De deken spreekt

rob geene

Rob Geene is deken van de orde van advocaten in Noord-Nederland. Vrijdagmiddag was hij een van de drie sprekers tijdens een buitengewone zitting van de rechtbank Noord-Nederland (met borrel na) . Tijdens die zitting werden acht rechters, een bestuurder en twee officieren van justitie  geïnstalleerd, onder wie de nieuwe hoofdofficier van justitie Diederik Greive.

 

Rob Geene is een deken die de afgelopen jaren heeft laten zien dat hij geen blad voor de mond neemt. Geene maakt zich vooral zorgen over de teloorgang van de rechtsstaat. En ook, niet in de laatste plaats, omdat de politiek in meerderheid het populisme omarmt, zo stelt hij. In zijn speech van vrijdagmiddag deed hij een oproep:

‘Ik roep alle rechters, officieren, advocaten, de overheid en de samenleving op om de krachten te bundelen en samen het pentagram van onze rechtsstaat te restaureren.’

Hieronder zijn speech  met toestemming van de auteur hier gepubliceerd (leestijd 10 minuten)

 

Mijnheer de waarnemend President, mijnheer de kersverse Hoofdofficier, installandi, leden van de rechtbank en openbaar ministerie, familie vrienden en collega advocaten.

Het is mij een eer en genoegen u namens de balie Noord Nederland te mogen feliciteren met deze prachtige aanstelling en u te mogen toespreken op deze feestelijke dag.
We bevinden ons in een kerk. Een huis van reflectie. Geen betere plaats om even tijd te nemen voor bezinning op de vraag waartoe wij togadragers op aarde zijn.
Onze Nederlandse democratische rechtsstaat is sluipenderwijs in een ongekende crisis beland. Met als voorlopig dieptepunt de moord op Derk Wiersum en de aanslag op Philippe Schol. Een niet mis te verstane boodschap van de onderwereld aan de bovenwereld en aan de rechtsstaat.

 

De rechtsstaat wordt inhoud gegeven door het dagelijks werk van rechters, officieren en advocaten. Duidelijk is inmiddels wel dat zij in persoon niet adequaat beschermd kunnen worden tegen criminelen, die op steeds gewelddadiger wijze hun positie in de onderwereld verstevigen. Dat is slecht nieuws.

En zo blijkt de rechtsstaat in toenemende mate weerloos te zijn.
Alles van waarde is weerloos (Lucebert)

Er zijn naar mijn overtuiging vijf oorzaken aan te wijzen die hebben bijgedragen aan het verval van onze rechtsstaat. Maar diezelfde oorzaken hebben ook de mogelijkheid van herstel in zich.

Deze vijf oorzaken beïnvloeden elkaar over en weer. Zowel positief als negatief.
Dat gezegd hebbend ligt de metafoor van het pentagram voor de hand. De vijf oorzaken, elementen, met elkaar verbonden, of we dat nu leuk vinden of niet. Die visie levert een werkhypothese op die inzicht kan bieden in de crisis. Inzicht om van daaruit oplossingen te vinden.

Vooraf: een democratische samenleving kan niet functioneren zonder een goed functionerende rechtsstaat. De rechtsstaat is bedacht als een systeem dat burgers en bedrijven beschermt tegen ongebreidelde overheidsmacht.

Om dat te bereiken dient te worden voorzien in een onafhankelijke en integere rechtelijke macht.
Deze staatsmacht kan echter niet functioneren zonder een integer en slagvaardig Openbaar Ministerie en een onafhankelijke, integere en partijdige advocatuur. De drie-eenheid die het fundament vormt van onze democratische rechtsstaat. Beschermd en gefaciliteerd door de overheid. Dit zijn de vijf elementen van het pentagram: RM, OM, advocatuur, overheid en samenleving. Het pentagram van de rechtsstaat.

De eerste en belangrijkste oorzaak van de desintegratie van onze rechtsstaat is een falende overheid. De drie kabinetten Rutte hebben de aanzet gegeven. Het beleid van deze kabinetten is steeds gericht geweest op hervorming van de rechtsstaat op basis van economische markt(werkings-) modellen. Dat kon voorspelbaar niet goed gaan. De rechtsstaat is immers geen bedrijf, maar een fundamentele sociale basisvoorziening die koste wat kost moet worden gekoesterd en onderhouden. Dat verloopt niet langs economische systemen.
Ik herinner me nog de discussies met oud staatssecretaris Teeven. Zijn beleid was er op gericht om de advocatuur uit te roken. Omdat de overheid de advocatuur verantwoordelijk stelde voor het regelmatig terugfluiten van overheidsbeleid op velerlei gebied. Inmiddels is wel duidelijk dat de overheid zelf de belangrijkste oorzaak is van de overbelasting van de rechtspraak.

De tweede oorzaak is zeker zo belangrijk. De publieke opinie. Niet te verwarren met de zogenaamde zesde kernwaarde (genoemd door de commissie Hammerstein) die voor advocaten, rechters en officieren van justitie geldt: dienen van het publiek belang. En dat belang dient ook door de overheid te worden gerespecteerd. Daaraan ontleend de overheid het bestaansrecht.

popularisering van sociale media

De publieke opinie, gedreven door de popularisering van sociale media, daagt de autonomie van de rechtsstaat uit. Op allerlei incidenten wordt gereageerd met primaire gevoelsuitingen. Uitspraken van rechters worden openlijk bekritiseerd, ook door politici.
De derde oorzaak: het onvermogen van de rechterlijke macht om met behoud van de rechtsstatelijke taken in te spelen op de maatschappelijke veranderingen.
De vierde oorzaak: een Openbaar Ministerie dat in een crisis verkeert vanwege falend organisatorisch beleid en onredelijke druk ten gevolge van incidenten politiek. Vanuit dit perspectief dient ook de Tweede Kamer zich diepgaand te herbezinnen op de wijze waarop mede door publieke uitlatingen van volksvertegenwoordigers de rechtsstaat onherstelbare schade wordt toegebracht.

De vijfde oorzaak: de advocatuur heeft veel energie moeten stoppen in een nog immer durend gevecht met het ministerie over nut en noodzaak van een onafhankelijke advocatuur als onmisbare pijler van de rechtsstaat. Een door het beroepsgeheim en een georganiseerde beroepsorde beschermde bijstand aan de rechtzoekende. Dat gevecht in samenhang met een actief ontmoedigingsbeleid van minister Dekker levert enorme vertraging op van het moderniseringsproces van de rechtsstaat.

Bij alle elementen van het pentagram zijn de effecten van de crisis merkbaar.

De orde van advocaten worstelt met de organisatiestructuur. Door de nieuwe toezichtbepalingen, opgelegd door de samenleving, zijn de eisen voor het toezicht op de naleving van de kernwaarden aanmerkelijk verzwaard. De advocatuur kan niet weglopen voor de publieke opinie. Deze is in hoofdlijnen niet positief voor onze orde.
De samenleving vraagt van de advocaat verantwoording over nut en noodzaak van de uitzonderingspositie die hoofdzakelijk wordt bepaald door het beroepsgeheim. Dat is een noodzakelijke voorwaarde voor de uitoefening van de dienende taak om de rechtzoekende in bescherming te nemen.

De advocatuur zal beter moeten uitleggen dat in een democratisch rechtsbestel de bijstand door advocaten alleen kan worden verleend als de relatie tussen advocaat en cliënt een zekere en beschermde immuniteit kent.

de rechtspraak is eveneens toe aan een fundamentele hervorming

Daar hoort bij dat de orde de taak heeft om er op toe te zien dat haar leden zich strikt houden aan de kernwaarden.
En dat de orde laat zien dat dat toezicht ook effect heeft.
Dat levert de nodige spanning op. Verzet tegen de toenemende druk van buitenaf die wordt ervaren als een inbreuk op de autonomie van de beroepsgroep. Dat verzet vertraagt de noodzaak om in te spelen op een nieuwe rol in een snel veranderende samenleving.

De rechtspraak is eveneens toe aan een fundamentele hervorming die aansluiting kan vinden bij de nieuwe werkelijkheid. Een mondige burger; laagdrempelige en betaalbare rechtspraak; snelle communicatie; de vraag naar een betere toelichting op uitspraken en een meer pro actieve inbedding van maatschappelijke ontwikkelingen.

De fusieperikelen bij de rechtbank Noord Nederland geven voeding aan de vrees dat onze rechtbank de aansluiting bij deze ontwikkelingen dreigt te missen. Tot nadeel van de rechtzoekende.

Wat mij daarbij verontrust is het feit dat er wel erg veel onvrede van rechters anoniem publiek wordt gemaakt. En dat zo het noodzakelijke veranderingsproces wordt gefrustreerd.

MR. 22 oktober jl.
Rechters verklaren anoniem dat Noord-Nederland door de fusie van drie rechtbanken verreweg het grootste arrondissement is, met drie provincies met totaal verschillende werkculturen en bevolkingssamenstellingen. Bovendien herbergt de rechtbank verhoudingsgewijs veel ervaren rechters met een groot gevoel voor rechtsstatelijkheid, zegt een rechter. “En wij laten ons niet zo makkelijk ringeloren door het bestuur.”

Het zal goed bedoeld zijn, maar deze rechters bewijzen naar mijn overtuiging de rechtsstaat geen dienst. Dergelijke uitlatingen beïnvloeden immers in negatieve zin het vertrouwen dat onze samenleving moet kunnen stellen in de rechtspraak. Zeker ook als er anoniem melding wordt gemaakt van een angstcultuur.

Met Folkert Jensma (NRC van 3 november jl.) ben ik van mening dat angstcultuur codetaal is voor wat anders:

“Waarschijnlijk gaat het over onmin en argwaan jegens de ongewenste fusie tussen de drie rechtbanken. Jegens de RvdR, de zgn boeman annex stropop van het ministerie, over de werkdruk. Dat is een duidelijk en angstaanjagend symptoom van naar binnen gekeerd denken in een politiek klimaat dat vraagt om transparantie en verbinding.”

Ik wilde u leden van de rechtbank en installandi deze verzuchting toch voorhouden. Een geluid uit het veld. Ook omdat het ons advocaten aangaat.
Ook hier geldt net als bij de advocatuur dat verzet tegen veranderingen het instituut rechtspraak in gevaar brengt.

het OM heeft ten gevolge van deze ontwikkelingen problemen met de geloofwaardigheid

Ik vind het bijzonder jammer dat Maria van de Schepop mede om die reden het veld heeft moeten ruimen. Ik heb haar leren kennen als een moedige president. Met de welhaast onmogelijke opdracht om deze drie overwegend behoudende rechtbanken om te smeden tot een krachtig modern instituut. Een president die steeds de verbinding met OM en advocatuur zocht. Verbinding die juist nu zo hard nodig is.

Maar terug naar de oorzaken.

Het OM.
Mijnheer de hoofd officier: ook uw parket staat onder grote druk. Niet in de laatste plaats omdat de politiek in meerderheid het populisme omarmt.
Het gevolg is dat het OM onder druk van Kamerleden die hun kiezers willen behagen wordt overspoeld met eisen en taakstellingen die het normale rechtsstatelijke werk ernstig bemoeilijken.
Ook het OM heeft ten gevolge van deze ontwikkelingen problemen met de geloofwaardigheid.

Want hoe rechtsstatelijk kan je als OM blijven als de overheid en de politiek beleid afdwingen dat is gebaseerd op incidenten en niet op een fundamentele maatschappelijke visie.

Ik heb de publieke opinie als element van het pentagram genoemd. Dat is, zoals ik probeer aan te tonen, een belangrijke oorzaak van de verstoring van de subtiele balans tussen de elementen van onze rechtsstaat. En werkt als een katalysator voor de crisis in de rechtsstaat.

Wat we er ook van denken mogen: we hebben er terdege rekening mee te houden. De publieke opinie vraagt om rekening en verantwoording. Af te leggen door rechters, officieren en advocaten. En we zullen er niet aan ontkomen daar anders mee om te gaan. Ook al zijn we autonoom en/of onafhankelijk.

De publieke opinie is overigens niet op een lijn te stellen met het publieke belang dat wij als togadragers behoren te dienen.

Wat ik verbazingwekkend vind is dat het publiek belang als stille kernwaarde nooit is betrokken bij de herijking van de taken van rechters en openbaar ministerie. Ook voor hen geldt immers dat zij dit belang moeten dienen.

En hier ligt naar mijn overtuiging de sleutel voor een nieuwe aanpak.
Onze maatschappij populariseert, mede door het massaal gebruik van social media. Diezelfde samenleving laat een stem horen via de politiek. Van daaruit worden steeds weer nieuwe en zwaardere eisen gesteld aan ons: rechters, officieren en advocaten; de dienstverleners, die zich inzetten voor een sterke democratische rechtsstaat.
Van u en mij mag worden verwacht dat wij samen inspelen op deze fundamentele maatschappelijke veranderingen.

