Michael de Vrieze – patstelling

27/12 – met update: vrijspraak

Het strafproces rond de in 2010 spoorloos verdwenen schaker Michael de Vrieze uit Burum krijgt vandaag bij het gerechtshof in Leeuwarden opnieuw een bijzondere wending

Wat staat er op de rol van het hof?

Op de rol van het hof staat de strafzaak tegen de 39-jarige Cafer G. die in 2013 twaalf jaar celstraf kreeg wegens doodslag. Cafer G. zou in 2010 Michael de Vrieze met geweld om het leven hebben gebracht. Het kan niet anders dan dat zo is en het kan niet anders dan dat Cafer G. de dader is, oordeelde de rechtbank in Groningen.

Het lichaam van slachtoffer Michael de Vrieze is tot op de dag van vandaag spoorloos.

Er zijn maar weinig strafzaken die een zo merkwaardig verloop hebben als deze zaak. Cafer G. is na de veroordeling door de rechtbank en in afwachting van het hoger beroep het land uitgezet. Vanwege de veroordeling is Cafer G. – geboren in Nederland, maar met de Turkse nationaliteit – tot een ongewenste vreemdeling verklaard. Ook kreeg hij een inreisverbod: hij mag Nederland niet meer in.

Dit laatste botst met het recht aanwezig te mogen zijn bij je eigen strafzaak.

aanwezigheidsrecht

Cafer G. ontkent iets met de dood dan wel vermissing van De Vrieze te maken te hebben. Hij heeft te kennen gegeven dat hij aanwezig wil zijn bij de behandeling in hoger beroep. Van dit recht kan hij nu door toedoen van de overheid geen gebruik maken. Een patstelling.

Het ligt nog een stukje complexer.

Dat Michael de Vrieze in 2010 om het leven is gebracht, acht de rechtbank bewezen. De in Burum woonachtige De Vrieze zou in een woning aan de Jupiterstraat in Groningen zijn vermoord. Dit wordt aangenomen op basis van het vele bloed dat in de woning is aangetroffen. Dat er sprake is geweest van veel bloed was destijds een constatering van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI).

Maar dan gebeurt er iets raars.

Ter voorbereiding van het hoger beroep gelast het gerechtshof nader onderzoek naar het bloed. En wat blijkt? ‘Veel bloed’ blijkt bij nader inzien ‘weinig bloed’. Zo weinig (het bodempje van en borrelglaasje) dat het hof meent dat niet meer voor de volle honderd procent kan worden gesproken van een misdrijf.

Het hof verbindt aan deze nieuwe constatering ook consequenties: de tot twaalf jaar cel veroordeelde Cafer G. mag de gevangenis verlaten om de behandeling in hoger beroep als vrij man – maar nog wel als verdachte – af te wachten.

Twee dagen na dit besluit is G. het land uitgezet. Naar Turkije, een land dat geen onderdanen uitlevert. Het land ook waar Cafer G. kort na de verdwijning van Michael de Vrieze met enkeltje naar toe was gegaan. Gevlucht, aldus het OM.

Nederland heeft destijds nogal wat moeite gedaan om hem als verdachte in handen te krijgen. Toen G. vanuit Turkije naar Moskou reisde, werd de politie getipt. Op verzoek van Nederland werd G. in Moskou gearresteerd en na drie maanden uitgeleverd.

De grote vraag is of het gerechtshof de strafzaak vandaag inhoudelijk kan behandelen. Het Openbaar Ministerie lijkt te vinden van wel. Dat Cafer G. niet naar Nederland kan komen, is volgens het OM zijn eigen keuze. Bovendien kan G. zich laten vertegenwoordigen door een advocaat.

Cafer G. werd bijgestaan door advocaat Jac. Taekema. De raadsman heeft het gerechtshof laten weten dat hij zich onttrekt aan de zaak. ‘Het aanwezigheidsrecht van mijn cliënt wordt niet gerespecteerd. Dan kan ik, in zijn belang, niet anders doen dan de verdediging neerleggen’, aldus Taekema

Een patstelling binnen een patstelling.
Hoe verder?

Rob Zijlstra

update – 27 december 2017
Cafer G. vrijgesproken – bevindingen NFI geven doorslag

arrest

 

 

update – 13 december 2017 – patstelling doorbroken
Het hof heeft woensdagochtend besloten dat de strafzaak bij verstek behandeld kan worden. Het belang van Cafer G. om bij zijn strafzaak aanwezig te zijn, weegt niet op tegen het belang dat de samenleving heeft bij een voortgang van de zaak, zo luidde na beraad het oordeel.  Er werd uiteindelijk 12 jaar celstraf tegen Cafer G. geëist. Uitspraak op 27 december. Zie voor meer: dagblad van het noorden

 

 

 

Meelezende juristen wezen mij op bovenstaande uitspraak van belang

 

 

overzicht

michael de vrieze

11 april 2010
Michael de Vrieze (45) wordt voor het laatst in leven gezien in het Fair Play-casino in de Euroborg, Groningen.

12 april 2010
De auto van Michael de Vrieze wordt geflitst bij de brug in Noordhorn, de bestuurder is niet De Vrieze, zo is op de flitsfoto te zien.

16 april 2010
Met de pinpas van Michael de Vrieze wordt geld opgenomen. Kort daarvoor is ingelogd op de computer van De Vrieze in zijn woning in Burum. Cafer erkent dat hij daar is geweest. Om de katten eten te geven, zegt hij.

17 april 2010
Cafer G. vliegt naar Turkije (enkeltje) waar hij een bedrijfje heeft (entertainment in hotels).

december 2011
Cafer G. reist naar Moskou. Turkije tipt Nederland. G. wordt in Moskou aangehouden.

cafer g.

