo wezen, zegt de officier van justitie, maar het velen van een extra stootje behoort niet tot de bagage van de politieman.
Dat zegt de Hoge Raad ook.
En daarom moet de vordering van de agent, meent de officier, worden toegewezen.
Ze zegt nog: ‘Het incident heeft een behoorlijke indruk op hem gemaakt. De agent is zich na het voorval meer bewust geworden van het geweld tegen de politie. Hij heeft nog regelmatig herbelevingen.’

De agent wil daarom, vanwege het psychische lijden, 260 euro hebben van Anton.

Anton zit gelaten in het verdachtenbankje.
Hij is een man in de war.
Vorig jaar had ik hem ook al eens in zittingszaal 14 zien zitten.
Ook toen was hij al danig verward.
Er waren lelijke dingen gebeurd, hetgeen was geëindigd in een nare scheiding.
Anton, vader van dochter, kon dat moeilijk verkroppen en belandde met een zware depressie in combinatie met paranoïde trekken en borderline-kenmerken in de forensisch psychiatrische inrichting van Franeker.

Daar, in Franeker, voelde hij zich meer thuis en krabbelde hij langzaam maar zeker ook de goede kant weer op.
Tot december vorig jaar.
Toen vonden zijn behandelaars het tijd voor een overplaatsing.
Anton kwam tegen zijn zin in Bedum terecht, in een huis voor mensen die zijn vastgelopen en daar vlot moeten worden getrokken.

Maar eenmaal overgeplaatst, op de dag zelf al, raakte Anton in paniek.
Hij trok het niet.
Hij belde ongelukkig en in de knoop de politie.
Zei dat hij iemand anders was en dat weer iemand anders de boel kort en klein aan het slaan was.
Of ze snel konden komen.

De politie kwam snel en ter plaatse troffen ze Anton.
Met in zijn handen een elektrische gitaar.
Daarmee zwaaide hij wild in de rondte.
En raakte een van de agenten op de arm.

Tegen de rechters zegt Anton dat hij het allemaal heel vervelend vindt en enorm veel spijt heeft.
En dat hij zijn excuses wil aanbieden aan de agenten.
Zegt dat hij wel had gezwaaid met die gitaar, maar dat hij niet op de agenten had ingehakt of zo.
Dat het allemaal in een flits gebeurde, niet met voorbedachten rade, dat die agenten op hem af kwamen lopen, dat hij toen in paniek raakte, dat hij er geen verklaring voor heeft waarom. Dat het een reactie was.
Dat hij niemand had willen verwonden, nou ja, misschien dat hij de politieauto had willen beschadigen, dat wel.

Zijn advocaat: ‘Het was een noodkreet van iemand die psychische problemen heeft.’

De officier van justitie gooit haar hoofd in de nek, kijkt indringend en boos naar Anton en zegt dan dat er een kwaadaardige geur om hem heen hangt.
Zegt: ‘Meneer hier lokte met dat valse telefoontje de politie naar zich toe, om vervolgens met die gitaar op ze in te hakken. En alleen omdat zijn plek hem niet beviel, omdat meneer hier terugkeer naar Franeker wilde afdwingen. Dat gedrag accepteren we met z’n allen niet’

Ze eist een straf gelijk het voorarrest, want Anton zat een tijdje vast.
Daarnaast eist ze een jaar voorwaardelijke gevangenisstraf met als voorwaarde dat zijn behandeling wordt voortgezet in de forensisch psychiatrische inrichting, ook als dat nog langer dan een jaar gaat duren.

Dit laatste wil Anton ook heel graag.
De advocaat: ‘De eis is perfect, op die 260 euro na.’

Wat opviel in deze strafzaak was de harde toon die de officier van justitie aansloeg.
Het adagium dat het openbaar ministerie één en ondeelbaar is, is in de praktijk van de rechtszaal ver zoek.
Het maakt voor een verdachte heus verschil wie er aanklaagt.

In de perskamer van de rechtbank in Groningen hebben wij menig rechter, officier van justitie en advocaat in de loop der jaren voorzien van bijnamen, zoals scholieren op het schoolplein schertsnamen bedenken voor de onwetende leraren en leraressen.
Niet om te bagatelliseren, maar om onderling te duiden.

De officier van justitie in deze kwestie heeft in de perskamer de naam feiten onnodig zwaar aan te dikken.
Wij noemen haar de Telegraaf-officier.

Rob Zijlstra

>> de schreeuw

.

UPDATE – 2 april 2010 – uitspraak
De rechtbank heeft Anton veroordeeld tot 16 dagen celstraf, dat de tijd die hij in voorarrest heeft gezeten. Daarnaast worden hem 8 maanden voorwaardelijk opgelegd. Kan hij naar Franeker, zoals de bedoeling was. En nooit weer Bedum. Maar de agent heeft wel recht op de gevraagde 260 euro. Die moet hij betalen.



Noodweer in de jungle

Ze zijn er: mannen en vrouwen die door de straten van de stad kruipen.
Niet om rare records te vestigen of om gek te doen ten bate van een inzamelingsactie, maar omdat het hun lot is.
Drinkend en drugsgebruikend proberen ze te overleven.

