vrijspraak

De ratsmodee

Er zijn te weinig strafrechters
in Groningen (in Noord-Nederland)
om recht te spreken.

Zou de rechtbank in Groningen een winkelstraat zijn, dan zou die straat zich kenmerken door lelijke leegstand. Of een school. Zou de rechtbank in Groningen een school zijn, dan zouden ouders (en/of verzorgers) steen en been klagen vanwege de grote uitval van lesuren. De inspectie zou rapporteren dat er meer lessen niet doorgaan dan er worden gegeven.

De rechtbanken in Groningen, in Assen, in Leeuwarden – samen de rechtbank Noord-Nederland – zijn geen winkelstraten met dichtgetimmerde winkelpanden, geen scholen met lerarentekorten, maar instituten waar geschillen worden geslecht en waar wordt gezocht naar de waarheid (een waarheid). En dat allemaal om de boel om ons heen een beetje soepeltjes te laten verlopen. Functioneert de rechtspraak niet, dan gaat de samenleving naar de ratsmodee.

Onheilspellend begin, Zijlstra.
Gaat het niet goed dan?
Niet helemaal.

Er zijn te weinig strafrechters in Groningen (in Noord-Nederland) om recht te spreken. De boel loopt nog niet in het honderd, maar het kraakt hier en daar duchtig. Op de rechtbank noemen ze het een gebrek aan zittingscapaciteit. Dat suggereert dat er te weinig zittingszalen zijn, waar dan niemand iets aan kan doen. Maar dat is niet zo. Er is ruimte zat. Het zit ’m in de mensen.

Probleem van nu is ook dat als er iets bijzonders aan de hand is, iets dat afwijkt, dan wreekt zich dat direct. Zo wordt het reguliere misdaadwerk in de rechtbank van Groningen al weken gegijzeld door een grote strafzaak. Die zaak gaat over vieze olie en valse transporten tussen Farmsum (Delfzijl), Lelystad, Roosendaal en Duitsland. De vermeende strafbare feiten zouden zijn gepleegd tussen 2006 en 2010.

Het onderzoek duurde jaren en kostte naar verluidt miljoenen euro’s. In zittingszaal 14 is speciaal een grote kast geplaatst om alle dossiers te kunnen bergen. Tegen de twee verdachte directeuren zijn boetes en werkstraffen geëist. Een van de betrokken bedrijven, North Refinery, is al jaren failliet. Het strafproces
begon begin maart, afgelopen week zijn (voorlopig) de laatste woorden gesproken. De uitspraak is over een paar maanden. Daarna volgt hoger beroep, vast ergens in 2020.

Los van direct betrokkenen is niemand in deze voor buitenstaanders onnavolgbare kwestie geïnteresseerd. Uiteraard moet in zo’n zaak recht worden gesproken, kennelijk ook als dat ten koste gaat van het gewone strafwerk. En dan moeten de rechters die er wel zijn zich ook nog eens bezighouden met strafzaken in de kleinste categorie.

Zo was er afgelopen week een man die een andere man had geslagen, zoals mannen dat al honderden jaren doen en dat (heb ik gehoord) de komende eeuwen ook blijven doen. Er was een zaak die draaide om openlijk geweld op de skatebaan. Een mishandeling (klap met vlakke hand) in een scheidingsprocedure nadat hij de hond had uitgelaten en twaalf flessen bier had gedronken. Er was wederspannigheid, een bedreiging, een eenvoudige belediging van een ambtenaar, de gebruikelijke diefstallen (croissantjes, Groninger metworst, kleding).

En de 65-jarige mevrouw L. moest komen opdraven.

Mevrouw L. wordt beschuldigd van vernieling. Wat ze heeft gedaan? Zij heeft Guusje laten castreren en dat had ze niet mogen doen want Guusje is niet van haar. De castratie is daarmee wederrechtelijk. Het baasje van Guusje had aangifte gedaan en toen moest mevrouw L. op het politiebureau komen. Er werd proces-verbaal opgemaakt en mevrouw L. werd aangemerkt als verdachte van het vernielen van de kater. Zo zeggen juristen dat. Volgens de officier van justitie trof de eigenaresse haar kat in een andere staat aan dan ‘ie die ochtend de deur was uitgegaan. Met ballen weg, zonder ballen terug.

De eigenaresse van Guusje zit als slachtoffer achterin de rechtszaal, mevrouw L. in de verdachtenbank, voorin. De eigenaresse kijkt triomfantelijk nu het er naar uitziet dat er eindelijk recht wordt gedaan. Mevrouw L. moet af en toe huilen want ze vindt het verschrikkelijk dat ze voor de rechter moet verschijnen.

Mevrouw L. zegt dat ze te goeder trouw heeft gehandeld. Dat haar motieven zuiver waren. Bona fide. Niet Mala fide zoals de verdenking luidt. Ze dacht dat Guusje een zwerfkat was. In 2015 had ze Guusje als eens verzorgd. Ze had het beestje toen gevonden met een grote wond boven op de kop. Ze had de wond schoongemaakt en magere Guusje wat te eten gegeven. Guusje was daarna blijven komen. Ze gaf hem vaker te eten en ook een keer een wormenkuur want dat moet af en toe bij een kat.

In de buurt had ze navraag gedaan, maar niemand wist van wie Guusje was. Ze belde de dierenambulance. Of er een kater in de buurt werd vermist? Niet. Na een tijdje had ze een bandje met een kokertje om de nek van de kat gedaan met in dat kokertje een briefje. Of de eventuele eigenaar contact zou willen opnemen. Niet lang daarna was het kokertje verdwenen, maar een eigenaar meldde zich niet. Toen na twee maanden guur weer de winter aankondigde, besloot mevrouw L. Guusje in huis te nemen.

Om geplas en katergestink tegen te gaan nam ze Guusje mee naar de dierenarts voor een ‘je-weet-wel-ingreepje’. Iedereen blij. Zou je denken.

Maar de buurt was helemaal niet blij. Buurtgenoten kalkten op de muur van het schuurtje van mevrouw L. dat ze een kattenmoordenaar is en dat ze tbs moet krijgen. Of een rolstoel. Er volgden bedreigingen en pogingen om haar omver te rijden met een auto. In het dossier staat dat de buurtagent heeft bevestigd dat tegen mevrouw L. een hetze wordt gevoerd. Er zijn camera’s opgehangen en burgemeester Peter den Oudsten is ingeschakeld om te bemiddelen. Recent was er een kort geding waarbij een aantal buurbewoners een contactverbod kreeg opgelegd.

De ondervraging van mevrouw L. door de politierechter duurt een half uur lang. Daarna doet de officier van justitie haar verhaal. Zij wikt en weegt en zegt uiteindelijk dat ze mevrouw L. het voordeel van de twijfel geeft. De eis: vrijspraak. De politierechter is zonder twijfel. Zij zegt tegen mevrouw L.: ,,U heeft te goeder trouw gehandeld en ik zie geen enkele reden u te veroordelen.’’

De rechter merkt nog op dat ze hoopt dat de situatie in haar woonomgeving nu snel zal verbeteren. De eigenaresse van Guusje haast zich de rechtszaal uit, terug naar de buurt waar de pesterijen nog niet voorbij zijn.

Aan eigenrechters was nog nooit een gebrek.

Rob Zijlstra

Geld & alcohol

het verdriet van Yanar
zit verwerkt in een
getatoeëerd traantje
onder zijn oog

 

Misschien is het wel waar dat in ieder mens van nature een paar gram slechtheid schuilt en dat daarom misdaad bestaat.
Zo er ook plastic in zee drijft.
Wie weet.
Met grotere stelligheid durf ik op te schrijven dat er misdaad onder ons is als gevolg van geld – te weinig of te veel – en – idem – alcohol.

Nooit zal ik de verdachte Peter vergeten, toen 31 jaar.
Bij de Spar had hij rode wijn gestolen, bij de iets verderop gelegen Gall&Gall aan het pleintje was hij gaan slaan om een fles whisky te bemachtigen.
Met de buit holde hij naar huis waar hij – eenmaal dronken – zijn geliefde in elkaar beukte.

Op een dag pikte zij dat niet meer en belde gebutst de politie.
Agenten kwamen opdraven en hielden Peter aan terwijl hij diep was weggezakt in zijn zoveelste roes.
Rond zijn bed een zee aan lege (en gestolen) drankflessen.

Peter was een man met vermogende ouders.
Om aangenaam te leven kreeg hij 15.000 euro per maand toegeschoven.
Daar hoefde hij niets voor te presteren.
Toen zijn ouders kwamen te overlijden, vloeide er een paar miljoen naar zijn bankrekening.
Waarom dan stelen met al dat geld, met al die euro’s?
Simpel: ’t was op.
Verbrast. Opgezopen. Verpist.
Peter had niets meer.
Zelfs de schadeclaim van Gall&Gall, twee tientjes, kon hij als ex-miljonair niet betalen.
De duurste afkick-klinieken in het buitenland had hij bezocht, daar waar ook benevelde wereldberoemdheden komen, maar geholpen had het niet.
Hij moest wel stelen.

Is het niet de drank, dan is het wel het geld.
Yanar (20) heeft nooit vermogende ouders gehad.
De ouders die hij wel had, zijn dood.
Oma voedde hem op.
Na een lange vlucht uit Azerbeidzjan belandde hij in Noord-Groningen, niet ver van waar ook dronken Peter was neergestreken.
Een stage bij de V&D in Groningen mislukte omdat hij er van veel te vroeg tot veel te laat en altijd te hard moest werken.

Yanar had 65 euro per week te besteden.
Dat was per week te weinig, daar hij met dit geld ook zijn dagelijkse jointjes moest financieren.
Aan de bewindvoerder had hij om opslag gevraagd, een beetje extra maar.
Over een week zou oma jarig zijn en hij wilde iets voor haar kopen.
De bewindvoerder hield voet bij stuk en gaf geen cent extra.
Yanar zei daarop boos dat hij dan op zijn eigen manier geld zou gaan halen.

Kort daarna, op nieuwjaarsdag, stapte hij met een muts over zijn hoofd en een vuurwapen in de linkerhand de frietkraam in Tuikwerd in Delfzijl binnen en eiste met trillende knieën het geld in de kassa op.
De doodgeschrokken frietmedewerkster drukte op het stille alarm en griste wat bankbiljetten bijeen.
Met honderd euro ging Yanar er vandoor.

Nee, zegt hij tegen de rechters, het is niet de manier.
Maar wat moest hij dan?
Hij had geldnood. Dus.
En nu?
Hij zegt: ‘Oma is teleurgesteld.’
En verder?
Hij wil met rust gelaten worden, zijn straf uitzitten en dan werken.
En als dat niet lukt gaat hij terug naar zijn land, dan wil hij weg van hier, van hier waar grote mensen alleen maar onzin praten.

Jawel.
Hij heeft wel aan dat meisje van de frietkraam gedacht.
Maar pas later.
Niet toen hij het ging doen, want dan denk je niet aan zoiets.
Nu wel.
De reclassering waarmee hij niets te maken wil hebben, schreef dat Yanar een kwetsbare jongeman is die al veel in zijn leven heeft moeten meemaken en de neiging heeft dat te overschreeuwen.
Het verdriet van Yanar zit verwerkt in een getatoeëerd traantje onder zijn oog.
Wat de officier van justitie betreft hoeft Yanar de komende tijd te werken noch oplossingen te verzinnen voor geldnood.
Hij eist vier jaar gevangenisstraf.

