Magistratelijke aarzeling

Het is donderdag en het wil niet vlotten in zittingszaal 14, het onderkomen van de meervoudige strafkamer van de Groninger rechtbank.
Om negen uur zitten drie verdachten met even zoveel advocaten klaar om te worden berecht.

Het zijn twee Delfzijlsters die in Winschoten wonen en een aangetrouwde mevrouw uit Duitsland.
Ze zouden drugs, hennep in dit geval, naar Hamburg hebben gesmokkeld.
Wel achthonderd kilo, zegt de officier van justitie later.
Dat is best veel.

Maar een half uurtje later staat het verdachte trio al weer buiten het gerechtsgebouw.

Een van de advocaten had lelijke dingen geroepen over het dossier, dat het dossier niet compleet is en dat dat wel moet.
De officier van justitie sputtert tegen, maar haalt bakzeil.
De advocaat heeft gelijk, zeggen de rechters.
De strafzaak wordt daarom aangehouden en de mopperende officier moet nu duizenden telefoontaps aan het strafdossier toevoegen.

De tweede zaak staat pas om half twaalf op de rol.
De verdachte is een 36-jarige man die wordt verdacht van het kraken van een Fiat Cinquencento in de parkeergarage onder het Holland Casino en van het stelen, op diezelfde dag, van een fiets.
Met een strafeis van vier maanden cel wordt hij een half uurtje na aanvang van de zaak teruggebracht naar het huis van bewaring in Ter Apel.

De man, geboren in het Marokkaanse Oujda, spreekt goed Nederlands, maar aan wat hij goed zegt is een half uur lang geen touw vast te knopen.
Hij wordt dertig keer onderbroken.
‘Waarom zou je een lekkere maaltijd gaan halen’, is zijn antwoord in alle ernst op de vraag van de rechters waarom hij het misschien wel heeft gedaan of niet.

Om half twee staat de derde en laatste zaak op de rol.
De laatste al omdat er ’s middags een feestje is.
Er worden vier al beëdigde magistraten geïnstalleerd – een rechter en drie officieren van justitie – en daar zit altijd een receptie vol borrelpraat in het gerechtsgebouw aan vast.

Rechtbankverslaggever wordt onrustig.
Want er is nog geen spoor van de opgeroepen verdachte.
Er is niet eens een advocaat.

Strafzaken zonder verdachten halen doorgaans niet deze plek, want wat moet het verhaal dan zijn?
Het ziet er naar uit dat ik met lege handen naar de krant moet.
Niks te schrijven, dat kwam nog nooit voor.

Voor alle zekerheid ga ik toch maar luisteren en dat zal een redding blijken.

Het verhaal dat in de bijna lege rechtszaal wordt verteld, is dat van de 29-jarige Ruud uit Oude Pekela.
Hij wordt bewusteloos in een woning in Stadskanaal aangetroffen.
Als de gewaarschuwde politie arriveert, zeggen aanwezigen dat de man GHB heeft genuttigd. Hij wordt met spoed overgebracht naar het ziekenhuis.

De agenten ter plaatse doen onderzoek.
In de auto van de bewusteloze Ruud is het raak: de agenten vinden zakjes vol XTC-pillen, speed, een flesje met lobbig water dat na onderzoek inderdaad GHB is, plastic zakjes met sluitstrip waarin doorgaans drugs wordt verkocht en een nauwkeurig weegschaaltje.

Ofwel, de uitrusting van een drugsdealer.
De boel en de auto worden in beslag genomen.
Niet lang daarna meldt de inmiddels weer levende Ruud zich op het politiebureau.
Hij wil zijn auto wel terug.
De man erkent bij de politie dat de aangetroffen drugs en ook het dealermateriaal van hem is.
Hij geeft toe te drugshandelen, maar alleen vrienden zijn zijn klanten.

De politie schrijft het op zoals dat hoort en levert het dossier in bij het openbaar ministerie. Daar wordt de zaak gewogen en besloten een dagvaarding naar de drugsdealer te sturen, inclusief de oproep op donderdagmiddag om half twee in zittingszaal 14 te verschijnen om daar terecht te staan.

