De nederige man

Verdachten hebben in de rechtszaal wel rechten, maar niet zo veel keus. De verdachte die weet dat hij onschuldig is, heeft slechts één optie. De verdachte die dader is twee: bekennen of ontkennen. Er bestaan verdachten die denken dat daar nog iets tussenin zit. Dat loopt doorgaans slecht voor ze af.

Ja. Ik ben schuldig, op zich, maar… de vuurwapens en de harddrugs die in mijn woning zijn gevonden zijn niet van mij. Ik leen geld uit en mensen geven mij dan wapens en drugs als onderpand.
Ja. Ik heb wel geschoten, gestoken, geschopt, maar… niet met de bedoeling te raken. Ik wilde hem alleen maar bang maken.
Ja. Ik probeerde ’s nachts in het appartementencomplex een tijdschrift van vt wonen in brand te steken, zoals ook duidelijk op camera’s is te zien, maar… ik ben niet de man die daar vaker brand heeft gesticht. Ik wilde weten hoe het voelt om brand te stichten, ik wilde ervaren wat je dan doet, naar waar je vlucht.

Dit laatste vertelde Marcel S. deze week aan de rechters. S. is de 44-jarige man die wordt verdacht van een serie brandstichtingen in Hoogezand, in en rond een appartementencomplex waar hij zelf woonde. Die ene poging, ja, want hoe anders moet je de camerabeelden verklaren? Maar nee, de seriebrandstichter is hij niet.

Nu is het niet zo dat de achternaam van Marcel S. Schuldig luidt, maar het verzamelde bewijs is stevig, zijn ontkennende verklaringen pover en onlogisch. Het oordeel is aan de rechters.

Als iets zo is, zijn er altijd uitzonderingen. Istan is er zo eentje. Istan ontkent wat hij bekent om even later te bekennen wat hij ontkent. Hij husselt alles gewoon door elkaar. Hij wordt verdacht van afpersing, bedreiging en mishandeling. Er is één slachtoffer: zijn ex, de jonge moeder ook van zijn kind.

Tegen de rechters zegt hij: ‘Ik sta hier als een nederige man voor u.’
Hij geeft toe en spreekt tegen. Het dossier, zegt hij, bevat een kern van waarheid. ‘Waar ik spijt van heb is dat ik als 18-jarige jongen haar heb geslagen en aan haar haren heb getrokken. Dat is gebeurd in 2016, 2017. Daarna niet meer.’

Istan merkt op dat hij een jaartje ouder wordt. Daarmee wil hij zeggen dat ook bij hem wijsheid met de jaren komt. Vorige maand is hij al 21 jaar geworden.

De rechters willen weten of het waar is dat hij haar met de slang van de stofzuiger heeft geslagen. Met een taser heeft bewerkt toen ze zwanger was. Haar vaak heeft gebeten in haar bovenarmen, in het gezicht.

Zijn antwoord: ‘Ik dacht, ik ga naar deze zitting en dan ga ik diep door het stof en ik ga lichtelijk sociaal wenselijk doen. Maar meneer, ik heb erover nagedacht. Wat zij zegt, klopt niet, zo zit het niet precies.’

Istan: ‘Ik heb haar niet vaak geslagen. Ik heb haar wel gebeten, niet agressief of zo, maar op een leuke manier. En ja, ik heb haar ook een paar keer een klets gegeven, vlakke hand. U ziet, ik ben toegeeflijk. We zijn vervelend voor elkaar geweest, we hebben geworsteld, we hebben op elkaar geschreeuwd, maar dat zie ik als een relatieprobleem.’

Recent werd een 13-jarige jongen veroordeeld voor een overval op een tankstation in Groningen. Vrijdag stonden twee jongemannen terecht omdat ze als 17-jarigen een gewapende overval zouden hebben gepleegd op de supermarkt in Holwierde. Dan ben je er vroeg bij. Zo ook Istan. De stelselmatige mishandeling van zijn vriendinnetje zou zijn begonnen toen ook hij nog minderjarig was.

Ze waren 14, 15 jaar toen ze elkaar leerden kennen. Verkering. Tijdens de kalverliefde verbleef Istan veelal in jeugdgevangenissen. Ze belden elke dag wel een uur met elkaar. Toen hij vrijkwam ging hij bij haar wonen. Eerst was dat leuk, maar daarna werd ze bang. Tussendoor raakte ze zwanger. In januari 2018 werd hun dochter geboren en nu vreest ze het ergste.

Rechters: ‘U wilde haar pinpas. Toen u daarover ruzie kreeg, u noemde haar kankerhoer, zou u hebben gedreigd haar de keel door te snijden.’
Istan: ‘Ik kan niet alles grif toegeven, meneer. Wat er is gebeurd is heel naar en ik moet door het stof, want zij is de moeder van mijn kind.’

Rechters: ‘Bij de politie heeft u gedreigd wraak te nemen. Groningen zal schudden, heeft u gezegd. Klopt dat?’
Istan: ‘Ja, meneer. Als ik boos ben, ben ik aardig loslippig.’

Hij zit inmiddels vijf maanden vast en als het aan de officier van justitie ligt blijft hij nog zeker een jaar binnen. Eenmaal weer vrij, moet een contactverbod met de moeder van zijn kind in werking treden. Daarnaast is een behandeling meer dan gewenst. Er is sprake van een persoonlijkheidsstoornis, er zijn kenmerken van borderline, mogelijk een gebrekkige gewetensfunctie.

Istan werpt tegen dat hij bovengemiddeld intelligent is – hij had een hoge cito-score – dat je met hem ook kunt lachen en dat hij in staat is compromissen te sluiten.

Hij was vier jaar toen hij met zijn ouders Mazar-e Sharif ontvluchtte en in Nederland belandde. Ergens ging het fout. Istan: ’Ik heb een bewogen leven gehad, maar nu ben ik het zat. In de gevangenis ben ik 17 geworden en 18. En vorige maand 21. Ik heb alle jeugdgevangenissen van Nederland gezien. Ik ben dakloos geweest, ik heb in de crisisopvang gezeten, in instellingen. Maar is dat de reden dat ik hier zit? Nee. Ik ben gewoon een vervelende jongen, geen zielige jongen. Ik wil goed functioneren. Ik wil groot worden in het leven. Ik ben niet een slechte jongen, maar ik wil een betere jongen worden. Ik zie mijn detentie als een les, als een mooie handrem.’

Hij doet er nog een schepje bovenop: ‘Ik kijk tv op cel. Dan zie ik van die programma’s waarin vrouwen worden onderdrukt. Vreselijk. Daar word ik misselijk van, maar … nee, sorry, ik wil geen ‘maar’ zeggen.’

Als hij bijna klaar is met praten zegt hij nog dat hij de relatie met zijn moeder wil herstellen en dat hij hoopt dat iedereen – ‘ook mijn ex’ – gelukkig wordt. Net als ik denk, sociaal wenselijker kan een nederige man toch niet worden, dooft in zittingszaal 14 het licht en begint iemand traag op een cello te strijken, onderwijl ik Istan met het hoofd diep gebogen hoor zeggen: ‘Ik zou nu graag onder vier ogen heel hard willen huilen.’

Rob Zijlstra

update – 27 mei 2019
Marcel S. en de brandstichtingen: stevig bewijs, verklaringen onlogisch. Het zal, de rechters oordelen anders: grotendeels vrijspraak, want het bewijs is te summier. De motivering van deze uitspraak staat in het vonnis.

vonnis marcel s

 

De brief van Karel

Karel staat op een kruispunt en moet de juiste richting kiezen. Rechtsaf lonkt. Rechtsaf betekent wel dat hij een duistere weg vol kuilen, hobbels en smerige misdaad moet bewandelen. Rechtdoor kan ook, maar doorgaan op dezelfde weg is nou juist wat hij niet wil. De weg naar links is recht, de zon schijnt er en op straat dansen de mensen op vrolijke muziek.

De rechters vragen aan Karel of hij beseft dat hij een keuze moet maken.
Karel knikt. Zegt ja. Jawel.
Rechters: ‘Wat zijn je dromen? Wat wil je worden? Wat voor leven wil je leiden?’
Karel denkt even na en zegt dan: ‘Een huis en kinderen. Dat vind ik wel prima.’

Rechters horen het vaak van jonge mannen in de rechtszaal, dat ze als het even kan ‘huisje-boompje-beestje’ willen. Overdag op straat een beetje de crimineel uithangen is misschien best stoer, maar ’s avonds alleen in bed is daar geen ruk aan. De rechters zijn als ze het Karel horen zeggen niet direct onder de indruk. Ze vragen: ‘Kun je ons iets geven waardoor wij ervan overtuigd raken dat je op het goede spoor zit?’

Karel: ‘Ik ben gestopt met blowen. En ik ga elke ochtend naar mijn werk. En ik heb een brief geschreven aan het slachtoffer.’ De rechters knikken op hun beurt. Dat is niet slecht. Goed antwoord.