Hannes combineert geld en drank.
Hij steelt al jaren als gevolg van geldnood ten behoeve van drank.
Eens was hij goed voor twee flessen jenever per dag, tegenwoordig houdt hij het vooral bij bier en whisky.
Een dag voordat Yanar de frietkraam bezocht, keilde Hannes aan het Helperplein in Groningen een baksteen door de etalageruit van Gall&Gall (ja, die weer).
Hij was op dat moment al flink dronken.
De volgende ochtend was hij wakker geworden in Oude Pekela bij een kennis.
In het bed waarop hij lag, lagen ook zeven flessen whisky.
Toen de drank drie dagen later op was, zou hij hebben ingebroken in de woning van zijn moeder.
De buit: een fles bessenjenever en een krat Amstel.
Eis: vijftien maanden.

In de zalen van het strafrecht zijn wekelijks dit soort geld- en drankverhalen op te tekenen.
Soms, heel soms, gaat het andersom.
Zoals bij Max, een jongeman van dan 21 jaar uit Oezbekistan die deel uitmaakte van een criminele bende die zich in Oost-Groningen schuldig maakte aan moord (althans pogingen daartoe), vrijheidsberoving, drugshandel, bedreigingen en gewapende overvallen op hennepplantages.

Max zou betrokken zijn geweest bij een woningoverval (met hennep) in Froombosch.
Iemand had hem met zijn oorbellen door zijn oren herkend, op de plaats-delict was een muts gevonden met daarop zijn dna.
De rechtbank veroordeelde hem tot vier jaar.
Zijn rechters wilden niet weten dat bij hem sprake was van een ‘psychotisch beeld’, veroorzaakt door een ‘schizofreen proces’.

Er volgde hoger beroep.
In het Paleis van Justitie in Leeuwarden stelden de raadsheren ter plekke vast dat Max geen gaatjes in de oren had en ten aanzien van de muts met dna luidde het oordeel dat de muts er door anderen kan zijn neergelegd.
Vrijspraak.

Max had drie nachten in een politiecel doorgebracht.
Daarna had hij vijf nachten met beperkingen een huis van bewaring gezeten, gevolgd door nog eens 736 nachten zonder beperkingen, zij het wel opgesloten en van de vrijheid beroofd.
En dat ten onrechte.

De advocaten stelden voor om aan Max een schadevergoeding toe te kennen.
Voor de eerste acht dagen 105 euro per etmaal, voor de 736 daaropvolgende nachten tachtig euro.
En omdat bij Max dus wel sprake is van een ‘schizofreen proces’ zou het standaardtarief moeten worden verdubbeld.
Ook de kosten van het verzoek tot schadevergoeding – 550 euro – zou moeten worden vergoed.

De rechters dachten diep na en besloten toen de Staat der Nederlanden te verplichten om aan de jonge Oezbeek (op een tientje na) 120.000 euro te betalen.

Proost.

Rob Zijlstra

uitspraken op 25 juni

Heimelijk afgeluisterd

zelfs in de rechtbank
zijn verdachten niet veilig

Twee verdachten moeten voor de rechtbank in Assen verschijnen.
Het gaat om een pro forma-zitting.
Geen inhoudelijk behandeling.
De twee mannen worden verdacht betrokken te zijn bij de dood van Andre Lubbers, een ondernemer uit Klazienaveen.
De man werd in augustus 2012 in zijn woning door het hoofd geschoten.

Het gerucht ging dat er veel geld bij de ondernemer viel te halen.
Het vermoeden is dat Andre Lubbers het slachtoffer is geworden van roof.
En dat hij daarbij – hoe gek dat ook klinkt – per ongeluk is doodgeschoten.

De juridische kwalificatie luidt: een poging toto diefstal met geweld met de dood tot gevolg.

De man die zou hebben geschoten is vandaag door de rechtbank in Groningen veroordeeld tot 7 jaar celstraf.
Drie medeverdachten – tegen wie ook 7 jaar was geëist – zijn vrijgesproken.

De veroordeelde man dankt zijn veroordeling mede aan DNA.
Op de broek van het slachtoffer werden bloedsporen aangetroffen, bloed van de nu veroordeelde.
Dit spoor brengt hem in de woning waar het slachtoffer het leven liet.

Er is een belastende verklaring van een medeverdachte.

En er is een heimelijk afgeluisterd gesprek.
Toen twee verdachten, onder wie de nu veroordeelde, voor de proforma-zitting in de rechtbank van Assen moesten verschijnen, had de politie voorzorgsmaatregelen getroffen.
Met toestemming van de rechter-commissaris (op 13 november 2012) plaatste de politie in een cel in het gerechtsgebouw afluisterapparatuur.

R.F. is de man die nu is veroordeeld.
I.C. is de medeverdachte die een belastende verklaring aflegde en is vrijgesproken.

Het afgeluisterde gesprek:

R.F.: ‘Wij moeten gewoon volhouden, dat wij niks meer weten.’
R.F.: ‘Wij zitten diep in de problemen. Ik was bang dat zij het vuurwapen hadden gevonden. Maar als zij hadden gevonden, hadden ze aan ons verteld, zelfs hier in de gevangenis.’
I.C.: ‘En wat die andere dan, als wij met zijn drieën zeggen dat wij hem niet hebben gezien, dan is het goed toch. Ik denk niet dat hij het gaat vertellen.’ (…)
R.F.: ‘Ik maak mij zorgen. Ik weet niet of ik het lang kan volhouden, ik ben bang dat ik het ga verklaren.’

Zelfs in de rechtbank zijn verdachten niet veilig.
Ook daarom zeggen advocaten steeds vaker tegen hun cliënten: ‘Altijd je mond houden.’

Rob Zijlstra

bron van het gesprek: het vonnis 

Schermafbeelding 2015-04-17 om 17.29.37

het vonnis van R.F. die is veroordeeld tot 7 jaar celstraf

 

 

Straffeloos

geen spoedOp vrijdagavond 25 maart 2011 heeft een van de ernstigste misdrijven van de afgelopen jaren in de provincie Groningen plaats.
Op die avond wordt in Hoogezand de Turkse avondwinkel Perya Impex overvallen.
Twee gemaskerde mannen met beide een wapen in de hand denderen tegen kwart voor negen de zaak binnen.
Een van de overvallers springt op de toonbank en eist geld.
De 37-jarige zoon van de eigenaar roept dat er geen geld is, verzet zich en wordt neergeschoten.

Een kogel doorboort zijn linkerschouder.
De overvallers gaan er – zonder buit – vandoor.
Vlak voordat ze het winkelpand verlaten, wordt nogmaals op de dan al zwaargewonde zoon geschoten.
Een tweede kogel raakt de buik.
Met levensbedreigende verwondingen wordt hij overgebracht naar het ziekenhuis.

De gebeurtenissen hebben een enorme impact in de buurt.
De burgemeester komt ’s avonds poolshoogte nemen.
Het is niet het eerste gewelddadige incident in Hoogezand.
De burgemeester wil daarom extra politie.
De krant meldt de volgende dag dat de daders voortvluchtig zijn en dat van hen ieder spoor ontbreekt.

Wat daarna volgt moet bizar heten.
Eerst verstrijken weken.
Dan meldt de politie, halverwege mei 2011, dat met de aanhouding van twee mannen de overval op de Turkse avondwinkel is opgelost.
De media nemen dat zomaar over.
Soms doen wij samen met de politie alsof het leven eenvoudig is: dat met de aanhouding van mannen misdrijven worden opgelost.
Zo’n aanhouding is in een rechtstaat natuurlijk nog maar het begin.

De aangehouden mannen zijn 19 en 24 jaar oud.
De jongste heet zeg maar Charles, de oudste Gianni.
Ze ontkennen.

De rechtszaak dient op 17 november 2011. De verdenkingen zijn gebaseerd op verklaringen van getuigen.
En er is een DNA-match die niets bewijst, maar wel belastend is.
Charles en Gianni blijven ontkennen.
De een zegt over de verklaringen van getuigen: ‘Mensen praten poep.’
De ander: ‘We worden er ingeluisd.’

Het slachtoffer mag de rechters toespreken en vertelt hoe bang hij is, hoe hij vreesde voor zijn leven, hoe bang zijn ouders op leeftijd zijn.

Ook getuigen zouden angstig zijn.
Afgelegde verklaringen worden herroepen, anderen weigeren, bang voor represailles, te verklaren.
Een getuige ontkent getuige te zijn en wordt vervolgd wegens meineed.
Er is een getuige opgeroepen op de zitting, maar die is niet komen opdagen.
Dat is een probleem.
De rechters besluiten dat de strafzaak moet worden aangehouden om die getuige alsnog te kunnen horen.

De twee advocaten vinden dat best, mits Charles en Gianni naar huis mogen om het vervolg van het proces in vrijheid af te wachten.
De vertraging is immers niet hun schuld.
Het Openbaar Ministerie verzet zich tegen vrijlating, maar de rechters besluiten dat Charles en Gianni nog diezelfde dag de gevangenis mogen verlaten.
Ze hebben dan een half jaar vastgezeten.

Daarna wordt het stil en zal het heel lang stil blijven.
Er gaan drie maanden voorbij, acht maanden, een jaar.
Twee jaar en een paar weken.
De getuige die nog gehoord moet worden, woont gewoon naast de avondwinkel.

Op 13 december 2013 – 26 maanden na de onderbreking – krijgt de strafzaak eindelijk een vervolg.
Charles is overigens in 2012 nog wel in zittingszaal 14 geweest in verband met een straatroof waar hij (netto) achttien maanden celstraf voor krijgt.
Die straf heeft hij al uitgezeten.

Tegen Charles wordt acht jaar gevangenisstraf geëist, tegen Gianni die geen strafblad heeft zeven jaar, beide wegens een poging tot doodslag en een poging tot afpersing.
Verklaringen van getuigen geven het wettige en overtuigende bewijs, vindt het OM.
Charles en Gianni zijn niet aanwezig, ze kijken wel link uit.

Dat het zo lang heeft geduurd, vindt de officier van justitie vervelend.
Dat zegt hij tegen de rechters.
Vervelend voor de verdachten, maar zeker ook voor de slachtoffers.
De reden van de lange duur, zegt de officier van justitie, is dat het OM in 2012 en 2013 is overspoeld met grote onderzoeken.

Het was gewoon te druk.
Zou dat nou echt waar zijn?
Dat politie en justitie twee jaar lang geen tijd hebben gehad om een van de ernstigste misdaden in jaren goed te onderzoeken?

Deze week deed de rechtbank uitspraak.
Het verzamelde bewijs is weliswaar wettig verkregen, maar het overtuigt niet.
Er zijn alternatieve scenario’s denkbaar, het is niet uit te sluiten, oordelen de rechters, dat anderen dan Charles en Gianni de overval hebben gepleegd.
Het gebrek aan overtuiging moet leiden tot vrijspraak.
En dat is ook de uitspraak.

