Johnny B. – interview

foto: corne sparidaens / dvhn

In de cel tikt de tijd niet

Neen.

Johnny gaat in dit verhaal dus even niet vertellen dat ‘ie het wel heeft gedaan.
Hij zegt: ‘Iedereen mag zijn mening hebben. Ik blijf erbij dat ik onschuldig ben. Ik heb mijn straf gehad. Nu is het klaar.’

Tussen augustus en december 2007 waren er 22 branden, brandjes en pogingen tot brandstichting in schuurtjes en leegstaande panden in ’t Zandt en omgeving.
Er volgde qua omvang een ongekend politieonderzoek, waarbij ook de hulp werd ingeroepen van het leger. Een week nadat Johnny 19 jaar was geworden, werd hij op 18 december 2007 in de draaideur van het Universitair Medisch Centrum Groningen (UMCG) klemgezet, omvergeduwd en door een arrestatieteam in de boeien geslagen.

We hebben hem, jubelde de politie.

Bijna een jaar later, op 1 december 2008, werd Johnny B. veroordeeld.
Niet tot vijf jaar zoals justitie had geëist, maar tot twee jaar celstraf waarvan negen maanden voorwaardelijk.
De rechters achten slechts één brandstichting en twee pogingen daartoe en het versturen van dreigbrieven bewezen.
Van de andere zaken werd hij vrijgesproken.
Op het moment van de uitspraak was Johnny al op vrije voeten.
Op 5 oktober vorig jaar moest hij zich bij de gevangenispoort in Veenhuizen melden voor het uitzitten van de dan nog resterende 177 dagen.

Dat was een tegenvaller.
Hij had gratie gevraagd, gevraagd of het restant mocht worden omgezet in huisarrest.
Dat mocht niet.
Vorige week kwam definitief een einde aan zijn detentie.

Hij zegt dat het goed met hem gaat, dat hij aan het werk is.
En ja, zeker weten is hij blij dat hij eindelijk een punt kan zetten achter een ‘best wel’ roerige tijd.

Kan hij het zich voorstellen dat er mensen zijn die hem niet geloven, die hem zullen blijven zien als de brandstichter van ’t Zandt?
Ja, dat kan hij.
Nuchter: ‘Het zal altijd aan mij kleven. Ik heb geen keus. Ik zal het er mee moeten doen.’

Wat heeft het met hem gedaan, die branden, het politieonderzoek met het leger erbij, de onrust, zijn aanhouding, de verhoren, de media-aandacht, de detentie?
Johnny zegt: ‘Ik weet nu hoe kostbaar vrijheid is. En hoe je vrijheid kunt missen, als je het niet hebt.’

’t Zandt was zijn dorp.
Voor de branden was hij van plan om er altijd te blijven wonen.
Eerst iets huren en dan een huis kopen, dat was het idee.
‘Ik was er altijd bezig. In de tuin, met groenten, met bomen en planten. Of met de schapen van mijn vader.’

Hij zat op de Groene School in Winsum waar hij de eerste beginselen van het hoveniersvak leerde.
In 2007 ging hij naar het AOC Terra in Groningen voor de vervolgopleiding tot zelfstandig hovenier. De arrestatie op 18 december van dat jaar betekende het einde van zijn opleiding.

Om geld te verdienen, bracht Johnny in ’t Zandt reclamefolders rond.
En de krant.
Ook haalde hij oud ijzer op.
Met het verdiende geld kon hij zodra hij 18 jaar was rijlessen volgen en in het voorjaar van 2007 kocht hij een auto.
‘Ik was een van de eersten in mijn vriendengroep met een eigen auto.’
Zijn vrienden waren de vrienden van de lagere school.
Met hen hing hij rond in het dorp en op zaterdagavond in discotheek 538 in Uithuizen. Daar leerde hij ook zijn huidige vriendin kennen.

De liefste jongens van het dorp?
‘Nee, dat niet. We hadden een keer onenigheid met een vrouw in het dorp. Gooiden we met eieren. Tijdens oud en nieuw is dat toen een keertje uit de hand gelopen. Met een man of dertig staken we een oud bankstel op straat, maar voor haar huis, in de brand. Met z’n vieren moesten we naar de kinderrechter. Ik heb toen een taakstraf gekregen van 70 uur. De anderen kregen een waarschuwing. Moest ik van maandag tot en met zaterdag een terrein van de gemeente Delfzijl opruimen.’

Begin augustus 2007.
Zomervakantie.
Johnny gaat met zijn vriendin er een paar dagen tussenuit.
Ze gaan naar een vakantiehuisje van Center Parks.
Hij zegt: ‘Mijn leven liep op rolletjes. Ik had alles wat ik wilde.’

Op 14 augustus 2007 is de eerste brand, in de oude, leegstaande aalmoezenierswoning midden in het dorp. In ’t Zandt werd gezegd: dat heeft de jeugd gedaan. Want de jeugd hangt daar altijd rond. Drie maanden later staat de teller op vijftien branden, heeft de politie er inmiddels een tijdelijke post ingericht en speuren tientallen rechercheurs met hulp van het leger naar sporen.
Het dorp hangt dan al vol met camera’s en detectoren.
Zelfs in de kerk.

Johnny: ‘Er gingen natuurlijk wel geruchten door het dorp. Wij waren vaak aan het donderjagen en kregen vaker de schuld van dingen die gebeurden. Ik ben toen ook verhoord, niet als verdachte, maar als inwoner van het dorp. Een keer moest ik aan het bureau komen. Raar was toen dat ik mijn auto achter het gebouw moest parkeren, terwijl er aan de voorkant ruimte genoeg was. Achteraf werd het me duidelijk: ze hebben toen een peilzender onder mijn auto aangebracht. Dat was op 16 november.’