Karel is 18 jaar. Als de rechters over twee weken uitspraak doen in zijn zaak is hij net een dag 19. Er is een werkstraf van 150 uur tegen hem geëist. En dertien dagen jeugddetentie, dat zijn de dagen die hij heeft vastgezeten na zijn aanhouding.

Ik kijk naar Karel. Hij is vast een aardige 18-jarige jongen van wie er duizenden zijn. Het zou zomaar kunnen dat Karel goed is in wiskunde, dat hij goed kan voetballen of zo. Hij draagt een net jasje.

De reclassering heeft ook een tijdje naar Karel gekeken. Reclasseerders zeggen dat hij soms nog kinderlijk gedrag vertoont, recalcitrant en ongrijpbaar is en ook dat hij emotieloos overkomt. Dat hij moeite heeft met regels. Maar geen strafblad.

Er zijn tienduizenden ouders die een 18-jarige Karel hebben. Zij woelen allemaal weleens slapeloos door de nacht, bang dat hun kind iets stoms doet waardoor hij zich in de volwassen nesten werkt. Over de ouders van Karel wordt in de rechtszaal gezegd dat zij hun zoon veel ondersteuning bieden, maar dat het effect gering is. Karel wil niet horen.

En zo kon het gebeuren dat Karel een rotstreek uithaalde, eentje waar je zelfs op het slechte pad niet mee te koop loopt.

Karel heeft op straat een 83-jarige vrouw beroofd. Hij zag haar lopen, bij de supermarkt. Dacht: zij is mijn doel. Toen ze na een minuut of tien naar buiten liep, volgde hij haar om na tweehonderd meter ruw de portemonnee uit het mandje van haar rollator te graaien, zo ruw dat mevrouw op de grond viel wat hartstikke pijn deed. Met de capuchon van zijn zwarte hoodie over de kop zette hij het op een lopen, welgeteld 22 euro rijker.

Karel: ‘Dat ze viel, daar schrok ik van. Dat was niet de bedoeling.’

De rechters hebben het dossier gelezen: ‘Jij liegt veel.’
Karel kan dat niet ontkennen.
De rechters vragen waarom hij het heeft gedaan.
Karel zegt dat het een opwelling was, dat hij over straat liep en zich machteloos voelde omdat hij geen geld had. Toen had hij het zonder nadenken zomaar gedaan.

De officier van justitie: ‘Leugens. Want niks opwelling. Hij maakte een plan en hij voerde dat plan vervolgens uit. Hij handelde doelbewust.’

Rechters: ‘Je hebt er dus over nagedacht. Je pakte ook geen sportieve man van 25 jaar, maar bewust een weerloos iemand. Toch?’
Klopt, zegt Karel.

Aan de laffe straatroof – want zo mag je deze actie toch best noemen – gaat een merkwaardig verhaal vooraf. Karel was uit zichzelf naar het politiebureau gegaan waar hij vertelde een inbraak te hebben gepleegd. In Hoogezand. Met een vuurwapen en nog iemand anders. Hij biechtte dit op, zegt hij, om schoon schip te maken.

Rechters: ‘Maar het was niet waar.’
Karel: ‘Nee.’
Rechter: ‘Je meldde je bij het politiebureau met een verzonnen verhaal.’
‘Klopt.’
Rechters: ‘Want?’

Karel had vijftig euro uit de portemonnee van zijn vader gestolen. Met dat geld was hij naar het casino gegaan. Hij won. Hij bracht de nacht door in het Hampshire Hotel en ging de volgende ochtend naar het huis van zijn moeder.

Hoe is een raadsel, maar moeders weten dingen. Dus toen Karel even naar het toilet ging, snuffelde moeder in Karels jas. Ze vond bankbiljetten en telde 450 euro. En Karel maar vertellen dat hij geen geld had.

Om de aanwezigheid van het geld te kunnen verklaren vertelde Karel dat hij had ingebroken in Hoogezand, samen met het vuurwapen en iemand anders. Dat hij winst had geboekt in het casino met gestolen geld van vader verzweeg hij uit schaamte. Na een goed gesprek met vader werd besloten dat hij zich zou gaan melden op het politiebureau om de inbraak op te biechten.

Karel: ‘Ik dacht dat dit de enige uitweg was.’

De politie rechercheerde zich suf maar kon bij de bekentenis van Karel geen inbraak vinden. Drie verhoren lang volhardde hij in zijn leugen. Wat de politie vooral dwars zat was het vuurwapen. Met toestemming van vader werd daarom de kamer van Karel doorzocht. Het verzonnen wapen werd niet gevonden. Wel een portemonnee in een Nike-schoenendoos.

In de portemonnee zaten foto’s, van kleinkinderen zo te zien. Er zat ook een kaartje in met een adres. Agenten gingen er naar toe en belden aan. Een 83-jarige mevrouw deed de deur open. Ze vertelde dat een man met een zwarte capuchon over z’n kop de portemonnee uit het mandje van haar rollator had gestolen. Dat ze daarbij was gevallen. Ja, het was haar portemonnee, met de foto’s van haar kleinkinderen.

In het vierde verhoor, twee maanden na de misdaad, buigt Karel het hoofd en biecht hij de lelijke waarheid op.

Hij neigt linksaf te slaan. Niet meer blowen, iedere ochtend vroeg opstaan om naar het werk te gaan. Hij zou graag een gesprek met de mevrouw willen. Om haar te vertellen dat het ontzettend stom van hem is geweest.

Maar hij had haar toch al een brief geschreven?
Ja. Wel geschreven. Maar nooit verstuurd.

Rob Zijlstra

update – 20 mei 2019 – uitspraak
Karel is conform de eis van de officier van justitie veroordeeld: 100 dagen celstraf waarvan 87 dagen voorwaardelijk (jeugddetentie) en een taakstraf van 150 uur . Een van de voorwaarden: toezicht door de reclassering.

Dirk de V. – update

Overlijden Dirk de V.: het einde van een verrot leven

tekening: annet zuurveen

‘In de bajes heb je nog de illusie vrij te komen. Maar als je vrij bent, wat heb je dan?’

Deze woorden illustreren het leven, het verrotte leven, van Dirk de V.  Woensdag  stierf hij op 69-jarige leeftijd in gevangenschap, in een kliniek in Vught. Het waren zijn eigen woorden.

Zijn sterven maakte een einde aan een leven dat geen glans heeft gekend. In 2000 werd de levenslange gevangenisstraf tegen hem geëist. Zijn reactie op de strafeis: ,,Ik vind de doodstraf humaner.’’

Die krijgt hij niet en ook geen levenslang. De rechtbank legt 14 jaar en tbs met dwangverpleging op. De V. is 50 jaar en heeft dan al meer dan de helft van zijn leven in gevangenissen en klinieken doorgebracht. In 2007 krijgt hij als tbs’er de longstay-status. Hij belandt op een afdeling voor ‘zeer intensieve en specialistische zorg’ met een uitroepteken achter ‘extra vlucht- en beheersgevaarlijk’. Hij leefde 23 uur per dag in een isoleercel.

In oktober 1999 vermoordde De V. samen met Henk H. uit Assen Tjirk van Wijk in diens woning in Groningen. Tjirk van Wijk had de domme pech thuis te zijn toen De V. en Henk H. bij hem aanbelden. Willekeurig. Ze moesten even van straat omdat ze in Beijum rottigheid hadden uitgehaald en geen zin hadden in de politie. Tjirk werd zonder reden op gruwelijke wijze vermoord.

Een paar maanden voor de moord was Dirk de V. in vrijheid gesteld. Niet omdat hij zijn straf had uitgezeten, maar omdat justitie zich geen raad met hem wist. Als een wandelende tijdbom mocht hij de Extra Beveiligde Inrichting (EBI) in Vught verlaten, op voorwaarde dat hij bij zijn moeder in Assen ging wonen.

Justitie erkende jaren later tegenover de nabestaanden dat ‘het systeem’ had gefaald, maar dat daar niemand verantwoordelijk voor was.

De nabestaanden van Tjirk volgden De V. nauwlettend door consequent aanwezig te zijn bij de tweejaarlijkse tbs-verlengingszittingen. Ook omdat ze het systeem nog altijd wantrouwen. De laatste keer dat ze De V. zagen was in maart van dit jaar, in de rechtbank van Leeuwarden. Daar vertelde hij dat hij in zijn isoleercel een erbarmelijke leven leeft. En ook dat zijn vogeltje was overleden, een beestje waar hij zielsveel van hield, zei hij. De V., die al jaren kampte met een slechte gezondheid, maakte een warrige indruk.

Toen hij meer wilde vertellen, hij had iets opgeschreven, snoerde de rechter hem de mond. Boos riep hij: ‘Ik heb schijt aan dit leven, ik hoef niet zo nodig’. Daarop werd hij afgevoerd. De tbs-status werd begin april met twee jaar verlengd.