Dat wij samen met meer transparantie en een luisterend oor zoeken naar wegen om de rechtsstaat meer dynamiek te geven. Dat wij samen werken aan een betere aansluiting met de samenleving.

Dan helpt het niet als advocaten, officieren en rechters zich ingraven. Zolang wij, ieder voor zich, blijven worstelen met onze identiteit en de wereld om ons heen buiten sluiten raken we steeds verder in een isolement en verwijderen we ons van de samenleving, die we nu juist moeten dienen.

de publieke opinie vraagt om rekening en verantwoording

Wij kunnen niet langer volstaan met steeds opnieuw uitleggen waarom het goed is wat we doen. We zullen uit onze comfort zone moeten komen en meer dan ooit in dialoog met onze samenleving moeten zoeken naar vernieuwing. Dat is geen zwaktebod. In tegendeel: het aangaan van de dialoog met behoud van ieders verantwoordelijkheid is een teken van kracht.

Ik begon met het pentagram van de rechtsstaat. Dat pentagram symboliseert de samenhang en verbondenheid tussen de vijf elementen van de rechtsstaat: overheid, rechterlijke macht, openbaar ministerie, advocatuur en samenleving.

Ik roep alle rechters, officieren, advocaten, de overheid en de samenleving op om de krachten te bundelen en samen het pentagram van onze rechtsstaat te restaureren.
Samen onze taken opnieuw definiëren, samen luisteren naar wat de samenleving nu eigenlijk wil. Samen zoeken naar wegen om de rechtsstaat weer met nieuw elan het hart van onze samenleving te laten zijn. Ieder met behoud van de eigen verantwoordelijkheid, maar met een scherp oog voor de gezamenlijke taakstelling.

Wordt het niet tijd voor de installatie van een nieuwe adviesraad? De Raad voor de Rechtsstaat, waarin vertegenwoordigers van de rechterlijke macht, openbaar ministerie, advocatuur en overheid de krachten bundelen. Zoeken naar samenwerking en verbinding om de rechtsstaat dynamisch te houden.

Rechtspreken in woelige tijden vraagt om moed en vasthoudendheid. Dat wens ik u allen toe. Mijnheer de Hoofd Officier nog een verzoek: blijf alstublieft wat langer dan uw voorganger. Al die wisselingen zijn niet bevorderlijk voor een hechte samenwerking.
En geloof me, ik ben van origine een doordesemde zuiderling, maar zelfs ik heb mijn hart verpand aan dit geweldige arrondissement.

En nu en marche naar de borrel.

Rob Geene, 22 november 2019, Groningen

→ meer over de deken: de barricaden op

Supporters van het racisme

racisme in beeld

De foto die het Nederland van vandaag laat zien: Foto: Anjo de Haan / ANP

Kraaien pikken – in de geur van magnolia, zoet en fris / en dan plots de geur van rottend vlees – in de vreemde vruchten die de bomen in het zuiden dragen.

Zo wordt het hartverscheurend bezongen in Strange Fruit (Bitter Fruit 1937) door Billie Holiday. Het is de indringende aanklacht tegen het racisme in het zuiden van Amerika.

Ik moest aan de woorden van dit lied, van tachtig jaar geleden, denken toen het racisme dit weekeinde in het zuiden, in Den Bosch, als gal uit de kelen gutste van de doorgesnoven voetbalsupporters. Lachend spoten ze hun gif het stadion in. Lachend werd dit vervolgens afgedaan als kraaiengeluiden.

Daar stonden ze. Op de halflege tribune van het keukenkampioenschap van hun cluppie. De zwarte kraaien. Beelden gingen de wereld over.

Diezelfde middag is daar de burgemeester van Emmen. Had voetballer Ahmad Mendes Moreira net toegebeten gekregen dat hij een zielig mannetje is, de burgemeester van Emmen zegt iets vergelijkbaars tegen twee journalisten. Die moeten niet piepen als ze dreigend toegesnauwd krijgen dat ze hun werk niet mogen doen. Dat ze moeten oprotten naar die vieze wouten die verderop staan.

De burgemeester van Emmen – hij heeft zijn vieze wouten hard nodig om de openbare orde in zijn stad te handhaven – gaat vrolijk met de kraaien van Emmen op de foto. Want Eric van Oosterhout is burgemeester van iedereen. Van alle mensen in Emmen, van alle dieren in de tuin en waarom dan ook niet van de grootste bekken?

Nee, het was geen verheffend weekeinde.

Gelukkig kwam de maandag waarop excuses volgden, waarop in de talkshows om maatregelen werd geroepen, waarop werd gedreigd met levenslange stadionverboden. We gaan dit samen met het Openbaar Ministerie onderzoeken, sprak fier de geschrokken voorzitter van de voetbalvereniging in Den Bosch. Alsof een voetbalclub een taak heeft bij het onderzoeken van strafbare feiten.

Toontje lager, denk ik dan.

Op de achtergrond speelt de volledig ontspoorde discussie over de invulling van een (commercieel) kinderfeest. Redelijkheid – pas dit feest nou een beetje aan aan de tijd van nu – stuit op agressie en op onzekere burgemeesters die laf de weg van de minste weerstand kiezen.

Nog erger,  zo’n weekeinde legt bloot wat we maar steeds niet willen zien, niet willen horen en benoemen:  onverholen racisme in Nederland.

Racisme is geen mening, het is  dagelijkse realiteit.

Goed. Er zijn dit weekeinde geen doden gevallen, er bungelde geen vreemd fruit langs de routes van de intochten van de Sinterklazen. Dat nog niet. Maar er werd wel een meisje  van zes jaar in de trein uitgescholden voor ‘Zwarte Piet’  door een keurig ogend echtpaar van zestig  plus. Het zwarte meisje moest huilen. En profvoetballers die het verschil maken, worden vernederd.

Waarom nog zwijgen?

Zondagavond zag ik een foto. In die foto zag ik waar ik zo bang voor ben. Het is geen foto van mannen die in de allerlaatste minuut van de wedstrijd, blessuretijd, hun cluppie met man en macht aanmoedigen tot het onmogelijke, tot  scoren, om te winnen, om keukenkampioen van het jaar te worden of zo.  Nee. Het is een foto die racisme in Nederland een gezicht geeft.

Even nog hoopte ik dat het een foto was die is gemaakt in Den Bosch, in Emmen desnoods, een beetje ver van het bed. Helaas. De foto is gemaakt in het pro-Pietenvak, op het  Emmaplein. In Groningen.

Het is een foto van de supporters van het racisme.
Ze zijn  overal.

Rob Zijlstra
(zwijgen is geen optie meer)

 

De foto is van Anjo de Haan, gemaakt voor het ANP. Het is  (vind ik) een worldpress-waardige foto. Een foto met een verhaal uit een land waar je zo veel agressie niet verwacht. → anjo de haan 

Strange Fruit / billie holiday

→ ↓ → De burgemeester van alles in Emmen

Verleiding van Groningen

Nu is het niet zo dat het alleen Nederlanders zijn die als verdachten in de zalen van het recht verschijnen. Zo is het strafrecht in zittingszaal 14 een tamelijk internationaal gebeuren. Jaarlijks tel ik ruwweg veertig verschillende nationaliteiten in de verdachtenbank. Ze komen uit alle windstreken en dat is ook een beetje de schuld van Groningen.

Groningen heeft een goede naam in het immens grote buitenland. In Groningen, weten ze daar, kun je dag en nacht feesten, je kunt er zoveel drinken en roken als je maar wilt.

Zo waren David (20) en Toni (24) uit Servië vanuit Belgrado in een gehuurde witte Fiat Punto via Hongarije naar Groningen, gereden. Toni zei dat hij een tante wilde bezoeken, David een broer. Maar bovenal wilden ze marihuana roken in coffeeshops.

Omdat ze de weg niet goed kenden, reden ze wat in de rondte en belandden zo in Anloo, in Stadskanaal en in Musselkanaal. Toevallig of niet, steeds op momenten dat daar werd ingebroken in woningen. Toen ze werden aangehouden, in juli van dit jaar, waren ze in het bezit van sieraden die nog maar pas uit die woningen waren gestolen.

De inbraken in Stadskanaal en Anloo ontkennen ze. Die in Musselkanaal niet, want daar werden ze op heterdaad betrapt. ,,Normaal doe ik zoiets niet’, zegt David tegen de rechters. ,,Ik wil mijn excuses aanbieden.’’ Toni: ,,Ja ik ook. Sorry.’’

Toen de rook om hun hoofden
was verdwenen, was het geld op

De rechters vragen (vrije vertaling): ,,Waarom breek je in in Musselkanaal als je naar hier bent gekomen om van de verleidingen van het leven, van Groningen, te genieten?’’ Diepe zuchten. Ze zaten in een coffeeshop. Toen de rook om hun hoofden was verdwenen, was het geld op. Ze wilden direct terug naar Belgrado, maar wisten niet hoe. Toen kwam de honger. Zodoende.

Een van de rechters merkt op dat je met gestolen gouden oorbellen in een supermarkt in Nederland geen eten kunt kopen. Het cynisme van deze opmerking ontgaat hen, ze buigen wel het hoofd. Een gedupeerde op de publieke tribune vraagt aan de rechters of ze beide heren heel hard in het kruis mag trappen. Als het mag, zegt ze, zal ze de schadeclaim die ze heeft ingediend, met alle plezier laten vallen.

De rechters zeggen dat ze dat niet kunnen toestaan.

De trap moet van de officier van justitie komen en die is daartoe wel bereid, zij het dat de pijn wordt gegoten in de vorm van flinke gevangenisstraffen. Uit één woning namen ze de inhoud mee van een kinderspaarpot. De officier van justitie: ,,Hoe laag kun je zakken?’’

Vijftien maanden voor Toni, twee jaren voor David. Dat zijn de eisen. Want niks broer, niks tante, niks mooi Groningen. David en Toni zijn lid van een criminele clan en trekken door Europa om inbraken te plegen.

Het beroepsrisico van
een rondtrekkende bandiet

De officier van justitie weet inmiddels dat beide mannen worden gezocht in Oostenrijk. De politie daar doet onderzoek naar mobiel banditisme, want dat is waar het hier over gaat. David en Toni horen het aan, misschien vinden ze de strafeisen reuze meevallen. Het beroepsrisico van een rondtrekkende bandiet.

Niet uitgesloten is dat ze in de gevangenis Giedrius en Gintares hebben leren kennen. Giedrius (33) en Gintares (52) zijn collega’s uit Litouwen. In de maand dat David en Toni door Oost-Groningen en Drenthe struinden, slopen de twee Litouwers in het duister door stad en ommeland.

Zelfde verhaal. Ze kwamen om feest te vieren, vertellen ze aan de rechters. Om bier en whisky te drinken en wiet te roken. Ze waren op weg naar Engeland, maar maakten in Groningen waarover ze zo veel moois hadden gehoord, een tussenstop.

Origineel zijn de bandieten niet. En moeite om enigszins geloofwaardig te liegen doen ze ook niet. Giedrius en Gintares ontkennen alles, ze zijn zelfs wat geagiteerd. Omdat ze verdachten zijn, omdat ze vast zitten, omdat het allemaal zo lang duurt.

Ze werden aangehouden in de villawijk bij een woning waar was geprobeerd in te breken. De een lag met een schroevendraaier in een heg van coniferen. De ander was van een dak met een vernield dakraam gesprongen. Wat ze daar deden? Giedrius weet het niet, te dronken, te veel wiet. Gintares: ,,Waarom ik op dat dak zat? Misschien was ik aan het hallucineren.’’

De fietsen hadden ze gekocht op
het station in Groningen, van Marokkanen

Nadat ze bij de kladden waren gegrepen, vonden agenten in de buurt twee fietsen. Van een fiets had Gintares het sleuteltje van het slot in de broekzak. De fietsen bleken een dag eerder in Bedum te zijn gestolen.

Bedum? Hadden ze nooit van gehoord. De fietsen hadden ze gekocht op het station in Groningen, van Marokkanen. Er zijn mensen die Marokkanen overal de schuld van geven. Hoe het kon dat op een vensterbank onder een slaapkamerraam in Bedum een vingerafdruk van Gintares was aangetroffen? Geen idee, hij vindt dat raar. Hij heeft tien vingers en maar van een vinger is een afdruk gevonden? Giedrius heeft op zijn beurt geen idee hoe het kan dat in Bedum ook een schoenafdruk is gevonden van een Puma sportschoen, maat 40. Laat hij nou maat 40 hebben en sportschoenen van Puma. Nou? Half zijn land loopt op Puma, mompelt hij.

