Rechters van de Week

rechtspraakDe Week van de Rechtspraak zit er weer op.
Hoewel rechters worden geacht wijze mensen te zijn – dat zijn ze – doen ze vrolijk mee wanneer communicatiemaffia-achtige types de macht adviseert een week in de publicitaire zon te gaan staan.
Opdat het publiek, wij, kan ontdekken hoe de rechtspraak werkt en zo.

Want de rechtspraak, luidt de oneliner, maakt samen leven mogelijk.
Gezellig.
En dus kon je chatten met twitterende rechters, kon je met echte rechters praten aan een tafeltje in Assen, een historische stadswandeling maken door Alkmaar, meedoen aan een leuke quiz in Den Bosch.
Het was vast een groot succes.

De rechtbank in Groningen deed niet mee aan het officiële programma.
Maar maandagochtend werd duidelijk dat de rechters van zittingszaal 14 een eigen invulling gingen geven aan het geheel: van de eerste strafzaak van de week maakten ze alvast de slechtste strafzaak van het jaar.

Dat ging zo:

De rechters begonnen – zo anders dan anders – met onvriendelijke woorden.
Daarmee was de toon gezet.
De advocaat uit Arnhem was tien minuten te laat en kreeg de wind van voren.
De rechters, schoolmeesterden: ‘Net als al die andere advocaten uit het westen. Alsof de afstand van jullie naar ons groter is dan wij van Groningen naar jullie.’
De advocaat zei sorry, dat ze het ook vervelend vond, maar dat het stadsverkeer de boel in de war had geschopt.
De advocaat, op de knieën: ‘Nogmaals excuus.’
Rechters: ‘Niks mee te maken. Negen uur is negen uur. U heeft hier maar te zijn, dat is uw verantwoordelijkheid.’

Uitgerekend op deze zitting moet Sid de verdachte wezen.
Sid is een beweeglijke jongeman die 28 jaar geleden werd geboren in Marokko.
Hij beschikt over een gebrekkige zelfbeheersing en laat niet met zich spotten.

Sid ontkent dat hij op 29 mei, ’s nachts, aan het Gedempte Zuiderdiep in Groningen, bij bioscoop Pathé, een dronken student van zijn fiets trok en hem toen in elkaar roste.
De student was met een oranje lifehammer op het hoofd geslagen.
Op die lifehammer werd later niet alleen studentenbloed aangetroffen, maar ook bloed van Sid.
Rechters: ‘Hoe kan dat nou? Hoezo ontkennen?’

De verdenking luidt ook dat Sid de fietsende student wilde beroven.

Sid zegt opgewonden dat hij nu al maanden ten onrechte vastzit, dat hij zelf is mishandeld.
Op zijn beurt: ‘Hoe kan dat dan?’ Hoezo schuldig?’

De rechters zeggen dat hij zijn mond moet houden, dat hij alleen antwoord moet geven op vragen.
Niet andersom.
Sid, opgefokt: ‘Zie ik eruit als een geestelijk gestoorde junk? Ik ga toch niet iemand op straat beroven? Ik ben toch niet dom?’
De rechters schreeuwen nog net niet terug, maar hun non-verbale uitingen spreken boekdelen.
Sid besluit de rest van de zitting de mond te houden.

Tot zichtbare ergernis bij de rechters verzoekt de advocaat om een schorsing voor overleg.
Rechters: ‘Twee minuten.’
Na honderdtwintig seconden biedt Sid zijn excuses aan.
De voorzitter mompelt, nukkig: ‘Ik kan wel wat hebben.’

Maar niet heel veel later vliegen ze elkaar weer in de haren en opnieuw besluit Sid – met trillende benen onder de tafel – te zwijgen.
Zegt: ‘Met u valt niet te praten.’
Een van de rechters staart met een verontwaardigd gezicht en open mond naar de verdachte.
Alsof hij water ziet branden.
Jij vlegel!

De advocaat zegt dat ze hoopt dat de rechters een beetje door het gedrag van Sid heen kunnen kijken.
Ze zegt: ‘Het zijn de zenuwen en het is zijn frustratie. Hij zit in de gevangenis voor iets wat hij niet heeft gedaan.’
De advocaat vraagt een paar keer of de toon van de ondervraging iets vriendelijker kan. Wanneer zij voor de derde maal om een korte schorsing vraagt voor overleg met Sid – ‘want de sfeer blijft niet goed’ – commanderen de rechters: ‘Nee! U gaat door.’

Tijdens het pleiten van de advocaat, met verve, wekken de rechters niet de indruk – ook zo anders dan anders – dat zij aandachtig luisteren.
Ze kijken verveeld en alle kanten op.
Het ontlokt de advocaat halverwege de opmerking: ‘Heb ik nog wel de aandacht?’
Norse blikken zijn haar deel.

Sid zit ondertussen met zijn blote armen rillend naast haar.
Rechters: ‘Gaat het wel?’
Sid: ‘Ik heb het zo koud. Maar let u niet op mij, luistert u liever naar mijn advocaat.’
De rechters, als gebeten: ‘Nog een keer zo’n opmerking en u gaat de zaal uit.’ Gehakketak volgt.

De officier van justitie zegt dat ze niet kan bewijzen dat Sid de student wilde beroven.
Wel dat hij heeft geslagen.
De advocaat zegt dat het klopt, dat Sid heeft geslagen.
Nadat hij eerst is geslagen.
Hij heeft teruggeslagen.
Dat is toch wat anders, dat is meer noodweer.

De officier van justitie: ‘Meneer is in 2008 al eens veroordeeld wegens bedreiging. Nu dit weer. Openlijk geweld. Een jaar celstraf.’

Sid krijgt het hem wettelijk gegunde laatste woord, maar niet heus.
Hij vraagt, ditmaal vriendelijk: ‘Meneer de rechters, wat deed ik nou fout?’
Rechters, helemaal klaar met hem: ‘Uw opmerking was volstrekt onder de maat, eigenlijk schandalig.’
Dan, tikkeltje sarcastisch: ‘Maar dat legt uw advocaat u wel uit.’
Sid wil nogmaals, als laatste, zijn mond opendoen, maar hij mag niks meer zeggen.

Zo ging het.

Een van de belangrijkste onderdelen van een strafproces is dat rechters al dan niet stevig in gesprek raken met een verdachte omwille de waarheidsvinding.
In deze strafzaak mislukte dat volledig.
De oorzaak: de vijandige toon van de rechters.
De verdachte voelde zich hierdoor bedreigd en besloot te zwijgen.
Dat de rechters geen moeite namen de zaak te normaliseren, ondanks herhaalde verzoeken daartoe van de advocaat, maakte dat Groningen toch nog een bijdrage leverde aan de Week van de Rechtspraak: de slechtste.

Rob Zijlstra

UPDATE – 23 september 2013 – uitspraak
Sid is veroordeeld conform de eis: een jaar zitten.

HET VONNIS

Ketchup

ketchupWeet je wel, vraagt de advocaat kort voor aanvang van de zitting, hoe ze mijn cliënt noemen? Ik zeg dat ik geen idee heb. Ik had zijn echte naam wel gezien, zo zou een kind liefkozend een groot knuffelbeest kunnen noemen.
‘Ze noemen hem de ketchup-dief’, zegt de advocaat terwijl hij haastig zijn toga dichtknoopt.

De advocaat is wat verlaat, want hij moest helemaal uit Amsterdam komen.
Ik dacht, het is toch wat.
Dan ben je advocaat, kantoorhoudende in een van de fraaiste stadsdelen van Amsterdam, in zo’n statig prachtpand en dan moet je helemaal naar Groningen om een ketchup-dief bij te staan.

Maar in de rechtszaal is het nooit wat lijkt.

De ketchup-dief heet in dit verhaal Razvan.
Hij is een grote man van 44 jaar, geboren in een industriestad vol aardolie ten noorden van Boekarest, Roemenië.
Met zijn mooiste kleren aan en een vriendelijkste glimlach had hij kunnen doen wat hij volgens de officier van justitie ook heeft gedaan: mensen beroven.
De officier van justitie zegt dat verdachte misschien wel veel meer mensen heeft beroofd dan de tien die zij zegt te kunnen bewijzen.

De slachtoffers waren kwetsbaar: ze waren bijvoorbeeld 77, 81, 83 en 85 jaren oud.
De jongste was 51, maar blind.

Razvan ontkent de beschuldigingen.
Hij was naar Nederland gekomen om hier geld voor zijn gezin te verdienen, voor zijn twee lieve kleine kinderen en voor zijn vrouw met een hartinfarct en haar oude moedertje.
Bij zijn aanhouding was hij in het bezit van servetjes, van zakjes ketchup die je bij McDonald’s kunt krijgen en een Opel Vectra, gekocht voor 650 euro.
Op het politiebureau had Razvan niet veel willen zeggen.
Hij had gezegd dat hij zijn verhaal wel zou doen bij de rechter.

Rechter: ‘Hallo, hier ben ik. Vertel.’
Razvan: ‘Ik heb werk gezocht, maar kon niets vinden.’
Rechter: ‘Hoe kwam u aan dat geld?’
Razvan: ‘Meegenomen vanuit Roemenie.’
Rechter: ‘Dat is gek. Toch? U kwam hier om geld te verdienen. En nou zegt u dat u geld vanuit Roemenie heeft meegenomen naar hier. U heeft, hebben wij in het dossier gelezen, grote geldbedragen overgemaakt naar uw vrouw, naar haar moeder. Dus nog een keer: hoe kwam u aan dat geld?’

Razvan kijkt onrustig, naar zijn tolk en dan weer naar de advocaat.
De advocaat vraagt de rechter of die zijn vragen op een wat andere toon wil stellen, wat minder bozig.
De rechter zegt dat de advocaat zijn mond moet houden, dat de advocaat wel weet dat hij zijn mond moet houden als een rechter probeert in gesprek te geraken met een verdachte.

Razvan zegt dat hij auto’s wilde kopen om die dan weer te verkopen.
Rechter tegen Razvan: ‘Verdachte, wij zijn niet op ons achterhoofd gevallen.’

De advocaat uit Amsterdam gaat staan en zegt: ‘Ik wraak u. U doet mij geloven dat u niet echt wilt luisteren naar wat mijn cliënt zegt, uw ondertoon is bozig en u laat mij niet uitspreken.’

Een wraking van een rechter is een heel gedoe.
In het kort kwam het erop neer dat de wrakingskamer – drie collega’s van de gewraakte rechter die wel weten hoe direct hij kan zijn – concludeerde dat er niets aan de hand is.
De strafzaak mag met dezelfde strafrechters worden voortgezet.
Ruim drie uur na de wraking wordt de zitting hervat en vraagt de rechter aan Razvan: ‘U heeft in totaal 32.850 euro overgemaakt naar Roemenie. Dus vertel, hoe kwam u aan dat geld?’