Nu Ruud er niet is en ook geen advocaat om het voor hem op te nemen, lijkt de afhandeling van de strafzaak een kwestie van een hamerstuk.

Maar dan.

De officier van justitie zegt geplaagd te worden door grote aarzeling.
Want, zo vraagt hij zich af: is het bewijsmateriaal dat de politie heeft verzameld, wel rechtmatig verkregen?
Het is een magistratelijke vraag waar hij ook zelf antwoord op geeft: neen, niet rechtmatig.

Toen de agenten de drugsman bewusteloos aantroffen, was hun eerste taak hulp te verlenen. In die sfeer werd de auto doorzocht, om te kijken of daar aanwijzingen waren die de nare toestand van de man konden verklaren.
Zo werd de drugs gevonden en daarmee veranderde Ruud van een patiënt in een verdachte.

Maar de doorzoeking van de auto gebeurde vanuit het oogpunt van hulpverlening. Een redelijk vermoeden dat de man ook drugsdealer was, kon er op dat moment niet zijn.
En bij een gebrek aan dat vermoeden, een redelijk vermoeden van schuld, had de politie de drugs niet mogen vinden.

Kortom, zo betoogt de officier van justitie als ware hij de advocaat die er niet is, het bewijs is onrechtmatig verkregen en dan zegt de wet dat het niet mag meetellen.

Resteert de gave bekentenis.
De aanklager: ‘Die kan ook niet helpen, want een bekentenis zonder steunbewijs is onvoldoende bewijs.

De officier van justitie besluit zijn pleidooi: ‘De aarzeling die mij plaagt moet in dit geval uitpakken in het voordeel van de verdachte. En hoewel deze zaak dubieuze kanten heeft, eis ik vrijspraak.’

Rob Zijlstra

UPDATE – 24 september 2009 – uitspraak
De politie heeft de wet – artikel 2 politiewet – te ruim toegepast. De auto werd doorzocht nadat het slachtoffer (de latere verdachte) al was afgevoerd. De hulpverlening door de politie was daarmee klaar, er was vervolgens geen reden de auto te doorzoeken. Het bewijs – de gevonden drugs – is daardoor onrechtmatig verkregen.  Aldus de rechtbank in het vonnis. Vrijspraak dus.

het vonnis (bron: rechtspraak.nl)

Schiedamse toestanden

Ze was vanuit het midden van het land naar Groningen gekomen om het vonnis van de rechtbank aan te horen.
Zegt dat het voor anderen misschien een omgekeerde wereld is, maar voor haar heel belangrijk.
Nee, ze weet niet zeker of de rechter haar brief heeft gelezen.
Eigenlijk denkt ze van niet. Ze kreeg de brief terug, met geopende envelop, dat wel. Maar ze heeft begrepen dat het niet mag, dat het niet mag dat rechters nadat de zitting is gesloten, nog nieuwe informatie krijgen.

Waar ze zo bang voor is, dat gebeurt.
Ze wordt vrijgesproken.
Teleurgesteld verlaat ze de zittingszaal.

Verdachte smeekt om veroordeling is natuurlijk een mooie kop in de krant, maar het verhaal er achter is helmaal niet zo mooi.

Els deed aangifte, maar wat ze aangaf, was niet waar.
Hij had haar niks gedaan.
Het doen van een valse aangifte is strafbaar.
Maar bij strafbaar moet wel opzet in het spel zijn.
Per ongeluk is doorgaans niet strafbaar.

De rechtbank zegt dat de overtuiging ontbreekt dat Els vals heeft gehandeld.
Wat ze vertelde, was op dat moment haar waarheid, ook al was het niet zo.
Els lijdt aan een posttraumatische stressstoornis.
Ze heeft herbelevingen van nare dingen uit haar jeugd.
Niet altijd kan ze bepalen of zo’n herbeleving echt is of niet.