De rechters leveren kritiek op de kwaliteit van het politieonderzoek: er heeft (te) veel tijd gezeten tussen de overval en het horen van getuigen.
Betrokkenen hebben daardoor verklaringen op elkaar kunnen afstemmen.
Daarnaast is het de rechters gebleken dat de politie van diverse contacten met getuigen geen proces-verbaal heeft opgemaakt.
Rechters: ‘Dat is niet acceptabel.’

Tot slot wordt opgemerkt dat het OM geen plausibele reden heeft opgegeven voor het lange tijdsverloop sinds de zitting van november 2011.

Eind 2013 moet de conclusie luiden dat de overval op 25 maart 2011 op de Turkse avondwinkel niet is opgelost.
De burgemeester van Hoogezand moet nog maar eens ergens poolshoogte nemen.

Rob Zijlstra

HET VONNIS 

De directeur en de FNV

Doodsbang rennen Wim en Herman het politiebureau binnen.
Wanneer ze na 35 minuten wachten eindelijk aan de beurt zijn, roepen ze: ‘Hij wilde ons vermoorden.’
De dienstdoende agent logt in en begint van alles met twee vingers in te tikken.
Na enige tijd vraagt de agent: ‘En wie wilde u vermoorden?’
Wim en Harmen: ‘De directeur.’
Agent: ‘En u heeft daar geen toestemming voor gegeven?’

Integendeel, antwoorden de twee bange mannen.
Ze vertellen.
Dat ze aan het werk waren, bij de personeelsingang van het bedrijf van de directeur.
Ze waren personeel aan het enquêteren.
Ze wilden weten of het personeel wel volgens de cao werd gewaardeerd.
Dat soort dingen.

De agent kijkt naar de twee mannen en vraagt: ‘En waarom wilden wij dat allemaal weten?
Wim en Herman: ‘Wij zijn vakbondsmannen van de FNV.’

De agent schrikt en beseft ineens dat het hier gaat om een situatie van ernst.
Of de heren koffie blieven. Of slachtofferhulp?
Zegt: ‘Mannen, ik roep er een collega bij. Dit moet tot op de bodem worden uitgezocht. Het kan niet zo zijn wij, wij dienstverleners, de ambtsdragers van de samenleving, worden belaagd. Of je nou politieman, ambulanceman of vakbondsman bent, dit moet aangepakt. Wanneer is het gebeurd?’

Wim en Herman: ‘Drie dagen geleden, op 13 april.’
‘Helder’, zegt de agent en noteert 16 april.

Het relaas van Wim en Herman wordt met alle details op papier gezet en als dat klaar is lezen de verbalisanten het proces-verbaal zoals dat moet nog eens voor, opdat niets aan het toeval wordt overgelaten.
Wim en Herman kunnen zich er in vinden.
Kennelijk was de opwinding op dat moment zo groot, dat niet alleen de mannen van de vakbond, maar ook de twee verbalisanten vergeten hun handtekeningen te plaatsen.
De wet vereist dat wel.

De directeur wordt aangehouden en verhoord.
Ook de tweede directeur, hij was kort na de moordaanslag op het toneel verschenen, moet een verklaring afleggen.
En de bedrijfsleider en nog een medewerker die niets bijzonders had gezien.
Na een paar weken wordt het politieonderzoek afgerond en naar het openbaar ministerie gestuurd.
Weldra zal de directeur publiekelijk terecht moeten staan wegens een poging tot moord dan wel een poging tot doodslag, meermalen gepleegd.
Dat de beoogde slachtoffers dienstbaar aan de samenleving zijn zal vast en zeker strafverzwarend werken.

De officier van justitie die de zaak moet beoordelen wikt en weegt en gaapt.
Denkt directeuren en vakbonden, altijd gesodemieter.
Alsof wij op parket niets beters te doen hebben.
Met een ferme zwaai pakt hij de stempel en drukt af.
Sepot.
Volgende zaak.

De vakbond wordt in kennis gesteld van dit besluit en bromt: ‘Mannen, dit pikken we niet.’
De bond stapt naar het gerechtshof en doet conform artikel 12 Wetboek van strafvordering beklag.
Het hof beoordeelt de kwestie, concludeert dat de officier van justitie in Groningen iets te snel door de bocht is gegaan met het sepot en beveelt dat het openbaar ministerie alsnog vervolging moet instellen.

Zo gebeurde het dat de directeur deze week, ruim twee jaar na dato, tegenover de politierechter zit.
Niet vanwege een poging tot moord of doodslag, maar voor bedreiging.

De officier van justitie zegt dat de directeur met zijn auto op Wim en Herman is ingereden waarbij hij zijn snelheid niet heeft aangepast aan de situatie ter plekke.
Dat de vakbondsmannen, mannen die opkomen voor een goede zaak, moesten wegspringen om het vege lijf te redden.
Weliswaar waren de mannen verzocht het bedrijfsterrein te verlaten.
Dat ze dat niet deden, geeft de directeur nog niet het recht op deze manier te handelen.
Geschillen moeten op een andere manier worden beslecht.
De officier van justitie spreekt van een kwalijke zaak.
Zo heeft een van de slachtoffers weken achtereen geen poortacties durven houden.

Het bewijs: de twee aangiftes van Wim en Herman, in combinatie met een uitlating van de directeur tijdens het politieverhoor.
De directeur had gezegd dat hij boos was en ook: ‘Ik reed niet langzaam.’

De aanklaagster laat meewegen dat de directeur slechts een paar veroordelingen van de kantonrechter op zijn documentatie (‘kantondocu’) heeft staan en dus tot op zekere hoogte first offender mag heten.
Ze eist voor de kwalijke zaak een boete van 750 euro, maar die geheel voorwaardelijk met een proeftijd van een jaar. Daarnaast moeten de twee vakbondsmannen recht hebben op smartengeld: 200 euro per persoon.

De aanwezige vakbondsman met opgestroopte mouwen kijkt tevreden.
Eindelijk zal het recht zegevieren.
De directeur – glimmende manchetten – oogt getergd.

De directeur zegt wanneer het zijn beurt is: ‘Het is een mooi verhaal, maar het is niet waar. Ik heb absoluut niet op die mensen ingereden.’
Hij vertelt dat ‘ons’ bedrijf al weken door FNV-medewerkers werd geterroriseerd. Dat de maat vol was en dat de vakbondsmannen keurig en netjes waren verzocht het terrein te verlaten. Ja, daarbij is ook een beetje geduwd, ja.
Uiteindelijk was hij in zijn Mercedes gestapt en had hij geroepen: ‘Ik spreek geen woord Frans en nu wegwezen’

De directeur: ‘Ik kwam gewoon aanrijden en ben weer gestopt om nog een keer te zeggen dat ze weg moesten gaan. Ze stonden toen tussen geparkeerde auto’s. Ze hoefden helemaal niet weg te springen.’

De tweede directeur die iets later kwam, verklaarde: ‘Die FNV’ers reden weg, met een vlag en maakten al claxonerend nog een paar rondjes over het terrein.’
De bedrijfsleider: ‘De FNV was provocerend aanwezig.’
De medewerker die binnen zat: ‘Ik heb niets bijzonders gezien.’

Vakbondsman Herman: ‘Ik doe mijn werk. In dat werk zoeken we naar de balans tussen werkgevers en werknemers. Maar in een gesprek bleek dat niet mogelijk. De directeur zette zijn auto in als wapen. Dat tast alles aan waar ik in geloof. Wij komen altijd ergens in het midden uit, de balans. En dan wil hij mij willens en wetens torpederen, dat gaat me te ver.’
De advocaat van Herman, die eigenlijk zijn mond moet houden: ‘Ze waren bezig met het uitoefenen van een grondrecht, het recht op vereniging. Door die bedreiging is hen dat grondrecht afgenomen.’

De advocaat zegt dat de FNV paranoïde is.
Dat de dagvaarding rept van 16 april, terwijl het drie dagen eerder is gebeurd.
Dat de processen–verbaal niet zijn ondertekend, een vormverzuim, artikel 153, strafvordering.
Dat wanneer er een aanslag op je is gepleegd, je toch onmiddellijk naar de politie gaat en niet drie dagen later.
Dat je na een aanslag op het leven niet eerst nog even een groot spandoek gaat ophangen op het terrein (‘mijn baas is een dwaas’).
Dat de medewerker die binnen zat niets bijzonders heeft gezien, niet bij de directeur, maar ook niet bij de vakbondsmannen.
Dat vakbondsman Wim als een stalker met de passie van een pitbull het privéleven van de directeur is binnengedrongen wat zijn verklaringen er niet geloofwaardiger op maakt.

Kortom: het gaat bij de politierechter van welles tot nietes.
Voor alle zekerheid meldt de rechter: ‘Ik was er niet bij.’

Zegt vervolgens tegen de beklaagde: ‘Er liggen twee aangiftes – weliswaar niet ondertekend, dus niet opgemaakt op ambtseed – maar waarin wel zwart op wit staat dat u op hen bent ingereden. Daartegenover staat uw verklaring, inclusief uw opmerking dat u ‘niet langzaam’ kwam aanrijden. Maar daar kan ik geen bedreiging uithalen. Bovendien wordt uw verhaal ondersteund door uw mededirecteur, de bedrijfsleider en door de medewerker die zegt niets bijzonders te hebben gezien.’

De politierechter spreekt de directeur vrij.

Rob Zijlstra

extra
artikel 12 Wetboek van strafvordering
artikel 153 wetboek van strafvordering

Shaken baby

In maart 2008 zag ik een man in grote verwarring het gerechtsgebouw van Groningen via de voordeur verlaten.
Hij had elf maanden in voorlopige hechtenis gezeten en na uren in de verdachtenbank hoorde hij de officier van justitie vijf jaar gevangenisstraf eisen.
Maar een half uur later was Mart vrij man.

Ik schreef destijds: ‘Het was alsof het openbaar ministerie met 5 – 0 voorstond en de laatste minuut van de reguliere speeltijd was ingegaan. Bij het eindsignaal is het 5 – 6 , in het voordeel van de verdachte.’

Mart werd verdacht van doodslag.
Hij zou op 10 maart 2007 zijn acht weken oude zoontje om het leven hebben gebracht door het kind met kracht heen en weer te schudden.
Brian overleed aan hersenletsel.

Deskundigen spraken over het shaken-baby-syndroom

Onderzoek van de politie had aan het licht gebracht dat Mart, hoewel zorgzaam, de enige is die het gedaan kon hebben.

Brian wordt in januari 2007 negen pond zwaar en gezond geboren. Na een paar weken ontstaan complicaties.
Brian valt af en toe weg en is dan slap.
Het jongetje ligt vijf dagen ter observatie in het ziekenhuis.
Daar wordt niets bijzonders vastgesteld.

Vijf dagen later, op zaterdag 10 maart, wordt het kind ’s ochtends gevoed, om half elf krijgt het medicijnen – wat extra ijzer – toegediend.
Om kwart over elf gaat de moeder naar haar werk.
Mart verkoopt een auto, dat is zijn handeltje.
Om exact 11.21 uur wordt de auto op het postkantoor overgeschreven (blijkens het vrijwaringbewijs).
Daarna krijgt hij koffiebezoek van een vriend.
Vanaf kwart over twaalf is Mart alleen in de woning met de dan slapende Brian.
Hij gaat het huis schoonmaken.