Op 11 december vierde hij zijn 19de verjaardag met vrienden en een feestje thuis.
Wat hij toen niet wist, maar later in het dossier las, was dat de politie via de ventilatieroosters richtmicrofoons had geplaatst.
De gesprekken op het feestje werden afgeluisterd.
Een week later werd hij aangehouden.

De politie had willen wachten, die wilde de brandstichter op heterdaad betrappen.
Maar de druk was hoog en justitie zette de aanhouding door.
Ze wisten dat Johnny op 18 december een bezoek zou brengen aan een familielid van zijn vriendin die in het ziekenhuis lag.

Johnny: ‘We hebben toen nog grapjes gemaakt. Dat je in de gevangenis brood met spinnen te eten krijgt. We liepen naar de uitgang. Ik stapte als eerst in die draaideur. Zeven, acht mannen kwamen direct achter me aan. Ik kreeg een drukker en viel. Toen zaten ze boven op me en had ik handboeien om. Pas toen had ik door dat het de politie was. Ik werd naar het politiebureau aan de Rademarkt gebracht en ’s avond laat brachten ze me naar Delfzijl. Met drie auto’s en vol gas. Ik zat in de middelste.’

‘Ik dacht steeds, ik ga zo naar huis. Maar na Delfzijl brachten ze me naar de gevangenis in Ter Apel. De gevangenis kende ik alleen van de televisie. Nu zat ik er zelf. Medegedetineerden vroegen of ik nieuw en waar ik vandaan kwam. Ik zei, ik ben Johnny, uit ’t Zandt. Oh, zeiden ze, je bent steeds op de tv. Ik heb daar zelf weinig van meegekregen. Ik zat in beperking, 23 uur per dag op cel. Medegedetineerden regelden af en toe wat drinken. Soms schoven ze een krant onder de deur door. De bewaarders waren aardig. Van hen kreeg ik wel eens drop.’

‘Als je 23 uur per dag op cel zit, dan tikt de tijd niet door. Je kunt niks, andere mensen bepalen. Ik voelde mij machteloos. Op gegeven moment kun je ook niet meer huilen. Na veertien dagen mocht ik eindelijk, in het bijzijn van de politie, mijn ouders zien. We mochten niet over de zaak praten. Dat was natuurlijk hartstikke moeilijk. Van mijn moeder kreeg ik stiekem een klein knuffelbeertje. Ik had kleine briefjes geschreven. Daar had ik ‘ik hou van jullie’ op geschreven.’

‘Ineens werd ik weggevoerd, zo de verhoorkamer weer in. Ik was toen op m’n zwakst. Ze zeiden dat het niet erg zou zijn dat ik op mijn verklaringen terug zou komen. Dat ik naar huis mocht als ik zou bekennen. Ze probeerden me te breken, maar ik bleef zeggen: ik heb het niet gedaan. Ze zeiden ook, zeg het maar, we weten alles. Ze zeiden dat ze ervoor zouden zorgen dat mijn vriendin bij me weg zou gaan. Tegen mijn ouders hadden ze op de avond van mijn aanhouding gezegd, dat ze me op heterdaad hadden betrapt. Wat niet zo was.’

Op 13 februari, bijna twee maanden na de aanhouding, werden de beperkingen opgeheven.
‘Ik mocht bellen en voor het eerst televisie kijken. Ik heb toen de hele nacht gekeken. Ik kreeg toen ook de kaartjes en brieven van vrienden, van mensen uit ’t Zandt, van wildvreemden uit het hele land. Steunbetuigingen die ze twee maanden hadden achtergehouden. Ook mijn ouders kregen kaartjes en bloemen. Het dorp heeft mijn ouders nooit laten vallen, ze hebben hen nooit afgerekend op de verdenkingen tegen mij. Dat is voor ons zo ongelooflijk belangrijk geweest.’

Politiemensen, gespecialiseerd in het verhoren van ontkennende verdachten, ondervroegen hem. Uren achtereen, in totaal zo’n zestig keer.
En Johnny bleef zeggen: ik heb het niet gedaan.

Uiteindelijk waren ook de rechters niet overtuigd.

Als jij het niet hebt gedaan, heeft iemand anders het gedaan.

Hij zegt: ‘Er is een categorie mensen die zegt dat ik er meer van weet. Als ik buitenstaander was, zou ik ook mijn bedenkingen hebben. Echt waar. Maar hoe moet ik mijn onschuld bewijzen? Ik ken het dossier uit mijn hoofd. Vast staat dat er een aantal branden is die ik domweg niet gesticht kan hebben. Dat weet de politie ook. En er zijn sporen die wijzen naar anderen. Ik was tijdens het onderzoek niet de enige verdachte. Er waren meer mensen in beeld. Er is ook DNA aangetroffen dat niet van mij is.’

Johnny heeft zijn leven weer opgepakt. Hij heeft een huisje en gaat binnenkort officieel samenwonen met zijn vriendin. Ze hebben nu vijf jaar verkering. Hij heeft werk als hovenier, bij zijn oude werkgever.

Eigenlijk heeft Johnny net als voor de branden zijn leven weer goed op orde.
Als mensen hem vragen waar hij vandaan komt, zegt hij nooit: ik kom uit ’t Zandt.
Maar als mensen hem op de man af vragen of hij Johnny is, de Johnny B. uit ’t Zandt, dan zegt hij ja.