28 maart 2012
Cafer G. wordt uitgeleverd aan Nederland

1 juni 2012
Openbaar Ministerie looft een beloning van € 10.000 – uit voor de gouden tip die kan leiden tot het vinden van het lichaam van De Vrieze.

10 januari 2013
Het Openbaar Ministerie eist 10 jaar celstraf tegen Cafer G. wegens doodslag.

24 januari 2013
De rechtbank in Groningen veroordeelt Cafer G. tot 12 jaar cel wegens doodslag. G. gaat in hoger beroep.

14 juli 2015
Cafer G. wordt in vrijheid gesteld op last van het hof (geen ernstige bezwaren meer) na uitkomst van het nieuwe onderzoek naar bloed in de woning waar De Vrieze om het leven zou zijn gebracht. G. wordt afgeleverd in Turkije. Hij krijgt als ongewenste vreemdeling ook een inreisverbod van de IND.

13 december 2017 
Inhoudelijke behandeling hoger beroep. Het Openbaar Ministerie vindt dat strafzaak kan worden behandeld zonder de aanwezigheid van Cafer G. Advocaat Jac Taekema legt de verdediging neer (hij onttrekt zich) omdat Openbaar Ministerie het aanwezigheidsrecht niet wil respecteren. Het OM eist 12 jaar cel wegens doodslag.

27 december 2017 
Hof spreekt Cafer G. vrij.

 

eerdere artikelen op dit blog

raadsels zonder lijk – 9 januari 2013

michael de vrieze 1 – 14 juli 2015

michael de vrieze 2 – 17 juli 2015

foetsie – 10 feb 16

 

De ratsmodee

Er zijn te weinig strafrechters
in Groningen (in Noord-Nederland)
om recht te spreken.

Zou de rechtbank in Groningen een winkelstraat zijn, dan zou die straat zich kenmerken door lelijke leegstand. Of een school. Zou de rechtbank in Groningen een school zijn, dan zouden ouders (en/of verzorgers) steen en been klagen vanwege de grote uitval van lesuren. De inspectie zou rapporteren dat er meer lessen niet doorgaan dan er worden gegeven.

De rechtbanken in Groningen, in Assen, in Leeuwarden – samen de rechtbank Noord-Nederland – zijn geen winkelstraten met dichtgetimmerde winkelpanden, geen scholen met lerarentekorten, maar instituten waar geschillen worden geslecht en waar wordt gezocht naar de waarheid (een waarheid). En dat allemaal om de boel om ons heen een beetje soepeltjes te laten verlopen. Functioneert de rechtspraak niet, dan gaat de samenleving naar de ratsmodee.

Onheilspellend begin, Zijlstra.
Gaat het niet goed dan?
Niet helemaal.

Er zijn te weinig strafrechters in Groningen (in Noord-Nederland) om recht te spreken. De boel loopt nog niet in het honderd, maar het kraakt hier en daar duchtig. Op de rechtbank noemen ze het een gebrek aan zittingscapaciteit. Dat suggereert dat er te weinig zittingszalen zijn, waar dan niemand iets aan kan doen. Maar dat is niet zo. Er is ruimte zat. Het zit ’m in de mensen.

Probleem van nu is ook dat als er iets bijzonders aan de hand is, iets dat afwijkt, dan wreekt zich dat direct. Zo wordt het reguliere misdaadwerk in de rechtbank van Groningen al weken gegijzeld door een grote strafzaak. Die zaak gaat over vieze olie en valse transporten tussen Farmsum (Delfzijl), Lelystad, Roosendaal en Duitsland. De vermeende strafbare feiten zouden zijn gepleegd tussen 2006 en 2010.

Het onderzoek duurde jaren en kostte naar verluidt miljoenen euro’s. In zittingszaal 14 is speciaal een grote kast geplaatst om alle dossiers te kunnen bergen. Tegen de twee verdachte directeuren zijn boetes en werkstraffen geëist. Een van de betrokken bedrijven, North Refinery, is al jaren failliet. Het strafproces
begon begin maart, afgelopen week zijn (voorlopig) de laatste woorden gesproken. De uitspraak is over een paar maanden. Daarna volgt hoger beroep, vast ergens in 2020.

Los van direct betrokkenen is niemand in deze voor buitenstaanders onnavolgbare kwestie geïnteresseerd. Uiteraard moet in zo’n zaak recht worden gesproken, kennelijk ook als dat ten koste gaat van het gewone strafwerk. En dan moeten de rechters die er wel zijn zich ook nog eens bezighouden met strafzaken in de kleinste categorie.

Zo was er afgelopen week een man die een andere man had geslagen, zoals mannen dat al honderden jaren doen en dat (heb ik gehoord) de komende eeuwen ook blijven doen. Er was een zaak die draaide om openlijk geweld op de skatebaan. Een mishandeling (klap met vlakke hand) in een scheidingsprocedure nadat hij de hond had uitgelaten en twaalf flessen bier had gedronken. Er was wederspannigheid, een bedreiging, een eenvoudige belediging van een ambtenaar, de gebruikelijke diefstallen (croissantjes, Groninger metworst, kleding).

En de 65-jarige mevrouw L. moest komen opdraven.

Mevrouw L. wordt beschuldigd van vernieling. Wat ze heeft gedaan? Zij heeft Guusje laten castreren en dat had ze niet mogen doen want Guusje is niet van haar. De castratie is daarmee wederrechtelijk. Het baasje van Guusje had aangifte gedaan en toen moest mevrouw L. op het politiebureau komen. Er werd proces-verbaal opgemaakt en mevrouw L. werd aangemerkt als verdachte van het vernielen van de kater. Zo zeggen juristen dat. Volgens de officier van justitie trof de eigenaresse haar kat in een andere staat aan dan ‘ie die ochtend de deur was uitgegaan. Met ballen weg, zonder ballen terug.