Ze hadden ov-kaarten. Aan de hand daarvan kon de politie achterhalen dat ze op de dag van de inbraak met de bus van Groningen naar Bedum waren gereisd. Maar niet terug. Teruggefietst op de buit?

Gintares zegt dat als hij het had gedaan, hij het zou bekennen, want als je bekent wat je hebt gedaan, krijg je strafvermindering. ,,Maar ik heb het niet gedaan, dus beken ik niet.’’ Giedrius zegt dat hij blij is dat er in Bedum die dag niemand is vermoord. ,,Anders zouden jullie mij daar ook nog van beschuldigen.’’

Nog erger dan liquidaties

De trap tussen de benen bedraagt in deze zaak vijftien en twintig maanden celstraf. De officier van justitie heeft het anders dan zijn collega van twee dagen eerder, niet over mobiel banditisme. Hij heeft een andere insteek: ,,Woninginbraken worden door burgers als de meest erge misdaad ervaren, nog erger dan liquidaties. Stevige celstraffen zijn daarom op z’n plaats.’’

De twee advocaten hadden in koor om ‘vrijspraak’ geroepen. Het was een roep die zo weinig overtuiging had dat de beide raadsvrouwen de indruk wekten dat ze niets anders hadden weten te verzinnen. Gintares en Giedrius worden hoofdschuddend afgevoerd. ,,Wat een land.’’

Misschien moet dat de boodschap zijn. In Groningen kun je feestvieren tot je er bij neervalt, maar laten we dat vanaf nu een beetje voor ons houden.

Rob Zijlstra

Traditionele overlast

Vuurwerk op Publieksacademie

Naarmate de jaarwisseling dichterbij komt, worden de discussies over vuurwerk feller. De een vindt dat een traditie behouden moet blijven, de ander wil paal en park stellen aan overlast.

Alle reden om vuurwerk te bespreken op de Publieksacademie voor de Rechtspraak, op donderdag 21 november in het Academiegebouw in Groningen.

Er zijn twee sprekers.

Officier van justitie Karin Broere belicht de strafrechtelijke kant. ,,Vuurwerkhandel is ontzettend lucratief en deels in handen van de georganiseerde criminaliteit.’’ Stafjurist Karin Hofman van de rechtbank Noord-Nederland benadert het bestuursrechtelijk. ,,Een gemeente kan veel vuurwerkregels opstellen, maar hoe handhaaf je die?’’

Broere werkt voor het Functioneel Parket, een landelijk onderdeel van het Openbaar Ministerie: ,,Wij komen niet alleen aan het einde van het jaar in actie. We sporen het hele jaar door illegaal vuurwerk op. De handel, ook vaak via internet, is internationaal en voor een flink deel in handen van de georganiseerde criminaliteit. Wij proberen die handel te frustreren door mensen uit de anonimiteit te halen. Het internet is veel minder anoniem dan soms gedacht. Biedt een site vuurwerk te koop aan, dan zoeken we uit wie erachter zit. Is het fout, dan laten we het account uit de lucht halen.’’

Waar die fascinatie voor
vuurwerk vandaan komt, weet ik niet

Vuurwerk eenvoudigweg verbieden – want te gevaarlijk, teveel overlast – is volgens Broere makkelijker gezegd dan gedaan. ,,Vuurwerk waar we vooral last van hebben, is al verboden. Maar er is een markt voor. Vuurwerk heeft aantrekkingskracht op mensen, vooral op mannen tot een bepaalde leeftijd. Waar die fascinatie vandaan komt, weet ik niet. Volgens mij is het nooit onderzocht. We klagen over vuurwerk, maar kopen het ook massaal.’’

Het grote probleem vindt Broere, dat particulieren maar wat doen, al denken ze zelf vaak van niet. Vuurwerk, zelf niet per definitie illegaal, is altijd gevaarlijk. Professioneel vuurwerk wordt illegaal en strafbaar in handen van de particulier. Dan wordt het ook onveilig.’’

Iedereen doet het weer anders,
dus is er veel gedoe en reuring

Stafjurist Hofman volgt de discussies in diverse gemeenten op de voet. ,,Westerkwartier had het over een verbod, maar dat kwam er niet. De gemeente Groningen stelt vuurwerkvrije zones in. In Rotterdam mag vuurwerk afsteken in de ene straat wel en in de andere niet.’’

Er is geen landelijk vuurwerk-beleid. De algemene regel is: op 31 december en 1 januari mag vuurwerk worden afgestoken.

Hofman: ,,Gemeenten mogen het verbieden, vuurwerkvrije zones aanwijzen of zelfs personen gebiedsverboden opleggen om te voorkomen dat ze vuurwerk afsteken. De minister zegt, het is lokaal maatwerk. Dan zie je in de praktijk dat iedereen het weer anders doet. Dus is er veel reuring. Daarom heeft korpschef Erik Akerboom van de Nationale Politie ook gezegd: dit is niet te handhaven, hou er mee op.’’

Politie op de Grote Markt,
Duitsers op de Vismarkt

Groningen wees vorig jaar de Vismarkt en de Grote Markt aan als vuurwerkvrije zones. Hofman: ,,Was er politie op de Grote Markt, dan staken op de Vismarkt Duitsers vuurwerk af. Zones zijn lastig, een totaalverbod ook. Dan mag afsteken in de ene gemeente niet, in de andere wel. Dan ontstaat vuurwerktoerisme dat ook niet bijdraagt aan de oplossing.’’

Als stafjurist van de rechtbank heeft Hofman geen mening. ,,Maar ik kan me wel iets voorstellen bij wat Akerboom zegt. Wat opvalt is dat in Nederland minder mag dan in het buitenland, maar dat wij wel meer gedoe hebben. Je kunt je ook afvragen waarom je als particulier vuurwerk mag afsteken.’’

In de gemeente Westerkwartier, dat afzag van een vuurwerkverbod, stelde lokale partij 50Plus dat vuurwerk jaarlijks 400 slachtoffers eist, waar sport per jaar leidt tot 4,4 miljoen geblesseerden. Hofman: ,,Dus moet het maar kunnen. Ik weet niet of dat de juiste discussie is.’’

De Publieksacademie voor de Rechtspraak bestaat sinds november 2014. En dus vijf jaar. De lezingenserie is een initiatief van Dagblad van het Noorden in nauwe samenwerking met de rechtbank Noord-Nederland, het Openbaar Ministerie en de Rijksuniversiteit Groningen. Doel is (onder meer) om actuele thema’s uit de rechtspraak voor een groot publiek toegankelijk maken.
Kaarten voor de lezing van Karin Broere en Karin Hofman zijn gratis. Aanmelden moet wel. Dat kan via de kaartensite van Dagblad van het Noorden
datum: donderdag 21 november
tijd: 19.00 – 21.00 uur
locatie: Academiegebouw, Broerstraat 5, Groningen

 

De tekst van dit verslag staat vandaag ook als artikel in Dagblad van het Noorden

Tbs-feestje

Over de tbs kun je vreselijke dingen horen vertellen en over de tbs’ers zelf doen zo mogelijk nog lelijker verhalen de ronde. ’t Zijn geen lieverdjes en de behandeling is ook niet gericht op zweetvoeten. Wij van de pers weten ook raad met ze. Een ter beschikking gestelde die even weg is, heet al gauw ontsnapt met grote maatschappelijke onrust tot gevolg.

Maar zoals de grootste FC Groningen-fan niet kan ontkennen dat aartsrivaal Heerenveen ook wel eens een wedstrijd wint, zo bestaan er ook tbs’ers met succes. Dat dat zo is, strookt niet met het beeld dat heerst. Dan moet je op je woorden passen. Voordat je het weet heb je trekkers.

Maar successen dienen gevierd. En dat was wat er afgelopen week in de rechtszaal gebeurde. Een klein feestje, met vrolijke woorden van de officier van justitie, met de beste wensen van de rechters en een stralende tbs’er. Buiten de rechtszaal kwamen de felicitaties, werd er gezoend en rolden er tranen over de wangen. De advocaat stelde voor om naar het café te gaan om bier te drinken. Het was twee uur ’s middags.

Dit verhaal begint op 29 oktober 2009. De toen 34-jarige Ron werd op die dag door de rechtbank in Groningen wegens een serie overvallen veroordeeld tot zes jaar gevangenisstraf. Ron was het daar niet mee eens en ging in hoger beroep. Had-ie nooit moeten doen. Het gerechtshof in Leeuwarden legde naast de gevangenisstraf ook de maatregel tbs met dwangverpleging op.

Ron was toen zeer ontstemd geweest. Vanuit de gevangenis zocht hij contact. Hij vertelde dat hij zichzelf flink in de vingers had gesneden. Hij had zich namelijk gekker voorgedaan dan hij was, vertelde hij. Hij dacht op deze manier een mildere straf te krijgen, maar zijn strategie pakte averechts uit. ,,Nu denken ze dat ik echt gek ben.’’

Hij belde om misstanden in het
Nederlandse gevangeniswezen aan de kaak te stellen

In de jaren die volgden leerde ik hem een beetje kennen. Ron belde soms dagelijks, dan weer een paar weken niet en dan ineens vier keer op zaterdagmiddag. Hij belde om misstanden in het Nederlandse gevangeniswezen aan de kaak te stellen, dan weer omdat hij voor de zoveelste keer een andere advocaat in de arm had genomen, soms zat hij gewoon verlegen om een praatje. Eenzaamheid is gedetineerden niet vreemd.

Op een dag vond Ron dat de tijd was aangebroken dat er een boek over zijn leven geschreven moest worden. De eer om dat te doen was aan mij. Een bestseller zou het worden. Toen ik tegenwierp dat een heel boek wellicht wat te ambitieus was, stemde Ron in met een artikel in de krant. Hij had wel een voorwaarde: ’t moest op de voorpagina.

Kort daarna ontving ik enveloppen met handgeschreven brieven, informatie die ik zou kunnen gebruiken voor het artikel. Er zat ook een foto bij. Die mocht ook op de voorpagina. Op de foto draagt hij een bril.

Een paar dagen later kwam er nog een envelop. Er zat een kassabonnetje in. En een uitleg. Als de krantenlezer hem in de krant zou zien staan, met die bril, dan konden de mensen wel eens denken dat hij de bril had gestolen. Want het was een merkbril, een dure. Was het een goed idee om het bonnetje bij het artikel af te drukken als bewijs dat de bril eerlijk was gekocht?

Er werd een internationaal
opsporingsbevel uitgevaardigd

Het artikel is nooit verschenen, maar de voorpagina haalde Ron ruim een jaar later wel. Hij belde, de stem klonk anders dan anders. Hij zei: ,,Ik heb iets doms gedaan.’’ Wat heet. Hij was ontsnapt. Hij had eerst de benen genomen, toen een taxi en uiteindelijk een trein die hem naar het buitenland bracht. Er werd een internationaal opsporingsbevel uitgevaardigd. Ron vertelde dat het een wanhoopsdaad was. ,,En nu zit ik nog meer in de shit.’’

Ik vroeg hem hoe lang hij van plan was voortvluchtig te blijven. Hij wist het nog niet. Zei: ,,Ik moet me rustig houden en geen gekke dingen doen.’’ Twee dagen later liet hij weten druk bezig te zijn met de terugkeer. Maar eerst moest hij iemand bezoeken, een goede bekende. Na tien dagen liep hij het politiebureau van Amsterdam binnen. Of ze hem, hij de voortvluchtige, weer wilden opsluiten?
Ron zat in die tijd in de gevangenis in afwachting van overplaatsing naar een tbs-kliniek. Toen hij zijn straftijd erop had zitten, zat hij nog steeds te wachten op overplaatsing. Hij spande zelfs een kort geding aan om plaatsing af te dwingen. Hij verloor zodat hij ook nog eens opdraaide voor de proceskosten van 1.424 euro. De tbs-wereld is gekker dan je denkt, dat dan weer wel.

Ergens in 2014 ving dan eindelijk de tbs-behandeling aan. Het begon met vallen en opstaan, maar uiteindelijk ging het voorspoedig. Drie jaar geleden rapporteerden de behandelaars aan de rechtbank dat Ron goed bezig was, maar dat er nog wel een weg was te gaan.

Wat u heeft laten
zien is waanzinnig goed

Afgelopen week betrad hij de rechtszaal waar hij tien jaar geleden was veroordeeld. De deskundigen vertelden de rechters dat naarmate Ron meer vrijheden krijgt, het hem steeds beter vergaat. Zijn vaarwater is nu zo rustig, dat het einde van de tbs in zicht mag zijn.