De nabestaanden zijn woensdagochtend geïnformeerd over het overlijden. Ze hebben opgelucht adem gehaald. Geen stress en spanning meer. Ze kunnen nu geen fouten meer maken.

rob zijlstra

Op 30 maart van dit jaar schreef ik het verhaal Roodgloeiend – een verslag van de tbs-verlengingszitting in de rechtbank van Leeuwarden (inclusief het vonnis)
Voor het (niet meer bestaande) true-crime magazine Koud Bloed schreef ik in 2010 een portret van het verrotte leven  van Dirk de V.  In dit verhaal beschrijf ik ook de bizarre omstandigheden en de fouten die ertoe leidden dat Dirk De V. zijn vrijheid terugkreeg.  > de lastigste gedetineerde van Nederland

 

Potverdorie

Er stonden afgelopen week drugsdealers terecht in zittingszaal 14. Nu is zoiets niet ongebruikelijk in een rechtszaal, maar dagelijkse kost is het niet. Er gaan weken voorbij zonder drugsdealers. Dat komt misschien omdat het strafrecht geen wezenlijke invloed heeft op de drugsmarkt.

De drugsdealers die terechtstonden waren weer eens geen grote jongens. Geen El Chapo’s. Waar El Chapo de aller, allergrootste is (was), staan de Groningse verdachten helemaal aan de andere kant, als de aller, allerkleinsten. Maar, sprak de officier van justitie tegen Tobias, zonder kleintjes als u kunnen de groten niet bestaan. ,,U zit samen in de keten.’’

Tobias, 20 jaar, had geknikt. Dat snapt hij. Nu wel. Een paar maanden geleden snapte hij dat nog niet. Hij voorzag vrienden van vrienden van vrienden van cocaïne in het uitgaanscircuit. Hij deed hele en halve grammen. Met wat hij verdiende, kon hij zijn eigen cokegebruik financieren. Hij dealde niet voor de blinkende Rolex en een te snelle auto.

Deed hij ook heroïne? Tobias, misschien net iets te: ,,Heroïne? Nee. Nee. Nee, dat zou hij nooit, echt nooit van zijn leven doen, echt nooit.’’ Wat hij wil zeggen: heroïne is voor sukkels, voor losers. Cocaïne daarentegen is hip. ,,Iedereen gebruikt cocaïne’’, zegt Tobias.

Behalve hij. Zijn arrestatie was een wake-up call. Hij heeft het zwaar onderschat. Met die rotzooi is hij gestopt en dat bevalt best. De rechters vragen wat het voor hem betekent als hij een gevangenisstraf krijgt? Tobias schuift wat ongemakkelijk heen en weer. Hij heeft een baan, mooi werk ook. Zijn werkgever weet van niets en dat wil hij zo houden. Zou de werkgever van dit alles weten, dan is hij zijn baan kwijt. Gevangenisstraf betekent sowieso ontslag.

Tobias mag van officier van justitie door het oog van de naald kruipen. ,,Ik zie ook wel dat u niet een Narco bent. Ik eis een werkstraf van 240 uur met een waarschuwing van zes maanden jeugddetentie erbij.’’

Willem is een ander verhaal. Willem heet geen Willem, het is zijn bijnaam. Van Willem Holleeder. Niet omdat hij ook een zware crimineel is uit de eredivisie, maar omdat hij net als De Neus lang uit handen wist te blijven van de politie.

Net als deze Willem plaats wil nemen in de verdachtenbank, het is even na negen uur in de ochtend, gebeurt er iets bijzonders. Het alarm gaat af. Door het gebouw galmt een luide stem. Iedereen moet het gerechtsgebouw onmiddellijk verlaten en niet met de lift. Vijf minuten later staan zo’n honderdvijftig rechtbankmedewerkers en rechters buiten op de Ossenmarkt.

Vast en zeker een oefening, zeggen ze op het plein tegen elkaar. Ik bedenk iets anders. In mijn gedachten zie ik Femke Halsema een klein podium betreden en hoor ik haar zeggen:

uit het voorwoord

‘Dames en heren van de rechtbank in Groningen, het is niet wat jullie denken, dit is menens. Dit is een echt alarm, want het is vijf voor twaalf. Jullie werken keihard, maar het is niet goed genoeg. Door jullie falende digitalisering duren rechtszaken onnodig lang en daar heeft de burger veel last van. De kwaliteit van de rechtspraak staat onder druk, jullie houding, gedrag en vaardigheden zijn niet meer van deze tijd. Als jullie zo doorgaan zal het ambt van rechter aan gezag inboeten. Dat raakt niet alleen de rechter, maar dat raakt de samenleving, de democratie.’

De meute op de Ossenmarkt wordt wat onrustig, maar Femke Halsema gaat onverstoord verder. ‘Jullie moet willen meeveranderen met de veranderende samenleving. Die samenleving bestaat uit mondige en kritische burgers met hoge verwachtingen van de rechtspraak.’

‘Jullie en jullie managers denken in termen van producten, klanten en efficiency. Van bedrijfsmatigheid. Maar hallo, jullie werken niet in een koekjesfabriek, jullie hebben rechtstatelijke taken te doen, jullie vormen potverdorie de derde staatsmacht. Probleem is helaas dat jullie met z’n allen een naar binnen gerichte organisatie zijn en dat jullie niet in staat zijn kritisch naar jezelf te kijken. En nu, hup naar binnen, want er is werk aan de winkel.’

Femke Halsema stond daar natuurlijk niet echt. Maar wat ze in mijn gedachten zei, is wel waar. Het staat woord voor woord in het rapport Visitatie Gerechten 2018. Alleen ‘potverdorie’ heb ik verzonnen. Het is een alarmerend rapport over de huidige stand van zaken van de rechtspraak. Halsema was voorzitter van de commissie die de rechterlijke organisatie tegen het licht hield.

Een half uur later dan gepland kan de strafzaak tegen Willem – hij mocht als enige niet naar buiten – beginnen.

Er waren anonieme meldingen over hem binnengekomen. Dat hij zou handelen in harddrugs, in speed, xtc, cocaïne. In de politiesystemen is hij onder zijn echte naam geen onbekende. Hij was in 2015 al eens bedreigd door een groep mannen in verband met een drugs. In 2017 was in zijn woning bijna een vrouw doodgegaan wat ook met drugs te maken had. Eind vorig jaar werden drugs en geld uit zijn woning gestolen en stapte hij naar de politie. Er is een vermoeden dat Willem bang is en onder druk wordt gezet.

De officier van justitie noemt het bijzonder dat een drugsdealer als Willem zo lang onder de rader heeft kunnen werken. Zo lang achtereen dealen, dat lukt bijna niemand. Toch is ook Willem geen echte Narco. Eerder is hij, zo wordt in de rechtszaal geschetst, een wat kwetsbare jongeman die geen aansluiting weet te krijgen bij de samenleving.

Als ik dat hoor moet ik aan mijn woorden van Femke Halsema denken. Willem is een beetje als de rechtspraak zelf. Niet in staat mee te komen in de samenleving, in zichzelf gekeerd, geen zelfinzicht en gelijk de rechtspraak niet in staat goed te communiceren. Willem zeult een bak ellende met zich mee, maar weigert hulp. Ja, af een toe een kopje koffie met iemand drinken, maar verder…?

Anders dan met Tobias kent de officier van justitie voor Willem geen genade. Hij zegt: ‘U bent een grote egoïst. Met de ene hand vangt u een uitkering, krijgt u gratis geld van de Staat en met de andere hand dealt u en verwoest u met drugsverkoop levens.’

Willem hoort achttien maanden gevangenisstraf tegen zich eisen.

Het moet voor rechters een crime zijn: te moeten oordelen over mensen die niet functioneren en in de fout gaan, wetende dat je als rechter onderdeel bent van een organisatie die ook niet functioneert.

Rob Zijlstra

update – uitspraak – 14 mei 2019
Willem is veroordeeld: zestien maanden celstraf waarvan de helft voorwaardelijk. De rechtbank acht de periode waarin hij dealde minder lang  dan het OM wilde doen geloven.  Vandaar een lagere straf dan de geëiste achttien maanden waarvan zes voorwaardelijk.

Het rapport van de visitatiecommissie

Gewoon een aanslag

Waarom plegen mannen misdrijven? Volgens mij is dat een goede vraag. Ik kom tot drie redenen: geld, gekte en gewoon.

Geld ligt voor de hand. Je hebt honger en geen geld. In zo’n geval ga je iets stelen, de buit verkopen en van de opbrengst koop je vervolgens eten en – voilà – de honger gestild. Je zou ook direct een brood kunnen stelen, maar met een brood kun je geen drugs kopen en ook geen duur horloge. Dat is dus niet handig. Wie steelt, wil geld.