De eigenaresse van Guusje zit als slachtoffer achterin de rechtszaal, mevrouw L. in de verdachtenbank, voorin. De eigenaresse kijkt triomfantelijk nu het er naar uitziet dat er eindelijk recht wordt gedaan. Mevrouw L. moet af en toe huilen want ze vindt het verschrikkelijk dat ze voor de rechter moet verschijnen.

Mevrouw L. zegt dat ze te goeder trouw heeft gehandeld. Dat haar motieven zuiver waren. Bona fide. Niet Mala fide zoals de verdenking luidt. Ze dacht dat Guusje een zwerfkat was. In 2015 had ze Guusje als eens verzorgd. Ze had het beestje toen gevonden met een grote wond boven op de kop. Ze had de wond schoongemaakt en magere Guusje wat te eten gegeven. Guusje was daarna blijven komen. Ze gaf hem vaker te eten en ook een keer een wormenkuur want dat moet af en toe bij een kat.

In de buurt had ze navraag gedaan, maar niemand wist van wie Guusje was. Ze belde de dierenambulance. Of er een kater in de buurt werd vermist? Niet. Na een tijdje had ze een bandje met een kokertje om de nek van de kat gedaan met in dat kokertje een briefje. Of de eventuele eigenaar contact zou willen opnemen. Niet lang daarna was het kokertje verdwenen, maar een eigenaar meldde zich niet. Toen na twee maanden guur weer de winter aankondigde, besloot mevrouw L. Guusje in huis te nemen.

Om geplas en katergestink tegen te gaan nam ze Guusje mee naar de dierenarts voor een ‘je-weet-wel-ingreepje’. Iedereen blij. Zou je denken.

Maar de buurt was helemaal niet blij. Buurtgenoten kalkten op de muur van het schuurtje van mevrouw L. dat ze een kattenmoordenaar is en dat ze tbs moet krijgen. Of een rolstoel. Er volgden bedreigingen en pogingen om haar omver te rijden met een auto. In het dossier staat dat de buurtagent heeft bevestigd dat tegen mevrouw L. een hetze wordt gevoerd. Er zijn camera’s opgehangen en burgemeester Peter den Oudsten is ingeschakeld om te bemiddelen. Recent was er een kort geding waarbij een aantal buurbewoners een contactverbod kreeg opgelegd.

De ondervraging van mevrouw L. door de politierechter duurt een half uur lang. Daarna doet de officier van justitie haar verhaal. Zij wikt en weegt en zegt uiteindelijk dat ze mevrouw L. het voordeel van de twijfel geeft. De eis: vrijspraak. De politierechter is zonder twijfel. Zij zegt tegen mevrouw L.: ,,U heeft te goeder trouw gehandeld en ik zie geen enkele reden u te veroordelen.’’

De rechter merkt nog op dat ze hoopt dat de situatie in haar woonomgeving nu snel zal verbeteren. De eigenaresse van Guusje haast zich de rechtszaal uit, terug naar de buurt waar de pesterijen nog niet voorbij zijn.

Aan eigenrechters was nog nooit een gebrek.

Rob Zijlstra

Geld & alcohol

het verdriet van Yanar
zit verwerkt in een
getatoeëerd traantje
onder zijn oog

 

Misschien is het wel waar dat in ieder mens van nature een paar gram slechtheid schuilt en dat daarom misdaad bestaat.
Zo er ook plastic in zee drijft.
Wie weet.
Met grotere stelligheid durf ik op te schrijven dat er misdaad onder ons is als gevolg van geld – te weinig of te veel – en – idem – alcohol.

Nooit zal ik de verdachte Peter vergeten, toen 31 jaar.
Bij de Spar had hij rode wijn gestolen, bij de iets verderop gelegen Gall&Gall aan het pleintje was hij gaan slaan om een fles whisky te bemachtigen.
Met de buit holde hij naar huis waar hij – eenmaal dronken – zijn geliefde in elkaar beukte.

Op een dag pikte zij dat niet meer en belde gebutst de politie.
Agenten kwamen opdraven en hielden Peter aan terwijl hij diep was weggezakt in zijn zoveelste roes.
Rond zijn bed een zee aan lege (en gestolen) drankflessen.

Peter was een man met vermogende ouders.
Om aangenaam te leven kreeg hij 15.000 euro per maand toegeschoven.
Daar hoefde hij niets voor te presteren.
Toen zijn ouders kwamen te overlijden, vloeide er een paar miljoen naar zijn bankrekening.
Waarom dan stelen met al dat geld, met al die euro’s?
Simpel: ’t was op.
Verbrast. Opgezopen. Verpist.
Peter had niets meer.
Zelfs de schadeclaim van Gall&Gall, twee tientjes, kon hij als ex-miljonair niet betalen.
De duurste afkick-klinieken in het buitenland had hij bezocht, daar waar ook benevelde wereldberoemdheden komen, maar geholpen had het niet.
Hij moest wel stelen.

Is het niet de drank, dan is het wel het geld.
Yanar (20) heeft nooit vermogende ouders gehad.
De ouders die hij wel had, zijn dood.
Oma voedde hem op.
Na een lange vlucht uit Azerbeidzjan belandde hij in Noord-Groningen, niet ver van waar ook dronken Peter was neergestreken.
Een stage bij de V&D in Groningen mislukte omdat hij er van veel te vroeg tot veel te laat en altijd te hard moest werken.