Misschien verliet Els de rechtszaal ook wel heel wanhopig.
‘Ik wil verantwoordelijkheid dragen voor wat ik heb gedaan en niet worden neergezet als een gestoorde vrouw die er niets aan kon doen’, staat in de brief. En ook dat ze met een vrijspraak niet kan leven.

Omdat ze ook zijn huis, veel later, was binnengedrongen, terwijl hij daar niet van gediend was, kreeg ze wel een boete van 170 euro, maar die geheel voorwaardelijk.
Dan blijven er niet veel blaren over om op te zitten.

Man zat onschuldig in de gevangenis, is ook een mooie krantenkop.
Negentien maanden lang nog wel.
Want dat was het nare gevolg van de valse aangifte van Els.

Harm kreeg twaalf maanden celstraf en tbs met dwangverpleging wegens de vervalste poging tot doodslag. In hoger beroep werd hij hier van vrijgesproken, maar veroordeeld voor mishandeling: drie maanden waarvan twee voorwaardelijk.
Maar toen was het al twintig maanden te laat.

Harm zegt dat hij is veroordeeld, terwijl justitie wist dat de aangifte van Els niet deugde.
Al drie weken na de valse aangifte, stapte Els naar de politie om te vertellen dat het niet waar was, dat er iets anders aan de hand was.
Dat ze zelf het probleem was, niet hij.

De politie stuurde haar weg.

Later bezocht ze de politie samen met een onderwijzeres, die dan zou kunnen getuigen. Mocht niet helpen.
Ze schreef brieven, ook naar justitie.
Vlak voordat de rechtbank uitspraak doet zegt ze: ‘Ik ben hier al zo lang mee bezig.’

Els schuldig vrijgesproken
Harm onschuldig veroordeeld.

Ik denk niet dat de magistratuur Harm een bos bloemen met een kaartje d’r aan zal sturen bij wijze van verontschuldiging.
‘Sorry voor al die maanden.’
Zoiets doen magistraten niet.

Misschien is een bloemetje niet eens voldoende, omdat dit bijna Schiedamse toestanden zijn.

Rob Zijlstra

Een knuffel

nederland

Het is niet zo dat als je niks gedaan hebt, je ook niet te vrezen hebt.
Er bestaan landen.

Het onderstaande verhaal speelt zich af in Nederland, een klein land in het noorden van Europa.
Harm heeft daar, op een kwade dag, geprobeerd zijn vriendin Els van het leven te beroven.
Harm zou met haar hoofd op de grond hebben gebonkt.

Els stapt naar de politie die de relatieruzie juridisch vertaalt naar een poging tot doodslag.
Harm wordt opgepakt en vervolgd.
Wettig en overtuigend, oordeelt de rechtbank te Groningen in koor met justitie
Op 20 december 2004 wordt de dan 26-jarige Harm veroordeeld tot twaalf maanden gevangenisstraf en tbs met dwangverpleging.
Harm is een gevaar en de samenleving daar aan de Noordzee dient beschermd.

Harm dacht dat hij niet te vrezen had, want hij had niks gedaan.
Dus stapt zijn advocaat naar het gerechtshof in Leeuwarden.
Geen poging tot doodslag, zegt het hof, maar een mishandeling, eenvoudig van aard.
Het arrest (uitspraak): drie maanden celstraf, waarvan twee voorwaardelijk.

Arme Harm.
Hij zat op dat moment negentien maanden vast, in de vorm van zijn opgelegde straf en de tijd die hij moest vastzitten in afwachting van een plek in een tbs-kliniek.
Het is een land met wachtlijsten.

Was er echts niet meer aan de hand geweest?
Hadden de rechters zich destijds dan zo in de luren laten leggen?

In 2007 dendert Harm bij Els die ondertussen in Enschede woont de woning binnen. Huisvredebreuk, roept Els en stapt in juni van dat jaar naar de regiopolitie Twente.
Kennelijk is Harm niet zo’n lieverdje.