Deze week werden in zittingszaal 14 vier mannen en een vrouw veroordeeld tot forse gevangenisstraffen. De mannen waren – nu niet meer – lid van motorclub No Surrender evenals hun slachtoffers. Twee afvallige leden kregen een bad standing (een soort ontslag zonder eer) en moesten betalen. Dat moeten ging met hulp van de vrouw gepaard met bedreigingen en geweld waardoor het afpersing ging heten. Dat is ook stelen.

In de ogen van het Openbaar Ministerie is de bad standing een verdienmodel. De hele actie leverde in eerste instantie zo’n vierduizend euro op en een zak vol wiet. Dat is niet zoveel als je bedenkt dat de vier mannen en de vrouw er opgeteld bijna 23 jaar voor in de gevangenis moeten zitten. En ze moeten samen ook nog eens 10.000 euro aan een van de slachtoffers betalen. Het verdienmodel is zo verworden tot een betaalmodel en dat kan nooit de bedoeling wezen van een misdrijf. De veroordeelde verdachten gaan dan ook in hoger beroep.

Gekte is ander veelvoorkomend motief. Dit vraagt om een nuance. Flink wat misdrijven worden gepleegd door verwarde mensen. Verwarde mensen zijn niet per definitie gek. Zij zijn tijdelijk in de war en doen dan even gekke dingen.

Met die nuancering breng ik Derk in herinnering, ik schreef twee weken geleden over hem op deze plek. Derk was tijdelijk in de bonen waardoor de dagelijkse sleur hem door de vingers glipte. Ten einde raad stak hij zijn woning in brand. Toen hij bij zinnen kwam, vertelde hij dat hij was overvallen door drie mannen met bivakmutsen. Die mannen hadden de brand gesticht. Niet hij.

De rechters geloofden er niks van en veroordeelden Derk tot een gevangenisstraf van 365 dagen waarvan 209 dagen voorwaardelijk. Dat is geen straf die hem zal leren, het is een straf die hulpverlening mogelijk maakt opdat het op een dag weer goed komt met Derk. Voor iedereen beter.

Gekte speelde ook een voorname rol in de zaak van de verwarde Mo die priester wilde worden in India. Mo had zijn moeder mishandeld en vader had daarvan aangifte gedaan. Drama compleet, zou je denken, maar Mo deed er nog een schepje bovenop: het dreigde met een aanslag. Aan agenten liet hij weten dat hij met een AK47 op een zwarte dag in de Herestraat in Groningen willekeurige mensen zou doodschieten. Tot slot zichzelf.

Hij dreigde: ‘Ik ga net zulke dingen doen als Tristan deed, ik zal sterven als terrorist…’ Een arrestatieteam haalde hem uit de ouderlijke woning.

In zittingszaal 14 eiste de officier van justitie een jaar celstraf. Advocaat Theo Hiddema (die ja) vond de strafeis veel te hoog en verzocht de rechtbank om minder. Dat gebeurde. De rechters zagen er geen dreigende terroristische aanslag in. Mo kreeg 176 dagen celstraf (maand voorwaardelijk) omdat hij zijn moeder met een mes in haar been had gestoken.

Dreigen met aanslagen komt in het noordelijke misdaadgenre sowieso niet vaak voor. ’t Is hier geen Amsterdam of Zaandijk. Alertheid is wel geboden. Jaren en jaren geleden werd de wereld verblijd met nieuw technisch vernuft: de fax. Op een nacht kwam via dit apparaat een mededeling bij de krant binnen: er zouden de komende dag – een zaterdag – bommen ontploffen op het Gedempte Zuiderdiep.

Op deuren op de redactie waren briefjes geplakt: dat de dienstdoende weekendredacteur niet moest vergeten in het bakje bij de fax te kijken. Op vrijdagavond deed ik het, ik vergat het op zaterdagochtend waardoor ik pas op zondagmiddag lucht kreeg van de bommelding, ruim 24 uur te laat. De technische recherche nam de fax in beslag voor nader onderzoek. Voor de goede orde: er was die zaterdag niets ontploft.

Bij de Nederlandse Spoorwegen waren ze recent alerter dan destijds bij de krant. Bij de klantenservice, in Groningen, kwam om 16.45 uur een telefoontje binnen. Een man zei dat hij 123 bitcoins wilde hebben. Kreeg hij die niet, dan zou er binnen 48 uur een terroristische aanslag worden gepleegd op het spoor.

Klantenservice belde de politie. De politie trok het telefoontje na, plaatste een spoedtap, knoopte wat gegevens aan elkaar en belde aan bij een woning nabij Utrecht, de woning waar Willem samen met zijn moeder woont. Willem, 22 jaar, werd gearresteerd.

Hij bekende dat hij de jongeman was van het telefoontje. Nee, een bommenmaker was hij niet en het was ook niet echt de bedoeling geweest een aanslag te plegen.

De rechters willen weten wat dan wel de bedoeling was.
Willem: ‘Gewoon.’
Rechters: ‘Gewoon?’
Willem: ‘Ja.’
Rechters: ‘Was het idee niet dat de spoorwegen aan u 123 bitcoins zou betalen?’
Willem: ‘Dat was wel het idee ja.’
Rechters: ‘Een bijzondere manier om geld te verdienen.’

Willem legt uit dat hij het even financieel niet zo breed had. Er was een studieschuld. Zegt: ‘En ik wilde gewoon wat luxe spullen kopen en af en toe een keertje uitgaan.’ Nadat hij had gebeld was hij gaan nadenken en bedacht toen dat het gewoon beter zou zijn het er maar bij te laten zitten.

De rechters: ‘Weet u wel dat het tegenwoordig heel gevoelig ligt, dreigen met een aanslag? Zo onschuldig is dat niet. Ze hadden het spoor plat kunnen leggen. Met dit soort acties jaagt u mensen de stuipen op het lijf.’
Willem knikt. Over de gevolgen had hij niet goed nagedacht. Zijn moeder vond het ook niet goed bij hem passen. Maar ja, nadat hij zijn ict-opleiding had afgerond, verveelde hij zich gewoon.

De officier van justitie zegt dat er van een reële dreiging op het spoor geen sprake is geweest, maar dat zo’n bedreiging in deze tijd wel een ernstig strafbaar feit is. Toch mag Willem wegkomen met een waarschuwing in de vorm van drie maanden voorwaardelijke celstraf. Dat is de eis. De rechters denken er nu over na.

Geld, gekte en gewoon. Combinaties zijn ook mogelijk.

Rob Zijlstra

update – 6 mei 2019 – uitspraak

Wat een dag

Een dag in de rechtszaal is voor sommige mensen een gewone werkdag en soms ook eentje van negen tot vijf. Dat klinkt alledaagser dan het is.

Het is 09.05 uur, zittingszaal 14. De officier van justitie vraagt zich af waar Kaap Hoorn ligt. Gemeente Haren? Of nog net in de gemeente Groningen? Of is Groningen inmiddels Haren. Is het net andersom? Vorige week dacht deze officier van justitie (‘ik ben een tijdje weggeweest’) dat Beerta in de gemeente Groningen lag en toen ging het hartstikke fout in die zin dat de verdachte moest worden vrijgesproken van een poging tot doodslag vanwege deze juridische dwaling.

De verdachte van nu, een ondernemer, kwam zijn ex tegen bij restaurant Kaap Hoorn. De ex verkeerde in het gezelschap van haar vriend. ‘Een gevaarlijke gek’, zegt de verdachte. De ontmoeting verliep eerst aller onaardigst en liep daarna uit de hand.

Hij zou ook zijn minnares, de achterbuurvrouw, hebben geslagen. Verdachte: ,,Maar die is ook gek. Ze gaf tienduizenden euro’s uit aan paragnosten. Ze heeft een paragnostenverslaving. Echt, dat bestaat. En ik heb haar niet geslagen.’

Het wordt 09.50 uur. De strafzaak kabbelt voort. Veel gedoe. In de gangen van het rechtbankgebouw zitten welgeteld 27 mannen en vrouwen en twee kinderen. Iedereen wacht. Sommigen bladeren in tijdschriften, anderen kletsen met advocaten. Voor Kamer 7 is een man in tranen, iets verderop loopt een rechtbankmedewerker met een schroefboormachine door de hal. De politierechter praat in zaal 13 met een man uit Delfzijl die een jaar geleden bij de Jumbo kipfilet heeft gestolen.

Terug in 14. De officier van justitie zegt (10.20 uur) tegen de verdachte: ‘Alles wat op uw strafblad staat is boosheid-gerelateerd.’ Hij eist een taakstraf van 240 uur en zes maanden voorwaardelijke celstraf. Advocaat Cees Eenhoorn, nestor van de Groningse advocatuur, pleit (11.05 uur) voor een onsje minder. ,,Het gaat hier om oude feiten zeg, kom op.’’

Om 11.30 uur begint de tweede zaak van de dag. Man uit Sneek heeft een moord gepleegd in Macedonië en moest boeten met vijftien jaar cel. Hij zou vrijkomen, maar nu gaat het niet goed met hem, niet goed genoeg voor de vrijheid. De rechters moeten hier iets van vinden.