De officier van justitie spreekt van ernstige feiten.
Bijzonder kwalijk is dat meneer de ketchup-dief bewust zijn slachtoffers zocht onder kwetsbare mensen, dat vrijwel alle slachtoffers met een rolator liepen, dat een van hen visueel gehandicapt is.
De officier van justitie: ‘Alleen een forse straf is hier op z’n plaats. Ik eis vier jaar gevangenisstraf.’

Razvan schrikt zich het apelazarus.
Hij roept: ‘Vier jaar? Maar ik heb niemand vermoord!’

De verdenking is dat hij naar Nederland is gekomen om hier misdrijven te plegen.
Zijn werkterrein was vooral de omgeving van het winkelcentrum in Vinkhuizen in Groningen.
Hij hield zich, met zijn mooie kleren aan en een vriendelijkste glimlach op het gezicht, op bij pinautomaten.
Met haviksogen (zei de officier van justitie) keek hij toe hoe ouderen geld opnamen.
Aan de handbeweging kon hij zien welke pincode werd ingetoetst.
Wist hij die, dan volgde hij zijn slachtoffer, soms tot aan de voordeur van de seniorenflat aan toe.

Daar sloeg hij zijn slag.
Dan zei hij beleefd, ‘mevrouw er zit iets vies op uw jas’.
Met een servetje veegde hij vervolgens tomatenketchup weg.
Zijn slachtoffers waren hem meestal dankbaar, zo een alleraardigste man, zo behulpzaam ook bij het uittrekken en schoonmaken van de zomaar vieze jas.
Ja, wel een beetje vreemd.
Tegen de tijd dat het slachtoffer ontdekte dat de pinpas weg was, waren er al grote bedragen van de bankrekening afgeschreven.
De verdenking is dat Razvan ook elders in het land, in Rotterdam, in Apeldoorn actief is geweest.

‘Vier jaar. Maar ik heb niemand vermoord!’

Op de publieke tribune van zititngszaal14 zit een aantal belangstellenden de strafzaak te volgen.
Een van hen zegt dat zijn moeder van 85 een van de slachtoffers was.
Dat zijn moeder op haar hoge leeftijd nog altijd een heel zelfstandige vrouw was.
Maar dat de beroving een enorme impact op haar heeft gehad.
En dat zijn moeder twee weken na de beroving is overleden.

Rob Zijlstra

.

UPDATE – 12 september 2013 – uitspraak
Razvan is conform de eis veroordeeld tot vier jaar gevangenisstraf wegens diefstal en witwassen. De rechtbank neemt het de man bijzonder kwalijk dat hij bewust ouderen uitzocht als slachtoffer. De rechtbank concludeert dat de uit Roemenië afkomstige man naar Nederland is gekomen om misdaden te plegen en dat dat bijzonder laakbaar is.

Hoorbare openbaarheid

Schermafbeelding 2013-07-04 om 10.46.47Zittingszaal 14 is een heel bijzondere rechtszaal.
Het is misschien wel de enige rechtszaal in de wereld van de rechtsstaten waar de stem van de verdachte niet gehoord kan worden.
Letterlijk niet.

Het geluid in zittingszaal 14 is zo beroerd dat het inmiddels is verheven tot een urgent probleem bij het gerechtsbestuur van de rechtbank Noord-Nederland.
Dat zegt de woordvoerster.

Het probleem bestaat al geruime tijd en is groter geworden nadat zittingszaal 14 begin dit jaar is gemoderniseerd.
Alles is vernieuwd, de tafels/bureaus zijn voorzien van ingebouwde beeldschermen en een boel technisch vernuft.
De tafel van de officier van justitie kan wel twee meter de lucht in.
Alles wordt aangestuurd door een oogstrelend iPad-achtig kastje.

Sinds de vernieuwde rechtszaal in gebruik is genomen, is het geluid nog nooit zo slecht geweest.
De rechters die er moeten werken weten dat inmiddels.
Voortdurend sporen ze verdachten aan goed in de microfoon te spreken.
Helpen doet dat niet of nauwelijks.

U moet even de setting in acht nemen.
De rechters kijken de zaal in en zijn prima te verstaan.
De verdachten en hun advocaten zitten met de rug naar de zaal.
Hun stemmen komen uit kleine ingebouwde speakers in de bureautafels van de rechters.

Die stemmen bereiken perstafel noch publieke tribune.
Ook advocaten zijn soms niet te volgen, wat ze ook zeggen.
Er wordt veel over geklaagd

Afgelopen maandag geldt als absoluut dieptepunt.
De strafzaak rond de man en de vrouw die worden verdacht van brandstichting in Winschoten duurde vijf uur.
De twee verdachten waren vijf uur lang onverstaanbaar.

Dat de strafzaak nog enigszins was te volgen kwam omdat de rechters de antwoorden die de verdachten gaven steeds herhaalden.
De zitting duurde uren langer dan was gepland.

Er is – zegt de woordvoerster – inmiddels onderzoek gedaan.
Met de geluidsinstallatie is niks mis, beweert dat onderzoek.
Het ligt aan de akoestiek van de zaal.
Het probleem is daarmee bouwkundig van aard en zodoende nog ernstiger.
De woordvoerster zegt dat het hoog op de agenda staat.
Dat de rechtbank grote waarde hecht aan openbaarheid die ook hoorbaar is.
Dat dit probleem gewoon opgelost moet worden.

Niks mis met de geluidsinstallatie
Het ligt plots aan de akoestiek.
Het zal.

De woordvoerster heeft gezegd dat zittingszaal 14 voorlopig gewoon in gebruik blijft.
Nu is het recht een traag ding.
Grote kans dus dat de grootste rechtszaal in Groningen nog wel een tijdje heel bijzonder blijft.

Rob Zijlstra

• akoestiek (zaalakoestiek)

 

Rechter, bedankt!

huilen met pet

het moet nu echt anders

Het rommelt binnen het Openbaar Ministerie (OM) en dat is niet zo raar.
Officieel zijn de 19 arrondissementsparketten die Nederland altijd telde begin dit jaar opgegaan in elf nieuwe organisaties.
Vier jaar geleden werd hiertoe besloten en de plannen van toen worden op dit moment in praktijk gebracht.

De parketten Groningen, Assen en Leeuwarden heten nu samen Parket Noord-Nederland (PNN), gevestigd in een te klein kantoorpand in Groningen.
Er werken 300 mensen.
Assen heeft zich uiteindelijk morrend neergelegd bij het samengaan met Groningen, maar in Leeuwarden zijn ze nog altijd zuur.
Recent liet burgemeester Crone van Leeuwarden nog weten dat de reorganisatie binnen het OM slecht is voor de veiligheid in Nederland (lees: Leeuwarden).
De afstanden zouden veel te groot worden.
Het is dezelfde kritiek die burgemeesters hadden als het ging om de vorming van de nationale politie.
Ook die is inmiddels een feit.

Fusies van omvang verlopen nooit zonder slag of stoot.
En er komt nog iets bij dat het proces er niet eenvoudiger op maakt: er moeten miljoenen euro’s worden bezuinigd.
De fusie in Noord-Nederland is niet gepaard gegaan met ontslagen, maar het aantal banen loopt wel terug.
Wie vertrekt, wordt niet vervangen.
Het werk moet met minder mensen worden gedaan.

Welhaast vanzelfsprekend zijn er hardnekkige ict-problemen die er bijvoorbeeld toe leiden dat informatie niet uitgeprint kan worden.
Dat is meer dan lastig omdat strafdossiers nog altijd uit papier bestaan.

Vorig jaar zei regiohoofdofficier van justitie Jan Eland, de baas in Noord-Nederland, nog dat de burger van de fusie binnen het OM weinig zal merken.
Ook verwachtte Eland toen dat de fusie soepeltjes zou verlopen omdat al langere tijd intensief met elkaar werd samengewerkt.
Tussen Groningen en Assen iets meer dan die twee samen met Leeuwarden.

Maar inmiddels regent het klachten.
Niet alleen in Groningen.
Het parket Oost-Nederland (Zwolle, Almelo, Zutphen) erkende afgelopen weekeinde zelfs in een persbericht dat de fusie ‘bepaald niet foutloos’ verloopt.
Advocaten in het oosten noemen dat een understatement, zij reppen van een ‘grote puinhoop’.
In het oosten worden dossiers niet alleen op het laatste moment aangeleverd, er verdwijnen daar ook dossiers.

Maandag haalde strafrechter Edzard van Weringh tijdens een strafzaak in Groningen ongekend fel uit naar de club van Jan Eland.
Hij zei: ‘Het moet hier maar eens gezegd. Het is huilen met de pet op.’

Voor de Groninger strafrechter, die de naam heeft geen blad voor de mond te nemen, is de maat vol.
Strafdossiers (die door het OM worden aangeleverd) komen zo laat binnen dat er nauwelijks tijd is om zaken voor te bereiden.
Rechters, advocaten en verdachten zijn daar de dupe van.
Vorige week heeft de rechtbank zelfs gedreigd een zittingsdag van de politierechter te schrappen.
Zoiets is nog nooit vertoond.

Volgens de Groninger rechter zijn de grenzen van wat nog acceptabel is, bereikt.
‘Het moet nu echt anders’, waarschuwde Van Weringh.

Het OM reageerde niet met een ‘wij geven geen commentaar’ of met het vaak gehoorde ‘wij herkennen ons niet in de kritiek’.
Nee, het OM zei, het klopt, wij hebben onze zaken niet op orde.
Wij zijn slecht bereikbaar (nieuw callcenter) en het kost ons moeite dossiers op tijd bij de rechtbank te krijgen want de interne werkprocessen zijn nog niet helemaal op elkaar afgestemd, we weten elkaar nog niet overal te vinden, er zijn (uiteraard) ict-problemen. En: we doen heel erg ons best (hard werken) om alle problemen op te lossen.

Het is niet zo raar dat het rommelt binnen het Openbaar Ministerie.
Een paar dagen geleden lekte uit dat de justitieorganisatie opnieuw om de oren wordt geslagen, nu met een extra bezuiniging van 110 miljoen euro.
Door in de regio te erkennen dat de zaak in het honderd loopt, worden de problemen verplaatst naar ‘Den Haag’.
Er is al geroepen dat de kwaliteit van de rechtspraak onder druk komt te staan en dat criminelen dreigen hun verdiende straf te ontlopen.
En kijk, de eerste vragen in de Tweede Kamer zijn gesteld.

Het OM is de rechter met zijn harde kritiek zeer dankbaar.