Dan zegt hij: ‘Ja, dat ben ik. Maar ik heb het niet gedaan.’

Rob Zijlstra

.

[dit interview is ook gepubliceerd in Dagblad van het Noorden van zaterdag 3 april]

Jamie de kok

jamieDe reden waarom dit een verhaal is, staat onderaan.
Eerst het volgende.

Ik had hem Jamie genoemd, want ook hij was kok en kwam uit Engeland.
Deze Jamie streek nu tien jaar geleden neer in Groningen, om er een nieuw leven op te bouwen.
Hij vond een baan in een populair restaurant in de binnenstad.
In zijn nieuwe leven ging hij ook gewoon naar de huisarts.

In de wachtkamer van die huisarts gebeurde iets raars.
In de kleine ruimte zat een klein meisje van zes jaar te spelen, wachtend op haar moeder die binnen bij de dokter zat.
Jamie was de volgende patiënt.
Toen de moeder klaar was en met haar dochtertje door de regen naar huis fietste, vertelde ze dat het een rare meneer was in de wachtkamer.

Niet lang daarna werd Jamie gearresteerd op verdenking van een misdrijf tegen de zeden.
Hij zou zich in het bijzijn van het meisje hebben afgetrokken.
Schennis van de eerbaarheid.

Tijdens de rechtszaak op 27 november vorig jaar was even de gedachte dat het je maar zal overkomen. Ga je naar de dokter en een volgend moment zit je in de politiecel omdat er een klein meisje een raar verhaal heeft verteld. Dan kun je wel zeggen dat het niet waar is, dat een kok zoiets toch niet doet, maar geloven ze je ook?

De officier van justitie geloofde hem niet.
Hij geloofde Karin, het meisje.
Dit vooral omdat zij was gehoord in een speciale kinderstudio van de politie door deskundigen in zedenzaken.
En die concludeerden dat het verhaal van Karin wel eens niet raar, maar waar zou kunnen zijn.
Haar verhaal was authentiek en haar gedrag – angstig, weer in bed plassen – was voor de deskundigen herkenbaar.

Toen Jamie een verklaring gaf, een verklaring waarom Karin misschien dacht dat hij… ontstond twijfel.
Hij verklaarde dat hij zittend in de wachtkamer ineens zag dat de rits van zijn gulp kapot was. Het lipje zat vast. En omdat het gênant zou zijn om zo bij de dokter binnen te stappen, had hij een hand in de broek gestopt en had hij met de andere zitten sjorren aan dat lipje.
Zodoende.

Wel een beetje raar, maar het kan.

Halverwege de zitting, op het moment dat de persoonlijke omstandigheden van Jamie werden behandeld, nam de twijfel aan zijn onschuld grote vormen aan.
Jamie was destijds naar Nederland gekomen omdat hij in Engeland was veroordeeld wegens ontucht met kinderen.
In 2004 werd hij in Assen veroordeeld wegens schennispleging.
In oktober 2007 volgende een veroordeling in Groningen wegens ontucht met kind.

Toen hij in maart 2008 in de wachtkamer zat, net vrij, was hij voor dit onzedelijk gedrag in behandeling.
Om die reden eiste de officier van justitie na wikken en wegen alleen een voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden. Dit omdat een onvoorwaardelijke celstraf – echt zitten – de behandeling met goede resultaten zou verstoren met alle gevolgen van dien.

Jamie had tot de eis met woedende blikken – en dodelijke richting de officier van justitie – in het verdachtenbankje gezeten.
Had verontwaardigd gezegd dat het verleden tegen hem werd gebruikt.
En dat hij zich irriteerde aan de officier van justitie.
Maar nadat de eis was uitgesproken glimlachte hij tevreden.

En even later liep hij zelfs vrolijk de rechtszaal uit.
De politierechter had gezegd dat ze te veel twijfels had, ook omdat de politie nauwelijks onderzoek had gedaan.
Het kan waar zijn, maar net zo goed raar.
En dus sprak de politierechter hem vrij.
Bij het verlaten van de zaal gaf hij de officier van justitie nog een hand.

Toen hij weg was, zag ik hoe de moeder van Karin vol ongeloof in de rechtszaal achterbleef.

We zijn tien maanden en drie weken verder.

Ineens zie ik hem staan.
Onmiskenbaar.
Schennispleging en ontuchtig met kinderen en camera.
Ben benieuwd wat Jamie er ditmaal van zal brouwen, deze week in zittingszaal 14.

Rob Zijlstra

UPDATE – 22 oktober 2009 – nieuwe eis
Justitie heeft 15 maanden celstraf waarvan 5 voorwaardelijk geeist wegens een poging tot ontucht, schennispleging en aanranding van de eerbaarheid. En, heel ongewoon, een proeftijd van 8 jaar.

het verslag van de (bijzondere) zitting

Magistratelijke aarzeling

Het is donderdag en het wil niet vlotten in zittingszaal 14, het onderkomen van de meervoudige strafkamer van de Groninger rechtbank.
Om negen uur zitten drie verdachten met even zoveel advocaten klaar om te worden berecht.

Het zijn twee Delfzijlsters die in Winschoten wonen en een aangetrouwde mevrouw uit Duitsland.
Ze zouden drugs, hennep in dit geval, naar Hamburg hebben gesmokkeld.
Wel achthonderd kilo, zegt de officier van justitie later.
Dat is best veel.

Maar een half uurtje later staat het verdachte trio al weer buiten het gerechtsgebouw.