Ze zijn er altijd geweest: jaren geleden zaten er eens twee mannen en een vrouw flessen jenever en bier te ledigen aan een tafel in een bovenwoning in Groningen.
Zolang ze dronken, waren ze niemand tot last.
Ze dronken dag in en dag uit en waren minimaal twee keer per dag zat.
Plots kreeg een van de mannen daar aan die tafel een epileptische aanval.
De andere twee schrokken zich een ongeluk, maar wisten wel raad: water, dachten ze, heel veel water.

En dus pakte de ene wijze weter zijn schokkende kameraad stevig bij het hoofd en goot de ander liters water naar binnen.
De kameraad verdronk ter plaatse.
Doodslag, zei justitie.
De rechtbank kwam twee weken later tot een ander oordeel: falend medisch ingrijpen. De twee gingen vrijuit.

Ze zullen ook altijd blijven.
Voor hen is Groningen geen fair trade-stad, geen fietsstad, veiligste stad of beste stad met de beste binnenstad, voor hen is de stad een jungle.

Op 25 juni vorig jaar zaten Eddie, Michel en Klaas in hun Noorderplantsoen te doen wat ze daar altijd doen: beetje hangen, beetje drinken, beetje drugs.
Michel gooide om de sleur wat te doorbreken af en toe steentjes naar vrouwen die passeerden.

Eddie (42) heeft het op een gegeven moment wel gezien.
Hij pakt de fiets van de protesterende Klaas en verdwijnt.
Hij fietst naar zijn moeder en zegt tegen zichzelf dat Klaas niet moet zeuren.
Jaren geleden had hij aan Klaas eens een cassetterecorder geleend.
Nooit teruggekregen.
Nu had hij zijn fiets.

Tegen de rechters: ‘Stonden we weer mooi quitte.’

Als Eddie al een tijdje thuis bij zijn moeder is, is er plotseling lawaai buiten op straat.
Het zijn Klaas en Michel.
Ze willen de fiets terug.
Eddie: ‘Ik had nooit verwacht dat ze zouden komen.’

Hij vertelt hoe Michel met een woest hoofd de trap op stormde en dat hij bang was dat hij de woning, waar ook zijn moeder is, binnen zal denderen.
Zegt dat woeste Michel een groot mes in zijn handen had.
Om te duiden hoe groot, houdt hij zijn handen uit elkaar, een visserman zou er jaloers op zijn.
Zegt dat Michel ook een gewelddadige reputatie heeft.

Eddie: ‘Ik riep dat ze moesten opdonderen. Ik pakte mijn kruisboog en toen Michel de deur openduwde, schoot ik in een flits, niet gericht of zo.’

Getuigen vertellen iets anders.
Michel was niet de trap op gestormd, maar stond buiten op straat met Klaas lawaai te maken.
Toen kwam Eddie met zijn kruisboog, riep lelijke dingen, richtte op Klaas en schoot.
Hij schoot, juist op het moment dat Michel er tussen sprong.
Om te sussen.

Eddie:’Tuurlijk zeggen ze dat. Ze zijn vrienden, ze hebben hun verklaringen op elkaar afgestemd. Maar ik heb binnen geschoten, omdat Michel mij met dat mes wilde aanvallen. Zelfverdediging, noodweer.’

Hoe het ook zij, binnen of buiten, de pijl van de kruisboog raakt vol het rechteroog van Michel.
Erger nog, de pijl gaat ook in het hoofd, raakt hersenen.
Michel, wel wat gewend in de jungle, trekt de pijl uit het hoofd.
Veel bloed.
Eddie zegt dat hij naar het ziekenhuis moet gaan, maar Michel wil dat niet.
Hij wil heroïne.
Eddie regelt wat.

De volgende dag heeft Michel hoofdpijn en lotgenoten zien nare dingen in zijn gezicht.
Ze bellen een ambulance en Michel wordt in het ziekenhuis met spoed geopereerd. Behalve ernstig oogletsel (komt nooit meer goed), constateren artsen een hersenvliesontsteking.

Waarom, willen de rechters weten, bezocht hij Michel een paar keer in het ziekenhuis?
Eddie: ‘Nou, ik wilde natuurlijk weten of hij wraakzuchtig was. Maar het klopt niet dat ik hem toen heb bedreigd. Ja, ik wist dat hij aangifte had gedaan. Nee, dat had ik nooit verwacht. Maar ik snapte het wel. Ik zei tegen hem, bij de rechter ga ik het winnen, want het was zelfverdediging.’

Eddie vertelt dat hij een keertje fruit had meegenomen naar het ziekenhuis.
‘Ja, ook drugs. Daar vroeg hij om. Heroïne. Ik wilde hem ook een beetje tevreden stellen.’

Michel eist 300 euro vergoeding voor materiële schade.
En 20.000 euro smartengeld.

Michel zegt tegen de rechters dat het kantje boord is geweest, dat hij nu veel vlekken ziet en dat hij, muzikant die ooit prijzen had gewonnen, nu alleen nog maar een beetje slaggitaar kan spelen.
In het belang van zijn linkeroog zal hij nooit meer ergens tussen springen om te sussen.
Michel: ‘Ik was nooit bang, nu ben ik een watje geworden.’

De advocaat: ‘Het was noodweer.’

Poging tot moord, meent de officier van justitie en eist drie jaar gevangenisstraf en tbs met dwangverpleging.
Ze vreest dat Eddie zonder dwangbehandeling een ongeleid projectiel blijft, ook gezien zijn indrukwekkende strafblad.