Maandag zat Els in het verdachtenbankje.
De rechters die haar destijds met justitie als slachtoffer beschouwde, zien haar nu als de verdachte.
Els heeft, zegt justitie nu, de boel belazerd.
Els heeft tot twee keer toe een valse aangifte gedaan.
Harm had haar destijds, in 2004, alleen maar een duw gegeven.
Van die huisvredebreuk, drie jaar later, was ook niks waar.

Wie aangifte doet van een strafbaar feit, maar weet dat dat helemaal niet is gepleegd, wordt gestraft.
Dat wil zeggen, dat kan.
Artikel 188 van het wetboek van strafrecht.
Net als Harm kan Els daar twaalf maanden cel voor krijgen.

Els heeft het niet gemakkelijk in het verdachtenbankje.
Het duurt niet lang of emoties maken zich van haar meester.
Door haar tranen heen roept ze dat er zoveel in haar leven van 28 jaar is gebeurd, veel geweld, een opeenstapeling, en dat ze dat verdomme steeds maar weer opnieuw moet vertellen, dat haar vader twee mensen heeft vermoord, dat ook haar moeder veel heeft moeten meemaken.
Ze huilt, woord voor woord: ‘En het gaat maar door.’

Els was in therapie gegaan.
Posttraumatische stress-stoornis.
Els lijdt aan herbelevingen.
Weet niet of herinneringen echt zijn.

De officier van justitie vraagt: ‘Toen u uw verklaringen aflegde, was dat toen uw waarheid?’
Els: ‘Ja.’

Harm wil een schadevergoeding van 7500 euro.
Els zegt dat ze dat met haar weekgeld van 50 euro niet kan betalen, al zou ze willen.

De officier zegt dat ze de overtuiging heeft dat Els in 2004 en in 2007 heeft gelogen, maar niet de opzet heeft gehad dat te doen.
Je kunt wel iets doen dat niet mag, maar als dat niet met opzet is – niet willens en wetens – dan telt het niet.
Officier van justitie: vrijspraak.

In oktober 2007 dringt Els wederrechtelijk de woning van Harm binnen.
Ze wil een knuffel.
– ‘Ik kon het niet loslaten.’
Hij dreigt met de politie, zij met de trein.

Justitie stuurt haar voor dit strafbare feit een acceptgiro van 170 euro.
De officier van justitie zegt dat dit laatste wel wettig en overtuigend kan worden bewezen. Zij eist opnieuw 170 euro, maar die – gezien het weekgeld – geheel voorwaardelijk.
De vordering van Harm moet vanwege de vrijspraak-eis worden afgewezen.

Ja, het was een nare geschiedenis daar in Nederland, in een land waar de mensen desondanks nog altijd denken dat als je niks hebt gedaan, er ook niet te vrezen valt.

Rob Zijlstra

uitspraak op 6 juli

Rituele dans (2)

In augustus vorig jaar schreef ik over een bloedlinke man met grote voeten in smetteloos witte gympen.
Het ging over Koen, toen 48 jaar geleden in Amsterdam geboren.
In 1990 werd hij veroordeeld tot achttien maanden celstraf en tbs met dwangverpleging.
In 1999 – dus na negen jaar behandelen – mocht hij voor het eerst en onder begeleiding op proefverlof. Dat ging mis: in het bos verkrachtte hij zijn begeleidster van de Groninger Van Mesdagkliniek.

Daar kreeg hij een nieuwe tbs voor.
In 2005 werd de behandeling gestaakt. Sindsdien zit hij ongeneeslijk geestesziek, maar springlevend op de longstay van tbs-kliniek Veldzicht.
Koen kijkt ondertussen uit naar een nieuw begeleid proefverlof ‘opdat ik dan ook weer even deel uitmaak van de maatschappij’.