Rob Zijlstra

Schermafbeelding 2013-05-31 om 11.36.39

.

dingetjede burger mag er niets van merken

[dvhn, oktober 2011]

Valse toon

de lentezonTegen negen uur in de ochtend is er nog niets aan de hand, zo lijkt het.
Sterker nog, door de ramen valt de lentezon aangenaam het gerechtsgebouw binnen.
Het belooft een mooie dag te worden.

Maar elders in het gebouw, in de catacomben, wordt op ongeveer hetzelfde tijdstip duidelijk dat er iets aan de hand is.
Dolf had beneden in de cel moeten zitten, maar de cel is leeg.
Dolf is er niet.
Er wordt gevloekt, formulieren bekeken, er wordt gebeld.
Dolf die er wel had moeten zijn, zit nog in het huis van bewaring in Ter Apel.

Ze zijn vergeten hem ‘op transport te zetten’, vergeten hem naar de rechtbank te vervoeren.
De officier van justitie, verantwoordelijk, is niet blij.
De rechters zijn dat ook niet, misschien dat ze wel tegen elkaar hebben gezegd: ‘Het zal hier potverdulleme ook een keertje goed gaan.’

De drie andere verdachten zijn er wel.
Jolien is aangevoerd vanuit de vrouwengevangenis in Zwolle.
Glenn is niet gedetineerd, hij is vanochtend in Vlissingen heel vroeg van huis gegaan om op tijd in Groningen te zijn.
Rinus woont in Lelystad.
Hij is er ook, als enige zonder advocaat.

Overleg achter de schermen.
Het is niet te verwachten, laat de Dienst Vervoer en Ondersteuning weten, dat Dolf voor elf uur in Groningen zal kunnen zijn.
De vrolijke lentezon is verdwenen en de rechters besluiten met enig chagrijn toch maar te beginnen.
Het is dan kwart voor tien.

De officier van justitie krijgt het woord, zij mag de rechtbank vertellen waarom de verdachten verdachten zijn, waarvan de verdachten worden verdacht.
Het gaat om hennepteelt (3.696 stekken, 93 moederplanten), om witwassen van hennepgeld en om geld afkomstig van misdaad dat verborgen is gehouden.
Van de bedragen die worden genoemd, kun je in Noord-Groningen huizen kopen.

Helemaal soepel verloopt de voordracht niet.
Tot twee keer toen moet de voorzitter van de rechtbank de officier van justitie om opheldering vragen, terwijl de officier van justitie ietwat chaotisch op zoek is naar aanvullende stukken.

Kort gezegd: de aanvang van het proces verloopt rommelig, schoonheidsprijzen zijn hier niet te vergeven, dat mag duidelijk zijn.
Het wordt er niet beter op wanneer het bericht binnenkomt dat Dolf niet voor half een in zittingszaal 14 zal kunnen verschijnen.
Ter Apel is 65 kilometer ver.

De rechters zuchten diep, alsof ze willen aangeven dat ‘we’ er voor vandaag net zo goed mee kunnen ophouden.

Dan heeft de officier van justitie gevonden wat ze zocht, een aanvullend proces-verbaal.
Ze heeft kopietjes gemaakt en deelt die uit aan de leden van de rechtbank en aan de advocaten.

Rinus heeft geen advocaat.
Rinus krijgt ook geen kopietje.

Hij vraagt of hij die stukken ook kan krijgen.
De officier van justitie: ‘Heeft u dan geen dossier?
Rinus: ‘Wat een rare vraag is dat.’

En dan gebeurt er iets vreemds.
De voorzitter van de rechtbank ontploft, zij het niet letterlijk.
Boos roept hij: ‘Iets meer respect voor de officier van justitie graag. U straalt iets uit wat mij niet bevalt.’
De woorden knallen door de zaal en vermengen zich – stel dat dat kan – met de verbaasde blikken van andere aanwezigen.

Verdachte Rinus kijkt naar de voorzitter van de rechtbank met de mond geopend.
Een van de bijrechters fluistert richting voorzitter: even schorsen.

De toon is gezet.
Na tien minuten – de rechters zijn teruggekeerd in de zaal – zegt Rinus dat hij geen idee heeft wat hij fout heeft gedaan, fout heeft gezegd.
De voorzitter: ‘Niet wat u zei, maar de toon waarop u het zei, getuigt niet van respect.’

Rinus, geagiteerd: ‘U beticht mij ervan dat ik geen respect toon. Daar heb ik grote moeite mee. U vindt mij respectloos. Ik vraag op een gewone manier naar iets waar ik recht op heb. U wekt de indruk dat u vooringenomen bent. Ik wil u wraken.’

De bijrechter: ‘Even schorsen.’

Maar het komt niet meer goed. Verdachte Rinus zegt dat hij een volwassen man is van 36 jaar en dat hij niet als een kind wil worden behandeld.
Hij zoekt steun bij de advocaten van de medeverdachten.
Was het zo raar wat ik vroeg?
Vroeg ik het op een rare manier?

Nee.
Nee.

De voorzitter informeert of hij alleen wordt gewraakt of heel de rechtbank.
Rinus: ‘De andere twee rechters hebben nauwelijks iets gezegd. Dus alleen u.’

Er wordt proces-verbaal opgemaakt van de gewraakte woorden.
De voorzitter zegt dat hij zich gaat beraden.
En dan vertrekken de rechters.
Met een ‘u hoort nog wel van ons’ verlaten ze het toneel.

Rare bedoening, zeggen de advocaten.
Nog nooit zo meegemaakt, zeg ik zelf.
De officier van justitie zegt dat ze er ook niets van begrijpt.
Verdachte Rinus: ‘Nou, dan ga ik maar naar huis.’

De rechters laten zich niet meer zien.
Richting Ter Apel gaat een telefoontje dat Dolf kan blijven zitten waar hij zit, dat het niet meer hoeft vandaag.
Jolien gaat zonder een woord te hebben gezegd terug naar Zwolle, Glenn naar Vlissingen.

Aan het einde van de middag laat een woordvoerder van de rechtbank desgevraagd weten dat de voorzitter zich niet (niet) berust in de wraking.
Hij zal zich niet vrijwillig uit het proces terugtrekken.
Dat betekent dat er een wrakingskamer moet worden bijeengeroepen die het wrakingsverzoek van verdachte Rinus gaat beoordelen.

Krijgt hij gelijk, dan wordt de rechter vervangen.
Krijgt hij geen gelijk, dan zijn Rinus en de voorzitter tot elkaar veroordeeld.

Daags na het lelijkste begin van een strafzaak ooit in Groningen, is nog altijd niet bekend wanneer.
De rechtbank laat weten: ‘Wij hebben geen haast.’

Rob Zijlstra

• wrakingsprotocol

herstel
Het bericht over de wraking dat vandaag in Dagblad van het Noorden staat, bevat een storende fout. Er staat dat de voorzitter (rechter) zich vrijwillig terugtrekt (berust). Dat is niet juist. Er had moeten staan dat de rechter zich niet vrijwillig terugtrekt. De fout is niet een gevolg van een technische storing; ik heb het domweg niet goed opgeschreven.

.

UPDATE – 6 mei 2013 – wraking
De wrakingskamer van de rechtbank heeft het wrakingsverzoek afgewezen. De opmerking van de voorzitter (‘meer respect voor de officier van justitie’) is onvoldoende om van vooringenomenheid te kunnen spreken. De voorzitter mag blijven.

DE UITSPRAAK

Schaamteloos

tweets.jpgG

Er bestaan kleine linke rechters en grote rechtse rechters, waarmee ik wil aangeven dat rechters er zijn in soorten en maten.
Rechters vormen een even geplaagde – ze hebben het zo druk – als bijzondere beroepsgroep.
Ze moeten levenslang op hun woorden passen, maar wat ze hardop uitspreken, telt.

Deze week twitterde ik de wereld in dat een rechter tegen verdachten zei dat hij niet op zijn achterhoofd is gevallen.
Hij verzocht de verdachten hem daarom niet al te veel onzin te vertellen.
Even later zei die rechter tegen diezelfde verdachten: ‘Wat u tegen mij zegt, gaat het ene oor in en het andere weer uit.’
Ook dat ging richting sociale media.

Beide tweets leidden tot een klein debatje.
Mag een rechter die onpartijdig is zoiets wel hardop zeggen?
Of moet hij voor zoiets standrechtelijk worden gewraakt?
De twee advocaten in de betreffende strafzaak, ze heten zeg maar Bram, zeiden niets.

Het was een ruige strafzaak.
De twee verdachten heten Popov (37) en Edvard (27), geboren in Joegoslavië.
Ze wonen met hun gezinnen niet echt ergens, maar verblijven hier en dan weer daar in België.
Popov en Edvard zitten sinds 13 december in de gevangenis, in Leeuwarden, in Hoogeveen.
Ze kijken boos naar de rechter die recent nog verkondigde op een publiek debat dat hij weliswaar in een ivoren toren werkt, maar daar niet woont.

Popov en Edvard worden verdacht van woninginbraken.
Uit een woning aan de Acacialaan in Groningen zouden ze een televisie en sieraden hebben gestolen.
Diezelfde avond sloegen ze toe, zegt de officier van justitie, aan de Ceresakker in Bedum, bij twee buren.
Daar werden vier dvd’s gejat, waaronder Hell Freezes Over van de eeuwige Eagles. Edvard zou in september ook hebben ingebroken aan de Julianalaan in Veendam waar een brief uit een geldkistje werd gestolen.

Ze ontkennen.
Ze waren er wel bij geweest, maar ook niet.
Dat wil zeggen dat ze wel bij de woningen waren geweest waar was ingebroken.
Maar dat ze niet wisten waarom ze daar waren en dat ze ook niet binnen waren geweest, in de zin van binnen als inbreker omdat ze buiten op de uitkijk stonden…
O ja, ze waren ook door de politie in de verhoorkamers onder druk gezet.
Edvard voegt er nog aan toe dat hij vader is van drie kinderen.
Dan ben je, vindt hij, sowieso onschuldig.

De rechter: ‘Jongens, ik ben toch niet op mijn achterhoofd gevallen. Vertel mij nou geen onzin, geen klets.’

Na de inbraak in Groningen kreeg de politie een tip dat er drie (of vier) verdachte mannen met een televisie in een groene Opel Vectra stapten en toen weg waren gereden.
De politie kwam, zag, gaf een stopteken dat werd genegeerd en zette de achtervolging in.
Het ging gevaarlijk hard.
Met hoge snelheden vluchtten de verdachten tegen de richting in door de binnenstad met koopavond, over de Grote Markt waar mensen opzij moesten springen, richting de Verlengde Lodewijkstraat waar de Opel-auto uiteindelijk crasht tegen een lantaarnpaal. De verdachten renden weg, maar werden met getrokken wapens (van de politie) toch gepakt.
Op straat slingerden de sieraden in het rond, in de auto lag de uit de woning gestolen televisie.
De verdachten gaven valse namen op.