Yanar had 65 euro per week te besteden.
Dat was per week te weinig, daar hij met dit geld ook zijn dagelijkse jointjes moest financieren.
Aan de bewindvoerder had hij om opslag gevraagd, een beetje extra maar.
Over een week zou oma jarig zijn en hij wilde iets voor haar kopen.
De bewindvoerder hield voet bij stuk en gaf geen cent extra.
Yanar zei daarop boos dat hij dan op zijn eigen manier geld zou gaan halen.

Kort daarna, op nieuwjaarsdag, stapte hij met een muts over zijn hoofd en een vuurwapen in de linkerhand de frietkraam in Tuikwerd in Delfzijl binnen en eiste met trillende knieën het geld in de kassa op.
De doodgeschrokken frietmedewerkster drukte op het stille alarm en griste wat bankbiljetten bijeen.
Met honderd euro ging Yanar er vandoor.

Nee, zegt hij tegen de rechters, het is niet de manier.
Maar wat moest hij dan?
Hij had geldnood. Dus.
En nu?
Hij zegt: ‘Oma is teleurgesteld.’
En verder?
Hij wil met rust gelaten worden, zijn straf uitzitten en dan werken.
En als dat niet lukt gaat hij terug naar zijn land, dan wil hij weg van hier, van hier waar grote mensen alleen maar onzin praten.

Jawel.
Hij heeft wel aan dat meisje van de frietkraam gedacht.
Maar pas later.
Niet toen hij het ging doen, want dan denk je niet aan zoiets.
Nu wel.
De reclassering waarmee hij niets te maken wil hebben, schreef dat Yanar een kwetsbare jongeman is die al veel in zijn leven heeft moeten meemaken en de neiging heeft dat te overschreeuwen.
Het verdriet van Yanar zit verwerkt in een getatoeëerd traantje onder zijn oog.
Wat de officier van justitie betreft hoeft Yanar de komende tijd te werken noch oplossingen te verzinnen voor geldnood.
Hij eist vier jaar gevangenisstraf.

Hannes combineert geld en drank.
Hij steelt al jaren als gevolg van geldnood ten behoeve van drank.
Eens was hij goed voor twee flessen jenever per dag, tegenwoordig houdt hij het vooral bij bier en whisky.
Een dag voordat Yanar de frietkraam bezocht, keilde Hannes aan het Helperplein in Groningen een baksteen door de etalageruit van Gall&Gall (ja, die weer).
Hij was op dat moment al flink dronken.
De volgende ochtend was hij wakker geworden in Oude Pekela bij een kennis.
In het bed waarop hij lag, lagen ook zeven flessen whisky.
Toen de drank drie dagen later op was, zou hij hebben ingebroken in de woning van zijn moeder.
De buit: een fles bessenjenever en een krat Amstel.
Eis: vijftien maanden.

In de zalen van het strafrecht zijn wekelijks dit soort geld- en drankverhalen op te tekenen.
Soms, heel soms, gaat het andersom.
Zoals bij Max, een jongeman van dan 21 jaar uit Oezbekistan die deel uitmaakte van een criminele bende die zich in Oost-Groningen schuldig maakte aan moord (althans pogingen daartoe), vrijheidsberoving, drugshandel, bedreigingen en gewapende overvallen op hennepplantages.

Max zou betrokken zijn geweest bij een woningoverval (met hennep) in Froombosch.
Iemand had hem met zijn oorbellen door zijn oren herkend, op de plaats-delict was een muts gevonden met daarop zijn dna.
De rechtbank veroordeelde hem tot vier jaar.
Zijn rechters wilden niet weten dat bij hem sprake was van een ‘psychotisch beeld’, veroorzaakt door een ‘schizofreen proces’.

Er volgde hoger beroep.
In het Paleis van Justitie in Leeuwarden stelden de raadsheren ter plekke vast dat Max geen gaatjes in de oren had en ten aanzien van de muts met dna luidde het oordeel dat de muts er door anderen kan zijn neergelegd.
Vrijspraak.

Max had drie nachten in een politiecel doorgebracht.
Daarna had hij vijf nachten met beperkingen een huis van bewaring gezeten, gevolgd door nog eens 736 nachten zonder beperkingen, zij het wel opgesloten en van de vrijheid beroofd.
En dat ten onrechte.

De advocaten stelden voor om aan Max een schadevergoeding toe te kennen.
Voor de eerste acht dagen 105 euro per etmaal, voor de 736 daaropvolgende nachten tachtig euro.
En omdat bij Max dus wel sprake is van een ‘schizofreen proces’ zou het standaardtarief moeten worden verdubbeld.
Ook de kosten van het verzoek tot schadevergoeding – 550 euro – zou moeten worden vergoed.

De rechters dachten diep na en besloten toen de Staat der Nederlanden te verplichten om aan de jonge Oezbeek (op een tientje na) 120.000 euro te betalen.

Proost.

Rob Zijlstra

uitspraken op 25 juni

Heimelijk afgeluisterd

zelfs in de rechtbank
zijn verdachten niet veilig

Twee verdachten moeten voor de rechtbank in Assen verschijnen.
Het gaat om een pro forma-zitting.
Geen inhoudelijk behandeling.
De twee mannen worden verdacht betrokken te zijn bij de dood van Andre Lubbers, een ondernemer uit Klazienaveen.
De man werd in augustus 2012 in zijn woning door het hoofd geschoten.

Het gerucht ging dat er veel geld bij de ondernemer viel te halen.
Het vermoeden is dat Andre Lubbers het slachtoffer is geworden van roof.
En dat hij daarbij – hoe gek dat ook klinkt – per ongeluk is doodgeschoten.