Een van de advocaten had lelijke dingen geroepen over het dossier, dat het dossier niet compleet is en dat dat wel moet.
De officier van justitie sputtert tegen, maar haalt bakzeil.
De advocaat heeft gelijk, zeggen de rechters.
De strafzaak wordt daarom aangehouden en de mopperende officier moet nu duizenden telefoontaps aan het strafdossier toevoegen.

De tweede zaak staat pas om half twaalf op de rol.
De verdachte is een 36-jarige man die wordt verdacht van het kraken van een Fiat Cinquencento in de parkeergarage onder het Holland Casino en van het stelen, op diezelfde dag, van een fiets.
Met een strafeis van vier maanden cel wordt hij een half uurtje na aanvang van de zaak teruggebracht naar het huis van bewaring in Ter Apel.

De man, geboren in het Marokkaanse Oujda, spreekt goed Nederlands, maar aan wat hij goed zegt is een half uur lang geen touw vast te knopen.
Hij wordt dertig keer onderbroken.
‘Waarom zou je een lekkere maaltijd gaan halen’, is zijn antwoord in alle ernst op de vraag van de rechters waarom hij het misschien wel heeft gedaan of niet.

Om half twee staat de derde en laatste zaak op de rol.
De laatste al omdat er ’s middags een feestje is.
Er worden vier al beëdigde magistraten geïnstalleerd – een rechter en drie officieren van justitie – en daar zit altijd een receptie vol borrelpraat in het gerechtsgebouw aan vast.

Rechtbankverslaggever wordt onrustig.
Want er is nog geen spoor van de opgeroepen verdachte.
Er is niet eens een advocaat.

Strafzaken zonder verdachten halen doorgaans niet deze plek, want wat moet het verhaal dan zijn?
Het ziet er naar uit dat ik met lege handen naar de krant moet.
Niks te schrijven, dat kwam nog nooit voor.

Voor alle zekerheid ga ik toch maar luisteren en dat zal een redding blijken.

Het verhaal dat in de bijna lege rechtszaal wordt verteld, is dat van de 29-jarige Ruud uit Oude Pekela.
Hij wordt bewusteloos in een woning in Stadskanaal aangetroffen.
Als de gewaarschuwde politie arriveert, zeggen aanwezigen dat de man GHB heeft genuttigd. Hij wordt met spoed overgebracht naar het ziekenhuis.

De agenten ter plaatse doen onderzoek.
In de auto van de bewusteloze Ruud is het raak: de agenten vinden zakjes vol XTC-pillen, speed, een flesje met lobbig water dat na onderzoek inderdaad GHB is, plastic zakjes met sluitstrip waarin doorgaans drugs wordt verkocht en een nauwkeurig weegschaaltje.

Ofwel, de uitrusting van een drugsdealer.
De boel en de auto worden in beslag genomen.
Niet lang daarna meldt de inmiddels weer levende Ruud zich op het politiebureau.
Hij wil zijn auto wel terug.
De man erkent bij de politie dat de aangetroffen drugs en ook het dealermateriaal van hem is.
Hij geeft toe te drugshandelen, maar alleen vrienden zijn zijn klanten.

De politie schrijft het op zoals dat hoort en levert het dossier in bij het openbaar ministerie. Daar wordt de zaak gewogen en besloten een dagvaarding naar de drugsdealer te sturen, inclusief de oproep op donderdagmiddag om half twee in zittingszaal 14 te verschijnen om daar terecht te staan.

Nu Ruud er niet is en ook geen advocaat om het voor hem op te nemen, lijkt de afhandeling van de strafzaak een kwestie van een hamerstuk.

Maar dan.

De officier van justitie zegt geplaagd te worden door grote aarzeling.
Want, zo vraagt hij zich af: is het bewijsmateriaal dat de politie heeft verzameld, wel rechtmatig verkregen?
Het is een magistratelijke vraag waar hij ook zelf antwoord op geeft: neen, niet rechtmatig.

Toen de agenten de drugsman bewusteloos aantroffen, was hun eerste taak hulp te verlenen. In die sfeer werd de auto doorzocht, om te kijken of daar aanwijzingen waren die de nare toestand van de man konden verklaren.
Zo werd de drugs gevonden en daarmee veranderde Ruud van een patiënt in een verdachte.

Maar de doorzoeking van de auto gebeurde vanuit het oogpunt van hulpverlening. Een redelijk vermoeden dat de man ook drugsdealer was, kon er op dat moment niet zijn.
En bij een gebrek aan dat vermoeden, een redelijk vermoeden van schuld, had de politie de drugs niet mogen vinden.

Kortom, zo betoogt de officier van justitie als ware hij de advocaat die er niet is, het bewijs is onrechtmatig verkregen en dan zegt de wet dat het niet mag meetellen.

Resteert de gave bekentenis.
De aanklager: ‘Die kan ook niet helpen, want een bekentenis zonder steunbewijs is onvoldoende bewijs.

De officier van justitie besluit zijn pleidooi: ‘De aarzeling die mij plaagt moet in dit geval uitpakken in het voordeel van de verdachte. En hoewel deze zaak dubieuze kanten heeft, eis ik vrijspraak.’

Rob Zijlstra

UPDATE – 24 september 2009 – uitspraak
De politie heeft de wet – artikel 2 politiewet – te ruim toegepast. De auto werd doorzocht nadat het slachtoffer (de latere verdachte) al was afgevoerd. De hulpverlening door de politie was daarmee klaar, er was vervolgens geen reden de auto te doorzoeken. Het bewijs – de gevonden drugs – is daardoor onrechtmatig verkregen.  Aldus de rechtbank in het vonnis. Vrijspraak dus.

het vonnis (bron: rechtspraak.nl)

Rotpolitie

t en c

Ergens aan de Hoofdweg in Eelde wappert de vlag.
Hoera, Tom is vrijgesproken!