Dat moeten ze ook van Ricardo die vorige week vader is geworden. Moeder en baby zijn meegekomen. Ricardo, hij zit in het grondverzet, pleegde een woningoverval, heeft tweederde deel van de straf uitgezeten, maar komt nu de afspraken niet na. Ook zou hij zijn plasje bij de verplichte urinecontrole met water hebben aangelengd. Hij heeft nog 689 dagen als stok achter de deur op de lat staan.

Ricardo krijgt (12.05 uur) een allerlaatste kans. Een van de rechters, bozig: ‘U kruipt hier door het allerkleinste muizengaatje.’ Of hij dat goed heeft begrepen? Heeft hij.

Om 12.15 uur zou Henk S. (48) in zittingszaal 14 moeten zitten. S. heeft twee vrouwen vermoord onder wie de Groningse studente Anne de Ruijter de Wildt, op 30 april 1997. De officier van justitie wil zijn tbs met twee jaren verlengen. S. is er niet, hij heeft geen zin in schijnvertoningen, heeft hij laten weten.

Achttien jaar geleden zat S. met zijn advocaat van toen, Cees Eenhoorn, wel in zaal 14. Met toestemming van de rechter mocht hij de capuchon ver over zijn hoofd trekken, zodat niemand hem kon zien. Henk S. komt nooit meer vrij. Zijn advocaat van nu probeert nog wel wat (12.35 uur): ‘Laten we de sleutel niet weggooien. Laten we proberen perpectief te bieden.’ De rechters: ‘Over twee weken uitspraak.’

Over uitspraken gesproken: die zijn in de Groningse rechtbank altijd om 13.00 uur. Verdachten zijn er niet. Ze horen het wel in de gevangenis. Woninginbreker Marco uit Groningen moet vijf jaar, Manfred de drugsdealer uit Sappemeer krijgt negen maanden.

Dan is het wachten (13.15 uur). Er is onduidelijkheid over de geplande zaak van 14.15 uur, of die wel doorgaat. Om 14.05 uur: zaak gaat door, verdachte komt niet. Hij blijft liever in de gevangenis in Leeuwarden, toch al zijn tweede huis. De advocaat is er wel. Cees Eenhoorn.

De verdachte die er niet is heet Alex. Hij doet al vijftien jaar wat niet mag. Hij steelt niet, hij leent geld van mensen. Maar omdat hij vooraf de intentie heeft niets terug te betalen is er sprake van valse voorwendselen en mag het oplichting heten. Alex belt simpelweg bij mensen aan, babbelt dat hij een nieuwe buurman is en dat hij pech heeft met de auto. Accu stuk. Een klein beetje geld zou hem al veel helpen.

Een echtpaar uit Emmen leende Alex uit goedheid honderd euro. Nu zijn ze een van de vele slachtoffers. De officier van justitie eist (14.45 uur) de veelplegersmaatregel ISD. Dat is twee jaar zitten. Advocaat Eenhoorn: ‘Het is onbegrijpelijk dat mensen hem maar geld blijven geven. Al jaren. Kennelijk raakt hij met zijn praatjes een gevoelige snaar.’

Of het Emmense echtpaar, vragen de rechters om 15.03 uur, nog iets wil zeggen? De man van het paar, vriendelijk: ‘Nee, hij heeft al problemen genoeg.’

Rest op deze dag Bart.

Bart heeft in 1996 in Drachten een meisje van 10 jaar ontvoerd. Hij kreeg niet een heel lange celstraf, maar wel tbs. Nu, 23 jaar later, is hij nog steeds tbs’er en de vooruitzichten zijn voor hem belabberd.

De tbs-deskundige zegt (16.01 uur) dat de longstay lonkt, levenslang dus, hoewel dat niet zo mag heten. Bart zelf ziet meer heil in het tegenovergestelde, in een beëindiging van de tbs.
Het is het verschil tussen leven en bijna dood.

Bart vindt dat de deskundige vals over hem praat, dat ze liegt, met leugens onder ede. Hij eist daarom andere deskundigen. De rechters vinden dat niet nodig. Bart vol ongeduld (16.25 uur): ‘Ik zit hier in een gecreëerde impasse, zoveel onwaarheden, dit kan ik niet accepteren.’

De advocaat fluistert in zijn oor dat het niet verstandig is wat hij wil doen, maar Bart is radeloos. Roept: ‘Ik krijg geen eerlijk proces, ik wraak de rechtbank.’
De rechters, diepe zucht: ‘Okay, dan is het hiermee voor vandaag afgelopen.’

Een man en vrouw op de tribune verlaten de rechtszaal. Het is 17.08 uur. Zij volgen Bart en dat doen ze al 23 jaar. ‘We zien hem langzaam grijs worden.’ Nee, ze kennen hem niet, niet echt. Hij weet niet wie zij zijn, hij weet niet dat zij de ouders zijn van het meisje van destijds 10.

Rob Zijlstra

→ in de zaak van Bart komt (naar ik verwacht) komende week een wrakingskamer bijeen. Ik weet niet hoe laat

In de bonen

De rechtbankweek is nog maar net begonnen en het is al tranen met tuiten. De verdachte is een 53-jarige man die onbedaarlijk moet huilen. Hij heet Derk. Voormalig middenstander. Met dichtgeknepen keel snikt hij tegen de rechters: ‘Waarom geloven jullie mij dan niet?’

Derk is een ongelukkige man. Dat zie je ook. Zijn gezicht is een chaos, zijn ogen lijken als zwarte gaten alle wanhoop van de wereld te hebben opgezogen. Met de handen tegen de wangen probeert hij met gebogen hoofd zich twee uur lang door het strafproces heen te worstelen.

Waarom geloven jullie mij dan niet?

Op het hoofdbureau van politie aan de Rademarkt in Groningen schijnen – heb ik gehoord – in de nacht weleens mannen te komen die vertellen dat ze zijn beroofd. Dat er vanuit het niets rovers opdoken die de portemonnee wilden hebben.

Achter de balie op de Rademarkt geloven ze deze verhalen niet zonder meer. Omdat ze daar weten dat er ook mannen zijn die onbedoeld veel te veel geld zijn kwijtgeraakt in een casino. Of, nog lastiger om thuis te verkopen, aan de lustige diensten van Wilde Wilma in de rosse buurt van de stad. Thuis kun je dan maar beter slachtoffer zijn.

Terug naar de wenende Derk.

Bij de meldkamer van de hulpverleningsdiensten komt om negen uur in de avond een melding binnen. Brand in een woning. De brandweer blust het vuur, maar kan niet voorkomen dat de schade aanzienlijk is.
Zo’n 80.000 euro zou later blijken.

In de tuin achter de woning treffen de vrijwillige brandweerlieden een man aan met een hond. Het is Derk. Hij zegt dat hij knock-out is geslagen door drie mannen met bivakmutsen. Een van de vrijwillige brandweermannen die ook bijzonder opsporingsambtenaar is noteert: ‘Ik zag geen zwellingen, ik rook wel een dranklucht.’

Derk moet mee naar het politiebureau waar hij een verklaring aflegt. Hij vertelt dat hij vanaf een uur of vier die middag bier had gedronken. Halve liters. Daar was hij van in de war geraakt. Heeft hij de brand gesticht? Derk denkt van wel, maar hoe precies dat weet hij niet meer. Waarom? Hij vertelt dat hij er een einde aan wilde maken. Daar liep hij dagen mee rond. Daarom.

Als de agenten op het politiebureau vragen hoe het zit met die drie mannen met bivakmutsen, de mannen die hem knock-out zouden hebben geslagen, maakt Derk met zijn hand een wegwerpgebaar. Zegt: ’Ik was een beetje in de bonen.’

Twee dagen na de brand mag Derk het politiebureau verlaten. Naar huis kan niet. Hij zwerft door de velden, klopt aan bij het Leger des Heils, maar een slaapplek op een stapelbed wil hij niet, hij struint zonder eten door het bos waar hij de nachten doorbrengt en waar het koud is.

Dan ziet hij een politieauto rijden. Hij trekt de aandacht. In de auto vertelt hij geëmotioneerd wat er is gebeurd. Zegt dat hij nu eerlijk wil zijn. Dat hij op de bank had gezeten, dat hij wit spul uit de kussens had getrokken en dat hij dat spul met een aansteker had aangestoken. Dat hij zijn dochter had gebeld aan wie hij vertelde dat hij het huis in brand had gestoken, dat hij er een einde aan ging maken.

Hij zou de hond ook meenemen in zijn einde, maar het dier was vreselijk bang geworden voor het vuur. Zo bang dat Derk met de hond naar buiten ging, naar de tuin. Daar trof hij de brandweerman. Zo is het, zegt hij in de politieauto, gegaan. De agenten houden Derk aan en nemen hem mee.