Eddie: ‘Misschien in het wat, tbs om uit dit wereldje te stappen. Een nieuwe uitdaging.’
De advocaat: ‘Een tbs-behandeling duurt vandaag de dag minimaal acht jaar. Plus die drie, dan is hij elf jaar onderweg.’

Eddie: ”t Is wel veel, ja.’

Rob Zijlstra

.

UPDATE – 25 maart 2010 – uitspraak
Eddie is veroordeeld tot 30 maanden celstraf en tbs met dwangverpleging. Zijn verhaal dat hij binnen werd aangevallen, is volgens de rechtbank niet geloofwaardig. Ook van noodweer (zelfverdediging) is geen sprake omdat Eddie buiten niet werd aangevallen. Aan het slachtoffer moet hij 10.300 euro betalen.

HET VONNIS

Bart

De officier van justitie zegt dat hij nou wel heel boos kan gaan worden, maar dat hij zich eigenlijk heel triest voelt.
Als hij dit zegt, kijkt hij streng naar de verdachte.
De politierechter vult aan: ‘Hoe zou jij het vinden als ze alle mensen met jouw achternaam zouden afslachten?
Niet leuk, zegt Bart.

Advocaat Maartje Schaap vertelt dat ze bij een vorige zitting, in mei van dit jaar, nog had gezegd dat ze vertrouwen had in haar cliënt en dat het heus wel goed zou komen.
Maar dat ze dat nu niet kan herhalen, omdat ze dan haar geloofwaardigheid te grabbel gooit.
Dus houdt ze de rechter voor dat we de hoop niet moeten opgeven.
Dat het nog te vroeg is voor een ‘enkeltje Grittenborgh’.
Doe toch een werkstraf.
De politierechter zal dit later in het vonnis ‘heel lief van de advocaat’ noemen.

Bart, 20 jaar, gympies, trainingspak, geboren (in een gezin met tien kinderen) en getogen in Stadskanaal, sinds zijn dertiende een bekende lastpak van de politie, rechts-extreem gedachtegoed, mislukt student aan de Glen Mills, ongeleid projectiel.
Hij komt sowieso afspraken niet na en zit momenteel in de gevangenis omdat hij een eerder opgelegde werkstraf niet heeft uigevoerd.

De politierechter zegt dat als ‘u’ zo doorgaat, hij zeker weet dat ‘jij’ meer dan de helft van je leven in gevangenissen zult doorbrengen.
Bart knikt, hij gelooft dat graag, maar kijkt erbij alsof hij denkt: kan die man ook uit?

Zeven maanden geleden stond hij terecht voor een waslijst aan rottigheid, waaronder openlijk geweld, diefstal, vernielingen en het brengen van de Hitler-groet.
Hij zei toen dat hij spijt had, dat hij geen dikke nazi was, dat hij behoorlijk was geschrokken van de gevangenis en dat hij zijn lesje wel had geleerd.
‘Ja, echt wel.’

Hij kreeg toen, met een eis van zes maanden waarvan twee voorwaardelijk, een allerlaatste kans van de officier van justitie.
Die zei nog dat hij Bart daarna nooit weer in een de rechtszaal wilde zien.

Zeven maanden later is nooit weer al weer.
Ditmaal gaat het over bedreiging, vernieling, belediging van de jeugdagent, het kalken van fascistische teksten en tekens op een bankje, diefstal en het niet luisteren naar de burgemeester van Stadskanaal.
Die laatste had hem nadat hij de gevangenis had mogen verlaten een verbod gegeven: Bart mocht een maand lang niet in de bebouwde kom van Stadskanaal komen.
Deed hij toch.

De reclassering zit met de handen in het haar.
De medewerker die wel wat is gewend: ‘Wij weten het nu ook niet meer.’
Dat zegt de reclassering bijna nooit.

Bart ziet alles anders.
Hij sprong dus niet moedwillig in zijn legerbroek op een motorkap van een stilstaande auto, maar dacht dat hij werd aangereden. Om letsel te voorkomen, was hij omhoog gesprongen. Toen hij naar beneden kwam, belandde hij op de motorkap die later inderdaad stuk was. Dat wel ja.
Nee. Hij had geen ruit ingegooid, hij had de steen die het hoofd van een van zijn broertjes had geraakt, alleen maar even teruggegooid. Ja, de ruit ging daar wel van stuk.

Dat van die jeugdagent, dat die een kankerjood is, klopt wel.
Bart zegt: ‘Maar die man bemoeit zich voortdurend met mij. Dat vind ik irritant. En ik ben niet de enige in Stadskanaal die een hekel aan hem heeft.’

De officier van justitie zegt dat alles wat hij in huis heeft, aan zowel straffen als hulp, al eens is uitgeprobeerd op Bart.
Maar dat niks zin heeft gehad en alle hulp mislukt.
‘Als Bart vrij is, hebben anderen last van hem.’
Zegt ook dat hij zwaar tilt aan die gekliederde nazi-teksten en -tekens.
In twee zinnen legt hij het leed van de Tweede Wereldoorlog uit.

Tegen Bart: ‘En dat kleurt mijn eis. Jij gaat als het aan mij ligt heel lang brommen.’
De eis luidt uiteindelijk negen maanden celstraf plus de twee maanden die hij in mei voorwaardelijk opgelegd had gekregen.