Om 14.27 uur belt hij in paniek haar moeder: ‘Er is iets met Brian.’
Om 14.30 uur doet hij dat nog een keer.
De moeder zegt dat ze onderweg is, maar voor de verkeerslichten staat.
Om 14.34 belt haar moeder 112.
Mart doet dat om 14.37 uur.

De politie is snel ter plaatse, een agent doet een poging tot reanimatie.
Bij aankomst in het ziekenhuis stellen artsen vast dat de overlevingskans nihil is.
Kort daarna sterft Brian.

Tijdens de zitting geven twee getuige-deskundigen – gezaghebbende kinderartsen – toelichtingen op de door hen geschreven rapporten van bevinding.
Cruciale vraag: kan aan de hand van het geconstateerde letsel het tijdstip worden bepaald wanneer Brian krachtig door elkaar is geschud?

De ene deskundige: met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid, een paar minuten tot enige uren voordat Mart in paniek zijn moeder belde.
De andere deskundige: mee eens, maar niet helemaal; geen minuten, eerder uren.

En dit – paar minuten, geen minuten – brengt de rechtbank aan het twijfelen.

Niet kan worden uitgesloten dat Brian krachtig door elkaar is geschud op een tijdstip dat Mart niet alleen met hem in de woning verbleef.
In theorie kan ook de moeder die de woning rond kwart over elf verliet hebben geschud.
Met die constatering van de rechtbank valt de bewijsconstructie van het openbaar ministerie in duigen: die luidt dat anderen het niet gedaan kunnen hebben en dat het daarom dus Mart wel moet zijn geweest.

Advocaat Jan Boone zegt dat een vader die zijn kind verliest hoort te rouwen en niet in de gevangenis hoort te zitten.
Elf maanden zitten terwijl je het niet hebt gedaan, is welletjes, moppert Boone.

De rechters gingen  in beraad en na lang nadenken zeiden ze dat ze neigen naar vrijspraak.
Mart mocht naar huis.
Twee weken later, op 10 april 2008, volgde de definitieve uitspraak: niet is uit te sluiten dat iemand anders dan de vader het kind heeft geschud.
Vrijspraak.

De rechtbank uitte in het vonnis kritiek op de verhoormethode van de Groninger politie.
De verhoortactiek was niet gericht geweest op waarheidsvinding, maar was bedoeld om een ‘bekennende verklaring te verkrijgen’.

Het openbaar ministerie tekende binnen twee weken hoger beroep aan.
En dan blijft het bijna vier jaar stil.

Tot 9 februari 2012.

Aan het einde van deze middag eist het openbaar ministerie in hoger beroep geen vijf jaar zoals in Groningen, maar zes jaar gevangenisstraf tegen Mart.

Het openbaar ministerie stelt dat het boven redelijke twijfel is verheven dat de vader het fatale letsel heeft toegebracht. Met het schudden van de baby heeft hij welbewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat de baby hierdoor zou komen te overlijden.

Rob Zijlstra


• Het bovenstaande verhaal is gebaseerd op het rechtbankverslag dat ik destijds schreef.

.

UPDATE – 23 februari 2012 – uitspraak
Het gerechtshof heeft Mart vrijgesproken. Het hof is van oordeel dat niet buiten redelijke twijfel vastgesteld kan worden dat het verdachte moet zijn geweest die de ten laste gelegde fatale handelingen heeft begaan. Het hof volgt hiermee de redenatie van de rechtbank Groningen die Mart eerder vrijsprak.

HET ARREST

Verdachte klets

Verdachten bestaan in soorten en maten.
Er zijn bekennende verdachten en verdachten die ontkennen.
Ongeloofwaardig ontkennende verdachten.

Er was eens een man die een tankstation had overvallen.
Op de camerabeelden is hij zo herkenbaar als wat, met in de hand het wapen gericht op de medewerker van het tankstation.
De beelden worden in de rechtszaal getoond.
De verdachte herkent zichzelf, maar blijft de overval ontkennen.

Wel raar ja.
Tegen de rechters zegt hij ook niet te begrijpen hoe het komt dat hij op de video staat.

Ongeloofwaardig bekennende verdachten: man, twintig jaar verslaafd met bijbehorend lichaam, geeft enthousiast toe dat hij in een woonwijk in één nacht zeker 300 auto’s heeft opengebroken.
Dat kan nooit waar zijn, alleen al niet vanwege zijn fysieke gesteldheid.

Bijzondere verdachten: Paul, 24 jaar, verdacht van twee straatroven. Hij bekent en besluit schoon schip te maken, wetende dat hem dat duur komt te staan.
Hij biecht nog dertien berovingen en diefstallen op, ook zaken waar de politie bij gebrek aan aangiftes, geen weet van heeft.
Uiteindelijk weet de politie acht straatroven en een diefstal aan hem toe te schrijven.
De rekening die de officier van justitie donderdag presenteerde: zes jaar gevangenisstraf (eis).

Dan zijn er verdachten als Kuno, 32 jaar, uit Drachten.
Hij is met de 24-jarige Anke op stap geweest in Groningen, op zaterdagavond 2 januari 2010.
Na het stappen lopen ze vrolijk naar de parkeergarage.
Buiten is het donker, koud en nat en vooral glad.

Niet heel veel later halen ze op de snelweg richting Drachten een auto in.
Dat gaat niet goed.
Ze slippen, schuiven, tollen en komen tegen de vangrail tot stilstand.
Anke stapt uit en ziet dat het flink mis is.
Verder ziet ze niets en ze rijden door.
Dat lukt nauwelijks.
Bij de eerste de beste afslag verlaten ze de A7 en zetten de auto op de parkeerplaats.

Staan ze dan, niet wetende dat het allemaal nog veel erger is.
Ze weten niet dat de auto die ze inhaalden door hun toedoen ook is gecrasht.
De inzittenden, een moeder met haar dochtertje, zijn gewond geraakt.
De politie komt en krijgt al snel het stel bij hun kapotte auto in het vizier.

Anke geeft toe dat ze heeft gedronken en dat zij achter het stuur zat.

Maar dan gebeurt er iets merkwaardigs.
Anke stuurt een sms-bericht naar Kuno.
Tipsy tikt ze: ‘Niks zeggen hoor, als ik alle schuld krijg, prima.’

Anke stond eind september terecht in zittingszaal 14.
Was het wel waar, hadden de rechters toen gevraagd, dat zij achter het stuur zat?
En niet Kuno die al twee keer was betrapt (en veroordeeld) met drank op achter het stuur?
Probeerde Anke hem te beschermen?

Anke ontkende stellig.
Twee weken later werd ze veroordeeld tot een taakstraf van 150 uur en een rijontzegging van achttien maanden wegens roekeloos rijgedrag en het verlaten van de plaats van het ongeluk.
Dat zijn twee misdrijven.

Donderdag stond bijrijder Kuno terecht in verband met dezelfde kwestie.
Want na dat merkwaardige sms’je hadden de agenten argwaan gekregen.
Voor de zekerheid moest ook Kuno blazen wat resulteerde in een veel te hoog alcoholpromillage in het bloed.

Nu is daar niets mis mee, bijrijders mogen drinken zoveel ze willen.
Maar omdat de agenten de boel niet vertrouwden, hadden ze de camerabeelden die in parkeergarages worden gemaakt, eens bekeken.
En wat?
Het is Kuno die achter het stuur zit wanneer de auto de parkeergarage uitrijdt.

Anke had daar eind september geen verklaring voor.
Kuno donderdag wel: ze stonden op de tweede etage en hij was er niet gerust op dat Anke in zijn auto de krappe P-garage zonder schade zou verlaten.
Dat kon hij beter.

Maar eenmaal buiten had Anke erop gestaan dat zij verder zou rijden.
Kuno stemde daar mee in omdat Anke, zei hij, nogal overheersend is en hij bang was dat zij hem zou betichten van vrouwendiscriminatie.
Dus…

Dom, dom, zegt hij tegen de rechters.
Ja, sowieso dom, dom om met de auto naar huis te willen.
Hij had nog de taxi voorgesteld, maar de heersende Anke wilde dat niet.
Kuno vertelt dat hij van de hele toestand – nu bijna twee jaar geleden – nog steeds ’s nachts wakker ligt, waardoor hij overdag niet goed functioneert.
Zijn arbeidscontract dat toevallig deze maand afliep, is daarom niet verlengd.

Een van de rechters suggereert dat Kuno een kletsverhaal zit vertellen.
Kuno zegt dat dat niet zo is.

De officier van justitie eist wegens het rijden onder invloed – de meters in parkeergarage – een werkstraf van dertig uur en een rijontzegging van vijf maanden waarvan drie voorwaardelijk.

Dit verhaal zou nu kunnen eindigen, als niet de advocaat van Kuno nog iets in petto had. Kuno is buiten heterdaad aangehouden en moest zijn adem laten analyseren op alcohol. En dat hebben ze gedaan zonder dat er op dat moment een verdenking tegen hem bestond: hij was bijrijder en die mogen drinken wat ze willen.
Pas (dagen) na de ademanalyse ontdekte de politie dat Kuno in de parkeergarage achter het stuur had gezeten.

Kort gezegd: de misdaad wordt pas later ontdekt, terwijl het bewijs al is verzameld.
Dat is de omgekeerde volgorde en dat mag niet.
Wanneer de politie iets wel doet wat niet mag, dan telt het niet.
Het bewijs is onrechtmatig verkregen en dat betekent vrijspraak.
Regels zijn regels, zegt de advocaat.

De officier van justitie vindt dat de advocaat wel een punt heeft.
Ze zegt dat de rechters er maar rekening mee moeten houden.
De strafeis past ze niet aan.

Verdachten die bekennen, maar op hun advocaat vertrouwen.

Rob Zijlstra


• artikel 8 Wegenverkeerswet
• rechtbankverslag Anke (het sms-berichtje)

.

UPDATE – december 2011 – uitspraak
De advocaat heeft gelijk.  Op het moment dat Kuno werd onderworpen aan een ademanalyse bestond er tegen hem geen redelijk vermoeden van schuld. Dat betekent dat de resultaten van de analyse onrechtmatig zijn verkregen en van het bewijs moeten worden uitgesloten. En dan blijft er niets over. Ofwel: Kuno is vrijgesproken. Hij is hiermee de 25ste verdachte die dit jaar op alle punten die ten laste zijn gelegd is vrijgesproken. Maar dat terzijde.

Verkroppen

Abdel is een van de vaste klanten van zittingszaal 14.
Tussen 2005 en 2009 moest hij zes keer komen opdraven.
Voor diefstallen, soms met geweld en een keer voor een poging tot doodslag.
Hij werd door de rechtbank van Groningen vier keer veroordeeld, een keertje vrijgesproken en een keer ontslagen van alle rechtsvervolging (noodweer) inzake de poging tot doodslag.