Rechter: ‘Waarom ging u er in de auto vandoor?’
Popov: ‘Weet niet,’
Rechter: ‘Kom nou.’
Popov: ‘Ik heb niet gereden, ik zat op de achterbank.’
Rechter: ‘Wat deed u in die auto?’
Popov: ‘We waren elkaar in Veendam tegengekomen en wilden naar een meisje in Groningen dat voor geld werkt. Daar wilden we wat drinken en schaamteloze dingen doen.’

Bij de inbraak in de woning in Veendam was op een dekbed een bloedspoor aangetroffen.
In de Nederlandse databank werd geen match gevonden, maar wel in die van Frankrijk.
Cour d’ Appel de Lyon meldde desgevraagd dat het door Groningen opgestuurde dna-spoor 00353787000 matchte met een man die Edvard heet.
Hij zegt: ‘Kan niet.’
Rechter: ‘De kans dat het dna-spoor niet van u is, is kleiner dan één op één miljard.’
Edvard: ‘Niet mogelijk.’
Rechter, beetje cynisch: ‘Er is sprake van een internationaal complot tegen u?’
Edvard kijkt minzaam.

De officier van justitie heeft geen twijfel.
De eis: drie maanden celstraf voor Popov wegens twee inbraken en vier maanden cel voor Edvard wegens drie inbraken.
De advocaten Bram vragen of het een onsje minder mag.
Die jongens zitten al sinds december vast en willen zo graag naar huis, naar hun kinderen waar dan ook.

De rechter denkt maar heel even na en zegt dat hij direct uitspraak zal doen. Politierechters doen dat.
De politierechter: ‘Het is mij volstrekt helder. U ging er op bespottelijke wijze vandoor, mensen moesten springen voor hun leven, u komt met valse namen en met kletsverhalen. Die verhalen gaan bij mij het ene oor in en het andere weer uit.’

Popov en Edvard kijken nu zo mogelijk bozer dan boos.

De politierechter: ‘Weet u wat, u krijgt geen lagere straffen zoals uw advocaten bepleiten. U krijgt ook geen drie en vier maanden zoals de officier dat wil. U krijgt hogere straffen. U komt speciaal naar Nederland, naar Groningen, naar Bedum om hier in te breken. Dan verdien je meer straf dan gebruikelijk.’

Popov krijgt geen drie maar zes maanden, Edvard geen vier, maar acht.
De politierechter: ‘En dan komen jullie er nog goed mee weg ook.’
Luidruchtig protest.
De politierechter, vrij vertaald: ‘Wegwezen.’

Rob Zijlstra

.

Tussenvonnis

Een klein jaar geleden – in mei 2012 – concludeerde ik dat de rechtbank in Groningen de slechtst presterende rechtbank was als het gaat om het publiceren van vonnissen van de meervoudige strafkamer.
De rechtbank had tussen 1 januari en 15 mei 2012 in totaal 131 strafzaken behandeld en daarin uitspraak gedaan.
Daarvan werden 8 vonnissen gepubliceerd op de eigen site Rechtspraak.nl
De kleinere rechtbank Assen had toen al 51 vonnissen gepubliceerd.

Mijn eindconclusie was dat de vonnissen van de rechtbank Groningen zo goed als ongelezen in de archieven verdwijnen.
Het publiek kan er dan geen kennis van nemen.

Rechters spreken alleen door hun vonnis, heet het.
In Groningen spreken rechters allen door hun vonnis dat er eigenlijk niet is.
Je zou bijna zeggen dat de rechters dan net zo goed kunnen zwijgen.

Op de rechtbank in Groningen vonden ze mijn bevindingen getuige reacties niet leuk.
In Assen wel.
Groningen beloofde wel beterschap.
Niemand wil de slechtste zijn.
Komt bij dat binnen de rechtspraak de afgelopen jaren erg veel geld is uitgegeven om vonnissen in strafzaken beter toegankelijk – beter leesbaar – te maken opdat het publiek kan zien (lezen) hoe rechters tot hun oordeel komen.
Dit moet het vertrouwen in de rechtspraak bevorderen.

Uit nieuwsgierigheid heb ik vandaag gekeken wat de huidige stand van zaken is.

Het tussenvonnis: slechter kan het bijna niet.
Van de  37 behandelde en afgeronde strafzaken tussen 1 januari en 28 februari 2013 voor de meervoudige strafkamer in Groningen is welgeteld één vonnis gepubliceerd.
De rechtbank in Groningen handelt hiermee in strijd met de eigen regels en de landelijke richtlijnen.

Maar wie kan dat nou schelen?

Rob Zijlstra

• Rechtbank Groningen de slechtste [mei 2012]
Rechtspraak.nl 

.

UPDATE – 1 maart 2013 – brekend nieuws
De rechtbank deed vrijdagmiddag (om 1315 uur) uitspraak in drie strafzaken die twee weken geleden dienden. De voorzitter van de strafsector – hij deed de uitspraken – liet mij na afloop weten dat een van de uitspraken vanmiddag zal worden gepubliceerd op Rechtspraak.nl . (update 2 – Het zal vast goed komen maar om 17.20 uur was er nog niets gepubliceerd; update 3 – maandag – rechtbank Groningen heeft haar tweede vonnis gepubliceerd [tweede vonnis]

Facebookdiefstal

niet leukHet zal de meeste slachtoffers een rotzorg zijn, maar de ene diefstal met geweld is de andere niet.
Een diefstal met geweld is bijvoorbeeld een gewapende overval of een roof.
Voor de ene diefstal kun je zomaar een gevangenisstraf krijgen van 105 dagen waarvan 100 voorwaardelijk met een werkstraf erbij van 120 uur, maar voor de andere ook net zo goed vier lange jaren celstraf.

Krijgt de voice of Holland het ooit voor het zeggen, dan denk ik dat een vrijheidsbeneming van vier jaren populairder zal zijn dan een straf van een paar daagjes in zo’n cel met een lullig werkstrafje van niks erbij.
Dat mag naar huis.

Gelukkig – aan het einde van dit verhaal zal hoop ik duidelijk zijn waarom – bestaan er nog rechters.
Rechters zijn geen productiemedewerkers, maar professionals die een kwalitatief hoogstaand product leveren in de vorm van een vonnis (uitspraak).
Daarbij geldt: rechtspraak is maatwerk.
Wanneer het nodig is dat een strafzaak acht uren achtereen moet duren, dan duurt het acht uren achtereen.
Alle aan rechters voorgelegde zaken krijgen de aandacht die ze verdienen.

Nou ja, dat zeggen rechters altijd tegen verdachten wanneer een zitting weer eens veel te laat begint.
De oorzaak is meestal dat een eerdere zitting meer tijd verdiende dan was gepland.

Maar nu blijkt dat dat helemaal niet waar is.
Rechters uit Leeuwarden hebben een pamflet geschreven waarin zij onder meer stellen dat de hedendaagse rechtspraak zo onder druk staat dat veel zaken niet de aandacht krijgen die ze verdienen.
Nog erger: ‘Er worden onverantwoorde keuzes gemaakt om aan de productie-eisen tegemoet te komen…’
Inmiddels hebben meer dan 500 rechters aangegeven het ‘Pamflet van Leeuwarden’ te onderschrijven.

Dit verhaal gaat verder over een vest en een fles wodka.

Eerste het ene: een fles wodka.
Het leven van Johan bestaat uit vallen en opstaan.
Het vallen doet hij zelf, bij het opstaan krijgt hij altijd een beetje hulp.
Johan is van april 1972.
Hij had begin dit jaar drie maanden in de gevangenis gezeten, ten onrechte bleek achteraf.
Daardoor was hij van alles kwijtgeraakt, terwijl de schulden opliepen.
Toen een paar vrienden maar niet heus hun geld terug wilden hebben en een pistool op zijn hoofd zetten, kreeg hij het benauwd.

Johan zocht een uitweg.
Op 15 september, even na half vier, stapte hij gewapend met een mes een slijterij in Veendam binnen met de mededeling dat hij de kassa wilde hebben.
Er ontstond een worsteling, waarbij Johan de slijter eerst met een fles wodka en toen met een fles rode wijn op het hoofd sloeg.
Buiten stond een kleine rode Suzuki Alto, de auto van zijn ouders, te wachten.
Niet heel veel later werd Johan bij zijn ouderlijke woning in Musselkanaal aangehouden met 784 euro in de broekzak.

De slijter dacht dat er 1600 euro buit was gemaakt en wil nu de dagopbrengst terug.
En schadevergoeding.
Logisch, zegt Johan die geen geld heeft.

De slijter, een hardwerkende ondernemer, meldt de officier van justitie, is niet alleen zijn geld kwijt, maar ook zijn onbevangenheid.
Komt nog bij, zegt de aanklager, dat verzekeraars hem niet meer willen.
Voor veel kleine middenstanders betekent dat vaak het einde.

Johan ontkent dat hij met flessen heeft geslagen.
Hij zegt dat hij tijdens de vlucht in paniek twee flessen naar de slijter had gegooid, raak of niet, dat weet hij niet meer.

De officier van justitie: ‘Ik eis vier jaar gevangenisstraf.’

Nu het andere: een vest.
Joey is van maart 1993.
Hij had Rick bij hem thuis uitgenodigd om te chillen.
Jerry en Tom waren er ook.
Rick was gekomen, met een fles whisky en voor dertig euro aan wiet.

Rechters: ‘Het was gezellig, maar na een uur sloeg de sfeer om, hè?’
Joey: ‘Klopt.’
Rechters: ‘Vertel.’
Joey: ‘Ik heb hem een vlakke hand gegeven. Ja, klopt. Meerdere keren. Nee, niet negen keer. ‘
Rechters: ‘Maar u heeft hem behoorlijk toegetakeld.’
Joey knikt.

De politie had Rick buiten op straat aangetroffen.
Met een opgezwollen gezicht.
En in zijn blote onderbroek.

Joey: ‘Hij kwam vaak bij ons over de vloer. We ontdekten dat hij kleding uit ons huis had gestolen. We zagen dat op foto’s op Facebook. Op die foto’s droeg hij de kleding die wij misten. Mijn vest. En een shirt van Jerry. We wilden hem daarmee confronteren. Hij loog. Daar was ik best van in shock, want ik had hem altijd gezien als een goede vriend.’