De politierechter probeert ondertussen Bart in het verdachtenbankje te doen sidderen door voor de harde aanpak te kiezen.
Het klinkt af en toe als een radeloze vader die zijn onverbeterlijke zoon toespreekt. Misschien hoopt de rechter wel dat Bart zo onder de indruk zal geraken en eens gaat nadenken en dan zijn trieste leven zal beteren.

‘U bent bezig van uw leven een enorme puinhoop te maken. U flikkert alles wat u wordt aangeboden gewoon weg. U bent een ongeleid projectiel. Of niet soms?’
Bart zegt dat dat zo is.
En vraagt vervolgens wat dat is, een ongeleid projectiel.

Bart zegt dat hij een huisje wil in Veendam.
Rechter: ‘En dan?’
Bart: ‘Aan ’t werk. Schilderen via een uitzendbureau. Heb je zo een baan.’
Rechter: ‘En als dat niet lukt, niet zo gek in deze tijd?’
Bart: ‘Dan gewoon een uitkering.’
Rechter: ‘Kom op nou toch. Een huisje en wat werk en dan komt alles goed. Dat gaat bij jou toch nooit lukken?’
Bart: ‘Met een beetje hulp?’

De politierechter legt negen maanden celstraf op, waarvan twee voorwaardelijk met toezicht van de reclassering. Hoe vervelend, zegt de rechter, dat voor de reclassering ook is. Ook die twee maanden extra moet hij nu uitzitten. En aan de jeugdagent moet hij 260 euro betalen.

Bart wordt nog niet helemaal afgeschreven.

Rob Zijlstra

Bart is een oude bekende op dit blog >> witte veters.

De mens Mannus

De meeste mensen komen naar de rechtbank met problemen.
Wie op een dag op een willekeurig tijdstip naar de mensen in de hal met muren van grijs beton kijkt, naar de mensen die daar zitten te wachten op hun beurt, is dat ook wel te zien.
De meeste mensen staren maar wat voor zich uit.
Heel soms bladert eens een mens verveeld in een glossy tijdschrift dat de rechtbank er heeft neergelegd om het niet nog erger te maken.

Deze week was Mannus in het gerechtsgebouw.
Een groter contrast tussen alles wat glossy is of lijkt met de mens Mannus bestaat niet.

Er zijn verdachten die een strafblad hebben van wel 25 pagina’s lang.
In zo’n geval wordt over de verdachte gezegd dat hij een indrukwekkend strafblad heeft. Zo’n opmerking belooft doorgaans weinig goeds.
Mannus heeft een strafblad dat 66 pagina’s telt.

Hij is 51 jaar.
Toen hij zeven jaar was, verdween hij in een internaat.
En toen hij 18 jaar werd, oud genoeg om opgesloten te worden, zat hij prompt in de gevangenis.
Sindsdien is hij eigenlijk nooit echt vrij geweest.
In die zin mag het een wonder heten dat hij kans heeft gezien verslaafd te raken.

Mannus heeft de ergste dingen meegemaakt.
Hij heeft al eens TBR gehad, de voorloper van TBS.
In de zomer van 2006 werd hij veroordeeld tot de veelplegersmaatregel ISD, voor een diefstal in Norg.
Hij zat 24 maanden opgesloten, teruggetrokken in een sobere cel in de Grittenborgh in Hoogeveen.

Tegen de rechters zegt hij: ‘Het heeft niet veel zin meer mijn verleden op te rakelen om zo nieuwe therapieën te bedenken voor de toekomst.’

Iets later zal hij zeggen: ‘Maar ik moet toch wat.’
En: ‘Ik vind het een drama dat het toch weer mis is gegaan, dat ik weer vastzit.’

Een van de problemen van Mannus is dat hij de dingen niet meer weet.
Dat komt door de alcohol, het allergrootste probleem.

Begin dit jaar mocht hij de gevangenis weer eens verlaten en hij deed wat hij dan altijd doet: naar de eilanden.
Meestal vaart hij naar Terschelling, ditmaal naar Texel.
Even gaat het daar goed en kan hij de fles laten staan.
Maar dan ineens sneuvelt de ruit van de Wereldwinkel in het hartje van Den Burg.
Ze vinden Mannus kort daarna en maar iets verderop in lunch en dinercafé De Smulpot.

Rechters: ‘Heeft u dat gedaan?
Mannus: ‘Ja, ik denk wel dat ik het was, maar ik weet niet meer waarom.’

Drie weken later duikt hij op in de Wijkstraat in Appingedam waar hij eet zonder te betalen.
Daarna vertrekt hij naar Terschelling, het eiland waar hij het allerliefste is.
Het gaat goed tot de eerste verschijnselen van Oerol zich aandienen.
Mannus vindt dat veel te druk en besluit naar Groningen te gaan.

Hij vindt onderdak in het theehuisje op begraafplaats Selwerderhof.
Als hij op zoek gaat naar wat eetbaars (hij vindt ijs, tosti’s en bevroren appelgebak) gaat het alarm af.

Mannus vertelt: ‘Ik zat daar maar, vijf halve liters op. Ik zat daar op de begraafplaats mijn leven te overdenken. Ik was zo boos op mezelf. Daarom heb ik het theehuisje opengebroken. Ik wist dat er alarm op zat. Ik wilde dat de politie kwam.’