In augustus vorig jaar verzocht de officier van justitie de rechtbank de tbs-status met twee jaar te verlengen.
Omdat Koen onverminderd bloedlink is.
Zijn advocaat Niek Heidanus zag (en ziet) een onrechtmatigheid: de rechtbank heeft destijds bevolen dat Koen moet worden behandeld. Aan dat bevel wordt, nu Koen (met instemming van de minister van justitie) op de longstay zit, geen gehoor gegeven. Dat is in strijd met de uitgangspunten van het tbs-systeem.

Komt bij dat Koen zich op de longstay niet kan bewijzen, bijvoorbeeld dat het hem ietsje beter gaat. En daardoor hebben de rechters ook niets om te toetsen, terwijl de rechtbank dat wettelijk verplicht eens in de twee jaar wel moet doen.

De tweejaarlijkse verplichte rechterlijke toets is daarmee verworden tot een rituele dans.
Zei Heidanus in augustus vorig jaar.
Mee eens, zei toen ook de officier van justitie.
Wij ook, zeiden de rechters.

Dat was geen groot landelijk krantennieuws – dat is het pas als Koen (weer) de fout in gaat – maar wel opmerkelijk.
De rechters bepaalden dat er twee deskundigen van kaliber gezocht moesten worden die wellicht iets zouden kunnen zeggen of met Koen nog iets valt aan te vangen.
Opmerkelijk omdat de rechtbank helemaal niet gaat over de inhoud van de tbs-behandeling.
Rechters leggen tbs op en kunnen die verlengen (of niet, meestal wel). Punt.
De rest is aan de witte jas.

Het besluit van de rechtbank betekende dat de zitting van augustus vorig jaar werd aangehouden.
Tot vorige week.

Daar zat Koen weer.
Ik keek en dacht dat ik de vorige keer misschien een tikkeltje had overdreven betreft de voeten. Misschien had hij toen gewoon te grote schoenen aan.
Leenschoenen. Die zie je wel vaker bij gedetineerden.

Hoe dan ook.

Koen zei dat hij de rapporten van de deskundigen van kaliber met tranen in de ogen had gelezen.
Want in die rapporten stonden akelige dingen, maar ook dat de behandeling die hij heeft genoten, niet je van het is geweest.
Niet goed.
En dat er sprake is van een lichte vooruitgang.
En dat hij die ook maar ouder wordt een kans moet krijgen die vooruitgang, hoe klein ook, verder uit te bouwen.

Dat betekent dat twee witte jassen van kaliber zeggen dat Koen niet langer thuishoort op de longstay, maar terug moet keren naar een tbs-behandelafdeling.
Tijdens de zitting zijn de twee kalibers (tot eigen verbazing, hoor ik later) niet aanwezig. In zittingszaal14 zit daarentegen wel de psychiaterman van Koen.

Die zegt desgevraagd tegen de rechters dat het rapport hem heeft verrast.
En met hem heel de Veldzicht-kliniek.
Zegt ook dat heel de kliniek nog steeds achter het besluit staat Koen niet meer te behandelen.
En dat alleen de staatssecretaris de longstay status kan opheffen.
Dus wat wil iedereen nou eigenlijk.

Dit laatste zei hij niet, maar zo klonk het wel.

De rechters zeggen en vragen: ‘Het blijft wat lastig, maar er ligt dankzij ons nu wel een rapport. Gaat u daar nou mee doen?’
De psychiaterman: ‘We gaan bekijken wat we er mee kunnen.’

Advocaat Niek Heidanus roept dat het bespottelijk is dat rechters niets te zeggen hebben.
En dat hij niet veel vertrouwen heeft in de man van Veldzicht.
Dat diezelfde zij die de rechtsgang belemmeren, nu mogen bepalen of Koen weer wordt behandeld.

Volgende week doet de rechtbank uitspraak inzake de verlenging van de tbs van Koen. Want daar ging het uiteindelijk alleen maar over.
Die verlenging zal er wel komen.
Dat denkt Koen zelf ook.
Zegt: ‘Het gaat nog niet helemaal goed met mij.’

Hij gaat hoe dan ook met of zonder toekomst zijn twintigste jaar in.