Na de vlakke hand, meerdere keren, niet negen, hadden ze Rick gesommeerd zijn kleren uit te trekken om daarna op te donderen.
De officier van justitie rept van een ernstig feit.
Zegt: ‘Want wat is dit nou voor een manier?’
Joey kijkt berouwvol.
Hij vindt het zelf ook niet kunnen.
Dat had hij later ook tegen Rick gezegd.

Ja, het gaat goed.
Hij gaat weer naar school.
Trots: ‘Ik ben de beste van de klas.’

De officier van justitie: ‘Ik eis 105 dagen gevangenisstraf, waarvan 100 dagen voorwaardelijk en daarnaast een werkstraf van 120 uur. In deze straf zitten de vijf dagen die u al heeft gezeten verdisconteerd.’

Rechters maken, mits zij de tijd krijgen zich te verdiepen in de achtergronden van ook deze twee misdaden, het verschil.

Rob Zijlstra

• het pamflet [manifest]

UPDATE – 10 januari 2013 – uitspraken
Johan is veroordeeld tot 3 jaar celstraf waarvan een jaar voorwaardelijk. Aan de slijter moet hij 1794 euro betalen. Nadat hij zijn straf erop heeft zitten, moet hij zich laten behandelen in een kliniek in Franeker. Die behandeling mag maximaal een jaar duren.
Joey is conform de eis veroordeeld wegens mishandeling en bedreiging.

de vonnissen zijn niet door de rechtbank gepubliceerd

Het zwerfkatje

Groot alarm, meisje vermist.

De 14-jarige Diana uit Stadskanaal wordt sinds zaterdag vermist. Intensief speurwerk door de politie heeft tot nu toe niets opgeleverd…’

Zo stond het twee jaar geleden in de krant.
En het was ook op RTV Noord geweest.
Op SBS6, Hart van Nederland.
En Opsporing Verzocht was er klaar voor.

Diana was niet thuisgekomen en haar vader was gaan zoeken.
Hij vond haar fiets bij een bushalte en schakelde ten einde raad de politie in.
Die liet na vier dagen weten: ‘We maken ons grote zorgen en we zoeken natuurlijk intensief verder.’

De rechters vragen aan Albert: ‘Wat bezielde u?’
Albert zegt niet zo veel.
Hij mompelt dat hij wilde helpen.
Rechters: ‘U wilde hulp verlenen?’
Ja.
‘Wist u wel waar u mee bezig was?’
Ja.

Albert was twee jaar geleden net 36 jaar.
Hij heeft verstand van lassen, van vissen en sinds kort van werk zoeken.
Maar van artikel 279, lid 1, Wetboek van strafrecht had hij nog nooit gehoord.
Dat je dus niet opzettelijk een minderjarige mag ontrekken aan het wettig gezag.

Rechters: ‘Dat wist u toch?’
Albert zegt van niet, zegt dat hij dat ook niet heeft gedaan.
‘Ze liep gewoon door Veendam.’
Rechters, verontwaardigd over zo een antwoord: ‘U heeft haar ontrokken gehouden. U deed iets wat niet mocht.’

De advocaat gaat staan en vraagt of de voorzitter van de rechtbank nu al een oordeel heeft?
Advocaat: ‘U stelt geen vraag, maar deponeert een conclusie.’
De voorzitter is niet gediend van deze opmerking over vooringenomenheid.
De voorzitter, bozig: ‘Er zijn rechters die dat doen, maar u weet dat deze rechter dat niet doet.’
De advocaat: ‘Dan moet u vragen stellen en geen conclusies deponeren.’

Albert zegt dat hij achteraf gezien niet slim bezig is geweest.
Dat hij de hele situatie ook niet prettig vond.

Hij was aan het vissen in Veendam, in de buurt van het crossveld, in de buurt ook van het onderkomen van de motorclub.
Daar zag hij een meisje.
Steeds wanneer er een auto aankwam, dook ze weg.
Dat zag hij ook.
Hij had haar aangesproken en toen had zij over haar problemen thuis verteld.
Albert bood aan haar naar huis te brengen, dat leek hem beter.
Maar Diana wilde dat niet, ze wilde nooit meer naar huis.

Rechters: ‘Denkt u dat een kind van 14 iets te willen heeft?’

Albert: ‘Nee.’
Rechters: ‘U had de politie kunnen bellen.’
Albert: ‘Ik had geen nummers.’
Rechters: ‘112 kent iedereen. En dit was wel een 112-gevalletje.’

Albert had Diana aangeboden dat ze wel in zijn auto mocht overnachten.
Hij zorgde voor eten en drinken.
Hij zorgde er voor dat ze kon douchen en een keer schone kleren kreeg.
Hij nam haar een keertje mee naar huis, in het geheim want thuis – bij zijn ouders waar hij toen nog woonde – was damesbezoek taboe.
Dat mocht niet van moeder.
Advocaat: ‘Vertel eens, over de regels bij u thuis.’
Voordat Albert antwoord kan geven, roept zijn vader vanaf de tribune door de rechtszaal: ‘Strenge regels.’

Diana blijft niet één nacht.
Terwijl de politie intensief zoekt en de media de vermissing melden en iedereen zich grote zorgen maakt, worden het tien nachten.
En dan komt artikel 279, lid 1 om de hoek kijken.

De rechters vragen of Albert met Diana heeft gezoend?
Albert knikt: ‘Ja.’
Rechters: ‘Een vrijzoen?’
Albert: ‘Ik heb haar één keer een kus gegeven. Op haar wang.’

De officier van justitie zegt twee dingen.
Ten eerste dat Albert hulp had moeten inschakelen.
Hij had, bij wie dan ook moeten aangeven, ik heb een probleem, ik heb een meisje bij me dat niet naar huis wil.
Het leek alsof hij een zwerfkatje had gevonden en dat wilde houden.
Hij wilde helpen, maar wist heus dat wat hij deed niet goed was.
Hij is geen ontvoerder, maar heeft wel in haar bijzijn jointjes gerookt.
Dat is strafverzwarend.
En de politie heeft door zijn toedoen een kostbaar onderzoek moeten uitvoeren.
Aan de andere kant, er waren ook mensen in zijn omgeving die het wisten, maar ook niets deden.
Desondanks, zegt nog steeds de officier van justitie, blijft het een ernstig feit waar normaliter gevangenisstraf voor opgelegd moet worden.

Ten tweede zegt de officier van justitie dat het hier een oude zaak betreft.
En dat het wel heel triest is dat zo’n zaak twee jaar lang bij het openbaar ministerie blijft liggen.
Ontzettend vervelend ook voor alle betrokkenen.
Het dossier had in een kast gelegen en de collega-officier van justitie van wie die kast was, was vertrokken.
Niet goed, maar zo is het wel gegaan.

Vanwege die lange duur heeft het openbaar ministerie besloten geen gevangenisstraf te eisen.
Wel een werkstraf.
Van 160 uur, waarvan de helft voorwaardelijk.
Van het onvoorwaardelijke deel mogen de twee nachten die Albert in de politiecel heeft vastgezeten, worden afgetrokken.
Daarnaast moet hij op cursus ‘beter omgaan met andere mensen’.

Albert vindt het wel goed.

Rob Zijlstra

• artikel 279,  Wetboek van strafrecht

UPDATE – 21 juni 2012 – uitspraak
Albert is conform de eis veroordeeld: 160 uur werkstraf waarvan de helft voorwaardelijk. Daarnaast moet hij om voorwaardelijk voorwaardelijk te laten blijven, een aantal cursussen volgen opdat hij geen domme dingen meer doet.

HET VONNIS

Snelrechter

Ik ken Stef.
Ik ken hem van zittingszaal 14.
Van toen, van jaren geleden.
Stef is zo’n jongen die altijd extra zijn best moet doen om niet van het rechte pad af te sodemieteren.
Hij is 23 jaar, maar zat opgeteld al een paar jaar achter tralies.
Niet iedereen is voor het geluk geboren.
Wat voor de een vrolijk, gezellig en vanzelfsprekend is, is voor een ander een zware opgave.

Stef is ruwe bolster, blanke pit.
Hij doet zijn stinkende best om geen gekke dingen meer te doen.
Stef zou mijn auto mogen lenen.

Vrijdag moest Stef zich weer eens voor de strafrechter verantwoorden.
Voor de snelstrafrechter ditmaal.
Hij zou – tijdens de Koninginnenacht in Groningen – een vrouw hebben mishandeld.
Op de Grote Markt, waar het die nacht wemelde van de politie.

Het openbaar ministerie had vooraf aangekondigd – OM-pr – dat wie tijdens de nacht van de Koningin zijn vrouw zou mishandelen, of anderszins kwaad en dronken zou doen, dat die te maken zou krijgen met de snelrechter.

Waar het strafrecht zich kenmerkt door traagheid en zorgvuldigheid, is het snelrecht slordig en al snel krom.
Rechters moeten er de pesthekel aan hebben.
Maar rechters zijn in het strafrecht lijdend.
Zij moeten maar afwachten wat zij door het openbaar ministerie ter veroordeling krijgen voorgeschoteld.

Stef ontkent.
Hij zegt dat hij niemand heeft mishandeld.
Hij zegt: ‘Dat is dikke flauwekul.’

Stef: ‘We waren dronken en aan het feesten. Toen sprong ik op haar rug. Gewoon geinen. Maar ik heb haar niet geslagen of geschopt. Ze hebben er een heel ander verhaal van gemaakt. Klopt niets van.’

De politie: hij pakte haar bij de haren, trok haar naar de grond en sloeg en schopte.’
Stef: ‘Ik heb haar nog nooit geslagen.’

‘Haar’ is de vriendin van Stef.
Ze heet Tineke.
Administratief medewerkster, 24 jaar.
Moeder van het zoontje van Stef.
Stef, trots: ‘Geboren op Prinsjesdag.’
Ze hebben al zes jaar een relatie.
Gaat hartstikke goed.

Tineke is er ook.
Ze is samen met haar vriend naar de rechtbank gekomen.
En nu ze er toch is, kan ze ook getuigen.
Tineke vindt dat best.
Ze belooft dat ze de waarheid zal spreken en nadat ze dat heeft gezegd, staat ze onder ede.
Verdachten mogen liegen, getuigen onder ede om de drommel niet.
Getuigen die liegen onder ede, maken zich schuldig aan het misdrijf meineed.
Daar staat gevangenisstraf op.

Politierechter: ‘Dus U bent mishandeld?’
Tineke: ‘Daar ben ik het niet mee eens.’

Tineke, het slachtoffer in dit verhaal, zegt dat ze niet is mishandeld.
Ze zegt: ‘We waren smoor en bezopen. Hij sprong op mijn rug, of duwde mij, weet ik veel. Ik viel om. Ik was dronken. Ik bedoel, als Stef slaat, kijk naar hem, dan heb je letsel. Ik had niks. Ik belandde in de ambulance. Ze zeiden, niets aan de hand, je hebt niks. Toen kwam er een agente bij me, in de ambulance, ze zei, je moet aangifte doen. Ik zei toen, waarvoor?’