De politie komt ook en weer belandt hij achter de tralies.
Na tussenkomst van de rechter wordt hij geschorst uit voorlopige detentie. Hij gaat naar Leek, naar crisisopvang Den Eikelaar.

In augustus is daar een klein maar o zo illegaal feestje in de nacht.
Een gabberfeestje.
De gabbers zeggen dat hij zo uit het raam kan klimmen.
Op zich nergens voor nodig, vertelt Mannus aan de rechters, want als je daar weg wilt, doen ze gewoon de deur voor je open.

De advocaat van Mannus vermoedt dat de feestgangers hem hebben volgestopt met GHB en hem daarna hebben verleid tot de klauterpartij.
Zegt: ‘Ze waren uit op zijn mobiele telefoon en zijn mooie laptop.’

Eenmaal buiten, het is dan vroeg in de ochtend, brengen ze hem naar een bedrijventerrein en helpen hem over een hek.
Het is het terrein van het autobedrijf Hofman, classic en sportcars.
Een krantenbezorger ziet even later een kale man met oorbellen in een witte sportcar als een gek rondcrossen.

De rechters: ‘Het leek, als we het dossier moeten geloven, wel op een flipperkast, zo ging u tekeer.’

Mannus zegt dat hij vage herinneringen heeft. Dat hij in een auto zat, met allemaal gekke knopjes, dat hij er niks van snapte, dat hij sowieso niet kan autorijden. ‘Verder weet ik het niet, ik snap ook niet wat de bedoeling is geweest. Zou ik het weten, dan zou ik het aan u vertellen.’

Veertien klassieke auto’s raken beschadigd, de ravage is enorm evenals de schade.
Mannus heeft wel een kaal hoofd, maar geen oorbellen.
De advocaat zegt dat het dus ook net zo goed iemand anders kan zijn geweest in die witte auto. Een van de feestgabbers bijvoorbeeld. En dat die mobiele telefoon en de mooie laptop later inderdaad gestolen bleken.

Voor Mannus maakt het allemaal niet veel uit.
Er is toch niemand die weet wat ze met hem aanmoeten.
De reclassering sombert dat aan alle eerdere behandelingen vroegtijdig een einde kwam.

Mannus zelf zegt dat hij wel weet wat de oplossing is.
Hij moet van de drank afblijven.
Zegt: ‘Ik weet alleen niet hoe dat moet. Wist ik het maar.’

De reclassering denkt dat een nieuw langdurig verblijf in een sobere ISD-cel in Hoogeveen niets zal veranderen of het moet al averechts zijn.
Het beste voor Mannus zou een zorg-boerderij-achtige-setting kunnen zijn.
Of iets in een begeleide woonvorm.

De officier van justitie ziet geen andere mogelijkheid dan net als in 2006 de veelplegersmaatregel ISD te eisen.

Mannus zucht en zegt dat hij dan weer twee jaar teruggetrokken in een cel zal zitten. ‘En dat trek ik niet. Als ik dan vrijkom, ben ik 54 en geen stap verder.’

Rob Zijlstra

 

UPDATE – 12 november 2009 – uitspraak
De mens Mannus komt geen stap verder: hij wordt voor de duur van twee jaar geplaatst in een inrichting voor stelselmatige daders (isd).

Hollandse jongen

Hakim is een Hollandse jongen van 21 jaar, geboren en getogen in Rotterdam.
Het leven heeft hem hier tot nu toe vergeten.
Dat is hem ook wel aan te zien.

Tegen de rechters zegt hij, geëmotioneerd, dat hij niets met criminaliteit te maken wil hebben.
Dat hij een goeie jongen is, dat had hij ook tegen de politie gezegd.
Dat hij nu in de verdachtenbank zit komt door Yousef.
Uitgerekend Yousef, zijn beste vriend.

Yousef (19) zit naast hem, ook de verdachtenbank.
Yousef, zegt Hakim, spreek niet de waarheid.
Yousef kijkt somber voor zich uit.
Zegt niks.

Samen waren ze in juli dit jaar naar Groningen gereden.
Hij was Yousef op straat in Rotterdam tegengekomen. Yousef had gevraagd of hij zin had mee te gaan naar Groningen, om te chillen.
Hakim was naar huis gerend, was onder de douche gesprongen en had een extra broek meegenomen, want ze zouden ook in Groningen blijven slapen.

De lagere school had Hakim zonder problemen doorlopen.
Toen hij 11 jaar was, ging hij bij zijn opa en oma wonen en later bij een tante.
Zijn ouders waren met broertjes en zusjes naar Frankrijk vertrokken, in de hoop daar wel een verblijfstitel te krijgen.
Hakim zou zich misschien wel alleen redden.

Op de middelbare school ging het fout, in de zin van niet goed.
Hij strandde in de tweede klas en werd een jongen van de straat.
En daar kwam hij dus Yousuf tegen.

Yousef heeft een ander verhaal.
Ze hadden samen een plan bedacht.
Ze zouden samen investeren en dan een lijn opzetten tussen Rotterdam en Groningen.
Heroïne, cocaïne.
Beide legden 1400 euro in.
Ze kochten groot in en reden toen Hakim klaar was met douchen naar Groningen.