Een wanhoopsdaad.

Rechters: ‘Toch?’
Derk schudt het hoofd. Snottert: ‘Als je de kluts kwijt bent, dan zeg je dingen die helemaal niet waar zijn… Misschien heb ik weleens gezegd dat ik er een einde aan wilde maken, maar zo ben ik helemaal niet. Denken jullie nou echt dat ik mijn eigen huis in brand zou steken? Ik heb dat niet gedaan. Waarom geloven jullie mij dan niet?’

Er volgt een nieuwe emotionele uitbarsting, over de scheiding na 31 jaar, dat hij nog steeds van haar houdt, dat hij net als Gerd Müller in de goot belandde, dat hij in een rouwproces zit. Dat hij gewoon weer een beetje gelukkig wil zijn, dat hij de drank zal laten staan, dat hij een oud bootje wil kopen om dat op te knappen.

De rechters: ‘Het was dus geen wanhoopsdaad?’

Derk: ‘Nee. Ik ben overvallen, door drie mannen met bivakmutsen op. Ze kwamen via de achterdeur binnen, ze wilden geld, ze bedreigden me met een vuurwapen. Ik moest mee naar buiten. In de tuin sloegen ze me knock-out. Daarna hebben ze het huis in brand gestoken.’

Waarom zouden drie mannen hem overvallen? Derk vertelt over een escortdame. En over haar vriend. Die wilde geld. En daarna nog meer en nog meer. Die dame had hem gebeld, dat hij weg moest gaan, omdat haar vriendje naar hem onderweg was. Zegt: ‘Ik was zo ontzettend bang.’

Derks advocaat heeft nog een andere optie in de aanbieding. Het is waar, zegt de advocaat, dat Derk door zijn drankgebruik weleens voor wat overlast zorgde in de buurt. ‘Misschien waren het wel de buren met bivakmutsen op die hem een lesje wilden leren.’

Derk zit inmiddels ruim 150 dagen vast, grotendeels in een kliniek waar ze proberen de alcohol de baas te worden. Derk vindt dat op zich wel best, maar hij wil liever naar huis, in zijn geval naar het huis van zijn laatste baas bij wie hij kan wonen en voor wie hij ook weer kan werken. Als dat zou kunnen, zegt Derk, dan heeft hij eigenlijk geen problemen meer.

De officier van justitie wil dat Derk in de kliniek blijft om de behandeling af te maken, daarna moet hij zich laten begeleiden. Vertikt hij dat, dan wacht hem nog zeven maanden gevangenisstraf. De officier van justitie zegt dat een paar jaar gevangenisstraf als eis ook had gekund want brandstichting is een zeer ernstig misdrijf.

Met de laatste tranen perst Derk zijn laatste woorden eruit. ‘Ik ben al genoeg kwijt, ik heb het niet gedaan… waarom geloven jullie mij dan niet?’

De drie rechters kijken hem na als hij de rechtszaal wordt uitgevoerd.
Waarom geloven ze Derk niet?
Dat is de vraag die zij nu moeten beantwoorden.

Rob Zijlstra

update 19 april 2019 – uitspraak

Derk is veroordeeld: 365 dagen waarvan 209 voorwaardelijk

Rechtbankverslaggever op het matje

update: rectificatie na uitspraak Raad voor de Journalistiek  > zie herengevecht

update

Ik  moet moest mij vrijdagmiddag (5 april) in Amsterdam verantwoorden voor de Raad voor de Journalistiek. Een rechter over wie ik in juli 2018 een artikel schreef, heeft een klacht tegen mij ingediend. Ik zou ‘onjuist, onvolledige en tendentieus’ over hem hebben bericht.

De klacht richt zich ook tegen de hoofdredacteur van Dagblad van het Noorden, Erik Wijnholds.

Het is goed dat journalisten ter verantwoording kunnen worden geroepen. Want soms maken wij er  een potje van.  Misschien is het waar en heeft deze  rechter gelijk. Rechters hebben in hun oordelen bijna (bijna) altijd gelijk. Maar in dit  geval is het volgens mij anders.  Ik heb wel een lelijk verhaal geschreven over deze rechter, maar niet ‘onjuist, onvolledige en tendentieus’.

De nuance in het gewraakte verhaal spat er vanaf. Dat vind ik.

Mocht de rechter in het gelijk worden gesteld, dan zal ik daar op deze plek ‘juist, volledig en niet tendentieus’ over berichten. Ik ga nu bewust niet in op het geschil. Dat zou  geen recht doen aan mijn tegenpartij die hier – op dit blog – immers niets te zeggen heeft.

      • De  zitting is geweest, beide partijen zijn aan de tand gevoeld en hebben hun standpunten nogmaals uiteen kunnen zetten.  Het  aanbod van rechter Joep de Locht – gedaan tijdens de zitting –  de kwestie ‘te schikken’ middels een rectificerende tekst  heb ik afgewezen. Ik hecht aan het oordeel van de Raad voor de Journalistiek.
      • Overigens, dacht  ik dat de reguliere rechtspraak traag was, de Raad voor de Journalistiek weet ook van wanten: uitspraak over twaalf weken.

    r.z.

  • raad voor de journalistiek

    klik voor volledig artikel

     

     

 

 

 

 

update – 6 april 2019

in balans

Als een zaak ‘onder de rechter’ is, is het beter om  te zwijgen en het oordeel af te wachten, in dit geval het oordeel van de Raad voor de Journalistiek.  Om die reden vind ik het  niet gepast in te gaan op het geschil dat ik heb met rechter De Locht. Ook omdat ik mij realiseer  dat het voor rechters lastig is publiekelijk te reageren.

Maar nu reageert een collega-rechter van De Locht. Ik plaats (met zijn instemming) zijn reactie hier. Omdat een verhaal altijd (vaak) twee kanten heeft. Voor de balans.

 

Het is niet echt fair om op je eigen podium te zeggen dat je niet op de zaak in gaat. Je doet het natuurlijk door er een artikel aan te wijden, het gewraakte artikel erbij te zetten en te stellen dat je vindt dat de nuance eraf spat.

Een rechter kan moeilijk publiek reageren, zeker als het over hemzelf gaat; hij is een sitting duck. Als directe collega van mr. De Locht ken ik de zaak wel een beetje. Om de kwestie wat in balans te brengen, reageer ik toch maar.

Volgens de Leidraad van de Raad voor de Journalistiek geldt als uitgangspunt dat journalisten waarheidsgetrouw, controleerbaar en zo volledig mogelijk berichten en dat ze eenzijdige en tendentieuze berichtgeving vermijden. De oudere Code voor de Journalistiek verwoordt het wat scherper: “De journalist brengt in de berichtgeving een duidelijk onderscheid aan tussen feiten, beweringen en meningen.”

Al in juli 2018 stuurde de president van de rechtbank een “Ingezonden stuk brief/commentaar/mening Dagblad van het Noorden” aan de krant. Misschien heb ik het over het hoofd gezien, maar bij mijn weten is deze reactie nooit met het publiek gedeeld. Waarom eigenlijk niet?

De president schrijft: “Terug naar het artikel. In het artikel staat over het incident op 8 mei 2016 in de derde alinea het volgende: “Op het volle terras krijgt Nico Salas te horen dat hij een ‘asociale buitenlander’ is die ‘niet eens fatsoenlijk Nederlands kan praten’ en bovendien ‘een hufter die vrouwen lastigvalt’. De Locht bijt zijn clubgenoot toe: ‘Jij hoort hier niet thuis’.”

Het eerste citaat is tevens de kop van de alinea, het laatste citaat is extra uitgelicht. De journalist geeft in zijn verantwoording onder het artikel aan uit welke stukken de citaten afkomstig zijn.
Uit deze stukken blijkt echter niet dat betreffende uitspraken door de rechter zijn gedaan. Wel zijn deze terug te lezen in de aangifte die Salas deed tegen de rechter naar aanleiding van het incident.
 Ik constateer dan ook dat het artikel niet klopt en suggestief is.”

De president vroeg zich vervolgens af of het ernstig dat het artikel slordig met de feiten omgaat. Ze antwoordde: “Ik vind van wel. In de rechtspraak baseren we ons op de feiten. Daar is in dit geval geen sprake van. Dit is onnodig beschadigend.”

De Leidraad voor de Journalistiek zegt letterlijk dat beschuldigingen alleen worden gepubliceerd wanneer onderzocht is of hiervoor een deugdelijke grondslag bestaat, zeker wanneer die beschuldigingen werden geuit door personen die in conflict verkeren met de beschuldigde.
Ik heb begrepen dat wel wordt toegegeven dat de bron alleen de heer Salas is. Als dat waar is, heeft de krant over mr. De Locht kwalijke feiten gepubliceerd, terwijl het in werkelijkheid alleen maar gaat om de mening van iemand over mr. De Locht. In dat geval is een rectificatie op haar plaats. Daar hoeft toch geen Raad voor de Journalistiek aan te pas te komen?