De juridische kwalificatie luidt: een poging toto diefstal met geweld met de dood tot gevolg.

De man die zou hebben geschoten is vandaag door de rechtbank in Groningen veroordeeld tot 7 jaar celstraf.
Drie medeverdachten – tegen wie ook 7 jaar was geëist – zijn vrijgesproken.

De veroordeelde man dankt zijn veroordeling mede aan DNA.
Op de broek van het slachtoffer werden bloedsporen aangetroffen, bloed van de nu veroordeelde.
Dit spoor brengt hem in de woning waar het slachtoffer het leven liet.

Er is een belastende verklaring van een medeverdachte.

En er is een heimelijk afgeluisterd gesprek.
Toen twee verdachten, onder wie de nu veroordeelde, voor de proforma-zitting in de rechtbank van Assen moesten verschijnen, had de politie voorzorgsmaatregelen getroffen.
Met toestemming van de rechter-commissaris (op 13 november 2012) plaatste de politie in een cel in het gerechtsgebouw afluisterapparatuur.

R.F. is de man die nu is veroordeeld.
I.C. is de medeverdachte die een belastende verklaring aflegde en is vrijgesproken.

Het afgeluisterde gesprek:

R.F.: ‘Wij moeten gewoon volhouden, dat wij niks meer weten.’
R.F.: ‘Wij zitten diep in de problemen. Ik was bang dat zij het vuurwapen hadden gevonden. Maar als zij hadden gevonden, hadden ze aan ons verteld, zelfs hier in de gevangenis.’
I.C.: ‘En wat die andere dan, als wij met zijn drieën zeggen dat wij hem niet hebben gezien, dan is het goed toch. Ik denk niet dat hij het gaat vertellen.’ (…)
R.F.: ‘Ik maak mij zorgen. Ik weet niet of ik het lang kan volhouden, ik ben bang dat ik het ga verklaren.’

Zelfs in de rechtbank zijn verdachten niet veilig.
Ook daarom zeggen advocaten steeds vaker tegen hun cliënten: ‘Altijd je mond houden.’

Rob Zijlstra

bron van het gesprek: het vonnis 

Schermafbeelding 2015-04-17 om 17.29.37

het vonnis van R.F. die is veroordeeld tot 7 jaar celstraf

 

 

Straffeloos

geen spoedOp vrijdagavond 25 maart 2011 heeft een van de ernstigste misdrijven van de afgelopen jaren in de provincie Groningen plaats.
Op die avond wordt in Hoogezand de Turkse avondwinkel Perya Impex overvallen.
Twee gemaskerde mannen met beide een wapen in de hand denderen tegen kwart voor negen de zaak binnen.
Een van de overvallers springt op de toonbank en eist geld.
De 37-jarige zoon van de eigenaar roept dat er geen geld is, verzet zich en wordt neergeschoten.

Een kogel doorboort zijn linkerschouder.
De overvallers gaan er – zonder buit – vandoor.
Vlak voordat ze het winkelpand verlaten, wordt nogmaals op de dan al zwaargewonde zoon geschoten.
Een tweede kogel raakt de buik.
Met levensbedreigende verwondingen wordt hij overgebracht naar het ziekenhuis.

De gebeurtenissen hebben een enorme impact in de buurt.
De burgemeester komt ’s avonds poolshoogte nemen.
Het is niet het eerste gewelddadige incident in Hoogezand.
De burgemeester wil daarom extra politie.
De krant meldt de volgende dag dat de daders voortvluchtig zijn en dat van hen ieder spoor ontbreekt.

Wat daarna volgt moet bizar heten.
Eerst verstrijken weken.
Dan meldt de politie, halverwege mei 2011, dat met de aanhouding van twee mannen de overval op de Turkse avondwinkel is opgelost.
De media nemen dat zomaar over.
Soms doen wij samen met de politie alsof het leven eenvoudig is: dat met de aanhouding van mannen misdrijven worden opgelost.
Zo’n aanhouding is in een rechtstaat natuurlijk nog maar het begin.

De aangehouden mannen zijn 19 en 24 jaar oud.
De jongste heet zeg maar Charles, de oudste Gianni.
Ze ontkennen.

De rechtszaak dient op 17 november 2011. De verdenkingen zijn gebaseerd op verklaringen van getuigen.
En er is een DNA-match die niets bewijst, maar wel belastend is.
Charles en Gianni blijven ontkennen.
De een zegt over de verklaringen van getuigen: ‘Mensen praten poep.’
De ander: ‘We worden er ingeluisd.’

Het slachtoffer mag de rechters toespreken en vertelt hoe bang hij is, hoe hij vreesde voor zijn leven, hoe bang zijn ouders op leeftijd zijn.

Ook getuigen zouden angstig zijn.
Afgelegde verklaringen worden herroepen, anderen weigeren, bang voor represailles, te verklaren.
Een getuige ontkent getuige te zijn en wordt vervolgd wegens meineed.
Er is een getuige opgeroepen op de zitting, maar die is niet komen opdagen.
Dat is een probleem.
De rechters besluiten dat de strafzaak moet worden aangehouden om die getuige alsnog te kunnen horen.

De twee advocaten vinden dat best, mits Charles en Gianni naar huis mogen om het vervolg van het proces in vrijheid af te wachten.
De vertraging is immers niet hun schuld.
Het Openbaar Ministerie verzet zich tegen vrijlating, maar de rechters besluiten dat Charles en Gianni nog diezelfde dag de gevangenis mogen verlaten.
Ze hebben dan een half jaar vastgezeten.