Tineke vertelt als getuige dat zij en Stef een pittige relatie hebben.
Dat hij die avond ‘kuthoer’ riep, ja, kan best kloppen.
Schelden doet geen pijn, hij zegt dat zo vaak.
Tineke zegt dat ze nog veel ergere dingen terugroept.
‘Want wij zijn een pittig stel, mensen die ons kennen weten dat. Ik ben ook een pittige tante.’

De strafsnelrechter moet wel lijdend gedacht hebben, wat maakt het openbaar ministerie mij nou?
Krijg ik een slachtoffer dat ontkent slachtoffer te zijn.

De officier van justitie: “We hebben het hier over een ernstig feit.’
Hij vraagt om een schorsing om de parketpolitie te kunnen bellen.
Hij geeft de parketpolitie – ook lijdend – het bevel om Tineke te arresteren.
Want het slachtoffer dat ontkent slachtoffer te zijn, liegt.
Meineed.
Ernstig misdrijf.

Er worden nu geen geen grappen gemaakt, maar een proces-verbaal waarin komt te staan wat Tineke zojuist heeft gezegd, vermeend heeft gelogen.
Tineke zegt dat ze bij haar verklaring blijft.
Zeker weten, ‘t is dikke flauwekul.
Dan komt de politie om haar in de rechtszaal te arresteren
Vervolgens wordt ze afgevoerd, naar het cellencomplex.

Stef blijft als verdachte achter.
Zegt nog: ‘Tineke spreekt de waarheid.’

De officier van justitie: ‘Mishandeling. Wettig en overtuigend. Ik eis een taakstraf van 80 uur.’
De advocaat: ‘Leg geen straf op in een goede relatie.’

De politierechter zegt dat hij direct uitspraak zal doen.
Hij bladert wat in de papieren.
Vast om tijd te winnen opdat hij nog even kan nadenken.
Zegt dan dat hij de verklaring van Tineke, leugens of niet, buiten beschouwing zal laten.
En dat het proces-verbaal van de politie dooorslaggevend moet zijn.

De snelrechter zegt niet waarom dat zo moet zijn.
Hij zegt dat er weliswaar geen letsel is als gevolg van de mishandeling, maar dat er in de nacht van onze Koningin wel inbreuk is gemaakt op de openbare orde.
Al erg genoeg.
Zijn en het vonnis: een taakstraf van de helft van de eis, 40 uur werken.

En zo verliet de verdachte Stef als veroordeelde dader de rechtbank van Groningen, terwijl zijn vriendin, het slachtoffer, in de cel zat als pleegster van een misdrijf.

Het bovenstaande is vrijdagochtend in de rechtbank van Groningen echt gebeurd.
Het navolgende heb ik verzonnen.

Vrijdagavond, in een lommerrijke tuin.
Glaasjes witte wijn, kooltjes al op het vuur, de eerste keer dit jaar.
Wiert en Els komen tegen achten.
Gezellig

Echtgenote: ‘Tom, wat ben je stil.’
Tom: ‘Ach niks, het was een lange dag.’
Echtgenote: ‘Is er iets gebeurd, iets bijzonders, weer iets heel naars?
Tom: ‘Nah, niks bijzonders. Nou ja, het enige dat ik wil en kan zeggen is dat ik nooit weer snelrechter wil zijn. Ze bekijken het maar.’
Echtgenote: ‘Lieve Tommy! We hebben nu samen drie vrije dagen. Kop op, ‘t is Pinksteren. He, de bel, daar zul je Els en Wiert hebben. Beloof je me, niet de hele avond over je werk praten. Ik ken jou en Wiert. Niet doen. Okay?
Tom: ‘O-kay. Je hebt gelijk. Ik doe de worstjes wel. Die zijn lekker en snel klaar’

Rob Zijlstra

Simon van der Aa

tekening: jesse van muylwijck

De wetgever is op de stoel van de strafrechter gaan zitten.
Kan de rechter nog vrij spreken, was de vraag die vandaag centraal stond op het symposium van Simon van der Aa, de faculteitsvereniging voor strafrecht en criminologie, verbonden aan de Rijksuniversiteit Groningen.

Het ging in Huis de Beurs over de rechtstaat, over de invoering van de minimumstraf,  de inperkingen van (de vrijheid van) rechters om taakstraffen te kunnen opleggen en het feit dat het openbaar ministerie straffen mag opleggen zonder tussenkomst van de rechter.
En of dat nou allemaal wel zo goed en/of wenselijk is?

De aangekondigde maatregelen hebben hoe dan ook grote gevolgen voor de rechtspraktijk, voorspelde prof. mr. dr. G. Knigge, de dagvoorzitter.

Annette Bronsvoort (hoofdofficier van justitie in Leeuwarden) zei dat de visie van het openbaar ministerie een afgeleide is van het kabinetsbeleid.
De taakstraf, stelde zij, is niet meer weg te denken, maar moet wel aansluiten bij de strafbeleving in de maatschappij.‘En het maatschappelijk draagvlak voor de taakstraf is tanende.’

Ook de minimumstraf vindt Bronsvoort geen probleem. Ze zei: ‘De wetgever hoort de kaders te stellen waarbinnen wij opereren. Het voorstel minimumstraffen in te voeren is daar een voorbeeld van. Het is een systeembreuk, maar het kan geen kwaad eens aan de boom te schudden.’

Strafrechtadvocaat Heiko Eckert (Eckert Van der Zee Advocaten, Groningen) gaf tegengas.‘Er wordt veel te veel toegegeven aan de druk vanuit de samenleving, terwijl aan het nut van gevangenisstraf – nuttig als middel de wereld veiliger te maken – getwijfeld kan worden. ‘Mijn cliënten leren veel in de gevangenis.’

Sjef van Gennip, directeur van Reclassering Nederland, knikte instemmend en hekelde het kabinetsbeleid waar het openbaar ministerie op vaart. Er wordt wetgeving gemaakt naar aanleiding van incidenten en hypes in de media. Politici moeten kritisch zijn, maar hebben ook de plicht om zaken die goed gaan te belichten. Dat zij dat niet doen, is zwak en onverantwoord. Zijn idee: ‘Het kabinet Rutte moet de PVV tevreden stellen.’

Erik van den Emster, voorzitter van de Raad voor de Rechtspraak, ging een stap verder in zijn kritiek. Hij sprak van volksverlakkerij.‘Als rechter moet ik staan voor een betrouwbare overheid, maar de maatregelen van dit kabinet leiden daar niet toe. De invoering van de minimumstraf kost veel geld – 42 miljoen – maar levert niets op. Je moet je afvragen voor welk probleem dit een oplossing is.’

Volgens Van den Emster hoort het kabinet signalen die er helemaal niet zijn. ‘Het kabinet toetert dat er brede steun in de samenleving bestaat voor strengere straffen, maar dat is niet zo.‘ Richting de hoofdofficier van justitie: ‘Het openbaar ministerie schudt aan een boom waar niets aanhangt. Doe liever iets om de pakkans te vergroten.’

Van den Emster erkende dat rechters, dat de Raad voor de Rechtspraak, nog niet zo bedreven zijn de samenleving uit te leggen wat ze nou eigenlijk doen. En dat dat beter moet.  Over het terugdringen van recidive, was hij wel duidelijk. Hij zei hij: ‘De beste remedie tegen recidive is de doodstraf.’ (de context: ironisch).

simon van der aa

Op verzoek van de faculteitsvereniging schreef ik een inleiding voor het symposium. 

Zwijgende rechters spreken niet

De verdachte die het met de gang van zaken niet eens was, sprak verontwaardigd tot zijn rechters: ‘Maar wij leven hier toch in een democratie?’
De officier van justitie reageerde fel en zei: ‘Voor wie overvallen pleegt, geldt de democratie niet.’

Dit voorvalletje tekende ik op in zittingszaal 14 in de rechtbank van Groningen, nog voor de tijd dat de sanctiemachine van de Staat overuren draaide.
Zou je er nu, anno 2012, een peiling op loslaten, dan denk ik dat de officier van justitie, de crime-fighter, met deze bedenkelijke uitspraak de meeste stemmen zal vergaren.

Verdachten hebben de wind flink tegen. De minimumstraf is aangekondigd en het voornemen geen taakstraffen meer op te leggen voor ernstige geweldsmisdrijven is met gejuich ontvangen. Dat het openbaar ministerie op de stoel van de rechter is gaan zitten en straf mag opleggen voor lichtere vergrijpen, is al een feit dat weinig tegenstand ontmoet.

Er klinkt wel gemor onder strafrechtgeleerden, maar het tegengas dat zij bieden, bieden ze aan aan de opiniepagina’s van dagbladen die steeds minder worden gelezen. Hun genuanceerde opvattingen vinden nauwelijks gehoor. Er hoeft maar een tbs’er de mist in te gaan, een jeugd-tbs’er in het meest recente geval, en de sanctiemachine krijgt weer ruim baan van het joelende publiek dat ook in vredestijd het liefst bloed wil zien.

Dat de invoering van de minimumstraf het land niet veiliger zal maken, kan met feiten worden onderbouwd. Dat er al jaren achtereen geen taakstraffen worden opgelegd voor ernstige geweldsmisdrijven, eveneens.

Vorige maand kondigde de sanctiemachine aan dat het slachtoffer – leve het slachtoffer – een eigen plek krijgt in de rechtszaal, opdat hij of zij niet door de rechter wordt vergeten. Dat slachtoffers, ook nabestaanden, al lang het woord (mogen) voeren in de rechtszaal, wordt voor het gemak kennelijk wel vergeten.

Veel strafrechtelijke maatregelen worden met veel daadkracht aangekondigd. Dat veel van die maatregelen in de praktijk reeds bestaan, doet niet ter zake. Dat geldt, in zekere zin, ook voor de minimumstraf. De first-offender kan nog rekenen op een kans, maar de recidivist gaat voor de bijl, die krijgt een zwaardere straf.

Als rechtbankverslaggever heb ik in acht jaar tijd ruim 2.000 rechtszaken bij de meervoudige strafkamer bijgewoond. Als toeschouwer van de dagelijkse praktijk weet je dat de invoering van de minimumstraf een fopspeen is. Helaas kent het strafrecht, anders dan meningen, weinig toeschouwer. De publieke tribunes van de zalen waar strafrecht wordt gesproken, zijn doorgaans leeg.