Edzard van Weringh (rechter)

 

update 

 

Roodgloeiend

Dit verhaal gaat over de man die er niet meer mag zijn. De man leeft, dat wel. Zelf hoeft hij niet zo nodig. Hij heeft schijt aan het leven. Dat laatste roept hij boos door de rechtszaal, terwijl hij een brief verfrommelt en die woest van zich af gooit. De woorden die hij had willen zeggen vallen onuitgesproken op de grond.

Hij had een parkiet, maar die parkiet is dood. Het beestje is vorige maand gestorven in zijn grote, brute handen. Hij zegt: ‘Ik heb nooit zoveel van iets gehouden als van dat vogeltje.’

De man die er niet meer mag zijn heet Dirk. Hij is 69 jaar, een geboren Amsterdammer. Ik heb vaak over deze man geschreven en iedere keer weer probeer ik hem te vangen in passende woorden. In 2000 beschreef ik hem als een imposante verschijning, kwiek als een atleet, explosief als een wereldkampioen, met diepliggende ogen, enorme handen. Op z’n hoede, loerend, bloedlink. Hij werd toen in de rechtszaal omringd door acht leden van een speciale politie-eenheid. Dat was niet voor niets, ’t was voor ieders veiligheid.

Karate Dikkie luidde in de jaren zeventig en tachtig in de cafés van Groningen zijn bijnaam.

Negen jaar later zag ik iets anders. De imposante verschijning uit 2000 was in 2009 veranderd in een 140 kilo zwaar en vormeloos mens dat voetje voor voetje de rechtszaal binnen schuifelde, labiel en met geopende mond waaruit rochelende geluidjes kwamen. De advocaat vertelde aan de rechters dat Dirk in voortdurende afzondering leeft, in eenzame opsluiting. De advocaat: ‘Hij zit in een cel van drie bij vier meter, met een vogeltje, hij mag geen contact hebben met anderen, hij wordt een uur per dag gelucht en mag zo nu en dan zijn moeder bellen. Dat is alles.’

In 2000 werd de levenslange gevangenisstraf tegen hem geëist. Een jaar daarvoor, in oktober 1999, was hij aangehouden. Hij was onder invloed met een auto van de weg gereden. Terwijl hij opstandig op het politiebureau in Assen zat, moest de moord die hij twee uur daarvoor in Groningen had gepleegd nog worden ontdekt. Rechter Frank Wieland – nu de rechter van Willem Holleeder – legde geen levenslang op, maar 14 jaar cel en tbs met dwangverpleging voor doodslag op de 27-jarige Tjirk van Wijk.

Tjirk van Wijk was een willekeurig slachtoffer die geen schijn van kans maakte toen Dirk hem in een weerzinwekkende geweldsexplosie met een mes te lijf ging, terwijl mededader Henk beneden in de woning van Tjirk een liedje tokkelde op zijn gitaar.

Toen Dirk hoorde dat hij tbs kreeg in plaats van levenslang, brieste hij dat de doodstraf humaner is.

De veroordeling tot tbs maakt dat hij om de twee jaar naar de rechtbank in Groningen moet voor een verlengingszitting. In zijn geval betekent dat dat het Openbaar Ministerie de rechtbank vraagt de tbs-maatregel met twee jaar te verlengen omdat hij onverminderd gevaarlijk is en dat wij van de maatschappij tegen hem moeten worden beschermd. De rechtbank wijst deze vordering vervolgens toe, want de deskundigen die over hem rapporteren melden keer op keer dat alle seinen op rood staan.

Op roodgloeiend.

Dirk is met de kennis van nu onbehandelbaar. Hij slijt het leven op een intensieve zorgafdeling voor extreem beheers- en vluchtgevaarlijke mensen. Afgezonderd, zonder contacten met anderen. Inhumaan, maar ’t kan niet anders want we weten vooralsnog niks beters.

Ondanks zijn leeftijd van 69 jaren, ondanks zijn gestel en evenwichtsstoornissen wordt hij nog altijd de rechtszaal binnengeleid, nu door vier mannen van zo’n speciale politie-eenheid. Mannen die zo sterk zijn dat ze alleen nog maar nors kunnen kijken.

Op de publieke tribune zitten ook nu weer de broers en zusters van Tjirk. En zwager Mans. Zij volgen al bijna twintig jaar de ontwikkelingen, even verdrietig als kritisch, op de voet. Je kunt gerust zeggen dat zij hun Tjirk na diens zinloze dood geen moment alleen hebben gelaten.

De verlengingszitting is ditmaal om onduidelijke reden in de rechtbank van Leeuwarden. Dirk komt met kromme rug stapje voor stapje de rechtszaal binnen. Even houdt hij stil en kijkt hij om zich heen. Met luide stem: ‘Goeiemorgens, dit is nogal een mooie studio.’ Vervolgens waggelt hij traag naar de eenvoudige stoel waarop verdachten geacht worden te gaan zitten, in de rechterhand de brief die hij straks boos zal verfrommelen.

Hij draagt een verschoten spijkershirt, een flinke ketting hangt zwaar om de nek, de grijzige baard is onverzorgd. Sloffen. De rechters zeggen tegen hem dat de officier van justitie de tbs met twee jaren wil verlengen. Hoe hij dat ziet. Dirk: ‘Verbazingwekkend. Officieren van justitie zijn niet de meest sympathieke mensen, bovendien ken ik hem niet. Wat nog veel erger is, is dat hij mij ook niet kent.’

Hij vertelt dat hij in het verleden een keer tbr heeft gehad, de voorloper van tbs. ‘Ik ben toen tot in de puntjes van de leer verzorgd. Maar nu, nu zit ik daar in erbarmelijke omstandigheden.’ Tegen de rechter: ‘Mevrouw, jullie hebben daar geen hoogte van.’ Hij zegt dat hij twee keer per dag zijn cel mag verlaten, een half uurtje per keer. En dat dat al acht jaren zo gaat.

Sinds zijn achttiende is hij eigenlijk nooit een vrij man geweest. In de korte periodes tussen de gevangenisstraffen in pleegde hij zijn geweldsmisdrijven.

De zitting vult zich met formaliteiten. Iedereen weet wat de uitkomst zal zijn. De tbs zal worden verlengd, wat zijn advocaat ook zegt. Hij wil wel naar het Pieter Baan Centrum. Hij wilde dat eerder nooit omdat zijn vogel niet mee mocht. Nu het beestje dood is, zou hij kunnen. Een nieuwe vogel mag hij niet meer.

Als de rechter vraagt of hij tot slot nog iets wil zeggen, pakt hij de brief. Graag. Hij vertelt dat hij bij zijn oma woonde toen zijn vader op hem schoot, vier kogels in de borst, eentje in zijn hoofd. Dat er psychisch iets met je gebeurt als je dan nog maar 20 bent. Dat… De rechter onderbreekt hem, ze vindt het wel goed zo.

Dirk briest. Verfrommelt de brief. Roept: ‘Mag ik dan niks meer zeggen? Ik heb schijt aan dit leven, ik hoef dit leven niet zo nodig.’

De beresterke mannen springen op, begeleiden hem de rechtszaal uit en brengen hem terug naar de zwaarst beveiligde vierkante meters van het land.

Rob Zijlstra

UPDATE – 3 april 2019 – uitspraak
De tbs is geheel volgens de verwachting met twee jaren verlengd. Klik op onderstaande afbeelding voor de beslissing van de rechtbank.

 

lees ook: De lastigste gedetineerde van Nederland [dit verhaal is gepubliceerd in het true crime magazine Koud Bloed, nr. 11 / 2010, Nieuw Amsterdam, uitgevers]

Dirk de V., in zittingzaal 14 – 19 jaar geleden, met zijn advocaat en rechter Frank Wieland / tekening: annet zuurveen

Vonnis in ‘Raadsel van Siddeburen’

De rechtbank heeft uitspraak gedaan in een zaak die al ruim negen jaar op een antwoord wachtte: volgens de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat Kasem M. (71) in januari 2010 zijn toenmalige partner Ilham Benchelh om het leven heeft gebracht in hun woning in Siddeburen.  Het motief: het stel lag in scheiding en M. was bang dat hij daardoor en de woning en zijn zoontje – toen een jaar oud – kwijt zou raken.

Het lichaam van Ilham Benchelh is nooit gevonden.

De rechtbank gaat uit van doodslag. De opgelegde straf is de zwaarste straf die voor dit delict kan worden opgelegd. De eis van 12 jaar vindt de rechtbank geen recht doen.

Hoe het klinkt als iemand tot 15 jaar cel wordt veroordeeld? Hieronder het vonnis zoals dat dinsdagmiddag in zittingszaal 14 werd uitgesproken door de voorzitter van de rechtbank Jeroen van Bruggen.