Daarna wordt het stil en zal het heel lang stil blijven.
Er gaan drie maanden voorbij, acht maanden, een jaar.
Twee jaar en een paar weken.
De getuige die nog gehoord moet worden, woont gewoon naast de avondwinkel.

Op 13 december 2013 – 26 maanden na de onderbreking – krijgt de strafzaak eindelijk een vervolg.
Charles is overigens in 2012 nog wel in zittingszaal 14 geweest in verband met een straatroof waar hij (netto) achttien maanden celstraf voor krijgt.
Die straf heeft hij al uitgezeten.

Tegen Charles wordt acht jaar gevangenisstraf geëist, tegen Gianni die geen strafblad heeft zeven jaar, beide wegens een poging tot doodslag en een poging tot afpersing.
Verklaringen van getuigen geven het wettige en overtuigende bewijs, vindt het OM.
Charles en Gianni zijn niet aanwezig, ze kijken wel link uit.

Dat het zo lang heeft geduurd, vindt de officier van justitie vervelend.
Dat zegt hij tegen de rechters.
Vervelend voor de verdachten, maar zeker ook voor de slachtoffers.
De reden van de lange duur, zegt de officier van justitie, is dat het OM in 2012 en 2013 is overspoeld met grote onderzoeken.

Het was gewoon te druk.
Zou dat nou echt waar zijn?
Dat politie en justitie twee jaar lang geen tijd hebben gehad om een van de ernstigste misdaden in jaren goed te onderzoeken?

Deze week deed de rechtbank uitspraak.
Het verzamelde bewijs is weliswaar wettig verkregen, maar het overtuigt niet.
Er zijn alternatieve scenario’s denkbaar, het is niet uit te sluiten, oordelen de rechters, dat anderen dan Charles en Gianni de overval hebben gepleegd.
Het gebrek aan overtuiging moet leiden tot vrijspraak.
En dat is ook de uitspraak.

De rechters leveren kritiek op de kwaliteit van het politieonderzoek: er heeft (te) veel tijd gezeten tussen de overval en het horen van getuigen.
Betrokkenen hebben daardoor verklaringen op elkaar kunnen afstemmen.
Daarnaast is het de rechters gebleken dat de politie van diverse contacten met getuigen geen proces-verbaal heeft opgemaakt.
Rechters: ‘Dat is niet acceptabel.’

Tot slot wordt opgemerkt dat het OM geen plausibele reden heeft opgegeven voor het lange tijdsverloop sinds de zitting van november 2011.

Eind 2013 moet de conclusie luiden dat de overval op 25 maart 2011 op de Turkse avondwinkel niet is opgelost.
De burgemeester van Hoogezand moet nog maar eens ergens poolshoogte nemen.

Rob Zijlstra

HET VONNIS 

De directeur en de FNV

Doodsbang rennen Wim en Herman het politiebureau binnen.
Wanneer ze na 35 minuten wachten eindelijk aan de beurt zijn, roepen ze: ‘Hij wilde ons vermoorden.’
De dienstdoende agent logt in en begint van alles met twee vingers in te tikken.
Na enige tijd vraagt de agent: ‘En wie wilde u vermoorden?’
Wim en Harmen: ‘De directeur.’
Agent: ‘En u heeft daar geen toestemming voor gegeven?’

Integendeel, antwoorden de twee bange mannen.
Ze vertellen.
Dat ze aan het werk waren, bij de personeelsingang van het bedrijf van de directeur.
Ze waren personeel aan het enquêteren.
Ze wilden weten of het personeel wel volgens de cao werd gewaardeerd.
Dat soort dingen.

De agent kijkt naar de twee mannen en vraagt: ‘En waarom wilden wij dat allemaal weten?
Wim en Herman: ‘Wij zijn vakbondsmannen van de FNV.’

De agent schrikt en beseft ineens dat het hier gaat om een situatie van ernst.
Of de heren koffie blieven. Of slachtofferhulp?
Zegt: ‘Mannen, ik roep er een collega bij. Dit moet tot op de bodem worden uitgezocht. Het kan niet zo zijn wij, wij dienstverleners, de ambtsdragers van de samenleving, worden belaagd. Of je nou politieman, ambulanceman of vakbondsman bent, dit moet aangepakt. Wanneer is het gebeurd?’

Wim en Herman: ‘Drie dagen geleden, op 13 april.’
‘Helder’, zegt de agent en noteert 16 april.

Het relaas van Wim en Herman wordt met alle details op papier gezet en als dat klaar is lezen de verbalisanten het proces-verbaal zoals dat moet nog eens voor, opdat niets aan het toeval wordt overgelaten.
Wim en Herman kunnen zich er in vinden.
Kennelijk was de opwinding op dat moment zo groot, dat niet alleen de mannen van de vakbond, maar ook de twee verbalisanten vergeten hun handtekeningen te plaatsen.
De wet vereist dat wel.

De directeur wordt aangehouden en verhoord.
Ook de tweede directeur, hij was kort na de moordaanslag op het toneel verschenen, moet een verklaring afleggen.
En de bedrijfsleider en nog een medewerker die niets bijzonders had gezien.
Na een paar weken wordt het politieonderzoek afgerond en naar het openbaar ministerie gestuurd.
Weldra zal de directeur publiekelijk terecht moeten staan wegens een poging tot moord dan wel een poging tot doodslag, meermalen gepleegd.
Dat de beoogde slachtoffers dienstbaar aan de samenleving zijn zal vast en zeker strafverzwarend werken.