Rob Zijlstra

 

UPDATE – 10 juni 2009 – uitspraak
De rechtbank zet de deur voor Koen op een kier.
Niet de buitendeur, maar de deur tussen de longstay-afdeling en de behandel-afdeling.
U hoeft dus de minister niet naar de Kamer te roepen.

Al met al zeggen de rechters, ligt het in de rede dat de rechtbank zich zo spoedig mogelijk laat informeren over de noodzaak van het voortduren van de longstay-plaatsing…
Om invulling te geven aan ‘zo spoedig mogelijk’ heeft de rechtbank de tbs-status niet met twee jaar zoals was gevorderd, maar met één jaar verlengd.

Dat betekent in dit geval dat er binnen twee maanden een nieuwe verlengingszitting komt. Op die zitting moet Veldzicht opnieuw verantwoorden waarom Koen niet in aanmerking komt voor behandeling.
Advocaat Heidanus: ‘Het is een klein stapje, maar toch…’

Justitie laat omstreden vonnis verjaren

nieuwsbericht

Het openbaar ministerie (OM) laat het vonnis dat werd uitgesproken over een overleden verdachte verjaren. Een 61-jarige man uit Groningen werd vorige week naast een werkstraf veroordeeld tot het betalen van 112.000 euro aan de Staat. Het ging om geld dat hij zou hebben verdiend met de handel in hennep. Drie dagen voordat het vonnis werd uitgesproken, overleed de man. De rechtbank noch justitie waren hier van op de hoogte.

Justitie, belast met de uitvoering van vonnissen, zat met de kwestie in de maag. De wet bepaalt dat een vordering van crimineel geld niet vervalt wanneer de verdachte komt te overlijden. Dat betekent dat nabestaanden de rekening krijgen gepresenteerd.

In dit geval zal dat niet gebeuren. Hadden wij geweten dat de man was overleden, dan had de rechtbank het vonnis niet uigesproken en dan was er dus geen veroordeling, zegt OM-woordvoerster Kirsten Smit. Door het vonnis ‘ter verjaring op te leggen’ lost het probleem zich uiteindelijk – na vijftien jaren – vanzelf op.

Het vonnis (update)

 

 

 

groninger rechters
groninger rechters

Het openbaar ministerie weet nog steeds niet – het is woensdagmiddag – wat er moet gebeuren met het vonnis dat maandag werd uitgesproken over de man die vorige week vrijdag overleed.

 

Voorlopig beschouwt het openbaar ministerie het vonnis als niet uitvoerbaar. Omdat het te herroepen is.

 

Woordvoerster Kirsten Smit zegt hierover vrij vertaald het volgende:

 

Wij kunnen pas tot executie overgaan als een vonnis onherroepelijk is geworden. Wanneer er geen hoger beroep wordt aangetekend, wordt een vonnis automatisch twee weken na het uitspreken onherroepelijk.

Onze (zegt Kirsten) vraag is nu of een vonnis wel onherroepelijk kan worden als de mogelijkheid tot hoger beroep er niet is geweest, dan wel niet kan zijn geweest.

 

Justitie in Groningen heeft de kwestie voorgelegd aan deskundigen, zeg maar aan de bedrijfsjuristen van justitie. Die schijnen in Den Haag te wonen.

 

Een en ander betekent wel, zegt nog altijd Kirsten Smit, dat de nabestaanden zolang wij het niet weten, geen rekening krijgen gepresenteerd.

 

Voor de rechtbank ligt de zaak eenvoudiger.

De woordvoerder: ‘Wij kunnen er niets aan doen. Wij hebben naar eer en geweten gehandeld.’

 

rob zijlstra

 

 

Het vonnis

Een verslaggever is een observator.

Hij (zij ook) kijkt en luistert en doet dan verslag van datgene hij heeft gadegeslagen en gehoord.

Dit is een vrij traditionele omschrijving.

 

Eens was ik geen rechtbankverslaggever, maar stadhuisverslaggever en daarvoor ook gemeentehuisverslaggever.