Abdel kwam als 8-jarige jongetje in z’n uppie vanuit Hargeisa, Somalië, naar Nederland.
Hier werd hij een alleenstaande minderjarige asielzoeker en nu is hij dertig.
Hij wil eigenlijk bouwkunde studeren.
Nee, maakt u zich geen zorgen, hij hoeft na al die jaren het land niet uit.

Abdel heeft andere pech.
De laatste keer dat hij werd veroordeeld, was in november 2009.
Dat was wegens een overval op een woning en vier straatroven.
Het openbaar ministerie eiste vier jaar celstraf.

Hij had alles ontkend.
Wie overvallen pleegt, is niet goed bij zijn hoofd, zei de welbespraakte Abdel tegen zijn rechters.
Zijn advocaat zei dat Abdel misschien de schijn tegen zich heeft, maar keihard bewijs is er niet. Niet uitgesloten kan worden, dat anderen het hebben gedaan.
De officier van justitie zag het anders.
In zijn laatste woord zei Abdel: ‘Vier jaar onschuldig de gevangenis in? Nee. Dat zal ik niet kunnen verkroppen.’

De rechters geloofden de officier van justitie.
Abdel werd op 30 november 2009 veroordeeld tot 42 maanden gevangenisstraf.

Om die reden verscheen hij in 2010 en ook dit jaar tegen zijn gewoonte in niet in zittingszaal 14.
Door Abdel op te sluiten, was Nederland een ietsepietsje veiliger geworden, want wie vastzit, kan immers niets misdadigs uitvreten.

Abdel tekende hoger beroep aan.
In mei, juli en oktober 2010 en in januari en november 2011 boog het gerechtshof in Leeuwarden zich over de zaak.
De raadsheren oordelen na twee jaar dat de advocaat wel eens gelijk kan hebben.
Hun conclusie: er is onvoldoende bewijs voor een veroordeling.
Het gerechtshof sprak Abdel deze week vrij inzake de straatroven.

Wel kreeg hij drie weken celstraf opgelegd wegens heling.
Hij zou een van de bij de straatroven buitgemaakte telefoons in bezit hebben gehad, wetende ook dat het om een gestolen ding ging.

De advocaat zegt dat dit niet klopt.
Abdel is in een woning geweest waar een dag later die gestolen telefoon is aangetroffen.
Maar goed.

Het vonnis van de rechtbank Groningen leidde ertoe dat Abdel in totaal 20 maanden en twee weken daadwerkelijk achter de tralies heeft gezeten.
Het arrest van het gerechtshof in Leeuwarden vindt drie weken voldoende.
Maar het leed is al geleden.
Abdel heeft 19 maanden en drie weken te lang gezeten.

Normaliter wordt 80 euro uitgekeerd voor elke dag dat iemand ten onrechte zit opgesloten.
Voor Abdel zou dat neerkomen op een kleine 50.000 euro.
Maar hij heeft geen recht op schadevergoeding.
Omdat hij wel is veroordeeld.
Tot drie weken.

Advocaat Lidewij Wachters gaat in cassatie bij de Hoge Raad.
Gaat jaren duren.

Rob Zijlstra

.

• Curriculum Vitae van Abdel

.

Van Koppen, Wagenaar en Brouwer

De advocaat zei, tikkeltje verrast, dat ze vandaag op de kop af 14 jaar in het advocatenvak zit.
En in al die jaren was zij vijf keer in Groningen geweest.
Voor een strafzaak.
Maar nu, nu ze zo naar de officier van justitie had geluisterd, naar deze officier van justitie, wil ze graag vaker komen.

Want een officier die haar zo het gras voor de voeten wegmaait, dat had ze in al die jaren pleiten nog nooit meegemaakt.

De bejubelde officier van justitie had zojuist vrijspraak gevorderd.
De inbraak waar Bernard (39) van werd verdacht, kan niet worden bewezen.
Wel de heling van de auto.

Het zit zo.
In de vroege ochtend van 6 maart dit jaar wordt ingebroken in een woning aan de Schout de Boerstraat in Ten Boer.
De daders zijn binnengekomen via een afgesloten keukenraampje dat vakkundig is geopend.
In het kozijn zijn gaten geboord.
Er worden autosleutels gestolen en – buiten – de bijbehorende auto’s.
Het gaat om een Mini Cooper met 8.500 kilometer op de teller (dus vrij nieuw) en een Volkswagen, type Touareq (vrij groot dus).

Later op die dag, even na vijf uur, is nabij Groesbeek, te midden van het carnavalsgedoe, een alcoholcontrole.
De agenten zien een Mini Cooper naderen die plots omkeert.
Beetje verdacht, vinden die agenten en ze springen op hun brommers om de achtervolging in te zetten.
Met succes.

De auto wordt aan de kant gezet en de bestuurder moet blazen.
Niks aan de hand.
Maar omdat de agenten het niet helemaal vertrouwen, vragen ze de bestuurder de auto iets verderop te parkeren voor een nadere controle.

Dat laat de bestuurder zich geen twee keer zeggen: hij gaat er vol gas vandoor.
Nieuwe achtervolging volgt.
Niet lang daarna wordt de bestuurder opnieuw aangehouden.
Het is Bernard.

De auto wordt nagetrokken en dan blijkt al snel dat het voertuig die ochtend is gestolen.
In Ten Boer.
De politie gaat bij Bernard thuis een kijkje nemen en vindt daar de sleutels van de gestolen Touareq.
En een tas met inbrekersgereedschap, waaronder een handboor.

Bernard heeft een heel verhaal.
De rechters: ‘U vertelt heel veel, maar zegt eigenlijk niks.’
De rechters zeggen dat Bernard buitengewoon vaag is, dat hij een vaag babbelverhaal vertelt.

Het babbelverhaal van Bernard komt er op neer dat hij onschuldig is.
Goed, hij was een crimineel, crimineel geweest.
Hij was ook nog maar net op vrije voeten, van de voorbij zes jaren had hij er vijf vastgezeten.
Vanwege inbraken.
Maar de laatste tijd had hij erg veel energie gestoken om niet meer crimineel te zijn.
Zegt: ‘En daar is heel veel wil en moed voor nodig.’

Bernard babbelt dat hij er is ingeluisd.
Door mister X. (later ‘meneer drol’), want een echte naam kan hij niet noemen vanwege zijn eigen veiligheid waar hij immers ook aan moet denken.
Hij wil niet de rest van zijn leven steeds achterom moeten kijken, dat snappen de rechters toch ook wel.

Dan gaat de officier van justitie staan.
Hij zegt dat het heel goed kan dat Bernard het heeft gedaan.
Dat hij, die in het bezit is van de twee gestolen autosleutels, ook wel wat heeft uit te leggen.
En dat niet doet.

Maar, vervolgt de officier van justitie: ‘Van Koppen en Wagenaar, hoofdstuk 3. Dit is een schoolvoorbeeld. Wij moeten niet beginnen met de overtuiging en de rest er vervolgens bij zoeken. Wij moeten eerst naar de bewijzen kijken. En als ik dat doe, dan kan ik niet bewijzen dat Bernard in Ten Boer is geweest. Daar zijn geen harde bewijzen voor.’

En dus vraagt de officier van justitie om Bernard voor de inbraak vrij te spreken.
En vier maanden celstraf voor heling, want dat hij in die gestolen auto zat, is klip en klaar.

Dan gaat de magistraat weer zitten en gaat de advocate op haar beurt staan.
Om te zeggen dat ze wel vaker strafzaken in Groningen wil doen, met zo’n officier van justitie.

Het is voor Groningen wel te hopen dat de verdachte niet met soortgelijke gedachten speelt en dat hij zijn strafzaken gewoon in Nijmegen blijft doen.

Rob Zijlstra

.

extra
Dubieuze zaken – Van Koppen & Wagenaar & Crombag

.

UPDATE – 4 juli 2011 – uitspraak
De rechtbank ziet het anders. Twee diefstallen van auto’s bewezen.  Bernard krijgt daarmee ook een hogere straf opgelegd: 6 maanden plus nog eens 6 maanden die hij bij een eerdere veroordeling voorwaardelijk opgelegd had gekregen.  Op basis waarvan de rechtbank anders oordeelt dat de officier van justitie deed, wordt uit het vonnis  niet helemaal duidelijk.

In het vonnis staat het volgende:

‘Verdachte wordt op de dag van de inbraak rijdend in een van de gestolen auto’s, de Mini Cooper, in Nijmegen aangetroffen. Daarbij zijn geen aanknopingspunten die erop duiden dat er nog iemand anders in de auto zat, zoals verdachte heeft verklaard. Als verdachte door de  politie wordt verzocht de auto langs de stoeprand te parkeren, gaat hij er vandoor. Vervolgens worden in de woning van de verdachte de sleutels van de gestolen VW Touareg aangetroffen en inbrekersgereedschap, waaronder een handboor. Verdachte verklaart dat dit gereedschap van hem is. Uit het feit dat er twee auto’s zijn weggenomen leidt de rechtbank af dat verdachte  in ieder geval van één mededader hulp heeft gehad. Verdachte heeft verklaard dat een persoon die verdachte in huis heeft genomen, verantwoordelijk moet worden gehouden voor beide  diefstallen, maar wil de identiteit van die persoon niet prijsgeven. Aldus is nader onderzoek naar de rol en betrouwbaarheid van die persoon zonder resultaat gebleven.

Op basis van voornoemde bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat verdachte samen met een ander of anderen de ten laste gelegde gekwalificeerde diefstallen heeft gepleegd.’

 

 

 

Faya Lobi

De in Delfzijl geboren en getogen Kadir (29) rijdt in zijn blauwe Opel Astra naar de haven.
Ergens op de kade parkeert hij de auto, tuurt over het zoute water en luistert sigaretten rokend naar muziek.

Op datzelfde moment, maar dan 35 kilometer verderop, ergens in Groningen, maken twee vrouwen zich op, om uit te gaan.
Er is een feest.
Een van die vrouwen is Faya.

Ruim twee jaar lang hadden Faya en Kadir een relatie gehad.
Op een voor Faya slecht moment wilde Kadir niet verder.
Het vuur was gedoofd en hij maakte het uit.

Faya is verdrietig over deze breuk en zoekt voortdurend contact met Kadir en met zijn vrienden.
Kadir wil dat niet.

Het is 20 februari, avond en het wordt half twaalf.
Kadir heeft het wel gezien in de haven en wil wegrijden.
Accu leeg.
Hij belt zijn broer.
Die komt en samen krijgen ze de auto weer aan de praat.
Kadir rijdt naar huis, in Delfzijl-noord.
Het is dan inmiddels half een.

Kadir gaat douchen en wil dan nog even op stap.
Weer doet de auto raar en hij besluit naar het vlakbij gelegen Farmsum te rijden, naar familie met een garage.
Omdat sleutelen aan auto’s zijn hobby is, zoekt hij naar het euvel.
Het is dan een uur in de nacht.

Nu gaat er iets heel raars gebeuren.

Want rond dat tijdstip stapt Faya de deur uit om naar het feest te gaan.
Plotseling wordt ze omver geduwd, ze valt op de grond.
Ze ziet nog hoe hij een stekende beweging maakt en voelt dan iets kouds en een heftige pijn in haar buik.
Ze gilt, hij gaat er vandoor.