De officier van justitie die de zaak moet beoordelen wikt en weegt en gaapt.
Denkt directeuren en vakbonden, altijd gesodemieter.
Alsof wij op parket niets beters te doen hebben.
Met een ferme zwaai pakt hij de stempel en drukt af.
Sepot.
Volgende zaak.

De vakbond wordt in kennis gesteld van dit besluit en bromt: ‘Mannen, dit pikken we niet.’
De bond stapt naar het gerechtshof en doet conform artikel 12 Wetboek van strafvordering beklag.
Het hof beoordeelt de kwestie, concludeert dat de officier van justitie in Groningen iets te snel door de bocht is gegaan met het sepot en beveelt dat het openbaar ministerie alsnog vervolging moet instellen.

Zo gebeurde het dat de directeur deze week, ruim twee jaar na dato, tegenover de politierechter zit.
Niet vanwege een poging tot moord of doodslag, maar voor bedreiging.

De officier van justitie zegt dat de directeur met zijn auto op Wim en Herman is ingereden waarbij hij zijn snelheid niet heeft aangepast aan de situatie ter plekke.
Dat de vakbondsmannen, mannen die opkomen voor een goede zaak, moesten wegspringen om het vege lijf te redden.
Weliswaar waren de mannen verzocht het bedrijfsterrein te verlaten.
Dat ze dat niet deden, geeft de directeur nog niet het recht op deze manier te handelen.
Geschillen moeten op een andere manier worden beslecht.
De officier van justitie spreekt van een kwalijke zaak.
Zo heeft een van de slachtoffers weken achtereen geen poortacties durven houden.

Het bewijs: de twee aangiftes van Wim en Herman, in combinatie met een uitlating van de directeur tijdens het politieverhoor.
De directeur had gezegd dat hij boos was en ook: ‘Ik reed niet langzaam.’

De aanklaagster laat meewegen dat de directeur slechts een paar veroordelingen van de kantonrechter op zijn documentatie (‘kantondocu’) heeft staan en dus tot op zekere hoogte first offender mag heten.
Ze eist voor de kwalijke zaak een boete van 750 euro, maar die geheel voorwaardelijk met een proeftijd van een jaar. Daarnaast moeten de twee vakbondsmannen recht hebben op smartengeld: 200 euro per persoon.

De aanwezige vakbondsman met opgestroopte mouwen kijkt tevreden.
Eindelijk zal het recht zegevieren.
De directeur – glimmende manchetten – oogt getergd.

De directeur zegt wanneer het zijn beurt is: ‘Het is een mooi verhaal, maar het is niet waar. Ik heb absoluut niet op die mensen ingereden.’
Hij vertelt dat ‘ons’ bedrijf al weken door FNV-medewerkers werd geterroriseerd. Dat de maat vol was en dat de vakbondsmannen keurig en netjes waren verzocht het terrein te verlaten. Ja, daarbij is ook een beetje geduwd, ja.
Uiteindelijk was hij in zijn Mercedes gestapt en had hij geroepen: ‘Ik spreek geen woord Frans en nu wegwezen’

De directeur: ‘Ik kwam gewoon aanrijden en ben weer gestopt om nog een keer te zeggen dat ze weg moesten gaan. Ze stonden toen tussen geparkeerde auto’s. Ze hoefden helemaal niet weg te springen.’

De tweede directeur die iets later kwam, verklaarde: ‘Die FNV’ers reden weg, met een vlag en maakten al claxonerend nog een paar rondjes over het terrein.’
De bedrijfsleider: ‘De FNV was provocerend aanwezig.’
De medewerker die binnen zat: ‘Ik heb niets bijzonders gezien.’

Vakbondsman Herman: ‘Ik doe mijn werk. In dat werk zoeken we naar de balans tussen werkgevers en werknemers. Maar in een gesprek bleek dat niet mogelijk. De directeur zette zijn auto in als wapen. Dat tast alles aan waar ik in geloof. Wij komen altijd ergens in het midden uit, de balans. En dan wil hij mij willens en wetens torpederen, dat gaat me te ver.’
De advocaat van Herman, die eigenlijk zijn mond moet houden: ‘Ze waren bezig met het uitoefenen van een grondrecht, het recht op vereniging. Door die bedreiging is hen dat grondrecht afgenomen.’

De advocaat zegt dat de FNV paranoïde is.
Dat de dagvaarding rept van 16 april, terwijl het drie dagen eerder is gebeurd.
Dat de processen–verbaal niet zijn ondertekend, een vormverzuim, artikel 153, strafvordering.
Dat wanneer er een aanslag op je is gepleegd, je toch onmiddellijk naar de politie gaat en niet drie dagen later.
Dat je na een aanslag op het leven niet eerst nog even een groot spandoek gaat ophangen op het terrein (‘mijn baas is een dwaas’).
Dat de medewerker die binnen zat niets bijzonders heeft gezien, niet bij de directeur, maar ook niet bij de vakbondsmannen.
Dat vakbondsman Wim als een stalker met de passie van een pitbull het privéleven van de directeur is binnengedrongen wat zijn verklaringen er niet geloofwaardiger op maakt.

Kortom: het gaat bij de politierechter van welles tot nietes.
Voor alle zekerheid meldt de rechter: ‘Ik was er niet bij.’

Zegt vervolgens tegen de beklaagde: ‘Er liggen twee aangiftes – weliswaar niet ondertekend, dus niet opgemaakt op ambtseed – maar waarin wel zwart op wit staat dat u op hen bent ingereden. Daartegenover staat uw verklaring, inclusief uw opmerking dat u ‘niet langzaam’ kwam aanrijden. Maar daar kan ik geen bedreiging uithalen. Bovendien wordt uw verhaal ondersteund door uw mededirecteur, de bedrijfsleider en door de medewerker die zegt niets bijzonders te hebben gezien.’