Twee weken geleden had Tom (19) nog tegen de rechters gezegd dat het klot’n was.
Hij was geslaagd voor zijn examen en nu dit.
Als het winkeltje open was geweest, zei hij, had ik hier niet gezeten.

De verdenking luidde dat Tom brand had gesticht.
Op het terrein van het BP-benzinestation aan de Emmalaan in Haren.
Pal naast de pomp.
Het had op die vroege ochtend van 9 februari vorig jaar een hels vuurwerk kunnen worden.
Of nog erger, met rampenplannen, evacuaties, een diep geschokte burgemeester en een onafhankelijk onderzoek naar het falen van de veiligheidsklep. Ik zeg maar wat.

Tom was met vrienden op stap geweest naar de jeugdsoos.
Samen fietsten ze naar huis. Omdat Tom trek had, was hij vooruit gefietst, naar het benzinestation.
Shit.
Winkeltje dicht.

In afwachting van zijn vrienden fietst Tom verveeld wat rondjes tussen de pompen door.
Dat is te zien op de beelden die de beveiligingscamera’s hebben gemaakt en die in de rechtszaal worden getoond.

Dan plots is Tom nog maar half te zien, achter zo’n pomp.
Hij doet iets, niet goed te zien is wat.
Dan fietst hij weg.
Twee seconden later is er rook.
Komt uit de prullenbak, naast die pomp.

Tom ondertussen fietst weer rondjes en dan weg.

Het is de nachtportier van het nabijgelegen Mercure-hotel die onraad ruikt en 112 belt.
De brandweer is er zo, want de kazerne is om het hoekje.
De schade bedraagt toch nog 34.000 euro, waarvan 1500 eigen risico.
Dat moet Tom nu betalen.
Daarnaast eist de officier van justitie een werkstraf van 150 uur en 3 maanden voorwaardelijke gevangenisstraf.

Met zo’n eis had Tom zich al in de handen mogen knijpen.
Zodra er met opzet vuur in het spel is en gemeen gevaar, dan wil justitie nog wel eens uithalen.

De camerabeelden werden in het kader van de opsporing getoond bij RTV Noord.
Dat leverde reacties noch tips op.
Toen besteedde de website van de Harener krant er aandacht aan.
Hé, riep de dochter van de plaatselijke journalist, dat is Tom die bij mij op school heeft gezeten.

En zo gebeurde het dat Tom in Eelde van zijn bed werd gelicht.
Hij ontkende.
De politie liet hem de camerabeelden zien.
Toen zei Tom: ‘Ja, dat ben ik.’
En even later: ‘Ja, ik heb het gedaan.’
De politie: ‘Bingo.’

Maar in de rechtszaal ontkent Tom.
Hij zegt: ‘Ik moest bekennen. De politie sloeg op de tafel. Ze riepen, je mag naar huis als je zegt dat je het hebt gedaan.’
En dus zei hij dat.
Hij moest naar examentraining, was bang dat hij in de cel zou zakken.

In de rechtszaal zegt hij dat hij het niet meer weet.
Hij had een paar teugen – zo zegt hij dat – van zijn sigaret genomen.
Ja, hij was gestopt, maar stiekem rookte hij af en toe nog.

En terwijl hij teugde, bedacht hij ineens: ik doe wel gevaarlijk met al die benzine hier.
En daarom fietste hij weg.
Of hij toen zijn sigaret in de prullenbak heeft gegooid?
Tom weet het niet meer.
Als ik dat heb gedaan, was dat niet met opzet.
Echt niet, zegt hij.

De officier van justitie zei twee weken geleden dat het verhaal van Tom niet geloofwaardig is.
Rotjong.

Maar de rechtbank is het daar niet mee eens.
Er is brand gesticht want het rookte.
Maar de eerste bekentenis van Tom bij de politie mag niet meewegen.
Omdat die is afgedwongen.
De politie mag niet zeggen, geef het maar toe Tom, dan mag je naar huis.
Dat is druk.
En nu de bekentenis – op zich bewijs – wegvalt, blijft er onvoldoende over voor de overtuiging dat Tom het met opzet heeft gedaan.

Rotpolitie.

Vrijspraak, de vlag uit.
BP moet het eigen risico nu zelf betalen.
Tom wil iets in de recreatieve sector gaan doen.
Of rechten studeren.
Hij weet het nog niet.

Rob Zijlstra

Uit beeld

tegen-kinderporno

 

Het kan ook als volgt gaan.

 

Op 26 augustus 2005 – dat is bijna vier jaar geleden – bezoekt Wim een Duitse website van misschien wel bedenkelijk allooi. Dat laatste vermoedt Duitse politie die gedurende een tijdje alle ip-adressen van bezoekers laat registreren. Die adressen zijn van computers en die computers zijn van mensen.

 

De Duitse bevindingen worden (ook) naar Nederland gestuurd en zo komt de Groninger regiopolitie uiteindelijk bij Wim in Groningen terecht.

Uiteindelijk, want pas op 23 januari 2007 doet de politie een inval in zijn woning.

Dat is ongeveer anderhalf jaar na dat digitale bezoekje aan die loli-dorki-website.

 

De inval levert op wat de Duitse politie al had gedacht: kinderporno op de computer van Wim. Twee harde schijven, zeven diskettes en een serie videobanden worden in beslaggenomen. In januari 2008, een jaar na de inval, wordt Wim door de politie gehoord.