Om de angst – het grote onbehagen – te bestrijden, telt vandaag de dag het sentiment. Het geroeptoeter gaat er in als koek. De beleving is koning en feiten zijn humbug, stond niet zo lang geleden in de krant.
En zo is het.
Er is een kloof ontstaan tussen wat is – de praktijk – en wat bestaat – de beleving.

Resteert de vraag: hoe nu verder in deze democratie?

Als eenvoudige en niet juridisch geschoolde rechtbankverslaggever heb ik niet het antwoord. Ik moet wel vaststellen dat wij van de media niet echt meewerken, want roeptoeteren is vandaag de dag ook ons niet vreemd. En misschien worden we daar, gezien de abonneebestanden, ook wel op afgerekend.

Ik stel ook vast dat de strafrechtgeleerden er met hun doorwrochte opinies ook niet in slagen het gejoel in de straat een halt toe te roepen. En ik constateer dat onze strafrechters, de mannen en vrouwen van de praktijk, er nog steeds het zwijgen toe doen.

Vorig jaar heb ik alle rechters die werkzaam zijn in de rechtbanken van Groningen en Drenthe een lijst met vragen voorgelegd. Ruim de helft reageerde en zonder uitzondering waren deze rechters tegen de minimumstraf. Een ruime meerderheid is (was?) van mening dat rechters meer naar buiten moeten treden om zo een realistischer beeld neer te zetten van de rechtspraak.

De wil is er kennelijk, maar een half jaar na dato heb ik nog niets mogen of kunnen vernemen van iets dat je nieuw elan zou mogen noemen. Het enige dat is veranderd, is dat de toegangscontrole bij de ingangen van de rechtbanken per 1 maart is aangescherpt. De deur moet blijkbaar nog een beetje meer op slot.

Zwijgende rechters spreken niet.

Een strafzaak – met verdachten en slachtoffers – duurt al gauw twee tot drie uur, het vonnis wordt twee weken later in een minuut of twee uitgesproken in een lege zaal. Vervolgens verdwijnt het vonnis met alle genuanceerde overwegingen en steeds vaker met strengere straffen in het niets. Publicatie op rechtspraak.nl blijft achterwege, omdat er geen capaciteit zou zijn om die vonnissen wereldkundig te maken.

Vorige weke schreef Rinus Otte, hoogleraar in de organisatie van de rechtspleging aan de Rijksuniversiteit Groningen, dat de kritiek op de rechter nog intenser mag worden. Het strafrecht, zo schrijft Otte in een lang artikel in dagblad Trouw, is gebaat bij een zo scherp mogelijk debat.

Strafrechters weten als geen ander wat er leeft in het land van de criminelen. Zij verdiepen zich dagelijks in hun wereld, in hun drijfveren en hun problemen. Zij kennen de straatwaarde van drugs, weten waar die te koop zijn en weten ook dat niet alle tbs’ers kinderverkrachters zijn of moordenaars. Het is daarom merkwaardig en niet meer van deze tijd dat rechters blijven volhouden dat zij alleen via hun vonnissen spreken.

Zwijgende rechters spreken niet en spreken ook niemand tegen.

Rob Zijlstra

• peiling onder rechters 

Bange konijntjes

GASTBLOGGER

door Fred Janssens

.

We horen het de laatste jaren erg veel: het vertrouwen in rechters neemt af. Na politici, artsen en banken, zijn nu de rechters aan de beurt. Wat met dat ‘vertrouwen’ dat ‘afneemt’ nu precies gezegd wordt, is echter niet duidelijk.

Laten we er voor het gemak van uitgaan dat degene die aangeeft geen of minder vertrouwen in de rechter te hebben, het gezag van de rechterlijke macht betwist. Dat is tenminste de gedachte die veel mensen uitspreken.

Maar komt die gedachte overeen met de werkelijkheid?

Peilingen wijzen uit dat 40 procent van de bevolking geen vertrouwen in de rechters heeft. Dat betekent dat 60 procent dat blijkbaar wél heeft.
Maar goed, iets minder dan de helft van die ‘bevolking’ ziet geen heil in de rechter en in de rechtspraak. En dan gaat het vermoedelijk met name over de strafrechtspraak. Over het civiele recht, toch een groot deel van de rechtspraak, hoor je geen onvertogen woord – überhaupt geen woord.

Nu zegt mij die 40 procent betrekkelijk weinig.
Het cijfer drukt ongetwijfeld onvrede over iets uit, maar we weten niet hoe men vroeger over de (straf-)rechtspraak dacht. Was het vertrouwen tien, twintig jaar geleden, voor de oorlog etc, meer of minder? Om het maar eens moeilijk te zeggen: mij is een nul-meting onbekend. Het zou mij weinig verbazen als toen ook al 40 procent de kriebels kreeg van de rechterlijke macht.

Daar komt bij dat het begrip ‘vertrouwen’ een lastig begrip is.
Het is vooral ook lastig te meten.
Iedereen heeft wel een idee bij het begrip, maar met al die verschillende betekenissen die je aan dat woord geeft, is het lastig peilen hoeveel vertrouwen er nu wel of niet is.
Als je op de Grote Markt aan iemand vraagt of hij vertrouwen heeft in de rechterlijke macht (of: rechtspraak) en die persoon is de dag ervoor veroordeeld, krijg je ongetwijfeld een ander antwoord dan van iemand die bij de rechter zijn gelijk heeft weten te halen.
En degene die zijn kennis alleen maar uit een ochtendblad vergaart, heeft vermoedelijk een ander beeld van de rechtspraak dan hij, die – anders dan als verdachte – regelmatig strafzittingen bijwoont.

Kortom: waar gaat het eigenlijk over als we het hebben over het gebrek aan vertrouwen in de rechtspraak?
Is er wel een probleem?
Veel politici vinden van wel.
En die spuien dan allerlei nieuwe ideeën om het vertrouwen te herstellen. De rechter moet zwaarder straffen. De rechter mag in sommige gevallen geen taakstraf meer opleggen.
Misschien, zeggen politici, moeten we maar eens kijken of de rechters wel de goede mening erop na houden.

Er zijn ook nogal wat rechters die vinden dat het vertrouwen duidelijk vermindert en dat rechters er alles aan moeten doen om het te herstellen.
Het punt is alleen dat – zoals hiervoor is uitgelegd – volstrekt onduidelijk is waar het vertrouwensprobleem uit bestaat.
De vraag is of het probleem überhaupt bestaat.

Ik denk het niet.
Het berust op empirisch drijfzand.

Rechters lopen te hoop tegen iets anders. Wat zij als vertrouwensprobleem zien, is eigenlijk negatieve beeldvorming. En die is opgebouwd uit niet helder gemaakte onuitgesproken vooroordelen en niet geëxpliciteerde vooronderstellingen.
Zeg maar: stereotypen.

De beeldvorming zit tussen de oren van degene die de rechters bekritiseert.
Maar ook tussen de oren van de rechter.
Dat leid ik tenminste af uit de verwoede pogingen die de rechterlijke macht doet om het ‘vertrouwen’ dat het publiek in haar zou hebben, op te vijzelen.

De vraag is of dat effectief is.
Ik denk het niet.
Het is nu eenmaal moeilijk iets op te poetsen dat nooit meer dan een schim zal blijven.
Het gaat niet zozeer om het vertrouwen, maar om het imago dat de rechterlijke macht heeft.
Dat beeld lijkt mij behoorlijk vertekend.
Er wordt heel veel gezegd wat niet klopt.
Soms is het regelrecht onwaar.

Men zegt maar wat over de rechtspraak: de man die vanuit de bosjes onverhoeds een vrouw verkracht krijgt, zegt men, maar een werkstraf opgelegd.
Men schoffeert de rechter.
Dat rechters softe watjes zijn die zich door verdachten laten bedotten. Dat rechters geen benul hebben van hoe de echte wereld er uitziet. Door dat soort klets voelen wij, rechters, ons slachtoffer.
Daardoor ligt het zelfvertrouwen van de rechter in de kreukels.

Elke psycholoog kan vertellen dat als je eenmaal een negatief zelfbeeld hebt, je daardoor niet gemakkelijk uit de kuil komt waarin je jezelf hebt gemanoeuvreerd.
Het wordt dus tijd dat de rechter het negatieve zelfbeeld afschudt en uit de kuil klimt en laat zien waarvoor hij staat en wat hij doet. Immers: een rechter die vertrouwen in zichzelf heeft, straalt dat glashelder uit en is daardoor veel beter in staat om de aanvallen op de rechterlijke macht te pareren.

Dus de rechter kan ook anders reageren op allerlei kletspraat.

Laten we eens nagaan wie de rechter is.
Hij staat met beide voeten in de klei.
Hij is verre van wereldvreemd.
Sommige rechters zijn, als zij niet in de zittingszaal zitten, lid van de ouderraad van de school van hun kinderen.
Of ze doen in de vrije weekeinden vrijwilligerswerk.
Zij gaan met hun kinderen naar het sportveld, als ze zelf al niet sporten.
Rechters zitten ook wel eens in een kroeg.

Oftewel: de rechter is een gewoon mens.

Wat doet de rechter als hij in de zittingszaal zit?
Recht spreken.

Nogal wiedes.’
Maar wat houdt dat in?
De rechter kiest geen partij.
Verdachte, aanklager en slachtoffer zijn de rechter om het even.
Hij laat zijn oren niet hangen naar populistische prietpraat of naar andersoortige praat van wie dan ook.

De rechter slikt niet alles voor zoete koek.
De rechter is softie noch watje.

De rechter is ‘voor het leven benoemd’.
Dat wil zeggen dat de rechter niet bang hoeft te zijn dat zijn beslissing tot diens ontslag leidt.
Hij is dus onafhankelijk.
De rechter is ook integer: hij hoedt zich ervoor te verstrengelen met individuele belangen.

De rechter is een professioneel functionaris.
Hij kan zittingen leiden, luisteren naar het verhaal van de verdachte en hij herkent emoties. Zijn beslissing is het resultaat van een afweging van alle feiten en belangen die ter zitting naar voren zijn gebracht. Leidraad daarbij zijn uiteraard de wet en het recht.

Ziedaar de cocktail waarmee de rechter heden ten dage prima voor de dag komt!
En waarmee hij de waarden van de rechtstaat dient, hetgeen van levensbelang voor ons allemaal is.

We kunnen vaststellen dat de rechtspraak in verreweg de meeste zaken prima functioneert.
En dat daardoor de rechtstaat nog steeds naar behoren werkt.
De rechter weet dat eigenlijk ook wel.

Maar nu anderen nog.

De rechter moet dus meer en beter uitleggen wat hij doet en waarom hij dat doet.
Zou de rechter voor een verkrachting wel een werkstraf opleggen, dan moet hij zeggen dat juist die straf meer past bij een jongen van 16 die een meisje van 15 een tongzoen afdwingt dan bij de man uit de bosjes (in de juridische wereld heet de afgedwongen tongzoen een ‘verkrachting’, maar die is uiteraard van een geheel ander soort dan die door de man uit de bosjes).