Faya: ‘Kadir.’
Om drie uur die nacht wordt Kadir aangehouden.
Bij de familie in Farmsum met de eigen garage.

En zo gebeurde het dat Kadir al drie maanden in het huis van bewaring zit opgesloten en nu terechtstaat in zittingszaal 14 op verdenking van een poging tot moord.
Kadir zegt dat hij onschuldig is, dat hij onschuldig vastzit.

Door de rechters wordt hij stevig ondervraagd.
Niet omdat, zo zeggen de rechters, zij al een mening hebben, maar omdat ze de waarheid op tafel willen hebben.
En de waarheid kan niet zijn dat Kadir in Delfzijl Faya in Groningen heeft neergestoken.

Waarom had Kadir daar op de kade in de haven het kaartje van zijn telefoon in tweeën gebroken? Waarom juist die avond?
Waarom zegt de tante dat u heel de avond bij haar was, terwijl u zelf zegt dat u in de haven bent geweest?
Waarom heeft u msn-berichtjes naar Faya gestuurd?
Op z’n minst wel een beetje vreemd allemaal, zeggen de rechters.

Ze zeggen ook dat Faya, ook nadat ze aangifte had gedaan, nooit lelijke dingen over hem heeft gezegd.
En dat hun relatie altijd een goede relatie is geweest.
Dat had Faya zelf aan de politie verteld.
Rechters tegen Kadir: ‘U bent geen man die vrouwen slaat. Toch?’

Kadir knikt.
Zo is het.

Rechters: ‘Maar waarom zegt ze dan dat u haar heeft neergestoken?’
En ook: ‘Er zat wel een gat in haar buik.’

Kadir zegt dat Faya hem in de gevangenis heeft bezocht.
Toen had hij de verwonding mogen zien.
‘Een klein plekje maar, als een puistje.’
Hij zegt ook dat hij brieven van Faya heeft gekregen.
Waarin staat dat ze hem mist.
De rechters knikken, dat hebben ze ook gelezen.

Kadir zegt dat hij haar geen berichtjes heeft gestuurd.
En dat tante geen Nederlands spreekt, dat er sprake is van een taalprobleem, van een misverstand.

De officier van justitie krijgt het woord.
Zij zegt: ‘Het belangrijkste bewijs is de aangifte van Faya. Maar dat is niet voldoende. Wat verdachte over de msn-berichtjes zegt, is niet geloofwaardig. Familieleden verklaren verschillend. Dat telefoonkaartje in tweeën, juist op die avond. Vreemd.’

Een buurtonderzoek leverde niets op, in die zin dat niemand Kadir en zijn auto bij de woning van Faya heeft gezien.
Er is onderzocht of hij misschien onderweg, haastig tussen Delfzijl en Groningen door het rode licht is geflitst.
Nee.
De zendmasten die mobiele telefoons registreren, hebben de telefoon van Kadir niet in Groningen gesignaleerd.
Op de verse sigarettenpeuken voor de woning van Faya is niet het DNA van Kadir aangetroffen.

De officier van justitie: ‘Het onderzoek ondersteunt de aangifte niet. Er zijn alternatieve scenario’s mogelijk.’
En dus vordert de officier van justitie vrijspraak.
Ook verzoekt zij de rechtbank de voorlopige hechtenis van Kadir per direct op te heffen.

Rechters: ‘Heeft u de eis begrepen?’
Kadir: ‘Nee.’

De rechters trekken zich terug voor beraad.
Na tien minuten zijn ze er uit.
Ze zeggen dat de verdenking dat Kadir zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot moord nu niet meer zodanig is dat hij langer vast moet blijven zitten.
Dat hij nog wel even met de politie mee moet naar het huis van bewaring in Ter Apel, maar dan om zich uit te laten schrijven.
En dat hij daarna, dus vanmiddag nog, naar huis mag.

Rechters: ‘Begrijpt u het?’
Kadir: ‘Ik ben blij, ik weet niet wat ik moet zeggen.’

Rechters: ‘Uitspraak over twee weken.’

Rob Zijlstra

.

UPDATE – 20 juni 2011 – uitspraak
Het was te verwachten: Kadir is vrijgesproken van al hetgeen hem ten laste was gelegd.

 

 

Meterkast

Anton had jaren in Amsterdam gewoond en daar ook op school gezeten.
Een paar jaar geleden verruilde hij de hoofdstad voor het platteland van Noord-Groningen.
Voor de rust.
Gisteren werd hij er 50 jaar.

Hij zegt tegen de rechter dat zijn leven in Amsterdam niet zo heel stabiel verliep.
Maar dat hij sinds hij in het Noorden is neergestreken geen criminele dingen meer doet.
Zijn laatste veroordeling is al weer twaalf jaar oud.

Begin dit jaar kwam er via de criminele inlichtingen eenheid (cie) een tip binnen bij de politie.
Anton heeft wapens.
En ook kogels.

Dit soort tips wordt doorgaans serieus genomen.
Temeer in dit geval omdat die laatste veroordeling van twaalf jaar geleden ook met wapens en munitie van doen had.
En dus stond de politie dit voorjaar in alle vroegte bij Anton op de stoep.
In de meterkast vonden de agenten na niet lang zoeken een semi-automatisch pistool, een Walther met randvuurpatronen.

De politierechter zegt tegen Anton: ‘Als iemand iets te verbergen heeft dan doen ze dat altijd in de meterkast. En de politie weet dat.’
Anton haalt de schouders op.
Hij kan het ook moeilijk ontkennen.
Het was zijn huis.
Hij zegt: ‘Klopt.’
En dan: ‘Maar ik weet er niets van. Ik wist niet dat er een wapen was.’

De rechter: “Het wapen hing aan een touwtje in een bivakmuts. Dat is wel hartstikke verdacht. Het lijkt daar klaar te hangen voor een overval.’

Anton denkt dat anderen het ding er hebben opgehangen.
Veel mensen, zegt hij, hadden een sleutel van zijn huis.
Er kwamen zodoende veel mensen bij hem over de vloer om te drinken en te feesten.
Bovendien was de vorige bewoner crimineel, die deed dingen met hennepplantages.

De zaak tegen Anton lijkt een kat in het bakkie.
Het pistool met kogels is onder verdachte omstandigheden in zijn woningen aangetroffen.
De tip klopte.
Maar, zegt de officier van justitie, ik heb onvoldoende bewijs dat verdachte het wapen ook voorhanden heeft gehad.
Ze vordert daarom vrijspraak.

De politierechter denkt hardop na.
Zegt dat wil je iets voorhanden hebben er wel min of meer sprake moet zijn van bewust bezit.
Dat je er over moet kunnen beschikken.
Dat kun je niet als je iets wel hebt, maar dat niet weet.

De politierechter zegt verder dat hij daarnaast goed moet luisteren naar wat de verdachte te vertellen heeft.
Dat diens verhaal niet een al te groot sprookjesgehalte moet hebben.
Vraagt zich af: hoe geloofwaardig is het als je een wapen in huis hebt en dat niet weet?
Concludeert dat het allemaal wel heel verdacht is.

Toch rolt er een vrijspraak uit.
Onvoldoende bewijs.

Anton is zichtbaar opgelucht.
Hij staat op en bedankt de rechter en de officier van justitie met een handdruk.
De politierechter: ‘En nou wegwezen.’

Rob Zijlstra

Bingo

Het kan raar lopen in de rechtszaal.
Wat op het ene moment waar lijkt, waar is of als waar wordt verkocht, kan twee weken later heel anders zijn.
Zonder dat er in de tussentijd iets aan de feiten is veranderd.

Er was een grote Bulgaar, een roemruchte vechtsporter in zijn land en daarbuiten, die in de binnenstad van Groningen een student de stuipen op het lijf had gejaagd.
Dat had hij gedaan met zijn imposante verschijning en een vervaarlijk ogend mes.
Behalve topsporter was hij ook houthakker en bodyguard geweest.
De student was kansloos, tuimelde van een trap en raakte lelijk gewond aan de hals.

De officier van justitie zag er een poging tot doodslag in.
Maar na maanden en na nader onderzoek werd het misdrijf teruggebracht tot een eenvoudige mishandeling.
De verwondingen in de hals, rapporteerden forensische onderzoekers, konden nooit zijn veroorzaakt door dat grote mes.

Justitie had er met haar ernstige verdenkingen naast gezeten.
De gevaarlijke Bulgaar had dat steeds gezegd, maar ze geloofden hem niet.
Ondertussen zat hij wel acht maanden in de cel.

De officier van justitie zei met het nieuwe inzicht dat een celstraf van acht maanden genoeg moest zijn en wat hem betreft mocht de verdachte Bulgaar per direct de gevangenis verlaten.

De rechters vonden dat niet zo’n goed idee.
Zij wilden nog eens goed over de ware toedracht nadenken.

Donderdag kwamen ze met hun waarheid: Bulgaarse Boris heeft zich wel degelijk schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag op de Groninger student.
Niks acht maanden, maar twee jaar gevangenisstraf.

Tien minuten voordat dit vonnis werd uitgesproken, had de rechtbank de 27-jarige Jason B. uit Hoogezand ontslagen van alle rechtsvervolging.
Jason B. had er serieus rekening mee gehouden dat hij achttien jaar gevangenisstraf zou krijgen.
Dat was twee weken geleden tegen hem geëist.
Donderdagmiddag kon Jason B. gevangenis De Marwei in Leeuwarden als vrij man verlaten.

Hij heeft slechtere dagen in zijn leven gekend.

De officier van justitie beschuldigde B. van moord, drie pogingen daartoe en een gewelddadige beroving.
In november 2009 schoot hij in zijn woning in Hoogezand de 26-jarige Farrel Provence neer.
De Amsterdamse rapper overleed korte tijd later.
Drie andere mannen raakten gewond doordat vier rondvliegende kogels hun benen troffen.

De officier van justitie had vol vertrouwen de rechtbank voorgehouden dat de slachtoffers de waarheid spraken en de verdachte de gemene leugens.
De rechters hoorden het aan, bestudeerden de aangeleverde bewijzen en besloten dat de waarheid precies andersom moet zijn.

De rechters vinden dat Jason B. de waarheid heeft gesproken en bestempelden de verklaringen van de slachtoffers als onbetrouwbaar, als niet waar.
Het verschil tussen deze twee waarheden: 18 jaar.

Zo raar kan het dus lopen.
Hij die dacht eindelijk naar huis te kunnen, moet blijven en hij die vreesde nog jaren te moeten zitten, kon gaan.

De dag in zittingszaal 14 was begonnen met een turnleraar uit Noord-Groningen, over wie justitie zegt dat hij seks heeft gehad met een minderjarige, maar zeer talentvolle, pupil.
Een tiener op turnniveau zes.
De pupil beweert het en de bestuursleden van de gymnastiekvereniging hadden het altijd al gedacht.
Om hun waarheid onder ogen te zien hadden de voorzitter, de secretaris en de penningmeester zich op een woensdagavond verstopt in de bosjes naast het gymnastieklokaal.
Toen hadden ze gezien dat plots het licht in de zaal uitging, terwijl hij en zij nog binnen waren.