De politierechter spreekt de directeur vrij.

Rob Zijlstra

extra
artikel 12 Wetboek van strafvordering
artikel 153 wetboek van strafvordering

Shaken baby

In maart 2008 zag ik een man in grote verwarring het gerechtsgebouw van Groningen via de voordeur verlaten.
Hij had elf maanden in voorlopige hechtenis gezeten en na uren in de verdachtenbank hoorde hij de officier van justitie vijf jaar gevangenisstraf eisen.
Maar een half uur later was Mart vrij man.

Ik schreef destijds: ‘Het was alsof het openbaar ministerie met 5 – 0 voorstond en de laatste minuut van de reguliere speeltijd was ingegaan. Bij het eindsignaal is het 5 – 6 , in het voordeel van de verdachte.’

Mart werd verdacht van doodslag.
Hij zou op 10 maart 2007 zijn acht weken oude zoontje om het leven hebben gebracht door het kind met kracht heen en weer te schudden.
Brian overleed aan hersenletsel.

Deskundigen spraken over het shaken-baby-syndroom

Onderzoek van de politie had aan het licht gebracht dat Mart, hoewel zorgzaam, de enige is die het gedaan kon hebben.

Brian wordt in januari 2007 negen pond zwaar en gezond geboren. Na een paar weken ontstaan complicaties.
Brian valt af en toe weg en is dan slap.
Het jongetje ligt vijf dagen ter observatie in het ziekenhuis.
Daar wordt niets bijzonders vastgesteld.

Vijf dagen later, op zaterdag 10 maart, wordt het kind ’s ochtends gevoed, om half elf krijgt het medicijnen – wat extra ijzer – toegediend.
Om kwart over elf gaat de moeder naar haar werk.
Mart verkoopt een auto, dat is zijn handeltje.
Om exact 11.21 uur wordt de auto op het postkantoor overgeschreven (blijkens het vrijwaringbewijs).
Daarna krijgt hij koffiebezoek van een vriend.
Vanaf kwart over twaalf is Mart alleen in de woning met de dan slapende Brian.
Hij gaat het huis schoonmaken.

Om 14.27 uur belt hij in paniek haar moeder: ‘Er is iets met Brian.’
Om 14.30 uur doet hij dat nog een keer.
De moeder zegt dat ze onderweg is, maar voor de verkeerslichten staat.
Om 14.34 belt haar moeder 112.
Mart doet dat om 14.37 uur.

De politie is snel ter plaatse, een agent doet een poging tot reanimatie.
Bij aankomst in het ziekenhuis stellen artsen vast dat de overlevingskans nihil is.
Kort daarna sterft Brian.

Tijdens de zitting geven twee getuige-deskundigen – gezaghebbende kinderartsen – toelichtingen op de door hen geschreven rapporten van bevinding.
Cruciale vraag: kan aan de hand van het geconstateerde letsel het tijdstip worden bepaald wanneer Brian krachtig door elkaar is geschud?

De ene deskundige: met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid, een paar minuten tot enige uren voordat Mart in paniek zijn moeder belde.
De andere deskundige: mee eens, maar niet helemaal; geen minuten, eerder uren.

En dit – paar minuten, geen minuten – brengt de rechtbank aan het twijfelen.

Niet kan worden uitgesloten dat Brian krachtig door elkaar is geschud op een tijdstip dat Mart niet alleen met hem in de woning verbleef.
In theorie kan ook de moeder die de woning rond kwart over elf verliet hebben geschud.
Met die constatering van de rechtbank valt de bewijsconstructie van het openbaar ministerie in duigen: die luidt dat anderen het niet gedaan kunnen hebben en dat het daarom dus Mart wel moet zijn geweest.

Advocaat Jan Boone zegt dat een vader die zijn kind verliest hoort te rouwen en niet in de gevangenis hoort te zitten.
Elf maanden zitten terwijl je het niet hebt gedaan, is welletjes, moppert Boone.

De rechters gingen  in beraad en na lang nadenken zeiden ze dat ze neigen naar vrijspraak.
Mart mocht naar huis.
Twee weken later, op 10 april 2008, volgde de definitieve uitspraak: niet is uit te sluiten dat iemand anders dan de vader het kind heeft geschud.
Vrijspraak.

De rechtbank uitte in het vonnis kritiek op de verhoormethode van de Groninger politie.
De verhoortactiek was niet gericht geweest op waarheidsvinding, maar was bedoeld om een ‘bekennende verklaring te verkrijgen’.

Het openbaar ministerie tekende binnen twee weken hoger beroep aan.
En dan blijft het bijna vier jaar stil.

Tot 9 februari 2012.

Aan het einde van deze middag eist het openbaar ministerie in hoger beroep geen vijf jaar zoals in Groningen, maar zes jaar gevangenisstraf tegen Mart.

Het openbaar ministerie stelt dat het boven redelijke twijfel is verheven dat de vader het fatale letsel heeft toegebracht. Met het schudden van de baby heeft hij welbewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat de baby hierdoor zou komen te overlijden.

Rob Zijlstra


• Het bovenstaande verhaal is gebaseerd op het rechtbankverslag dat ik destijds schreef.

.

UPDATE – 23 februari 2012 – uitspraak
Het gerechtshof heeft Mart vrijgesproken. Het hof is van oordeel dat niet buiten redelijke twijfel vastgesteld kan worden dat het verdachte moet zijn geweest die de ten laste gelegde fatale handelingen heeft begaan. Het hof volgt hiermee de redenatie van de rechtbank Groningen die Mart eerder vrijsprak.

HET ARREST