Maar het kan natuurlijk niet alleen maar van de rechter komen.
Van journalisten die rechtszaken verslaan en die over het strafrecht schrijven, mag verwacht worden dat zij zich grondig documenteren en niet zo maar wat schrijven om de krant aan betere verkoopcijfers te helpen.
En de politicus verkoopt zich uiteindelijk beter als ook hij eerst kennis vergaart en dan pas wat zegt.

Als de rechtspraak haar sterke kanten uitstraalt en voor haar zwakke kanten niet gepikeerd wegloopt, kan de rechter met opgeheven hoofd zijn waarden uitdragen.
Zijn zelfvertrouwen wordt sterker en daarmee zijn zelfbeeld ook. Daarmee kan hij aan de slag om negatieve beeldvorming om te vormen in een positieve.

En een trotse rechtspraak, een kritische rechtspraak, laat zich niet zomaar wegblazen door lieden die het met de rechtsstaat niet bijster goed voor hebben.
En al helemaal niet door allerlei berichten dat het vertrouwen in de rechtspraak afneemt.

We hebben niets aan rechters die als bange konijntjes in de koplampen van de prietpraters kijken en uit angst voor hen andere beslissingen nemen dan ze op basis van de feiten en omstandigheden passend zouden vinden.

Fred Janssens
rechter

.

Fred Janssens was officier van justitie in Groningen. Halverwege 2010 stapte hij over van de staande naar de zittende magistratuur en werd rechter in de arrondissementsrechtbank van Assen.  Het bovenstaande verhaal schreef hij voor  Zittingszaal 14 en op persoonlijke titel.  

De rechters

Peiling onder rechters in Groningen en Drenthe

Rechters zoeken naar mogelijkheden om meer naar buiten te treden.
Ze willen af van het imago dat aan hun toga kleeft: dat ze wereld niet meer begrijpen. Zelf vinden ze dat onzin.
Woensdag worden op de rechtbanken van Groningen en Assen bijeenkomsten gehouden waar het publiek in gesprek kan gaan met rechters, onder de noemer: Meet the judge.

Vooruitlopend op deze bijeenkomsten heb ik 21 vragen en stellingen op papier gezet en die voorgelegd aan alle 94 rechters die werkzaam zijn bij de rechtbanken in Groningen en Assen.
Er reageerden 57 rechters.

Ook heb ik gevraagd waarover zij zich ernstige zorgen maken.
De twee onderstaande artikelen staan vandaag in Dagblad van het Noorden.

Rechters massaal tegen minimumstraf

De weerstand tegen de invoering van minimumstraffen onder rechters in Groningen en Drenthe is groot: op een na laten alle rechters weten hier tegen te zijn.

In een toelichting schrijft een van de rechters de invoering van minimumstraffen te beschouwen als een motie van wantrouwen van de politiek aan het adres van de rechterlijke macht. Ook het voornemen griffierechten (fors) te verhogen, valt niet goed. Sowieso zijn de rechters slecht te spreken over de politiek: om te scoren slaan volksvertegenwoordigers soms wild om zich heen, waardoor het gezag van de rechterlijke macht te grabbel wordt gegooid, luidt een reactie.

Op de vraag of de rechters vinden dat er een kloof bestaat tussen hen en de samenleving, antwoorden 27 rechters dat dat het geval is, maar een groot probleem vinden ze dat niet.
Twintig rechters zijn van mening dat van een kloof helemaal geen sprake is.

Alle deelnemers zeggen over zichzelf dat ze midden in de samenleving staan.
De helft geeft daarentegen wel aan een collega te kennen die ze zouden kwalificeren als ‘een tikkeltje wereldvreemd’.

TV-camera’s permanent in de rechtszaal?
Alleen bij bijzondere zaken.
Lekenrechtspraak?
Dat is geen aanwinst voor de rechtspraak.

Over het algemeen lijken de rechters redelijk tevreden.
De zwaarte van het werk is toegenomen, zeggen veertig rechters.
Twaalf van hen: valt best mee.

Meer dan de helft werkt wekelijks tot ‘bijna altijd’ over.
Iets minder dan de helft noemt de werkomstandigheden ideaal tot goed, 26 rechters geven aan die middelmatig te vinden en twee ‘onder de maat’.

Op de vraag of ze altijd al rechter hebben willen worden, zeggen 37 nee.
Maar nu ze rechter zijn, zeggen 43 van de 57 dat ze ‘altijd’ rechter willen blijven.

Moeten ze twitteren?
Geen denken aan, zeggen 38 rechters.

.

Rechters geloven niet in de kloof

De Groninger en Drentse rechters zouden vaker naar buiten willen treden, maar om nu regelmatig op de televisie te verschijnen, of met een foto in de krant?
Nee, liever niet.
Meer dan de helft van de rechters zegt daar moeite mee te hebben.
Sowieso zijn de rechters niet zo gecharmeerd van televisiecamera’s in de rechtszaal.
‘Televisie lokt wellicht uit dat partijen zich anders gaan gedragen.’
Camera’s kunnen wel, maar dan alleen in bijzondere zaken, vinden 48 van de 57 rechters.

De rechters uit Groningen en Drenthe lopen niet te koop met hun ambt, zo blijkt ook.
Op de vraag of ze op feestjes vertellen dat ze rechter zijn, zeggen 49 dat alleen te doen als het ter sprake komt.
Een rechter: ‘Alleen als het niet anders kan.’
Een ander: ‘Meestal zeg ik dat ik bij een bank werk.’

Er zou een kloof bestaan tussen de rechters en de samenleving.’
Rechters zouden vanuit een ivoren toren hun werk doen.
De rechters: onzin.
Zonder uitzondering zeggen ze midden in de samenleving te staan.
Een van de rechters zegt zich zorgen te maken over politici en journalisten die willen doen geloven dat er zo’n kloof bestaat.
27 Rechters menen dat er wel een kloof is, maar zij beschouwen dit niet als een groot probleem.

Staan ze onder druk van de publieke opinie, van de politiek of van de media?
Een enkele keer, geeft één rechter toe.
Uiteindelijk wel, zeggen zestien rechters.
Veertig vulden het vakje ‘nee’ in.

De rechters lijken over hun werk redelijk tevreden, ondanks de constatering dat de zwaarte van het beroep de laatste jaren is toegenomen.
Dat dat zo is, vinden 41 rechters, twaalf zeggen dat het wel meevalt.
Het merendeel (43) wil voor altijd rechter blijven.
Elf zeggen dat ze dat niet willen.
Een twijfelaar: ‘Als het zo doorgaat kan ik mij goed voorstellen dat ik iets anders ga doen.’

Over de werkomstandigheden verschillen de meningen.
Die zijn ideaal tot goed, zeggen 27 rechters. Een even grote groep noemt de werkomstandigheden middelmatig, twee vinden die onder de maat. Overwerk hoort er bij: 23 rechters zeggen ‘soms’ over te werken, 26 ‘wekelijks’ en acht rechters geven aan ‘altijd’ over te werken.
Lezen ze altijd het (vaak omvangrijke) dossier?
Ja, zeggen vijftig rechters.
Nee, erkennen de overige zeven.
Een ja-zegger: ‘Tijdsdruk is soms erg hoog, dus soms moet ik wel heel snel lezen.’

De samenvoeging van de drie noordelijke rechtbanken – in de loop van volgend jaar – vinden dertig rechters een goede ontwikkeling.
25 Rechters zijn het daar niet mee eens.
Iemand schrijft: ‘Het idee is dat we de kwaliteit verbeteren door groter te worden. In de zorg en in het onderwijs zien we dat dit niet werkt.’

Over twee actuele onderwerpen wijzen de neuzen van de rechters uit Groningen en Drenthe in dezelfde richting.
Het invoeren van minimumstraffen wordt massaal afgewezen.
Rechters moeten de vrijheid behouden om bij het opleggen van straf rekening te houden met persoonlijke omstandigheden van een verdachte.
Het voornemen om minimumstraffen verplicht in te voeren, is een motie van wantrouwen van de politiek aan het adres van de rechterlijke macht, schrijft een van de rechters.

Ook de aangekondigde verhoging van griffierechten wordt niet omarmd. Van de 57 deelnemers wijzen 34 de verhogingen af, 23 rechters kunnen zich iets bij een verhoging voorstellen, maar niet zo drastisch als het kabinet wil.
Een rechter merkt op dat de hele samenleving profiteert van goede rechtspraak.
Dat alleen de gebruiker moet betalen voor rechtspraak, is dus ‘volstrekte onzin’.
Veel rechters vrezen dat het recht minder toegankelijk wordt wanneer burger flink moet betalen om een procedure te kunnen beginnen.

Naast 21 vragen en stellingen, is gevraagd aan te geven waar zij zich ernstige zorgen over maken.
Van die gelegenheid is volop gebruik gemaakt. 41 Rechters klommen in de pen.

Ze maken zich zorgen over het niveau van sommige volksvertegenwoordigers, over de wijze waarop de politiek (parlement) tegen de rechterlijke macht aankijkt en over uitlatingen van gezagsdragers die het ‘instituut rechterlijke macht ondermijnen en daarmee ook onze democratie’.

Zorg is er ook over ‘het gemak waarmee in de media onjuiste feiten worden gepresenteerd’, over journalisten die de maatschappij willen doen geloven dat er een kloof bestaat en over de pers die maar blijft roepen dat rechters elitaire, wereldvreemde mensen zijn.
‘Als de pers daar op blijft hameren, valt het vertrouwen in de rechters weg.’
Journalisten, schrijft een rechter, zouden zich meer bewust moeten zijn van hun positie in de maatschappij.

Ook is er zorg over de verhuftering en verloedering van de samenleving waar mensen elkaar overschreeuwen en minder bereid zijn naar elkaar te luisteren.
Een rechter schrijft zich zorgen te maken over de grote aanhang van de PVV.

Woensdagavond (9 november) worden op de rechtbanken in Groningen en Assen bijeenkomsten gehouden waar iedereen in gesprek kan gaan met rechters (‘meet the judge’).
Is dat een goede manier om het publiek meer inzicht te geven in het werk van rechters?
Drie denken van niet, acht hebben ‘geen idee’ en 46 rechters vinden het een goed initiatief.
Een rechter noteert: ‘Ik doe daar aan mee in de hoop iets te kunnen doen tegen het negatieve imago.’

Rob Zijlstra

• de uitslag van de peiling (pdf)

waar rechters zich zorgen over maken – alle reacties (pdf)

.