De officier van justitie glundert. Hij zegt dat hij in zijn carrière bijna altijd aan het begin van de tbs heeft gestaan, dus dat hij eist dat de maatregel ter bescherming van de maatschappij wordt opgelegd. Maar nu, op deze heugelijke dag, mag hij aan de rechters voorstellen de tbs te beëindigen. Tegen Ron: ,,U moest van ver komen, maar wat u heeft laten zien is waanzinnig goed. Echt super dit.’’ Dikke duim.

De rechters hebben 32 seconden nodig om tot een besluit te komen: de dwangverpleging wordt beëindigd. Ron moet zich nog wel een jaar lang houden aan een boel voorwaarden. Geen drugs en zo. Gaat dat goed, dan wordt definitief een streep door de tbs gehaald. De rechters zijn zichtbaar blij voor de gelukkige man die voor hen zit. Ze lachen. ,,Wij wensen u heel veel succes.’’ Een stralende Ron bedankt op zijn beurt alle aanwezigen voor de mooie woorden. ,,Ik zal laten zien dat ik het waard ben.’’

Buiten de rechtszaal krijgt hij een dikke zoen en een warme knuffel van een vrouw. Het is de vrouw die hij op zijn vlucht in het buitenland had opgezocht. Twee maanden geleden zijn ze getrouwd.

Rob Zijlstra

Grenzen trekken

Oud-rechter Alex Brenninkmeijer (1951) was afgelopen week op de redactie van Dagblad van het Noorden voor een dialoog met journalisten. De voormalige Nationale Ombudsman zei naast veel meer dat rechters, dat rechtbanken, moeten stoppen met procedures die niet bijdragen aan het oplossen van problemen. Hij vertelt dat ook aan rechters, twee weken geleden nog, in de rechtbank van Limburg.

Een paar maanden eerder was Herman Tjeenk Willink (1942) te gast op de krantenredactie, ook voor een ontmoeting met verslaggevers. Tjeenk Willink, bijgenaamd de onderkoning van Nederland, maakt zich grote zorgen.

Over de verwaarlozing van de rechtsorde, over de uitholling van de rechtspraak waar managers (‘die een andere taal spreken’) het voor het zeggen hebben gekregen. Niet goed. De minister van staat schreef er een boekje over waarin hij een oproep doet: rechters – maar ook de professionals in de zorg en in het onderwijs – moeten de feiten onder ogen zien, de stemmen verheffen en grenzen trekken.

Ik moet aan Brenninkmeijer en Tjeenk Willink denken als ik in de rechtszaal zit en om mij heen kijk. Achter mij, op de publieke tribune, zit een klas vol scholieren. De tieners doen hun best bij de les te blijven en de strafzaak te volgen.

De verdachte is een asielzoeker uit Ter Apel die een jaar geleden, op 15 oktober 2018, een paar zwarte sokken bij de Hema had gestolen. De man is niet komen opdagen. De kans dat Abdul nog in Nederland is, is klein. Toch krijgt hij een week gevangenisstraf. Voorwaardelijk. Klaar, volgende zaak.

Iemand van de klas vraagt of iemand die in Middelstum of Groningen een paar sokken steelt, ook een week naar de gevangenis moet? De politierechter zegt dat dat zomaar zou kunnen, dat het afhangt van de omstandigheden.

Stel je eens voor, een hele
publieke tribune vol rechters

In mijn verbeelding denk ik de schoolklas weg en bedenk daar rechters voor in de plaats. Stel je eens voor, een hele publieke tribune vol rechters die vanuit een andere invalshoek naar hun eigen werk moeten kijken, vanuit de hoek waar normaal burgers zitten.

Ze zien dan de 27-jarige Daan zitten, zzp’er in de bouw. De verdenking is dat hij in de zomer van 2016 hennep heeft geteeld en de benodigde stroom heeft gejat.

Daan heeft er een verhaal bij. Niet dat het niet waar is, maar er zijn omstandigheden. Thuis ging het niet zo goed en toen hadden twee vrienden gevraagd of hij zin had mee te gaan, om ergens te pokeren.

Er werd met groot geld gespeeld en hij had die avond veel gedronken, zoveel dat hij de volgende dag nauwelijks nog herinneringen had. Toen waren er twee mannen gekomen, zware jongens aan de deur. Ze zeiden dat hij gisteravond veel geld had verloren, dat hij een schuld had van 9.500 euro. Of hij nu even wilde dokken.

Het beetje geld dat Daan aan het einde van een maand bouwvakken overhield moest direct naar Menzis waar hij ook schulden had. Hij bood aan dat ze de auto zouden meenemen, een Mini, zeker 10.000 euro waard.

De zware jongens sloegen het Mini-aanbod af en waren met een tegenbod gekomen: in je schuur richten we een hennepkwekerij in. Na een oogst zou hij vrij van pokerschulden zijn. Hij hoefde niets te doen, alleen een beetje water geven.

Zo was het gegaan. Tegen de rechters: ,,Ik heb er niks mee nodig gehad, ik ben min of meer gedwongen.’’ Nee, hij kent die zware jongens niet. Wel was hij bang voor hen.

In de schuur groeiden de planten
langzaam zeker richting de lucratieve oogst

In de schuur groeiden al snel 300 planten, langzaam maar zeker richting de lucratieve oogst. Maar er kwam een anonieme misdaadmelding. Agenten legden de oren tegen de schuur te luister en namen hennepkwekerijgeluiden waar. Dat was op 2 augustus 2016.

Daan werd aangehouden, de Mini van zeker 10.000 euro in beslag genomen en afgevoerd. Als Daan straks zijn criminele winst moet afdragen, is de eerste 10.000 euro alvast binnen. Dat is het idee.

De politie maakte de hele administratieve rimram in orde, een speciale eenheid besnuffelde daarna het dossier nog eens om vast te stellen dat Daan zo’n 70.000 euro winst moet hebben gemaakt. Die moet-ie nu betalen, zij het dat die 10.000 van de Mini in mindering mag worden gebracht. Dat geld is immers al binnen, want de Staat der Nederlanden kan als het moet voortvarend zijn: de Mini is al lang verkocht.

Op de publieke tribune bewegen de rechters wat onrustig heen en weer.

De officier van justitie krijgt het woord. Ze zegt dat het onbegrijpelijk is dat zij deze zaak nu pas aan de rechtbank voorlegt. Ze snapt zichzelf ook niet. Ten aanzien van de hennepplanten en de diefstal van stroom kan worden gezegd dat er sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking en dat er een samenhang bestaat tussen het kweken en de diefstal.

De toekijkende rechters mompelen: mooi verwoord.

De politie had beter
haar werk moeten doen

Over de ontneming, het afpakken, van die overblijvende 60.000 euro zegt de officier van justitie dat ze niet snapt wat ze heeft opgeschreven. Uit het dossier blijkt namelijk helemaal niet dat er is geoogst. Ze zegt: ,,De politie had beter haar werk moeten doen. Ik verzoek de rechtbank de ontnemingsvordering af te wijzen.’’

De rechters krabben zich achter de oren. Tja.

Over de straf zegt de officier van justitie dat ze kort kan zijn. ,,Het is langer dan drie jaar geleden. Ik ga daarom geen gevangenisstraf eisen. Ik eis een werkstraf van 120 uur en die mag geheel voorwaardelijk.’’

De politierechter heeft het allerlaatste woord. Hij is het eens met de officier van justitie. De eis wordt de straf. ,,U heeft meegedaan, u heeft de wil gehad op een gezamenlijke opzet en op een gezamenlijke uitvoering en dat is meer dan alleen maar medeplichtigheid.’’

De tribune knikt. Prachtig.

De strafzaak heeft ruim een uur geduurd. Daan oogt opgelucht, maar heeft nog wel een vraag. Nu hij niets hoeft te betalen, wil hij de in beslag genomen Mini terug. Kan dat niet (kan niet, want de auto is immers door justitie verkocht), dan wil hij het geld, dan wil hij die 10.000 euro.

De rechter zegt dat hij daar niet over gaat. Een nieuwe juridische procedure is geboren.

Op dat moment komen – in mijn verbeelding – twee wijze mannen de rechtszaal binnen. ’t Zijn Brenninkmeijer en Tjeenk Willink. Ze kijken ernstig, doen de deur dicht, pakken beiden een stoel en zeggen tegen de rechters op de tribune: ,,Wij moeten eens even met jullie praten.’’

Rob Zijlstra
Alex Brenninkmeijer

interview dvhn / rob de kam

 

Herman Tjeenk Willink

interview dvhn / rob de kam

 

Onrust rechtbank Noord-Nederland

5 februari 2020 / dvhn

 

27 december 2019 / gevolgschade

 

14 december 2019 / opinie

 

15 november 2019 / dvhn

 

28 oktober 2019

 

25 oktober 2019

 

24 oktober 2019

 

22 oktober 2019

 

juridisch vakblad mr. / 22 oktober 2019

 

6 juli 2019

 

15 april 2017

> lees ook: angstbeschaving [column]

Angstbeschaving

Ik heb afgelopen week goed om me heen gekeken, kijkend of ik in het gerechtsgebouw van Groningen een glimp van angst kon waarnemen. U moet weten dat het rechtbankgebouw van binnen een ode is aan transparantie. Op het eerste gezicht. Kijk je beter, dan zie je niks.

Ja, ik zag in plaats van andersom twee boeven achter een politieagent aan hollen, ik zag de bovenwereld mogelijk even versmelten met de duistere wereld daaronder, ik las – tot grote schrik – dat een journalist, omdat hij integer zwijgt over zijn bronnen, op last van een rechter in de gevangenis is opgesloten. In Nederland!

Tussen dit alles door klonk het 24/7-gekrakeel op Twitter, waar eencelligen volhardend drieste aanvallen uitvoeren op rechters en de rechtspraak. Met amper tegenspraak.

Wat een chaos.

Over bang. Afgelopen week verscheen een artikel in het juridisch vakblad Mr. (online) dat schrijft dat in de gebouwen van de rechtbank Noord-Nederland, in Groningen, Assen en Leeuwarden, de angst regeert. Rechters, medewerkers zouden bang zijn voor het management, funest voor een werkbaar werkklimaat. Angst maakt lam. Vakbonden dringen aan op intern onderzoek, leden van de Tweede Kamer willen dat de minister iets doet.

In wandelgangen werd gegrapt en gegniffeld. Rechters zijn voor de duvel niet bang voor de brute leiders van motorclub No Surrender, maar zodra ze op de gang hun rechtbankchef tegenkomen worden ze overmand door angst. Zal voormalig bendeleider Henk Kuipers leuk vinden. In december wordt de strafzaak tegen hem en de zijnen in Groningen voortgezet.

Zijn de voor het leven benoemde rechters nou echt bang? Of zijn het de niet-rechters, de ondersteunende medewerkers die bij een reorganisatie gewoon te vrezen hebben voor hun baan?

Bokkige rechters vechten
elkaar nog net niet de tent uit

Iemand fluisterde, het rapport Visitatie Gerechten 2018, bladzijde 27. Daar staat dat de stronteigenwijze rechters zich voortdurend beroepen op hun onafhankelijkheid, een privilege dat ze misbruiken en aanwenden om zich afzijdig te houden van de eigen organisatie. Er staat dat rechters niet het besef hebben dat een goede bedrijfsvoering helpt om het ambt beter te kunnen uitoefenen.

Collegialiteit onder rechters, meldt pagina 27, verkeert in een nog pril stadium. Ook staat er: ‘Er zijn nog rechters die geen noodzaak zien tot kritische reflectie (…).

In de vrije vertaling: bokkige rechters vechten elkaar nog net niet de tent uit en doen waar ze zelf zin in hebben.

Misschien is het wel zo dat het angstaanjagende management wil afrekenen met dit ‘naar binnen gerichte cultuuraspect’ (klare taal: kortzichtigheid). Dat rechters daarom heul bang zijn dat ze iets moeten, dat ze straks geen eigen eigenwijze baas meer mogen zijn.

Ik weet nog niet hoe het onheil moet heten dat nu door de noordelijke gerechtsgebouwen spookt. Zorgelijk klinkt het allemaal wel. Rechters moeten, ook als het volk mort, met de voeten stampt en lelijk schreeuwt, impopulaire besluiten durven nemen. En als het er ooit echt op aankomt, dienen rechters zich vrij van angst aan te sluiten bij de stoersten van het land. Deze dure plicht brengt het ambt met zich mee. Onze vrijheid, zo wordt in vredestijd met graagte gezegd, is immers geen vanzelfsprekendheid.

Ook van agenten verwachten
we een boel

Maar ja, rechters zijn ook maar mensen. Zoals politieagenten dat ook zijn. Ook van agenten verwachten we een boel. Dat ze eerlijk zijn en oprecht, een dikke huid hebben tegenover lage salarissen en dat ze de boeven pakken en niet andersom.