 

Sommige zaken hebben kennelijk even tijd nodig.

 

Wim geeft het toe: hij downloadde heel veel. Zipbestanden met vooral muziek.

Maar rotzooi gooide hij weg.

Ja, hij had wel naar de pornofoto’s met kinderen gekeken.

Stukje nieuwsgierigheid. Je leest er over en hoort er van.

Maar na een tijdje had hij gedacht, jongen, waar in godsnaam ben jij mee bezig? Hij had toen zijn computer eens flink opgeruimd.

Dat was eind 2006.

Dat de politie twee, drie maanden later tijdens de inval toch nog kinderporno vond, had hem verrast. Kennelijk was er iets blijven staan.

 

Zo verklaarde Wim in april vorig jaar in zittingszaal 14 tegen de rechters.

Kinderporno, zei hij, wekte zijn weerzin op en nul-komma-nul lust.

 

Ja, ja, zei de officier van justitie die dit vaker hoort. ‘Dat kijken van u heeft al met al wel een tijdje geduurd. Waarom bleef u zo lang nieuwsgierig?

Wim: ‘Stukje spanning. Omdat het niet mag.’

 

De politie-inval in januari 2007 zet het leven van Wim op de kop. Zijn werk is zijn leven, maar als zijn werkgever hier achter komt, is het gedaan met het werk, zo weet hij. Komt bij dat Wim dan wel niet in de schijnwerpers werkt, maar wel vlak daar achter.

De schande.

 

De officier van justitie eist een werkstraf van 90 uur en vijf maanden voorwaardelijke gevangenisstraf.

Op het werk wordt hij, met de vut in zicht, geschorst.

Zijn wereld stort in.

Aan het einde van de zitting is Wim een gebroken man.

Met dichtgeknepen keel piept hij dat zijn zoon nog van niets weet. En dat hij nu naar zijn zoon gaat.

Om het te vertellen.

 

Voor de rechtbank lijkt de zaak een kat in het bakkie.

Er is kinderporno aangetroffen en Wim heeft dat ook wel toegegeven.

Hij heeft erkend dat hij die rommel in zijn bezit heeft gehad.

En dat is zo strafbaar als het maar kan.

 

Maar dan is er een advocaat, Mathieu van Linde. En die weet de boel nog wel eens in de war te schoppen. Ook nu.

Want Van Linde zegt dat het niet kan, dat wat er is gebeurd en dat Wim daarom moet worden vrijgesproken.

Daar moest de rechtbank over nadenken en in plaats van twee weken na de zitting uitspraak te doen, houdt de rechtbank de kwestie aan om nader te worden geïnformeerd.

 

Toen de Duitse politie in 2005 in de smiezen kreeg dat er iets niet deugde met dat gedownload op lorki-dorki, werd een list bedacht.

Het linkje bleef staan, maar de kinderporno daarachter werd verwijderd.

Het ip-adres van de computer van bezoeker Wim werd wel geregistreerd.

Met de inval in zijn woning, anderhalf jaar later, als uiteindelijk gevolg.

 

Het moet in dit land niet gekker worden, had de advocaat geroepen. Een inval in een woning mag alleen dan als er sprake is van een redelijk vermoeden van schuld.

Zonder dat redelijk vermoeden moeten politie en justitie de burger met rust laten.

 

In dit geval heeft Wim iets gedownload nadat de kinderporno achter dat linkje was verwijderd. En zoiets kan nooit een redelijk vermoeden van schuld opleveren. En dus had de politie nooit een inval mogen doen bij Wim.

Nu ze dat ten onrechte wel hebben gedaan, is de in beslag genomen kinderporno – het bewijs – onrechtmatig verkregen.

 

En onrechtmatig bewijs mag niet tellen, moet worden uitgesloten.

En als de kinderporno in deze zaak wordt uitgesloten, blijft er niets over.

En moet Wim worden vrijgesproken.

Dat Wim wel zelf heeft verklaard dat hij kinderporno in bezit had, mag zo zijn, het is onvoldoende voor een veroordeling.

 

De officier had nog tegengeworpen dat misschien dan niet de link verdacht was, maar dan toch wel de site. En daarmee hadden we dus wel een vermoeden. Komt bij dat het bezit wel is te bewijzen. Dus.

De advocaat: ‘Flauwekul.’

 

In juni dit jaar zou de rechtbank, na nader te zijn ingelicht, uitspraak doen, maar weer komen de rechters er niet uit. Vorige maand zat Wim daarom voor de vierde keer weggedoken in het verdachtenbankje, ondertussen ruim drie jaar ouder.

De advocaat roept nogmaals flauwekul.

 

Wim vertelt dat het hem naar omstandigheden goed gaat. Dat hij, 63 jaar, zijn levensbaan door dit alles is kwijtgeraakt, maar dat de onzekerheid die hem nu al zo lang boven het hoofd hangt, misschien wel net zo erg is. Zijn schorsing is door zijn werkgever omgezet in een sobere vertrekregeling.

Op die manier raakte Wim in goed overleg uit beeld.

 

Maandag hakte de rechtbank uiteindelijk de knoop door: flauwekul.

Het bewijs, zegt de rechtbank met de advocaat, is onrechtmatig verkregen en daarom moet het gevonden kinderpornomateriaal worden uitgesloten.

Vrijspraak voor Wim.

 

Er zijn mooiere manieren een arbeidzaam leven te beëindigen.

 

© Rob Zijlstra

Wicher Wedzinga (51)

– met update

 

Voormalig rechter Wicher Wedzinga (51) uit Groningen is volgens justitie weer eens (opmerkelijk actueel) de fout ingegaan.