Bingo, zeiden ze.
Zeiden we het niet?

De turnleraar ontkent.
Hij zegt dat wat zij beweert niet waar is, dat het niet is gebeurd, maar dat hij wel is ontslagen en met de nek wordt aangekeken.
De officier van justitie denkt in volle overtuiging dat hij liegt en zij niet.
En omdat dat de waarheid moet zijn, moet de turnleraar gestraft.
Met anderhalf jaar celstraf.
Over twee weken beslissen de rechters.

In de rechtszaal draait alles om de zoektocht naar de waarheid.
Soms wordt die gevonden.
De waarheid kan best ongeloofwaardig zijn.
Er zijn juristen die vinden dat de waarheid alleen dat is wat bewezen kan worden.
De juridische waarheid hoeft dus helemaal niet te kloppen met wat er echt is gebeurd.

En het kan nog complexer.
Wetenschapsfilosoof Ton Derksen denkt dat uitgerekend strafrechters, officieren van justitie en rechercheurs grotere kans lopen ernstige fouten te maken bij het zoeken naar de waarheid dan anderen.
De waarheidsvinding in strafzaken heeft veel weg van een loterij, stelt hij.
Hij schreef er een boek over dat vorige week verscheen: De Ware Toedracht.

Ton Derksen ontrafelde de waarheid in de zaak van Lucia de Berk (de B.), de Haagse verpleegster die tot levenslang werd veroordeeld, maar dankzij Derksen na zes jaar cel alsnog werd vrijgesproken.
De filosoof zette met zijn denkwerk heel justitie en een boel rechters in hun hemd.

Derksen schrijft dat mensen – alle mensen – tekort schieten bij het waarnemen van de alledaagse werkelijkheid.
Daar kunnen wij niets aan doen, want zo zijn mensen.

Soms vindt de waarheid stal noch haard.
Daar moeten wij het voorlopig mee doen.

Rob Zijlstra

.

UPDATE – 23 september 2010 – uitspraak
De turnleraar is vrijgesproken. Er is, concludeert de rechtbank, geen wettig en overtuigend bewijs dat de man ontuchtige handelingen heeft gepleegd. Het directe bewijs berust slechts op de verklaring van het meisje. Dit is onvoldoende en steunbewijs ontbreekt. Wel stelt de rechtbank dat er tussen de docent en de pupil mogelijk meer is geweest dan alleen een vriendschappelijke relatie. Dat levert op z’n hoogst een verdenking op waaruit geen conclusies kunnen worden getrokken. Ook merkt de rechtbank op dat de bestuursleden die in de bosjes lagen om de twee te bespieden, niets hebben waargenomen.

HET VONNIS

UPDATE – 25 oktober 2012 – uitspraak hoger beroep
De turnleraar is veroordeeld in hoger beroep. Het Openbaar Ministerie had net als in Groningen 18 maanden geeist. Passend en geboden, vindt het hof. Anders dan de rechters in Groningen oordelen de raadsheren dat de verklaring van het slachtoffer betrouwbaar en geloofwaardig is en dat er voldoende steunbewijs is die die verklaringen onderbouwen. Dan gaan het met name om de gestuurde sms’berichten en de cadeautjes die de leraar aan haar schonk.

HET ARREST

Willem II

Willem (53) is ongevoelig voor straf, stelde de Groninger rechtbank in augustus 2006 vast.
Desondanks kreeg hij toen wel tien maanden celstraf opgelegd wegens het smokkelen van 113 gram cocaïne vanuit Suriname.

Daarvoor, in maart 2005, had hij achttien maanden celstraf gekregen voor iets soortgelijks.

De officier van justitie deelde destijds de opvatting van de rechtbank over ’s mans ongevoeligheden.
Dat er desondanks toch een vrijheidsstraf werd geëist (een jaar) kwam omdat justitie het opsluiten van Willem als de enige manier ziet hem geen drugs te laten smokkelen.

Willem zelfs deed niet moeilijk over die tien maanden.
Hij is een levensscharrelaar.
Moet hij zitten, dan moet hij zitten.
Dan scharrelt hij maar even een tijdje niet.
Ook goed.

Begin 2007 was Willem al weer op vrije voeten.
En zoals dat gaat in zijn leven: ’t was maar voor even.
Op 3 december 2007 belandde hij in Frans Guyana – dat ligt naast Suriname – in de gevangenis. Een deel van straf mocht hij in Frankrijk, in Lille, uitzitten.
Ook die straf heeft hij opgeknapt.

Maandagochtend moest Willem in zittingszaal 14 verschijnen.
Hij was er niet.
Hij is ergens, zei zijn advocaat.
Rechters: ‘Maar wel vrij?’
Advocaat: ‘Ja.’
Rechters: ‘Hij heeft geen vaste woon- of verblijfplaats. Verblijft hij in Nederland?’
Advocaat: ‘Ik weet hoe ik met hem in contact kan treden.’

Willem zou – in 2007 – 800 gram cocaïne vanuit Suriname naar Nederland (Schiphol) hebben gesmokkeld.
Samen met zijn criminele organisatie.
Probleem is dat een lid van deze organisatie onvindbaar is, een twee al eerder werd vrijgesproken en tegen een derde bendelid geen strafvervolging is ingesteld wegens onvoldoende bewijzen.
Nu zou Willem, gezien zijn verleden, in z’n eentje een criminele organisatie kunnen vormen, maar juridisch is dat onmogelijk.

Probleem vormt ook de onderschepte 800 gram cocaïne.
In een van de verbalen staat dat die 800 gram maar 150 gram is en andersom.
Bovendien is er van het goedje, aangetroffen in blikken ananas, geen monster genomen om onomstotelijk vast te kunnen stellen dat het ook daadwerkelijk cocaïne betreft.
Er zijn foto’s gemaakt.
Maar de foto’s zijn zoek.

Komt bij dat Willem ditmaal ontkent.
Hij zegt dat hij er is ingeluisd.

De officier van justitie zegt dat er ‘onder deze omstandigheden’ niet veel valt te bewijzen.
En ook dat er ruimte is voor het idee dat Willem er inderdaad is ingeluisd.
De officier van justitie: ‘Ik kan niet anders dan vrijspraak vorderen, vrijspraak voor de cocaïnesmokkel en voor de deelname aan de criminele organisatie.’

Via zijn advocaat laat Willem de rechtbank weten dat hij blij is met het voortschrijdend inzicht van het openbaar ministerie.

Rob Zijlstra

zie ook: Willem I

.

UPDATE – 5 juli 2010 – uitspraak
Willem is vrijgesproken

Merkwaardige geschiedenis

tekening: annet van zuurveen

Is de nu 52-jarige Karel van O. uit Groningen ten onrechte veroordeeld voor de moord (doodslag) op Maja van Vloten?
De moord die na elf jaar werd opgelost omdat diezelfde Karel van O. zich bij de politie meldde met de mededeling: ik was het die avond in september 1994?
Biechtte Karel van O. toen een moord op die hij nooit heeft gepleegd?

De bekende Amsterdamse advocaat Geert-Jan Knoops vermoedt het.
Hij bereidt een herzieningsverzoek voor bij de Hoge Raad.
Daarmee wil hij een nieuwe rechtszaak afdwingen waarin Karel van O. moet worden vrijgesproken.
Het zou een bizarre wending betekenen in een al even bizarre zaak.

Maja van Vloten werd in september 1994 in haar woning aan de Meeuwerderbaan in Groningen op gruwelijke wijze om het leven gebracht.
Het was op de avond dat PSV Europees voetbalde tegen Leverkussen.
De politie meldde dit destijds in een advertentie in de krant, in de hoop dat mensen zich de avond herinnerden, mensen in de Oosterpoort in Groningen in het bijzonder.

Maar het bleef stil.
Er werd een verdachte aangehouden en weer vrijgelaten.
Daarna bleef weer stil, elf jaar lang.

Tot de zomer van 2005.
Karel van O., toen 47 jaar, meldde zich op het politiebureau met de mededeling dat hij de moordenaar is van Maja van Vloten.

Er kwam een onderzoek en de politie vond geen aanwijzingen dat Karel van O. het niet had gedaan.
In december van 2005 werd hij door de rechtbank in Groningen conform de eis veroordeeld tot 8 jaar celstraf wegens doodslag.

Het proces duurde een uurtje, wat uitzonderlijk kort is voor een moordzaak.
Van O. weigerde zich te laten verdedigen.
Hij had wel een advocaat, maar die mocht niets namens hem zeggen.
Karel van O. had wroeging, was ernstig ziek en wilde het geheim dat hij al die jaren met zich had meegedragen, niet meenemen in zijn graf, zo motiveerde hij in 2005 zijn biecht.
Het was niet de enige reden om zichzelf aan te geven, het was de druppel.
Zei hij toen.

In maart van dit jaar is Karel van O. op vrije voeten gekomen.
Straf uitgezeten.

Vanaf het begin zijn, ook door de politie, vraagtekens geplaatst bij de bekentenissen van Van O.
Dat hij uiteindelijk toch is veroordeeld heeft te maken met dna-sporen die op touw in de woning van het slachtoffer zijn gevonden.
Het aangetroffen (meng-)profiel zou van Van O. kunnen zijn.
Maar ook van anderen.
Het sluit hem in ieder geval niet uit.

Dit in combinatie met de bekentenis en enige daderwetenschap was voor de rechtbank voldoende voor een veroordeling.
Maar hard bewijs – in de zin van onomstotelijk – werd niet geleverd.

Daar tegenover staat dat Van O. in zijn bekennende verklaringen dingen heeft gezegd die feitelijk onjuist zijn.
Bijvoorbeeld over het tijdstip van de moord.
Het tijdstip dat hij in zijn verklaring noemt, kan niet kloppen omdat is vastgesteld dat Maja op dat moment nog niet thuis was.

Karel van O. heeft destijds geweigerd zich onder hypnose te laten verhoren.
Dit werd voorgesteld om een mogelijke waangedachte aan het licht te kunnen brengen.
Maar Van O. zei daarover: ‘Ik hou niet van hocus-pocus.’
Gedragsdeskundigen omschreven hem als een ‘joviale man vol schuldbesef’.

Knoops laat vanuit het buitenland en via zijn Blackberry weten dat hij een eigen onderzoek is begonnen naar nieuwe feiten.
Dit moet leiden tot het herzieningsverzoek.
Wordt dat verzoek ingewilligd, dan kan de Hoge Raad de zaak terugverwijzen naar een gerechtshof.
In het kader van een nieuw strafproces kan ook de politie weer aan het werk worden gezet.

In een recente publicatie in de Telegraaf wordt Karel van O. geciteerd.
Hij gelooft nog steeds dat hij het heeft gedaan, maar ook dat hij twijfels heeft.

Kortom: een merkwaardige geschiedenis waar ook nog wel meer merkwaardigheden over zijn te schrijven. Die volgen.

Rob Zijlstra

• het bovenstaande verhaal is gepubliceerd op 21 juni 2010
• ik heb het strafproces tegen Karel van O. gevolgd en schreef daar toen  dit verhaal over.