Via via hadden ze contact gelegd met ene Geert uit de Begoniastraat.
Bij hem konden ze slapen.
Geert is een goede bekende van de buurtagent.
Die had de woning van Geert – drugsgebruiker – al langere tijd op de korrel vanwege aanhoudende loperij en klachten daarover.
Toen agenten een bezoekje brachten aan Geert, zagen ze de achterdeur openstaan.
Dat vonden ze nogal verdacht.

Nog verdachter was dat ineens ook de auto die voor de deur stond, wegreed.
De auto werd klemgereden en Yousef en Hakim moesten mee naar het bureau.
Ze hadden 121.3 gram heroïne en 64,8 gram cocaïne in bezit.

Yousef legde een bekentenis af.
Hakim niet.
Hij zegt: ‘Ik heb er niks mee te maken. Ik heb nog nooit 1400 euro bij elkaar gezien. We zouden chillen. Pas in Groningen zag ik dat Hakim drugs bij zich had. Ik zei nog, wat doe je met die drugs?’

De rechters vragen waarom Yousef, toch zijn beste vriend, hem dan beschuldigd?
Hakim: ‘Ik weet het niet. Maar als ik 1400 euro had, zou ik er eten van kopen, en kleren.’

Yousef blijft zwijgend voor zich uitstaren.
De rechters vragen ook niet aan hem of het waar is, dat hij heeft gelogen over zijn vriend.

Yousef zegt dat hij zijn lesje wel heeft geleerd.
Hij was pizzabezorger in Rotterdam.
Nu wil hij net als zijn broer worden. Die had eerst ook gedoe met justitie, maar nu heeft zijn broer een vaste baan. Als hij straks vrijkomt, wil hij dat ook, een normaal leven.
Overdag werken en ’s avonds sporten, dan kan hij zijn foute vrienden ook niet tegenkomen.
Zegt: ‘Ik wil mijn ouders laten zien dat ik het kan. Honderd procent.’

De kans dat Hakim een normale toekomst vol werk en sport krijgt, is klein.
Hij had eens een autoruit vernield en toen iets uit die auto gehaald.
Nu is hij, hoewel hier geboren en getogen, een ongewenste vreemdeling.

Hakim zegt dat hij een geboorteakte heeft en een Burger Sofinummer.
Tegen de rechters: ‘Ik ben Nederlander.’
De bureaucratie wil anders: hij heeft geen verblijfsvergunning.
Eigenlijk is hij wel, maar bestaat hij niet.
Als Hakim zijn straf heeft uitgezeten, moet hij weg, het land uit, dan moet hij naar Marokko.
Niet terug.
Hakim, bijna in tranen: ‘Ik ben nog nooit in Marokko geweest.’

Vriend Yousef zegt nog steeds niets.
De officier van justitie gelooft hem en zijn bekentenis wel.
En zij gelooft geen snars van het verhaal van Hakim, met zijn ontkenningen.

Yousef hoort tien maanden celstraf eisen wegens de handel in drugs. Daarvan zijn twee maanden voorwaardelijk, als stok achter de deur die ervoor moet zorgen dat hij straks ’s avonds ook echt naar de sportschool gaat.

Hakim heeft ondanks de ellendige vooruitzichten nog één sprankje hoop.
Hij heeft een vriendin, zij is Griekse.
Zegt: ‘Als ik vrijkom, pakken we de auto en dan rijden we naar Griekenland. Dan ga ik daar wonen en werken.’

De officier van justitie, een beetje spottend: ‘Naar Griekenland. Hij zegt het. Maar we gaan hier afrekenen. Acht maanden gevangenisstraf.’
Niks voorwaardelijk, want een stok achter de deur is voor hem die eigenlijk niet is en hier ook niet blijft, overbodig.

Rob Zijlstra

 

UPDATE – 9 november 2009 – uitspraken
Hakim en Yousef zijn schuldig, oordeelt de rechtbank. Wat de straf betreft mag het een onsje minder. Yousef krijgt acht maanden celstraf waarvan vier voorwaardelijk opgelegd, Hakim moet zes maanden zitten.

Sint Annabaai

Als Nederlanders in 1634 bij de overname van Curaçao (van de Spanjaarden) daar op die winderige rotsen Duncan waren tegengekomen, waren ze misschien onmiddellijk de Sint Annabaai weer uitgevaren.
De geschiedenis verliep anders.
Wij bleven en uiteindelijk belandde Duncan in Nederland.

Veel profijt heeft hij daar nog niet van gehad.
Behalve een strafblad van 23 pagina’s – wat best veel is – heeft hij niets.
De cocaïne heeft hem stevig in de greep.
Sinds januari 2005 staat hij op de lijst der veelplegers in Groningen.

Er gaat geen jaar voorbij of Duncan wordt wel veroordeeld.
Meestal voor diefstallen, soms ook voor wat bijkomend geweld.
Anders dan de drugs, krijgen hulpverleners geen vat op hem.

Duncan heeft wel een oplossing.
Geef hem straf en klaar.
Als ze hem daarna nou eens ook een huisje zouden geven en werk, dan komt alles goed.
Hij zegt: ‘Ik moet leven zoals het moet. Werken en dan direct naar huis.’