Wel meegemaakt dat collega-verslaggevers deelnamen aan de politieke beraadslagingen van de gemeenteraadsleden. Of dat een collega-verslaggever tijdens een begrotingsvergadering ingreep omdat het zo niet langer kon. Dat de burgemeester de boel vervolgens schorste en de collega-verslaggever in zijn kamer ontbood voor nader overleg. En dat de burgemeester bij de hervatting van de vergadering zei dat het anders moest, omdat het zo echt niet langer kon.

 

Als rechtbankverslaggever moet je net als alle andere toeschouwers in de zittingszaal de mond houden. Dat heeft niets met objectiviteit te maken, maar alles met het spel van de strafrechtspraak.

 

Toen ik maandagochtend thuis de krant opensloeg, zag ik het meteen.

Vrijdag overleden, op 61-jarige leeftijd na een korte, maar hevige ziekte.

De volledige naam klopt, de geboortedatum ook.

Ik zei aan de ontbijttafel: ach, kijk nou eens.

Dit is de man die ik Jaap heb genoemd in mijn stukje van twee weken geleden. Over hem moet de rechtbank vanmiddag vonnis wijzen.

De ontbijttafel vroeg: Maar kan dat dan, vonnis wijzen op maandagmiddag als iemand op vrijdag is overleden?

 

Langzaam werd het maandag een uur, het tijdstip van de uitspraken.

Om een uur moesten we nog even wachten.

Op het lijstje van de bode pronkte zijn naam.

Een eveneens wachtende advocate vroeg belangstellend of er nog interessante zaken waren vandaag.

Ik zei: ‘Nog niet. Maar misschien dat de rechtbank zo meteen iemand gaat veroordelen die al overleden is.’

De wachtende advocaat: ‘Maar dat kan niet.’

 

Natuurlijk vroeg ik mij achteraf af of ik het even had moeten melden, vooraf.

Natuurlijk niet, want dat is niet mijn taak.

Natuurlijk niet, want ik ben slechts toeschouwer die de mond moet houden.

Natuurlijk niet, want misschien hadden de rechters het ’s ochtends zelf wel gelezen.

 

Even later gebeurt wat niet kan.

 

Als het is gebeurd, kijk ik de rechter aan en vraag of ik even iets mag zeggen.

Ik zeg dat de rechtbank zojuist een man heeft veroordeeld die vrijdag is overleden.

Oei, zegt de rechter.

Oei ook, de officier van justitie.

 

In de advocatenkamer – zeg maar de raadkamer voor de rechtbankpers – wordt het wetboek van strafrecht opengeslagen.

 

Artikel 69.

Artikel 75.

 

Daar staat het. Wie dood is hoeft de gevangenis niet meer in of een taakstraf uit te voeren, maar moet wel het wederrechtelijk verkregen geldbedrag betalen dat hem in rechte is ontnomen.

En laat nou de rechtbank net hebben uitgesproken dat Jaap 112.000 euro moet doneren aan de Staat der Nederlanden.

Jaap zijn hennepgeld.

 

Oei, zegt nu ook een advocaat.

Oei, omdat de nabestaanden nu wel eens een probleem kunnen hebben.

De advocaat zegt dat de advocaat van de man de rechtbank voor het uitspreken van het vonnis had moeten inlichten.

Dan was er geen vonnis geweest en nu niks aan de hand.

Maar nu wel, want de man had geen advocaat.

 

Oei, denkt tot slot ook de rechtbankverslaggever.

Dus als ik vooraf mijn mond had opengedaan, niet zo braaf had gezwegen – dan had ik wellicht de nabestaanden 112.000 euro kunnen besparen?

Nee, zegt later een officier van justitie, dan had je de Staat der Nederlanden zo’n bedrag onthouden.

 

Twee weken geleden schreef ik over Jaap en zijn zaak.

Die was ook al zo merkwaardig.

Ja, zelfs onrechtvaardig.

Vond ik.

 

Rob Zijlstra