Johnny B. – interview

foto: corne sparidaens / dvhn

In de cel tikt de tijd niet

Neen.

Johnny gaat in dit verhaal dus even niet vertellen dat ‘ie het wel heeft gedaan.
Hij zegt: ‘Iedereen mag zijn mening hebben. Ik blijf erbij dat ik onschuldig ben. Ik heb mijn straf gehad. Nu is het klaar.’

Tussen augustus en december 2007 waren er 22 branden, brandjes en pogingen tot brandstichting in schuurtjes en leegstaande panden in ’t Zandt en omgeving.
Er volgde qua omvang een ongekend politieonderzoek, waarbij ook de hulp werd ingeroepen van het leger. Een week nadat Johnny 19 jaar was geworden, werd hij op 18 december 2007 in de draaideur van het Universitair Medisch Centrum Groningen (UMCG) klemgezet, omvergeduwd en door een arrestatieteam in de boeien geslagen.

We hebben hem, jubelde de politie.

Bijna een jaar later, op 1 december 2008, werd Johnny B. veroordeeld.
Niet tot vijf jaar zoals justitie had geëist, maar tot twee jaar celstraf waarvan negen maanden voorwaardelijk.
De rechters achten slechts één brandstichting en twee pogingen daartoe en het versturen van dreigbrieven bewezen.
Van de andere zaken werd hij vrijgesproken.
Op het moment van de uitspraak was Johnny al op vrije voeten.
Op 5 oktober vorig jaar moest hij zich bij de gevangenispoort in Veenhuizen melden voor het uitzitten van de dan nog resterende 177 dagen.

Dat was een tegenvaller.
Hij had gratie gevraagd, gevraagd of het restant mocht worden omgezet in huisarrest.
Dat mocht niet.
Vorige week kwam definitief een einde aan zijn detentie.

Hij zegt dat het goed met hem gaat, dat hij aan het werk is.
En ja, zeker weten is hij blij dat hij eindelijk een punt kan zetten achter een ‘best wel’ roerige tijd.

Kan hij het zich voorstellen dat er mensen zijn die hem niet geloven, die hem zullen blijven zien als de brandstichter van ’t Zandt?
Ja, dat kan hij.
Nuchter: ‘Het zal altijd aan mij kleven. Ik heb geen keus. Ik zal het er mee moeten doen.’

Wat heeft het met hem gedaan, die branden, het politieonderzoek met het leger erbij, de onrust, zijn aanhouding, de verhoren, de media-aandacht, de detentie?
Johnny zegt: ‘Ik weet nu hoe kostbaar vrijheid is. En hoe je vrijheid kunt missen, als je het niet hebt.’

’t Zandt was zijn dorp.
Voor de branden was hij van plan om er altijd te blijven wonen.
Eerst iets huren en dan een huis kopen, dat was het idee.
‘Ik was er altijd bezig. In de tuin, met groenten, met bomen en planten. Of met de schapen van mijn vader.’

Hij zat op de Groene School in Winsum waar hij de eerste beginselen van het hoveniersvak leerde.
In 2007 ging hij naar het AOC Terra in Groningen voor de vervolgopleiding tot zelfstandig hovenier. De arrestatie op 18 december van dat jaar betekende het einde van zijn opleiding.

Om geld te verdienen, bracht Johnny in ’t Zandt reclamefolders rond.
En de krant.
Ook haalde hij oud ijzer op.
Met het verdiende geld kon hij zodra hij 18 jaar was rijlessen volgen en in het voorjaar van 2007 kocht hij een auto.
‘Ik was een van de eersten in mijn vriendengroep met een eigen auto.’
Zijn vrienden waren de vrienden van de lagere school.
Met hen hing hij rond in het dorp en op zaterdagavond in discotheek 538 in Uithuizen. Daar leerde hij ook zijn huidige vriendin kennen.

De liefste jongens van het dorp?
‘Nee, dat niet. We hadden een keer onenigheid met een vrouw in het dorp. Gooiden we met eieren. Tijdens oud en nieuw is dat toen een keertje uit de hand gelopen. Met een man of dertig staken we een oud bankstel op straat, maar voor haar huis, in de brand. Met z’n vieren moesten we naar de kinderrechter. Ik heb toen een taakstraf gekregen van 70 uur. De anderen kregen een waarschuwing. Moest ik van maandag tot en met zaterdag een terrein van de gemeente Delfzijl opruimen.’

Begin augustus 2007.
Zomervakantie.
Johnny gaat met zijn vriendin er een paar dagen tussenuit.
Ze gaan naar een vakantiehuisje van Center Parks.
Hij zegt: ‘Mijn leven liep op rolletjes. Ik had alles wat ik wilde.’

Op 14 augustus 2007 is de eerste brand, in de oude, leegstaande aalmoezenierswoning midden in het dorp. In ’t Zandt werd gezegd: dat heeft de jeugd gedaan. Want de jeugd hangt daar altijd rond. Drie maanden later staat de teller op vijftien branden, heeft de politie er inmiddels een tijdelijke post ingericht en speuren tientallen rechercheurs met hulp van het leger naar sporen.
Het dorp hangt dan al vol met camera’s en detectoren.
Zelfs in de kerk.

Johnny: ‘Er gingen natuurlijk wel geruchten door het dorp. Wij waren vaak aan het donderjagen en kregen vaker de schuld van dingen die gebeurden. Ik ben toen ook verhoord, niet als verdachte, maar als inwoner van het dorp. Een keer moest ik aan het bureau komen. Raar was toen dat ik mijn auto achter het gebouw moest parkeren, terwijl er aan de voorkant ruimte genoeg was. Achteraf werd het me duidelijk: ze hebben toen een peilzender onder mijn auto aangebracht. Dat was op 16 november.’

Op 11 december vierde hij zijn 19de verjaardag met vrienden en een feestje thuis.
Wat hij toen niet wist, maar later in het dossier las, was dat de politie via de ventilatieroosters richtmicrofoons had geplaatst.
De gesprekken op het feestje werden afgeluisterd.
Een week later werd hij aangehouden.

De politie had willen wachten, die wilde de brandstichter op heterdaad betrappen.
Maar de druk was hoog en justitie zette de aanhouding door.
Ze wisten dat Johnny op 18 december een bezoek zou brengen aan een familielid van zijn vriendin die in het ziekenhuis lag.

Johnny: ‘We hebben toen nog grapjes gemaakt. Dat je in de gevangenis brood met spinnen te eten krijgt. We liepen naar de uitgang. Ik stapte als eerst in die draaideur. Zeven, acht mannen kwamen direct achter me aan. Ik kreeg een drukker en viel. Toen zaten ze boven op me en had ik handboeien om. Pas toen had ik door dat het de politie was. Ik werd naar het politiebureau aan de Rademarkt gebracht en ’s avond laat brachten ze me naar Delfzijl. Met drie auto’s en vol gas. Ik zat in de middelste.’

‘Ik dacht steeds, ik ga zo naar huis. Maar na Delfzijl brachten ze me naar de gevangenis in Ter Apel. De gevangenis kende ik alleen van de televisie. Nu zat ik er zelf. Medegedetineerden vroegen of ik nieuw en waar ik vandaan kwam. Ik zei, ik ben Johnny, uit ’t Zandt. Oh, zeiden ze, je bent steeds op de tv. Ik heb daar zelf weinig van meegekregen. Ik zat in beperking, 23 uur per dag op cel. Medegedetineerden regelden af en toe wat drinken. Soms schoven ze een krant onder de deur door. De bewaarders waren aardig. Van hen kreeg ik wel eens drop.’

‘Als je 23 uur per dag op cel zit, dan tikt de tijd niet door. Je kunt niks, andere mensen bepalen. Ik voelde mij machteloos. Op gegeven moment kun je ook niet meer huilen. Na veertien dagen mocht ik eindelijk, in het bijzijn van de politie, mijn ouders zien. We mochten niet over de zaak praten. Dat was natuurlijk hartstikke moeilijk. Van mijn moeder kreeg ik stiekem een klein knuffelbeertje. Ik had kleine briefjes geschreven. Daar had ik ‘ik hou van jullie’ op geschreven.’

‘Ineens werd ik weggevoerd, zo de verhoorkamer weer in. Ik was toen op m’n zwakst. Ze zeiden dat het niet erg zou zijn dat ik op mijn verklaringen terug zou komen. Dat ik naar huis mocht als ik zou bekennen. Ze probeerden me te breken, maar ik bleef zeggen: ik heb het niet gedaan. Ze zeiden ook, zeg het maar, we weten alles. Ze zeiden dat ze ervoor zouden zorgen dat mijn vriendin bij me weg zou gaan. Tegen mijn ouders hadden ze op de avond van mijn aanhouding gezegd, dat ze me op heterdaad hadden betrapt. Wat niet zo was.’

Op 13 februari, bijna twee maanden na de aanhouding, werden de beperkingen opgeheven.
‘Ik mocht bellen en voor het eerst televisie kijken. Ik heb toen de hele nacht gekeken. Ik kreeg toen ook de kaartjes en brieven van vrienden, van mensen uit ’t Zandt, van wildvreemden uit het hele land. Steunbetuigingen die ze twee maanden hadden achtergehouden. Ook mijn ouders kregen kaartjes en bloemen. Het dorp heeft mijn ouders nooit laten vallen, ze hebben hen nooit afgerekend op de verdenkingen tegen mij. Dat is voor ons zo ongelooflijk belangrijk geweest.’

Politiemensen, gespecialiseerd in het verhoren van ontkennende verdachten, ondervroegen hem. Uren achtereen, in totaal zo’n zestig keer.
En Johnny bleef zeggen: ik heb het niet gedaan.

Uiteindelijk waren ook de rechters niet overtuigd.

Als jij het niet hebt gedaan, heeft iemand anders het gedaan.

Hij zegt: ‘Er is een categorie mensen die zegt dat ik er meer van weet. Als ik buitenstaander was, zou ik ook mijn bedenkingen hebben. Echt waar. Maar hoe moet ik mijn onschuld bewijzen? Ik ken het dossier uit mijn hoofd. Vast staat dat er een aantal branden is die ik domweg niet gesticht kan hebben. Dat weet de politie ook. En er zijn sporen die wijzen naar anderen. Ik was tijdens het onderzoek niet de enige verdachte. Er waren meer mensen in beeld. Er is ook DNA aangetroffen dat niet van mij is.’

Johnny heeft zijn leven weer opgepakt. Hij heeft een huisje en gaat binnenkort officieel samenwonen met zijn vriendin. Ze hebben nu vijf jaar verkering. Hij heeft werk als hovenier, bij zijn oude werkgever.

Eigenlijk heeft Johnny net als voor de branden zijn leven weer goed op orde.
Als mensen hem vragen waar hij vandaan komt, zegt hij nooit: ik kom uit ’t Zandt.
Maar als mensen hem op de man af vragen of hij Johnny is, de Johnny B. uit ’t Zandt, dan zegt hij ja.

Dan zegt hij: ‘Ja, dat ben ik. Maar ik heb het niet gedaan.’

Rob Zijlstra

.

[dit interview is ook gepubliceerd in Dagblad van het Noorden van zaterdag 3 april]