Nu heeft hij geen huis en geen werk, dus leeft hij op straat.
Die ene keer dat hij wel onderdak had, ook nog met uitzicht op het hoofdbureau van politie, ging het mis.
Diefstallen.
Hij werd weer veroordeeld en raakte zo zijn huisje met uitzicht kwijt.
Toen hij vrijkwam, restte opnieuw de straat, de drugs en dat opgeteld tot nieuwe misdaad.

Duncan leeft niet echt, hij probeert te overleven.

Het kan zo niet doorgaan, was maandagochtend de teneur in zittingszaal 14.
Duncan heeft drie mannen bedreigd met een mes, mannen, zegt hij, die hem bedreigden en lastigvielen.
Roept: ‘Ik wilde geen klappen.’
Verder zou hij zich schuldig hebben gemaakt aan huisvredebreuk en mishandeling.
En hij jatte in de supermarkt van de Spar een pak wasmiddel van Ariel.
Dit laatste zou hij op bestelling hebben gedaan, in ruil voor een beetje geld.

De rechters zeggen: ‘U krijgt altijd problemen met mensen die u helemaal niet kent.’

Duncan vindt zelf ook dat het afgelopen moet zijn.
Tegen de rechters zegt hij, tikkeltje opgewonden: ‘Ik ben nu 35 jaar. Het is genoeg geweest.’

In zittingszaal 14 denkt niemand, behalve Duncan zelf dan, dat hij het rechte pad in z’n eentje weet te vinden.
Hij heeft hulp nodig om zoals het dan heet, het criminele patroon in zijn leven te doorbreken.
Maar hulp kan pas geboden worden, als duidelijk wordt wat er met hem aan de hand is.
En daar schuilt weer een nieuw probleem: Duncan weigert zich te laten onderzoeken door een psychiater en een psycholoog.
Tegen dat soort mensen koestert hij een groots wantrouwen.

De officier van justitie eist de veelplegersmaatregel isd, 2 jaar.
Dat is zo’n beetje het laatste dat justitie nog kan.
En ook het allerlaatste wat Duncan wil.
Hij wil best een lange straf, maar geen isd.
Isd is zo’n beetje de enige sanctie waar het draaideurgilde echt bang voor is.

Hij zegt, een laatste poging, tegen de rechters: ‘Doe dan maar isd als stok achter de deur.’
De officier van justitie verzet zich tegen dat idee.
Ze zegt dat het niet zo kan zijn dat we pas ingrijpen als we een slachtoffer verder zijn.

Want dat krijg je, als Duncan op vrije voeten weer iemand tegenkomt.

Rob Zijlstra

UPDATE – 19 oktober 2009 – uitspraak
Je kunt er misschien de klok niet op gelijk zetten, maar als justitie de maatregel isd eist, dan wordt die bijna ook altijd opgelegd. Duncan moet er twee jaar lang aan geloven.

Hooligan

De verdachte heeft een gewelddadig verleden, zegt de officier van justitie.
Als je Robert ziet zitten, kun je je daar ook wel iets bij voorstellen.
Hij oogt beresterk.

Hij heeft zijn zwarte bomberjack uitgedaan en over de rugleuning van verdachtenstoel gehangen.
‘Hooligan’ staat er op met grote sierletters.
Tien van zijn kaliber bij elkaar en je hebt een heel peloton ME nodig.

Maar het is in de rechtszaal bijna nooit zoals het lijkt.
Robert is moe.
Hij zegt: ‘Ik wil iets met mijn agressie doen.’
Hij bedoelt dat hij van zijn agressie af wil.
De beste oplossing voor hem is een verblijf in Hoeve Boschoord, een behandelcentrum in Drenthe.
De pest: er staat daar in de lommerrijke bossen een lange rij wachtenden.
De achterste in de rij moet nog zeker twee jaar staan.

Als het moet moet het, zegt Robert.
Hij wil wel zo lang gemotiveerd blijven.

Zijn stem klinkt moe.
Stilzitten kan hij alleen met medicijnen met bijwerkingen.
Zijn bovenbenen gaan onophoudelijk op en neer.
Het lijkt daar onder de verdachtentafel wel een hardcore houseparty.

Robert staat terecht omdat zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot zware mishandeling. En dat in proeftijd.

Hij was vrijgekomen en was een beetje veel ten einde raad.
Hij had ook geen plek om naar toe te gaan.
Hij had niks, alleen problemen.

En zo belde hij ten einde raad aan bij zijn vader met wie hij al lang in onmin leeft.
Zijn vader drinkt zich door de dag heen.
’s Avonds loopt de onmin zo hoog op dat vader en zoon met de koppen briesend tegenover elkaar komen te staan.
Robert zegt: ‘Pa, hou op, ik kan niet meer.’
Maar pa houdt niet op en gaat vervolgens met een kopstoot gestrekt.

Robert belt de politie. Zegt dat het fout met hem dreigt te gaan. Dat hij zich niet meer kan beheersen. Of ze hem alsjeblieft kunnen komen halen.

De advocaat zegt dat van zware mishandeling geen sprake kan zijn. Hooguit van een gewone mishandeling. Maar eigenlijk is daar helemaal geen bewijs voor, want ze waren daar met z’n tweetjes.
Het beste is een vrijspraak, vindt de advocaat, en anders een paar weken, hooguit.