Hij moet zich morgenvroeg melden in zittingszaal 14 van de Groninger rechtbank.

 

De rechtbank Groningen (met rechters uit Arnhem en omstreken) noemde Wicher Wedzinga een jaar geleden een uitstekend jurist.

Maar wel eentje die strafbare feiten pleegt.

 

Het openbaar ministerie sprak toen over een ‘persoonlijk drama van een man die de weg een beetje kwijt is’.

Wedzinga, voormalig strafrechter bij het gerechtshof in Leeuwarden, werd veroordeeld tot een taakstraf van 150 uur en drie maanden voorwaardelijke celstraf wegens onder meer oplichting.

Dat was meer dan de eis.

 

Ruim een jaar daarvoor was Wedzinga veroordeeld wegens mishandeling.

Die kwestie betekende het einde van zijn carrière als rechter.

 

Maandag staat Wicher Wedzinga opnieuw terecht omdat hij zaken naar buiten zou hebben gebracht die binnen hadden moeten blijven.

Het gaat om beraadslagingen in de raadkamer van het gerechtshof.

Die vallen onder het geheim van de raadkamer.

Rechters weten dat.

Het is bijzonder dat een (voormalig) rechter terecht moet staan wegens het schenden van dit geheim.

Misschien nog wel nooit eerder vertoond.

 

Het gaat niet om niks.

Het hof in Leeuwarden, met Wedzinga als een van de drie raadsheren (rechters), veroordeelde een eerder vrijgesproken verdachte tot een gevangenisstraf van 12 jaar wegens een gewelddadige overval.

Na de veroordeling heeft Wedzinga naar buiten gebracht dat hij twijfelt aan de schuld van de veroordeelde.

Wedzinga zou de man zelf willen helpen met een herzieningsverzoek bij de Hoge Raad.

Op zijn weblog schrijft Wedzinga (in mijn gesprekken met…) te hopen dat Danny snel vrijkomt.

 

De vice-president van het Leeuwarder hof deed in oktober 2007 per e-mail aangifte.

In februari 2008 kreeg de president te horen dat justitie in een strafrechtelijke vervolging van Wedzinga geen brood ziet.

De president was het daar niet mee eens en diende een klaagschrift in bij het hof Arnhem. Dat bepaalde in november 2008 dat justitie Wedzinga wel moet vervolgen.

Dit, aldus het hof, omdat het algemeen belang niet is gediend met een sepot.

 

Het is hoe dan ook een lelijke zaak.

Lelijk vanwege de tussenkomst van (in dit geval) Arnhem.

Justitie ziet geen brood in de zaak.

Arnhem bepaalt vervolgens dat justitie dat wel moet zien.

En dan ziet justitie – gezien de tenlastelegging – er ineens wel brood in.

Dat is zo lelijk.

Consequent zou zijn dat de officier van justitie maandag vrijspraak zal eisen.

 

Lelijk is natuurlijk ook het gedoe.

Rechter die tegen rechter aangifte doet en zich beklaagt bij andere rechters als justitie niet wil vervolgen.

Zoiets verwacht je ergens anders.

 

Komt nog bij dat Wedzinga – figuurlijke gesproken – een lelijke verdachte is, want al twee keer eerder als voormalig rechter veroordeeld.

De eerste opgelegde werkstraf voerde hij niet uit, waardoor hij een tijdje in de gevangenis in Ter Apel moest doorbrengen.

Wedzinga vierde er zijn vijftigste verjaardag.

 

Op internetsites waar stijl geen must is – wordt Wedzinga geprezen en verguisd. Op zijn eigen weblog beticht hij de (halve) rechterlijke wereld van klassenjustitie, corruptie, van belangenverstrengeling en arrogantie.

De strafrechtspleging bevindt zich, aldus Wedzinga, in een diepe crisis.

Veel mensen vinden dat mooi.

 

De vraag of de volgens Wedzinga ten onrechte veroordeelde man nu wel of niet ten onrechte is veroordeeld – toch geen onbelangrijke vraag – hoor je ondertussen nergens.

De advocaat van deze veroordeelde zwijgt.

Dan zeg je wel wat.

 

 

Rob Zijlstra 

update – eis

Het openbaar ministerie heeft zes weken gevangenisstraf waarvan drie voorwaardelijke geeist wegens het schenden van het geheim van de raadkamer. Wedzinga ontkent. Hij verklaarde dat hij als jurist maar nog meer als wetenschapper gewend is zijn woorden zorgvuldig te wikken en te wegen, zoals ook in dit geval. Uitspraak is op 8 april.

 

Moederinstinct

– met update –

 

‘Ik word hier tureluurs van’, roept hoofdverdachte Boris (45) terwijl hij zijn beide armen in de lucht laat zwaaien. ‘En ik wil naar huis.’

 

Vervolgens friemelt hij de bovenste knoopjes van zijn overhemd los. Zo kunnen de rechters het goed zien.

‘Kijk dan, ik heb geen tatoeage in de hals of nek.’

 

Naast hem zit de 34-jarige Jennifer, zijn ex en ook verdachte.

Poging tot doodslag, had er op hun dagvaardingen gestaan.

 

Jennifer had tegen de reclasseringsmedewerker gezegd, dat ze het zo weer zou doen. Dat had die medewerker opgeschreven.

Boris had niet willen praten met de reclassering. Hij was die dag niet eens in Groningen. ‘Dus ik kan het ook niet hebben gedaan.’

 

Die dag was 22 juli 2006.

 

Aan het einde van de middag was Micky van 11 jaar huilend thuisgekomen.