Dat laatste gebeurde wel, zag ik door de kieren van de gesloten deuren van zittingszaal 14. Er stonden daar bij de kinderrechter twee rotjochies uit Haren – 16 en 17 jaar – terecht wegens diefstallen met geweld. In de lente hadden ze op paden van hun lommerrijke dorp voorbijgangers van fietsen getrokken, hen geslagen en geschopt en vervolgens beroofd.

Een van de voorbijgangers, op een sportieve fiets van Cube, was een politieagent. De jochies trokken hem omver, wierpen zich op hem, dreigden met de punt van een vleesmes en riepen ‘geef ons al je spullen’ en ‘geef ons de pincode’. Zo maakten de rotjochies een mobiele Samsung Galaxy A8, een portemonnee met dertig euro, bankpasjes, het rijbewijs en last but not least het politielegitimatiebewijs buit. En de Cube-fiets.

De rechters moeten nog uitspraak doen. Jeugddetentie en taakstraffen met stevige trajecten in de begeleiding moeten deze tieners terugbrengen op het rechte pad.

Kinderboeven die achter politieagenten aan hollen om hen te pakken, je wilt niet dat dit echt waar is. Je wilt niet dat rechters een integere journalist opsluiten om hem te dwingen wat hij nooit zal doen, zijn bron prijsgeven. Je wilt niet dat rechters en hun medewerkers bang zijn.

Of dat, dat ook nog, politieagenten bijklussen in het criminele circuit. Of dat echt waar is weet ik niet.

Vier mannen uit Groningen en Assen wisten een adresje waar duur gereedschap zou liggen. Omdat ze geld konden gebruiken wilden ze het gereedschap stelen. Ze gingen heen en trokken in het holst van de nacht met kabaal de deur open om hun slag te slaan. Een overbuur werd er wakker van, keek verstoord door het raam, zag, en belde de politie. In no time konden agenten na een korte achtervolging drie van de vier mannen arresteren. De vierde hadden ze al.

De vriendin had een
Levensgevaarlijke ex, vandaar.

De drie geven het toe, dat ze superdom zijn geweest en dat ze megaspijt hebben. De vierde die ze al hadden zegt onschuldig te zijn, hij liep daar toevallig, op weg naar een vriendin – met een vuurwapen, dat dan weer wel. De vriendin had een levensgevaarlijke ex, vandaar. Die drie? Die kent hij niet eens.

Tegen de vier zijn gevangenisstraffen geëist van 20 maanden. Maar daar gaat het nu niet om. In het pand lag geen duur gereedschap. Er was een deur naar een verborgen ruimte waar 300 oogstrijpe hennepplanten de bezitters – wie dan ook – florissant toelachten. ,,Dit was een inbraak in het criminele circuit,’’ zei de officier van justitie tegen de rechters.

Waar het hier om gaat: het pand is (want nog steeds) van een politieagent. Volgens de politie wist de politie daar nergens van. De agent had, terwijl hij op straat het verkeer in goede banen leidde, het pand verhuurd om extra inkomsten te genieten.

Ik keek naar de chaos om mij heen en vroeg me af wie nog te vertrouwen is. Op wie kunnen we rekenen als het er echt op aan komt?

Voor een angstcultuur binnen een gebouw ben ik niet zo bang.
Maar een angstbeschaving lijkt me doodeng.

Rob Zijlstra

 

rapport visitatie gerechten

Signalen aan de samenleving

De kans dat je een kudde hollende zebra’s tegenkomt in een rechtbankgebouw in het Verenigd Koninkrijk is vele malen groter dan dat je er een rechtbankverslaggever treft. Dit is niet wetenschappelijk onderzocht, maar ik tekende het eens op uit de mond van oud procureur-generaal Harm Brouwer op een feestelijke bijeenkomst van journalisten. Mannen op dat niveau – Brouwer was toen eindbaas bij justitie – mogen niet liegen, dus is er kans dat het waar is.

Is het in Nederlandse rechtbanken anders in de zin van beter? Ik denk het wel. Hoewel? Van de collega die de grote rechtbank van Amsterdam doet, hoorde ik dat hij er tamelijk in eenzaamheid zijn werk zit te verrichten. Dat is nogal wat, want in Amsterdam gebeurt een hoop.

Is het erg?

Als er wordt gevoetbald zitten er 16 miljoen mensen op de tribune die na negentig minuten allemaal een stevige mening hebben. In de zalen van het recht zijn de tribunes doorgaans leeg, maar ook aan robuuste meningen over het strafrecht is geen gebrek. Al zeg ik het zelf: ter voorkoming van al te rigoreuze opvattingen (‘rechters zijn corrupt’) is het niet verkeerd dat er zo nu en dan een verslaggever aanschuift om de buitenwereld te vertellen over het reilen en zeilen van de strafrechtspraak.

Opdat we niet gaan roepen dat het strafrecht slappe hap is, dat ernstige zeden- of geweldsmisdrijven worden afgedaan met taakstrafjes (is niet zo). Of dat fietsen- en winkeldieven nooit strafrechtelijk worden vervolgd (worden ze wel). Dat alle rechters wereldvreemd zijn (slechts een enkeling) en advocaten graaiende grootverdieners (niet in het strafrecht).

Het ding kon de vergelijking
met een handgranaat doorstaan

Ik kwam op deze vraag (of het erg is) toen de officier van justitie afgelopen week het woord voerde in een strafzaak waarin een verdachte met een katapult
knikkers, moeren en bouten zou hebben afgeschoten op een medemens met wie hij een conflict had. Ook zou hij in het bezit zijn geweest van een zelfgefabriceerde bom die bestond uit vuurwerk en spijkers. In het projectiel school zelfs de dood, het ding kon de vergelijking met een handgranaat doorstaan, kregen de rechters te horen.

En daarom, sprak de officier van justitie met luide stem, is de taakstraf in deze ernstige zaak een gepasseerd station. Vervolgens kwam hij met een eis op de proppen die ook nog eens hoger was dan de landelijke richtlijnen die het Openbaar Ministerie hanteert: een jaar gevangenisstraf (helft voorwaardelijk). De officier van justitie voegde daaraan toe, met nadruk: ‘Ook als signaal naar de maatschappij.’

De woorden galmden na in de vrijwel lege rechtszaal en ik vroeg me in gemoede af hoe dit signaal ooit de maatschappij zou bereiken? Zittingszaal 14 heeft geen ramen waardoor je het naar buiten kunt schreeuwen of waaraan de maatschappij het oor te luister kan leggen. Zou het Openbaar Ministerie later op de dag misschien een persconferentie beleggen? Kwamen er spotjes op de regionale tv?

De hele rechtsgang duurt
vaak een eeuwigheid

Ik twitterde zittende aan de perstafel mijn overpeinzing de wereld in. De eenzame collega in Amsterdam reageerde, tikkeltje cynisch: ‘Daar hebben ze jou voor.’ De rechtbankverslaggever die als verlengstuk van het voorlichtingsapparaat van de overheid signalen moet verspreiden.

Mooi dat het zo niet werkt. Bovendien, veel fraais valt er (helaas) niet te signaleren.

De professionele deelnemers aan de strafrechtspraak vormen samen geen geoliede machine. Het rommelt, het recht krijgt lang niet altijd z’n beloop en de hele rechtsgang duurt vaak een eeuwigheid.

Donderdag moest een man komen opdraven die in 2015 was veroordeeld tot straf en het afdragen van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Dat is de criminele winst. Het gaat om 2.500 euro, in criminele kringen een dwarrelend pluisje. Niettemin heeft de man nog maar 400 euro afgedragen. Het is niet omdat hij niet wil betalen, zegt hij. Het is betalingsonmacht.

De officier van justitie had gezucht en gezegd: ,,Eigenlijk is dit te zot voor woorden.” Om vervolgens de rechtbank te vragen de man 30 dagen op te sluiten. Niet dat daarmee zijn schuld aan de staat werd ingelost, in het geheel niet zelfs, maar het opsluiten moest worden beschouwd als een signaal. Dat hij wel moet betalen.

De kwestie heeft al een vermogen gekost aan tolken, advocaten en deurwaarders en het einde is nog niet in zicht. De rechtbank wees het verzoek van de officier van justitie tot opsluiting af en wenste de man nog een prettige dag.

De misdaad zelf duurde 10 seconden
de rechtsgang bijna 6 jaar

Het is de deelnemers van deze rechtsgang vast een lief ding waard als de signalen de samenleving niet bereiken. Dat geldt ook voor een ander proces dat afgelopen week wel tot een einde kwam. De misdaad zelf duurde 10 seconden, de rechtsgang bijna 6 jaar.

Op 11 januari 2014 pleegde Gerrit een lelijke overval op een filiaal van Albert Heijn in Groningen. Hij zette een 16-jarige stagiaire een vuurwapen op het hoofd en maakte 1309,58 euro buit.

De eis luidde 3 jaar celstraf, maar de rechters in Groningen spraken hem in 2015 vrij. Te veel twijfel. Er volgde hoger beroep: eind 2017 werd opnieuw 3 jaar geëist. De raadsheren in Leeuwarden veroordeelden Gerrit zonder twijfel tot 4 jaar cel.

Gerrit ontkent de overvaller te zijn en stapte anderhalf jaar geleden naar de Hoge Raad (cassatie) om bij de hoogste rechter van ’t land de deskundigheid van de deskundigen te betwisten. Een bewegingswetenschapper had het loopje van Gerrit bestudeerd en vergeleken met het loopje van de overvaller op de camerabeelden. De wetenschappelijke conclusie: het is ‘m, zeker weten.

Bij de Hoge Raad werd Sherlock Holmes, de detective die nooit twijfelde, van stal gehaald: dat Holmes altijd zo zeker is van zijn zaak, maakt zijn werkwijze per definitie onwetenschappelijk’, klonk het.

De Hoge Raad laat zich er uiteindelijk niet over uit, maar concludeert nu dat het allemaal veel te lang heeft geduurd en dat Gerrit daarom recht heeft op een strafkorting van 5 maanden.

Gerrit is niet de eerste die vanwege de trage overheid wordt beloond met een korting op de straf. Het gebeurt voortdurend, in alle rechtbanken, door ’t hele land, maar in Noord-Nederland in het bijzonder.

Hoe kan dat toch? Bij het Openbaar Ministerie stapelen de dossiers die gereed zijn om aan rechters te worden voorgelegd zich op. Maar volgende week is het herfstvakantie. De rechtbank draait dan op een laag pitje, er worden nauwelijks strafzaken behandeld. Omdat de scholen zijn gesloten.

Ook geen lekker signaal naar de samenleving.

Rob Zijlstra

 

Alle lof

O P I N I E

Het besluit van advocaat Tjalling van der Goot om de man te verdedigingen die wordt verdacht betrokken te zijn bij de moord op de Amsterdamse advocaat Derk Wiersum verdient alle lof.

Het zal geen eenvoudig besluit zijn geweest. De moord op Derk Wiersum, op 18 september, bracht een schok teweeg. Van der Goot noemde moord in een artikel in deze krant een aanslag op de rechtsstaat en sprak van een gitzwarte dag, voor de nabestaanden, voor de advocatuur. Hij schreef ook: ‘De moord op Wiersum laat zien hoe hard wij moeten vechten om de rechtsstaat overeind te houden.’

In een fatsoenlijk land heeft een verdachte – hoe weerzinwekkend de misdaad ook is – recht op een eerlijk proces. Daar hoort een onafhankelijke advocaat bij die opkomt voor de belangen van die verdachte. Maar iemand publiekelijk met raad en daad bijstaan die misschien wel in koelen bloede je collega heeft vermoord? Ga er maar aanstaan.

Toch wekt het geen verbazing dat Tjalling van der Goot diegene is die deze klus op zich neemt. Van der Goot – sinds 1999 verbonden aan het kantoor Anker en Anker in Leeuwarden – is een advocaat die graag tegen de stroom in roeit. In een interview in deze krant zei hij eens: ‘Het beeld is dat iemand die een gruwelijk delict pleegt, ook per definitie een gruwelijk mens is. Maar dat is niet zo.’

Het is goed voor te stellen dat advocaten die met Derk Wiersum hebben samengewerkt, hem goed hebben gekend, even een pas op de plaats maken. Maar binnen de advocatuur zal er alle begrip zijn voor het besluit van Van der Goot. Rechtsbijstand zonder aanzien des persoons staat niet ter discussie.

Onder zijn vakgenoten heeft Van der Goot een goede naam. Vorig jaar werd hij door het Advocatenblad – het vakblad van de advocatuur – nog uitgeroepen tot de ‘parel van de balie’.