Robert zit sinds hij de politie belde – de politie kwam ook – inmiddels vier maanden opgesloten in het huis van bewaring in Ter Apel.
De officier van justitie meent dat hij daar nog maar een tijdje moet blijven.
Hij eist voor die vaderlijke kopstoot tien maanden gevangenisstraf, waarvan vijf voorwaardelijk en de tenuitvoerlegging – zo heet dat – van drie eerder voorwaardelijk opgelegde maanden.

Neemt de rechtbank de eis over twee weken over, dan betekent dit dat Robert nog zo’n vier maanden heeft te gaan.
En daarna zal hij zich met al zijn onrust geduldig aansluiten in de lange rij voor Hoeve Boschoord.
Met een beetje geluk mag hij dan halverwege 2011 naar binnen.

Rob Zijlstra

Een knuffel

nederland

Het is niet zo dat als je niks gedaan hebt, je ook niet te vrezen hebt.
Er bestaan landen.

Het onderstaande verhaal speelt zich af in Nederland, een klein land in het noorden van Europa.
Harm heeft daar, op een kwade dag, geprobeerd zijn vriendin Els van het leven te beroven.
Harm zou met haar hoofd op de grond hebben gebonkt.

Els stapt naar de politie die de relatieruzie juridisch vertaalt naar een poging tot doodslag.
Harm wordt opgepakt en vervolgd.
Wettig en overtuigend, oordeelt de rechtbank te Groningen in koor met justitie
Op 20 december 2004 wordt de dan 26-jarige Harm veroordeeld tot twaalf maanden gevangenisstraf en tbs met dwangverpleging.
Harm is een gevaar en de samenleving daar aan de Noordzee dient beschermd.

Harm dacht dat hij niet te vrezen had, want hij had niks gedaan.
Dus stapt zijn advocaat naar het gerechtshof in Leeuwarden.
Geen poging tot doodslag, zegt het hof, maar een mishandeling, eenvoudig van aard.
Het arrest (uitspraak): drie maanden celstraf, waarvan twee voorwaardelijk.

Arme Harm.
Hij zat op dat moment negentien maanden vast, in de vorm van zijn opgelegde straf en de tijd die hij moest vastzitten in afwachting van een plek in een tbs-kliniek.
Het is een land met wachtlijsten.

Was er echts niet meer aan de hand geweest?
Hadden de rechters zich destijds dan zo in de luren laten leggen?

In 2007 dendert Harm bij Els die ondertussen in Enschede woont de woning binnen. Huisvredebreuk, roept Els en stapt in juni van dat jaar naar de regiopolitie Twente.
Kennelijk is Harm niet zo’n lieverdje.

Maandag zat Els in het verdachtenbankje.
De rechters die haar destijds met justitie als slachtoffer beschouwde, zien haar nu als de verdachte.
Els heeft, zegt justitie nu, de boel belazerd.
Els heeft tot twee keer toe een valse aangifte gedaan.
Harm had haar destijds, in 2004, alleen maar een duw gegeven.
Van die huisvredebreuk, drie jaar later, was ook niks waar.

Wie aangifte doet van een strafbaar feit, maar weet dat dat helemaal niet is gepleegd, wordt gestraft.
Dat wil zeggen, dat kan.
Artikel 188 van het wetboek van strafrecht.
Net als Harm kan Els daar twaalf maanden cel voor krijgen.

Els heeft het niet gemakkelijk in het verdachtenbankje.
Het duurt niet lang of emoties maken zich van haar meester.
Door haar tranen heen roept ze dat er zoveel in haar leven van 28 jaar is gebeurd, veel geweld, een opeenstapeling, en dat ze dat verdomme steeds maar weer opnieuw moet vertellen, dat haar vader twee mensen heeft vermoord, dat ook haar moeder veel heeft moeten meemaken.
Ze huilt, woord voor woord: ‘En het gaat maar door.’

Els was in therapie gegaan.
Posttraumatische stress-stoornis.
Els lijdt aan herbelevingen.
Weet niet of herinneringen echt zijn.

De officier van justitie vraagt: ‘Toen u uw verklaringen aflegde, was dat toen uw waarheid?’
Els: ‘Ja.’

Harm wil een schadevergoeding van 7500 euro.
Els zegt dat ze dat met haar weekgeld van 50 euro niet kan betalen, al zou ze willen.

De officier zegt dat ze de overtuiging heeft dat Els in 2004 en in 2007 heeft gelogen, maar niet de opzet heeft gehad dat te doen.
Je kunt wel iets doen dat niet mag, maar als dat niet met opzet is – niet willens en wetens – dan telt het niet.
Officier van justitie: vrijspraak.

In oktober 2007 dringt Els wederrechtelijk de woning van Harm binnen.
Ze wil een knuffel.
– ‘Ik kon het niet loslaten.’
Hij dreigt met de politie, zij met de trein.

Justitie stuurt haar voor dit strafbare feit een acceptgiro van 170 euro.
De officier van justitie zegt dat dit laatste wel wettig en overtuigend kan worden bewezen. Zij eist opnieuw 170 euro, maar die – gezien het weekgeld – geheel voorwaardelijk.
De vordering van Harm moet vanwege de vrijspraak-eis worden afgewezen.

Ja, het was een nare geschiedenis daar in Nederland, in een land waar de mensen desondanks nog altijd denken dat als je niks hebt gedaan, er ook niet te vrezen valt.

Rob Zijlstra

uitspraak op 6 juli