Een dikke Turk, zei hij tegen zijn moeder, had hem geslagen. Met een rol vuilniszakken op het hoofd. Omdat hij met zijn vriendje bij de Albert Heijn wat aan het dollen was.

Ze riepen voor de gein Turkse straatwoorden naar elkaar en die man dacht zeker dat ze het tegen hem hadden.

Wat helemaal niet zo was, huilde Micky.

 

Jennifer witheet.

Wie aan mijn kind komt, komt aan mij, zei het moederinstinct en op hoge poten begaf ze zich naar de vijver in het parkje waar de dikke Turk zou zitten.

Ze wilde verhaal halen, maar de man maakte met de drankfles in zijn hand een slaande beweging.

Toen sloeg ze hem met haar sleutels op zijn kop en dreunde haar vuist tegen zijn neus. Bloedneus.

Daarna gaf ze hem een duw waarop de dikke man in de vijver tuimelde.

 

Twee dagen later deed hij aangifte.

Aan de politie liet hij een klein wondje op de buik zien.

Hij was, nadat een rotjochie uit de buurt hem had uitgescholden, gestoken met een mes, zo gaf hij aan. Door de vader van dat joch.

Om zijn vege lijf te redden, was hij in de vijver gesprongen.

 

De politie kwam in actie, want steken met een mes tegen de buik, is zo een poging tot doodslag.

En daarmee een ernstige zaak.

 

Er werden allerlei getuigen gezocht en gehoord. De een had een vlindermes gezien van wel 20 centimeter, een ander niet, maar wel de vader van Micky met een tatoeage in de nek.

Getuige Bokma, die vaak in het parkje te vinden is en ‘m wel lust, had de vader zelfs horen roepen: ‘je hebt mijn zoontje geslagen en nu maak ik je dood.’

 

Boris: ‘Ik was die dag in Amsterdam waar ik woon.’

 

Kortom, werk aan de winkel voor de drie rechters. Aan hen de taak om ter zitting de waarheid te vinden.

Mag je verwachten.

 

Maar om een of andere reden willen de rechters niets weten.

Ze stellen nauwelijks vragen.

In plaats daarvan leest de voorzitter van de rechtbank een uur lang voor uit de verklaringen die de politie uit de monden van getuigen heeft opgetekend.

Misschien hebben ze er nog niet veel zin in, zo kort na de vakantie.

 

Wel vragen de rechters aan Jennifer – terwijl Boris op dat moment tureluurs zit te zijn – of zij behoefte heeft aan een training zodat ze haar agressie wat beter kan beheersen. Jennifer: ‘Ik ben helemaal niet agressief. Ze moeten alleen van mijn kinderen afblijven.’

 

De officier van justitie knikt.

Maar niet instemmend.

 

Zegt: ‘Als mens, als ouder, kan ik me bij dit alles wel iets voorstellen. Maar als jurist zeg ik, ’t mag niet.’

 

De aanklager ziet af van de ten laste gelegde poging tot doodslag. Alles overziend: ‘Een eenvoudige mishandeling.’

Hij vraagt de rechtbank om Jennifer schuldig te verklaren, maar om haar geen straf op te leggen.

Haar advocaat zal later zeggen dat de aanklager het goed heeft gezien.

 

Rest Boris.

 

Was hij nou wel in dat parkje zoals Bokma en anderen beweren of thuis in Amsterdam, zoals ook twee getuigen hebben verklaard?

Zonder nadere uitleg zegt de officier van justitie dat hij geen cent geeft voor het Amsterdamse alibi.

Aan de andere kant is er een dossier waar de honden geen brood van lusten.

Dit laatste zegt hij niet, want zoiets zeggen officieren nooit, maar het is wel wat hij bedoelt.

 

Hij zegt namelijk: De politie heeft veel te oppervlakkig gerechercheerd. ‘De getuigen die zijn gehoord, zijn onbetrouwbaar. We kunnen twijfelen aan het waarnemingsvermogen van Bokma die ‘m wel lust. En ook wel twee. Ook heb ik mijn twijfels bij het proces-verbaal dat de politie heeft gebrouwen. Een paar steekwoorden uit het notitieboekje zijn verworden tot A-viertjes met prachtige volzinnen.’

Kortom: ‘Er zit te veel lucht in het dossier en Boris heeft, zoals wij allen hebben kunnen zien, ook geen tatoeage in de nek. Ik vorder vrijspraak.’

 

De advocaat van Boris doet er nog een schepje bovenop.

De politie, zegt zij, heeft willens en wetens naar Boris toe gerechercheerd.

Kwalijk.

Opmerkelijk is ook dat hij nooit is aangehouden. Toen hij hoorde dat de politie hem zocht, heeft hij zich vrijwillig gemeld. Hij heeft een verklaring afgelegd (‘ik was hier, in Amsterdam’) en mocht toen weer gaan.

Dat we hier nu (ruim twee jaar nadat Micky huilend thuis was gekomen) bij de meervoudige strafkamer zitten voor een poging tot doodslag, wat niet niks is, is verbazingwekkend en heel raar.’

 

Misschien dat de rechters daarom zo sprakeloos waren?

 

Rob Zijlstra

 

UPDATE – 27 augustus – uitspraak

Boris en Jennifer zijn beide door de rechtbank vrijgesproken. Er zitten in de diverse verklaringen te veel tegenstrijdigheden en de bewering dat Boris in Amsterdam was is misschien wel waar. Ook is niet duidelijk of het letsel van het slachtoffer is veroorzaakt door de klap en duw die Jennifer wel heeft gegeven.