Het verdedigen van een verdachte in een zo beladen zaak zal niet eenvoudig zijn. Maar Van der Goot heeft vaker mensen bijgestaan die onder het grote publiek op niet veel sympathie konden rekenen. Zedendelinquent Robert M. bijvoorbeeld. De rol die Van der Goot in deze omvangrijke ontuchtzaak speelde leverde niet alleen verontwaardiging op, maar ook bedreigingen.

Een advocaat is een beroepsmatige dwarsligger, schreef Van der Goot kort na de moord op Wiersum. Nu het slachtoffer iemand is die uit datzelfde hout was gesneden, maakt niet dat dat ineens anders is.

In een verklaring staat dat het kantoor Anker en Anker zich ‘terdege bewust’ is van de gevoeligheid van de zaak. Maar ‘druk, dreiging en geweld ‘kunnen niet afdoen aan de vanzelfsprekendheid dat iedereen recht heeft op professionele rechtshulp. En daarbij is de rol van een advocaat, aldus de verklaring, essentieel.

Het zijn mooie woorden die zich gemakkelijk laten opschrijven. Maar vervolgens moet je het nog wel even gaan staan en je vinger opsteken. Van der Goot doet dat en pakt zijn rol. Vandaar: alle lof.

Rob Zijlstra

dit artikel is ook gepubliceerd
op de websites van
Dagblad van het Noorden
en de Leeuwarder Courant

Geschoeide voet

De meest voorkomende misdaad in zittingszaal 14 is momenteel die met de geschoeide voet. Momenteel is dit jaar. Al een tijdje pieker ik over de vraag waarom dat zo is. De geschoeide voet is van alle tijden, maar nooit eerder waren het er zo veel.

Er is voor zover ik weet geen onderzoek naar gedaan. Dat is best raar. De halve strafrechtketen houdt zich bezig met de geschoeide voet, rechters zitten hele dagdelen achtereen verdachten aan te horen, maar een diepgravende wetenschappelijke verhandeling over de geschoeide voet in criminologisch perspectief lijkt vooralsnog een onbewandelde weg.

U moet het doen met een bescheiden beschouwing  van een rechtbankverslaggever.

De geschoeide voet gaat over mannen (altijd) die vechten, best vaak gaat het over meerdere mannen die met z’n allen matten tegen één. Die ene ligt dan op de grond, heel eerlijk is het nooit. Zolang ze erop los slaan gaat het over mishandeling en als er hard wordt gemept over zware mishandeling. Maar zodra eentje begint met schoppen, met schoeisel aan de voet, dan wordt het andere koek, dan gaat het naar een poging tot doodslag. Mits het slachtoffer op de grond blijft leven.

Pogingen tot misdaden zijn ook strafbaar.

Maar waarom is dit nu ineens de meest voorkomende misdaad? Alsof er geen drugshandel is, geen ondermijnende criminaliteit waar Grapperhaus 100 miljoen euro extra voor heeft uitgetrokken. Het antwoord: malheur.

Het is het misdrijf
van de kat in de bak

Het zit denk ik zo. Er is narigheid bij politie, gedoe bij het Openbaar Ministerie en kommer bij de rechtbanken, de drie hoofdrolspelers in de strafrechtketen. Alle sores leidt tot één en hetzelfde: gebrek aan capaciteit. Om de kachel toch brandende te houden wordt teruggegrepen op misdaden die zich eenvoudig naar de rechtbank laten slepen.

Misdaden met de geschoeide voet hebben gemeen dat de aanleiding onbeduidend is, de politie vaak snel ter plaatse is, dat er een zichtbaar slachtoffer is (hij die gehavend op de grond ligt), dat er veel getuigen zijn, de daders doorgaans dronken en, ook niet onbelangrijk, dat camera’s de afranseling hebben geregistreerd. Het is het misdrijf van de kat in de bak.

Wie een medemens met opzet hard tegen het hoofd schopt, neemt voor lief dat de afloop fataal kan zijn omdat het hoofd een kwetsbaar lichaamsdeel is. Qua straf is een poging tot doodslag de werkstraf ver voorbij: er worden gevangenisstraffen geëist en ook opgelegd, soms wel dertig maanden.

In de rechtszaal hebben de verdachten altijd spijt. Dan zeggen ze dat het niet zo had gemoeten. Geert stond afgelopen week terecht en hij trok zelfs een beetje wit weg toen hij zichzelf op de beelden in de rechtszaal terugzag. Hij: ,,Ik ben het wel, maar ik herken mezelf niet, zo ben ik niet.’’

Ze zijn ergens
voor de lol geweest

Geert is, voor leden van de Eerste Kamer geen Noord-Afrikaan, 22 jaar, zijn vriend Karel (idem) is een jaar jonger. Ze zijn ergens voor de lol geweest en willen de zondag afsluiten met wat eten in de shoarmazaak. Ze zitten aan het tafeltje bij het raam, pal naast de ingang en happen er smakelijk op los.

Er is nog niks aan de hand.

Maar dan. Op de beelden (die dus in de rechtszaal worden vertoond) is te zien dat een man – zeg maar Bernard – de zaak binnenwandelt en doorloopt naar achteren. Geert en Karel zien hem binnenkomen. Volgens een van de advocaten is duidelijk waarneembaar dat Geert en Karel op dat moment nerveus worden. De rechters zeggen dat dat zou kunnen, maar dat zij het niet zien.

Na 2, 3 minuten loopt Karel met de telefoon aan zijn oor naar buiten. We zien hem bellen. Karel zegt dat hij zich met de situatie geen raad wist en daarom zijn vader belde.

Dan verschijnt Bernard weer in beeld, hij loopt naar buiten. Drie seconden later vliegt Geert erachteraan, hij haalt met rechts uit en Bernard gaat op de stoep als een blok tegen de vlakte. De beelden die dan volgen laten de poging tot doodslag zien. Fraai is het camerawerk niet. Terwijl Bernard op de grond ligt, slaan en schoppen Geert en Karel er flink op los.

Bernard raakt buiten bewustzijn, de politie is er snel, de vader van Karel komt, de ambulance arriveert, Karel en Geert worden aangehouden en afgevoerd. Bernard mag het ziekenhuis diezelfde avond na een controle verlaten, met een gebutst hoofd en de kleren kapot. Er staat geen voetafdruk in zijn hoofd, wel de afdruk van zijn bril.

Ze zeggen dat
het noodweer was

Het slaan en schoppen duurde al met al 6, 7 seconden, de gevolgen moeten wat de officier van justitie betreft langer duren: anderhalf jaar gevangenisstraf. Omdat beiden geen strafblad hebben (na nu wel) mag daarvan een jaar voorwaardelijk. Betekent dat Geert en Karel voor een paar maanden terug moeten naar de gevangenis.

Geert trekt dat niet, zegt hij. Karel zal zijn baan verliezen. Ze hadden het gedaan uit angst voor Bernard. Karel zegt dat hij zich geen raad wist, Geert had een black-out gekregen, terwijl de emoties maar doorgingen. Ze zeggen dat het noodweer was, dat het Bernard was die (net niet te zien op de beelden) met gebalde vuisten op Karel afkwam. Geert had toen zijn vriend verdedigd. Bernard, hij zit vlak achter de twee verdachten, luistert en kijkt minzaam. Hij heeft een schadeclaim ingediend van ruim 15.000 euro.

Er was wel een aanleiding, misschien was het een wraakactie, opperen de rechters. Geert en Karel  zeggen van niet, van nooit een keer. In 2017 hadden ze het op een feestje aan de stok gehad met Bernard en wel zo dat hij Karel flinke klappen had verkocht. In de shoarmazaak zou Karel Bernard hebben toegebeten dat-ie een vuile oplichter is.

Advocaten vragen begrip en zeggen tegen de rechters dat Bernard niet zomaar iemand is, hij is een man met een zekere reputatie in Oost-Groningen, een man met lelijke streken, een bekende ook van de televisie. Iemand die bijtgrage herdershonden op journalisten afstuurt. Zoek maar op, zeggen de raadsmannen, op Foute Boel.

Voor het misdrijf met de geschoeide voet voor de shoarmazaak maakt het allemaal weinig uit. Het gaat om die ene schop, die twee schoppen tegen het hoofd, niet zozeer om de voorgeschiedenis.

Er komt vast een tijd dat politie, justitie en de rechters de zaken weer op orde hebben, de malheur voorbij. De geschoeide voet zal dan minder vaak in de rechtszaal opduiken, want daar is dan geen tijd meer voor.

Dat denk ik.

Rob Zijlstra

update – 22 oktober 2019 – uitspraken
Geert en Karel zijn conform de eisen veroordeeld. Niks noodweer.  In de krant staat waarom.

 

Alles was mooi

Naakt rende ze door de straat. Ze riep dat ze dood zou gaan, dat iedereen haar wilde opeten. En dat de wereld bezig was te vergaan. Erg vond ze dat niet. ‘Ik was niet wanhopig of zo.’ Wel dacht ze eraan om vrienden te bellen, om hen te waarschuwen. En ze probeerde haar vriend mee te trekken, de ruimte in. Ja, in een ruimteschip, daar leek dat ding op. Wat ze ook nog weet is dat er overal op de grond sinaasappelen lagen. In de ruimte zouden ze sterren worden. Dat van dat vleesmes uit de keukenla, dat weet ze niet zo goed meer.

Pas later, veel later, realiseerde ze zich wat haar was overkomen dan wel wat ze had gedaan. Toen lag ze al in een politiecel, in de isoleer en haar vriend ernstig gewond in het ziekenhuis. Met dat grote vleesmes uit de keukenla had ze hem in de buik gestoken.

Welkom in de wereld van de paddenstoel. Niet in die van de champignon, maar van de paddo’s, de schimmels die psilocybine en psilocine bevatten, organische verbindingen die je kunnen laten vliegen. Eeuwen achtereen leverden paddo’s kleurrijke, spirituele en psychedelische vergezichten op. Ruim tien jaar geleden kwam er een verbod na een aantal trieste incidenten met dodelijke afloop. Zij die waanden te vliegen waren ter aarde gestort.

Haar vriend was teruggekomen van een verre buitenlandse reis. Blij dat ze waren wilden ze er een mooie, spirituele zondag van maken. Ze hadden lekker eten in huis gehaald en hadden nog wat paddo’s over van een vorige keer. Niet dat ze het vaak deden, samen gezellig trippen, maar sporadisch. Om het feest compleet te maken namen ze gelijktijdig ook wat lsd uit het flesje dat ze ook nog hadden staan. Elk een druppeltje onder de tong.

Het was leuk begonnen. Alles was mooi, zegt Lucy. ‘We zaten voor de tv, naar live muziek te kijken, naar artiesten die we nooit eerder hadden gezien. Beetje knuffelen.’ Tegen de rechters: ‘Het was niet een heel heftige trip.’

Dat veranderde. ‘In mijn hoofd begon het te ontwaken, een awakening. Hoe? Alsof je Jezus Christus wordt. Ik hoorde stemmen, in het Engels, die zeiden dat de mensen er een zooitje van hebben gemaakt, dat we de aarde aan het vernielen zijn. Ik kreeg ook opdrachten.’

Er is altijd

kans op een bad trip

De 24-jarige Lucy heeft ervaring met middelen. Sinds haar zestiende blowt ze. Toen ze in de horeca werkte, soms tot zes uur in de ochtend, gebruikte ze speed om het vol te houden, ze werkte in een coffeeshop. In een andere periode in haar leven – zo zegt ze dat – bezocht ze festivals en slikte dan xtc om erbij te horen.

Ze zegt dat paddo’s niet behoren tot de meest gevaarlijke drugs, ook niet in combinatie met lsd. ‘Er is altijd een kans op een bad trip, maar ik sta positief in het leven.’ En ook nogal naïef, zal de officier van justitie later opmerken: bij de reclassering had ze gezegd dat ze niet wist dat paddo’s en lsd worden beschouwd als drugs. Dat bezit van harddrugs strafbaar is, daar had ze van gehoord, maar hoe het zat met gebruikershoeveelheden in huis, wist ze dan weer niet.

Drugs associeert ze meer met zelfdestructie en dat zijn niet de middelen die de geest verruimen. De reclassering: ‘Mevrouw ziet het leven door een roze bril.’

Rechters: ‘Wat waren dat voor opdrachten die u kreeg? Wat moest u doen?’
Lucy: ‘We moesten de ruimte in. Er was een soort ruimteschip. Ik wilde hem meenemen, maar hij wou niet. Ik had nog nooit een trip gehad waarbij ik iets zag wat er niet was.’

Van het steken kan
ik mij niets herinneren

Ze vervolgt: ‘Ik wilde toen ook niet meer, ik wilde slapen, maar in mijn hoofd ging het maar door. De wereld was aan het vergaan, overal lagen sinaasappelen, ik wilde dat mijn vriend naar de supermarkt ging om Coca-Cola te kopen. Ik heb toen ook plantjes uit het raam gegooid.’

Vaag weet ze nog iets van de keukenla, maar niet van het mes.
Rechters: ‘Buren hebben gezien dat u met het mes in de hand naar buiten kwam.’
Lucy: ‘Van het steken kan ik mij niets herinneren, dat wil ik ook niet, het lijkt me niet fijn.’

Rechters: ‘Uw vriend probeerde u rustig te krijgen.’
Lucy: ‘Hij stond daar met een rol ducttape in handen, ik dacht toen dat hij met me mee zou gaan. Ik was mij er niet van bewust dat ik een mes in handen had.’

De verwondingen zijn ernstig, maar vriend overleeft het. Hij zit in de rechtszaal op de publieke tribune, hij heeft geen aangifte willen doen. Lucy: ’We wonen ook weer samen.’

De officier van justitie kijkt bedachtzaam, vingers aan de kin, gaat dan staan en zegt: ‘Het culpa in causa-arrest, 9 juni 1981, Hoge Raad.’ In de richting van Lucy: ‘Nee, ik geloof niet dat u uw partner met kwade opzet heeft neergestoken. Maar schuldig bent u wel.’

Ze experimenteert om
los te komen van zichzelf

De officier van justitie gebruikt vervolgens veel tijd en woorden om het volgende duidelijk te maken: Lucy heeft het niet gewild, maar ze heeft wel ‘de aanmerkelijke kans aanvaard’ dat het mis zou gaan, ze had kunnen weten dat het zou kunnen gebeuren en ze heeft – door paddo’s en lsd tot zich te nemen, een bewuste keuze – zichzelf in die situatie gebracht. Mevrouw voelt zich meer slachtoffer dan dader, maar de ontremming is aan haar zelf te wijten. Ze experimenteert om los te komen van zichzelf. Gaat dat fout, dan is dat haar eigen verantwoordelijkheid.

Acht maanden celstraf, de helft mag voorwaardelijk. Daarnaast een drugsverbod vanwege haar naïviteit. De officier van justitie benadrukt dat hij een werkstraf in deze bijzondere zaak ‘een verkeerd signaal aan de samenleving’ vindt.

Strafrechtadvocaat Lidewij Wachters wil het anders doen. In tegenstelling tot bijvoorbeeld alcohol en speed, zijn paddo’s geen middelen die agressie opwekken, zegt ze. Paddo’s werken net als lsd niet ontremmend. Lucy had nooit kunnen bevroeden dat het faliekant mis zou gaan. Het is haar overkomen. Daarmee vervalt de schuld.

Lucy krijgt het laatste woord. Ze zegt dat ze haar les al heeft geleerd. Ze zat 81 dagen in voorarrest, toen mocht ze naar huis. De strafeis betekent dat ze terug moet naar de gevangenis om daar nog ruim een maand te zitten. Tegen de rechters: ‘Ik wil mijn studie afronden en mijn werk behouden. Celstraf lijkt me niet nodig.’

Rob Zijlstra

update – 15 oktober 2019 – uitspraak
Lucy is schuldig bevonden aan  poging tot doodslag. De rechters volgen de officier van justitie, maar leggen een andere straf op, en wel zo dat de vrouw niet terug hoeft naar de gevangenis. Wel hangt haar een jaar voorwaardelijk boven het hoofd (om haar van nieuwe trips af te houden).

klik op afbeelding voor volledige uitspraak

De notoire zwanenhater

De meeste misdrijven die worden gepleegd halen nooit de rechtszaal. Dat is maar goed ook, want zoveel rechtbanken en rechters hebben we ook weer niet. Het is ook zo dat de meeste strafzaken die wel worden behandeld, gaan over relatief kleine kwesties, hoe vervelend en naar die ook kunnen zijn. Een diefstal is niet leuk.

Dat het beeld van de misdaad anders is, komt omdat heel veel aandacht uitgaat naar het weinige dat er is, naar de zware misdaad, misdaden die de rechtsstaat van het land tarten en in crisis kunnen doen belanden.

Terwijl dat werkelijk gaande is, gaat het strafrechtbedrijf gewoon door met het werk van alledag. Een greep uit de zaken die zich in de voorbije vijf dagen in Groningen in de rechtszaal van het strafrecht aandienden: diefstal van een pakje shag, mishandelingen (ook van een levensgezel), vernielingen (bloembakken, tuinstoelen, een brandmelder), verbale bedreigingen (‘ik maak je dood’), huisvredebreuk, diefstallen van andermans spullen, pogingen daartoe (dus mislukte diefstallen), tanken en dan niet betalen, belaging via WhatsApp, schennispleging en een dief uit Ter Apel die zeventien opzettandenborstels en acht pakjes met scheermesjes van Gilette (kost een vermogen) had gestolen. Dat wil zeggen, dat was de verdenking.

Verder is het zo dat de meeste rechters geen dagtaak hebben aan de zware misdaad, net zoals bijna alle politiemensen in heel hun carrière nooit hoeven te schieten met het dienstwapen. Het klinkt niet stoer, maar 99,9 procent van de politieagent is hier niet rouwig om.

Nu ik toch bezig ben: een tiener die met een onklaar gemaakt nepwapen klooit, wordt ook nooit strafrechtelijk vervolgd, maar doorverwezen naar bureau Halt, hoe luid (en vals) het gekrakeel ook klinkt, wat moeder ook doet. En ook dat is maar beter voor iedereen.

Voor drie mannen die afgelopen week wel in de rechtszaal moesten verschijnen, pakte het allemaal wat anders uit. Zelf vonden ze het nogal overdreven, maar volgens de officier van justitie hebben de drie zich schuldig gemaakt aan ernstige strafbare feiten. De officier van justitie keek daar zo chagrijnig bij dat het buiten pardoes begon te regenen.

Hielke (70) uit Sappemeer en Gerben (72) uit Hoogezand hebben eieren geraapt. Zij deden dat tijdens het broedseizoen – in maart – op een niet toegankelijk eilandje in het Zuidlaardermeer.

Een controleur van Het Groninger Landschap had het tweetal in de verte zien lopen met een emmer en zag ganzen opvliegen. Die samenloop van waarnemingen maakte dat de controleur wist hoe laat het was. Hij belde een boa en deze ambtenaar die mag opsporen loerde vervolgens door zijn verrekijker naar de verte en telde 44 eieren in het emmertje.

Het waren eieren van de grauwe gans, de Anser anser.

Gerben mompelt dat hij zich van geen kwaad bewust was. Hij was met Hielke meegegaan, voor het eerst. Hoe moest hij dan weten dat hij daar niet mocht komen? Bordjes? Niet gezien. Ze waren er met een bootje naar toegegaan. Toen hij uitstapte was hij weggezakt en daarbij had hij zijn bril verloren.

Hielke bromt. Hij kwam er al jaren en dan dit. Er mag niks meer. Tegen de rechter: ‘Ik wil niet onfatsoenlijk zijn, maar ik vind dit nogal wat. Vissen op het meer mag ook al niet meer. Dan heb je eens een fatsoenlijk visje, een snoekbaars, en dan moet-ie terug. Weg hobby. Nou moet ik zeker aan een kanaaltje zitten met zo’n hengelstokkie. Daar ben ik de man niet voor.’

Gerben vult aan: ‘Ik kan beter niks zeggen want dan maak ik me kwaad.’

Hielke heeft recent zijn boot verkocht want de lol is er voor hem af. Over de geraapte eieren: ‘We zagen ze aankomen. Als we wisten dat het niet mocht, hadden we de eieren toch zo kunnen weggooien?’
Gerben: ‘Die bril ben ik dus nog steeds kwijt.’

Terwijl de officier van justitie met haar donderblik de zaal inkijkt, informeert de politierechter of Hielke en Gerben er financieel een beetje warmpjes bijzitten? ‘Alleen wao? Nou, dat is dan geen vetpot.’

De officier van justitie snibt dat ze de opzet van het strafbare handelen van Hielke en Gerben kan bewijzen. Niet alleen het rapen van eieren, ook het betreden van een verboden gebied – een Natura-2000 gebied. ‘Als we dat allemaal doen, hebben we straks geen ganzen meer.’

De strafeis: een boete van tweeduizend euro, de helft voorwaardelijk. De politierechter vindt die eis veel te hoog. Zegt: ‘Maar een dikke waarschuwing is op z’n plaats, want een beetje meer respect voor de natuur is niet verkeerd. U krijgt beide een boete van duizend euro, maar die is geheel voorwaardelijk. U merkt daar dus niks van.’

Hielke en Gerben knikken en zwijgen. Op de gang: ’Een goeie rechter.’

De derde verdachte is Dik, 78 jaar, geboren en getogen in het Reitdiepgebied. Hij heeft in april het welzijn van de knobbelzwaan geschaad. Hij deed dat met de wandelstok die ooit van zijn vader was. Daarmee sloeg hij de dieren van het nest. Ook schudde hij zwaneneieren in het nest zodat moederzwaan broeden kon tot ze erbij neerviel, nageslacht kwam er niet meer van.

Dik doet er niet moeilijk over. Zegt: ‘Ik heb de pokkepest aan die beesten. Weg ermee.’

De zwanenstand in het broedgebied was structureel te laag.
Het vermoeden was dat Dik al tientallen jaren strijd voert. Bij de natuurbeschermers in het Reitdiepdal staat hij bekend als de notoire zwanenhater. Nooit hadden ze hem met de wandelstok op heterdaad kunnen betrappen. Maar in april was het raak: camerabeelden.

De politierechter: ‘Het Reitdiep is een wonderschoon gebied, het mooiste van Groningen. Dat moeten we met z’n allen behouden.’
Dik: ‘Ik heb er nog nooit eentje doodgeslagen.’
Rechter: ‘Het zal, maar u bent niet vriendelijk voor de natuur.’
Dik: ‘Rotbeesten.’
Rechter: ‘U bent wel eerlijk.’
Dik: ’Zo is het.’

De boze officier van justitie had een heel valse straf voor Dik in gedachten: verplicht vrijwilligerswerk bij een zwanenwerkgroep. Praktisch bleek dat niet mogelijk. Vandaar de eis tot de werkstraf: veertig uur, de helft voorwaardelijk.

De politierechter neemt die eis over en kijkt op de klok.

Nog drie strafzaken te gaan vandaag. Een man die plastic vervoerde, maar niet de juiste begeleidingsbrief bij zich had, een bekend café uit Groningen dat de jaarrekening van het boekjaar 2016 nog niet ten kantore van de Kamer van Koophandel heeft geopenbaard en tot slot een kip met een opzettelijk onjuist ingevuld gezondheidscertificaat.

Daarna zit de dag erop.
Nee. Veel zal de wereld er niet van meekrijgen.

Rob Zijlstra

Smerig aandeel

In de eerste aflevering van het tweede seizoen van de graag geziene Netflixserie Narcos zit DEA-agent Steve Murphy eenzaam aan de bar – bar Dorado – zijn frustraties weg te drinken. Pablo Escobar is hem weer te snel af geweest en zijn grote liefde besluit vanwege de onveilige situatie terug te keren naar Amerika. Als Murphy vermoeid het toilet bezoekt treft hij twee Amerikaanse zakenmannen. Hij ziet hoe de een de ander een zakje met cocaïne geeft.

Steve Murphy vraagt, terwijl hij onder de stromende kraan de handen wast: ‘Daar knap je zeker van op?’ En: ‘Weet je wel hoeveel een kilo van dat spul kost?’ De mannen hebben geen benul, ze zeggen dat ze geen problemen willen. Agent Murphy: ‘Zes. Zes levens. Zoveel kost het. Dat zijn zes mensen die vermoord worden…’

In het volgende fragment slaat Murphy de dealer voor z’n kop. Dat wil zeggen, tussen de pisbakken beukt hij de neus van de kleine cocaïnedealer bloedig aan gort.

De makers van Narcos lijken bij de aftrap van het tweede seizoen duidelijk te willen maken dat niet alleen de grote drugsbazen aan de top slechteriken zijn, maar dat ook de kleine dealer aan de onderkant van de ladder medeverantwoordelijk is voor het wereldwijde drama dat de cocaïne-industrie veroorzaakt.

Onderschepte cocaïne wordt door ons van de krant gewaardeerd in een straatwaarde. De in beslag genomen partij drugs, schrijven we dan, heeft een straatwaarde van een half miljoen euro. Een kilo cocaïne doet op straat 50.000 euro. Maar het aantal doden per kilo blijft onbenoemd. Het zijn er volgens Steve Murphy dus zes. In de echte wereld ligt dat aantal, als Urk en Mexico worden meegerekend, misschien nog hoger.

Ik moest aan Steve Murphy en de toiletscène denken toen ik woensdagochtend in zittingszaal 13 zat, met voor mij in de verdachtenbank Wouter Jan, 30 jaar, cokesnuiver en een kleine drugsdealer, werkzaam in de Groninger horeca. Wouter Jan houdt zich of van de domme of hij heeft geen benul. Cocaïne lijkt voor hem een poedertje waar je een verdienmodel aan kunt hangen. Zolang je niet wordt gepakt, is het goed.

Rechter: ‘Verdiende u daar nou veel mee?’
Wouter Jan: ‘Nee edelachtbare.’

Hij zegt: ‘Ik heb er iets beter van kunnen leven, maar ik ben er niet echt beter van geworden.’ En hij heeft er natuurlijk ook heel veel spijt van. De rechter (‘hou op met dat ge-edelachtbare’) snapt dat van de spijt heel goed. ‘Want u zit nu hier.’ Wouter Jan knikt, blij dat hij een rechter heeft getroffen die hem begrijpt. Hij zegt dat hij ook heel blij is dat hij is opgepakt. Dat had hij ook tegen de agenten gezegd. ‘Goed werk jongens.’

Het ging fout (dus goed) toen hij als automobilist staande werd gehouden bij een verkeerscontrole. De agenten roken de geur van hennep en stelden een nader onderzoek in. In de auto vonden de beambten hennep, cocaïne en wat xtc-pillen, met een straatwaarde van één dood mens.

Wouter Jan ontkende het allemaal niet. Sinds een paar maanden dealde hij, gaf hij toe. Eerst op feestjes van kennissen, later op straat. Zijn werk in de gerenommeerde horeca van Groningen kwam van pas.

Tegen de rechters: ‘Ik woonde nog niet zo lang op mezelf en probeerde heel veel dingen tegelijk te doen. Ik dacht, ik moet financieel wat sterker staan om de dingen te realiseren die ik wil realiseren. Maar ik heb nooit de ambitie gehad om in de wereld van de drugs terecht te komen. Ik schaam mij tegenover mijn ouders en mijn vrienden.’’

Het klonk niet eens ingestudeerd. Wouter Jan is ook geen doorgewinterde crimineel. Maar dan slaat hij een beetje door. Want ook van het feit dat hij onder invloed van cannabis achter het stuur zat, heeft hij donders veel spijt. Wouter Jan: ‘Normaal gesproken zou ik nooit onder invloed in de auto stappen, want als automobilist moet je kunnen anticiperen op onverwachte situaties. Ik wil daarom scherp en geconcentreerd achter het stuur zitten. Zou ik het gevoel hebben dat ik niet geconcentreerd meer ben, dan zou ik de auto aan de kant zetten en mijn rust pakken.’’

De rechter: ‘Maar u zat wel onder invloed achter het stuur.’
Wouter Jan: ‘Ja, dat wel.’
De rechter: ‘En het was al de tweede keer dat u werd gepakt.’
Klopt.

Wat kleine drugsdealers als verdachten in de rechtszaal vaak vertellen (alleen weten ze dat niet van elkaar) is dat ze er eigenlijk niets aan konden doen. Ze worden altijd door onbekende onder druk gezet. En bedreigd. Zo ook Wouter Jan.

Hij zegt: ‘Ik ben onder druk gezet en bedreigd. Als ik heel eerlijk ben, vreesde ik voor mijn leven. Ik ben bedreigd met geweld, het waren letterlijk doodsbedreigingen.’ Nee, geen namen. En nee, daar heeft hij geen aangifte van gedaan. ‘Veel te bang, edelachtbare.’

Wouter Jan heeft het over een andere boeg gegooid. Hij doet nu alleen nog positieve dingen, vaak tot ’s avonds laat in de horeca. Zegt: ’Dan moet het koppie erbij.’ Van negatieve mensen heeft hij afstand genomen. Hij kan nu leven van de horeca, maar hij heeft ook een uitgever gevonden die zijn eerste boek over sprookjes komend voorjaar in de winkel wil hebben liggen. Uiteindelijk wil hij een succesvol schrijver worden.

De rechter: ‘Dus dit was eens, maar nooit weer.’
Zo is het.
De officier van justitie: ‘Qua misdaad is een gevangenisstraf passend, qua persoon niet. Ik eis een werkstraf van 200 uur, vier maanden voorwaardelijke celstraf en een rijontzegging van zeven maanden.’
De rechter: ‘U heeft een ommezwaai gemaakt in het leven.’
De advocaat: ‘Hij was dus echt heel blij dat hij werd opgepakt, hè.’
Wouter Jan: ‘Ik ben meer dan ooit gelukkig in de liefde.’

De rechter: ‘Schuldig en strafbaar. Een werkstraf van 180 uur, twee maanden voorwaardelijke celstraf als waarschuwing en een rijontzegging van zes maanden.’ De 1100 euro die bij hem in beslag is genomen, is hij kwijt.

Als Wouter Jan de rechtszaal verlaat, komt het akelige nieuws binnen dat de man die in Amsterdam is doodgeschoten strafrechtadvocaat Derk Wiersum is. Vermoord door de cocaïnemaffia waarin ook Wouter Jan, hoe klein ook, zijn smerige aandeel had.

Wouter Jan, zoek die scène maar even op (vanaf minuut 43). Kijk dan in de spiegel en sla vervolgens – als ware je Steve Murphy – heel hard jezelf voor de kop.

Rob Zijlstra

 

Arme rechters

Een droge klik klinkt, waarna de houten deur openzwaait en Lies in de opening verschijnt. Het is de deur van de verdachten die, vanuit zittingszaal 14 gezien, toegang geeft tot het betonnen cellencomplex in de catacomben van het rechtbankgebouw. Lies staat er als bevroren, haar mond een beetje open. Een onzichtbare hand lijkt haar tegen haar zin de rechtszaal in te duwen.

Schichtig spiedt ze om zich heen, stapje voor stap – het lijkt wel slow motion – gaat het richting de stoel waarop ze moet gaan zitten, op de stoel voor verdachten. In een fractie vang ik haar blik, zelden zag ik twee zulke wanhopige en bange ogen.

Met beide handen houdt ze een pluizig knuffeltje vast, vastgeklemd in haar knuisten. Het is een klein bruin-wit hondje. Ze drukt het zachte beestje tegen haar mond, haar gezicht, tegen het voorhoofd.

Als ze op de stoel zit, zegt ze met neergeslagen ogen: ‘Hallo.’ Haar groet klinkt verrassend helder. Hallo ook, zeggen rechters terug, ze zeggen het vriendelijk. De rechters hebben in de dossiers al het een en ander over Lies gelezen.

Lies is een 26-jarige vrouw. Ze is een beetje anders, maar goed genoeg om een verdachte in ons strafrechtsysteem te mogen zijn. Lies leeft in een kliniek vanwege dwanggedachten. Die heeft ze al heel lang. Drie jaar geleden sneed ze haar pink af, vroeger probeerde ze vaak zichzelf te doden, vooral nadat haar moeder was overleden. ‘Maar ik wist nooit zo goed hoe ik het moest doen’, zegt ze zachtjes tegen de rechters. Het klinkt als een verontschuldiging.

Lies wordt verdacht van brandstichting. Dat malle hoofd van haar had haar naar het politiebureau in Stadskanaal doen lopen, naar het bureau waar ze al eens eerder een ruit had vernield door er een steen tegenaan te smijten. Dat moest. Ze hadden haar aangehouden en zij had zich verzet. Behalve aan vernieling had ze zich dus ook nog schuldig gemaakt aan wederspannigheid, een heel gedoe.

Nu – dat wil zeggen ruim een jaar geleden – was ze weer naar het bureau gegaan, ditmaal moest ze naar binnen. In de hal had ze met een aansteker de dorre blaadjes van een plant in een plantenbak in de fik gestoken. Een agent had kordaat opgetreden. Hij had de brandblusser gegrepen en zonder zich te bedenken had hij het vuur dat aan de knisperende blaadjes likte doen doven.

Dit ingrijpen heeft niet kunnen wegnemen dat agenten die op die dag, op dat moment, aanwezig waren op het politiebureau in levensgevaar zijn geweest. Dat was natuurlijk niet zo, maar het Openbaar Ministerie schrijft het gewoon op in de dagvaarding, zodat het nog erger is.

Lies weet het allemaal niet meer zo goed. Ze zegt dat het geen actie tegen de politie was of zo. Dat de rechters dus niet moeten denken dat ze een hekel heeft aan agenten. Ze zegt: ‘Ze helpen mij juist heel vaak en goed.’

Het waren de dwanggedachten. Ze zegt dat als het spook haar iets opdraagt, dat dat altijd op haar zelf is gericht. Ze zal nooit iemand met een mes verwonden. Alleen zichzelf. Over brand: ‘Dat lijkt mij heel erg.’ Ze zat 38 dagen in de gevangenis, daarna brachten ze haar terug naar de kliniek.

Arme Lies.

In de kliniek waar ze nu zit, is ze op haar plek. Ze vindt het daar fijn want de mensen helpen haar. Het gaat ook best wel goed. Rare, nare gedachten zijn er nog wel, maar ze kan nee zeggen als het spook begint te grommen. Tot nu toe.

Maar de werkelijkheid die er echt toedoet, is niet de hare. De werkelijkheid is dat deze vrouw iets heeft gedaan wat een ernstig misdrijf moet heten. Brandstichting. En dus moet er strafrechtelijk worden ingegrepen. De politie heeft namelijk aangifte gedaan en een schadeclaim ingediend. De vloerbedekking is ietwat beschadigd en de Nationale Politie wil nu dat Lies een nieuwe vloerbedekking betaalt voor in de hal van het politiebureau van Stadskanaal.

Niemand daar riep: ho nou even. Niemand op het bureau die zei, maar toe nou, wij kennen Lies met haar knuffeltjes toch? Neen. De molen ging draaien en de aangifte van de politie belandde na maanden op het bureau van de officier van justitie. Diens rol is om de samenleving – dat zijn wij – te beschermen tegen criminelen en tegen Lies.

Dus. De eis die op tafel is gelegd: tbs met voorwaarden. Een andere mogelijkheid ziet het Openbaar Ministerie niet.

Lies knuffelt haar hondje. Ze aait en liefkoost. Geeft kusjes. Als de rechters haar halverwege de zitting uitleggen wat er allemaal gebeurt en wordt gezegd en wat daar mee wordt bedoeld, draait ze zich om. Ze kijkt naar mij die achter haar zit en vraagt wat de man met die laptop daar zit te doen?

De rechters zeggen dat ik iemand van de krant ben en dit ik heus haar echte naam niet in de krant zal zetten. Als Lies niet direct overtuigd lijkt, zeggen de rechters: ‘Hij kijkt ook of wij ons werk wel goed doen.’

Die opmerking noteer ik. Hoe doen de rechters het eigenlijk in zittingszaal 14? Goeie vraag, ook al omdat rechters zelf vinden dat ze hun werk niet naar behoren doen. Want de werkdruk is te hoog, overwerk is structureel, aan het bijhouden van vereiste deskundigheid komen ze niet toe en over de salarissen bestaat al jaren onvrede. Dat vraagt om ongelukken.

Arme Lies.
Arme rechters.
Tot elkaar veroordeeld.

De rechters moeten met al hun kennis en kunde, met hun ambities en werkdruk oordelen over een heel kwetsbare vrouw die langer dan een jaar geleden dorre blaadjes in brand heeft gestoken in de plantenbak op het politiebureau van Stadskanaal.

De advocaat wil geen tbs met voorwaarden. Want wat als Lies met haar dwanggedachten één foutje maakt? Dan hangt ze. Dan gaat ze de echte tbs in. En dat verdient ze niet. Lies zegt tegen de rechters dat ze liever blijft zitten in de kliniek waar ze zit.

Dinsdag doen de rechters uitspraak in deze onverkwikkelijke kwestie. Misschien dat de rechters opstaan tegen de vervolgingsmachine van het Openbaar Ministerie, dat ze fier zeggen dat ze hier niet aan meewerken, dat het strafrecht niet is bedoeld voor een vrouw als Lies. Om des gewetens wille.

Ik zou dan opschrijven dat de rechters hun werk goed hebben gedaan.

Het zal wel niet gebeuren.

Rob Zijlstra

update – 17 september 2019
Liesje is veroordeeld tot 38 dagen celstraf, tbs met voorwaarden en het betalen van een schadevergoeding van ruim 1200 euro aan de nationale politie. Ik heb de rechtbank gevraagd het vonnis te publiceren op rechtspraak.nl – het publiceren van vonnissen is (heel raar) geen automatisme.

>> tbs met voorwaarden is het beste