 

→ Meer over deze zaak: een groot konijn

→ Veroordeeld tot 15 jaar, maar hoe u verder?

 

Een goede uitslag

Rechtbankverslaggevers houden elkaar tijdens rechtszaken een klein beetje in de gaten. Rechtszalen in Nederland zijn daardoor, vooral via Twitter, met elkaar verbonden. Ik stuur weleens een kort berichtje naar een collega als ik zie dat hij of zij een artikel 6 van de Wegenverkeerswet gaat doen. Ik tweet dan bijvoorbeeld ‘Sterkte vandaag, groet’n uit Groningen’. Dan weten ze, zittingszaal 14 leeft mee.

Artikel 6 zijn de strafzaken met alleen maar verliezers. Dat is het cliché. Maar zo plat is het niet, artikel 6 in het echt is huiveringwekkend, ik durf wel te schrijven: is angstaanjagend.

Het artikel zegt, vrije vertaling, dat het verboden is dat je je in het verkeer zo gedraagt dat er door jouw schuld een ongeluk ontstaat waardoor iemand ernstig gewond raakt of komt te overlijden.

Nu weet iedereen dat ons gedrag in het verkeer nou niet bepaald getuigt van beschaafdheid. In plaats van hoffelijk zijn we liever wat hufterig en met de regels nemen we het niet zo nauw, de risico’s voor lief.

Zet’m op, tweette ik naar mijn collega die vorige week in de rechtbank van Assen verslag moest doen van het hartverscheurende verkeersdrama in de Lonerstraat in Assen. Jongen van 19 reed vorig jaar september in de Mazda van zijn oma tegen een boom. Zijn voetbalmaten Roy en Robbin die bij hem in de auto zaten waren op slag dood.

Wij rechtbankverslaggevers huilen niet, de tranen zijn voor de nabestaanden en de vrienden. Maar brokken in de keel zijn ons niet vreemd. Artikel 6-zaken zijn nog heftiger wanneer er alcohol in het spel is. Dan komt artikel 8 erbij. In Assen was dat het geval.

Bij ernstige verkeerszaken met alcohol komt Gerri Eickhof van het 8-uur-journaal, komen de regiocorrespondenten uit Amsterdam en zijn er politici, nooit te beroerd om voor camera’s zwaardere straffen te bepleiten.

De grimmigheid van deze aangrijpende zaken en de aandacht die ervoor is, staat in schril contrast met de strafzaken waarbij geen doden en gewonden zijn gevallen, waar geen nabestaanden verdrietig op de publieke tribune zitten, waar de perstafel nagenoeg onbezet is.

Tussen negen uur en kwart voor twaalf ’s ochtends staan achtereenvolgend acht verkeerszondaars terecht voor de politierechter. Op eentje na zullen ze het zeker weten nooit weer doen. Dat zegt bijvoorbeeld C. (23) uit Uithuizen. Hij werkt in de horeca. Na de laatste gasten dronk hij nog en paar biertjes met collega’s en stapte daarna in de auto van zijn huisgenoot. Een rijbewijs heeft hij niet. Het alcoholgehalte is vijf maal hoger dan mag.

Zegt: ‘Ik was fout.’
Politierechter: ‘Ho ho, fout? Volstrekt onverantwoord.’
C.: ‘U heeft gelijk.’
Rechter: ‘U had wel iemand dood kunnen rijden. Zijn er ook mensen die dat tegen u zeggen?’
C.: ‘Ja, bijna iedereen zegt dat.’
Rechter: ‘Hm, nou, dat stelt me dan een beetje gerust.’

C. krijgt een boete van 550 euro. De rijontzegging van vier maanden die de officier van justitie eist, blijft hem bespaard. In dat geval zou hij ook de rijlessen die hij volgt, moeten staken. De rechter geeft hem een joekel van een kans: ‘Ik wil namelijk dat u snel uw rijbewijs haalt.’

Ook de 21-jarige J. uit Groningen, derdejaars student, krijgt zo’n joekel. Hij stond op een feestje ondersteboven van de drank. Hij zag alles dubbel, behalve zijn vriendin, die zag hij nergens. En dus sprong hij zat op de scooter om haar te zoeken. Het verplichte traject van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR) heeft hij doorlopen, had hem 1200 euro gekost. De rechter doet daar nog een boete van 650 euro bij.

De student: ‘Hier leer ik van.’

Dat zit anders bij R. (52) uit Nieuwe Pekela. In 2003 werd hij gepakt met drank op achter het stuur. Zijn rijbewijs werd ingevorderd en ongeldig verklaard. Jaren was hij bezig het terug te krijgen. Op een dag dacht hij, ik ben wel klaar met het systeem, ze zoeken het maar uit.

R. is in de voorbije vijftien jaar drie keer gepakt voor rijden zonder rijbewijs. Hij wil doen geloven dat dat ook de enige keren waren dat hij achter het stuur was gestapt, de laatste keer even naar de schoonouders, maar 500 meter verderop.

De officier van justitie: twee weken celstraf. R. reageert: ’Prima. Stuur mij maar twee weken op, lekker met zes mannetjes op een cel.’ De rechter: ‘Ik sta nooit te popelen mensen naar de gevangenis te sturen, maar nu u zo nadrukkelijk de vinger opsteekt: twee weken cel.’ Op de gang is ook zijn vrouw blij: ’Twee weken? Mooi, heb ik rust.’

Verdachte I. (47) is niet uitgelaten. Bij hem was het geen drank, maar deed een joint hem de das om. De relatie was verbroken, net een huis gekocht, twee jonge kinderen, hij was op zoek gegaan naar wat mentale rust. In die toestand werd hij aangehouden in zijn auto. Bloedonderzoek toonde 21 microgram THC per liter bloed aan. Ver over de grens. Omdat zijn rijbewijs werd ingenomen, raakte hij zijn baan kwijt. Een inspecteur moet nu eenmaal overal naar toe, lukt dat niet, dan voor hem tien anderen.

De politierechter houdt rekening met het baanverlies en beperkt zich tot een boete van 700 euro die in zeven termijnen betaald mag worden.

Zij die niemand doodreden, maar het risico voor lief namen, zijn mannen van alle maten.

N. (66) had wijn gedronken en was toen, in december vorig jaar, in de auto gestapt. Een agent in vrije tijd zag hem slingerend door Groningen rijden en waarschuwde collega’s. Na een stopteken te hebben genegeerd werd N. door drie politieauto’s klemgereden. Het was niet zijn eerste keer.

De rechter foetert. Dat hij toch beter moet weten. ‘U weet immers wat chemische processen van alcohol met het menselijk lichaam doen.’

Nu zijn rijbewijs is ingevorderd kan N. zijn werk niet uitvoeren. ‘Ik ben brodeloos’ moppert hij tegen de rechter aan wie hij zijn financiële situatie schetst. ‘Ik word hard getroffen.’

Ook hij krijgt een joekel van een kans, een boete van 750 euro. Te betalen in termijnen.

Ik kijk de man na. Buiten de rechtszaal roept hij vrolijk: ‘Ik heb een goede uitslag.’ Ik denk: zou zo’n man ook lopen zaniken over geld als hij met zijn dronken harses iemand dood had gereden? Van een huisarts verwacht je iets beters.

Rob Zijlstra

artikel 6 Wegenverkeerswet

 

Meer voor mannen

Wanneer een rechtbank vijf dagen uittrekt voor een strafzaak, dan gaat het ergens over. Tenminste dat mag je in tijden van schaarste toch hopen. En?

Er zijn zeven verdachten, zes mannen en een vrouw. Een aantal van hen zat maanden in voorarrest. Dan moeten de verdenkingen ernstig van aard zijn.

De politie heeft ook onmetelijk veel tijd en energie in dit onderzoek, onder de naam Turgon, gestoken. Het strafdossier telt duizenden pagina’s. De dossiermappen naast elkaar doen een meter of vijf. Ik weet niet of het wordt bijgehouden, maar wat zou zoiets kosten? Een paar miljoen euro of zo? Onderzoekje waard.

Een van de mannen die aangifte heeft gedaan – het vermeende slachtoffer B. – is met zijn gezin in een beschermingsprogramma geplaatst. Dan krijg je een nieuwe identiteit die een veilig nieuw leven elders mogelijk moet maken. Je komt in zo’n programma wanneer je leven gevaar loopt vanwege verklaringen die je bij de politie hebt afgelegd. Alleen dit feit al maakt dat het een zaak betreft die onder hoogspanning staat.

De verdachten hebben geen weerloze voorbijgangers achter rollators weggetrokken, tot moes gestampt om er vervolgens met de poet vandoor te gaan. Ze hebben geen spelende kinderen uit zandbakken gesleurd, geen hulpverleners gemolesteerd of bushokjes vernield, ze hebben niet eens iets ondermijnd.

Wat wel?

Ze hebben volgens het Openbaar Ministerie twee mannen die zelf ook lid waren van No Surrender afgeperst. De twee werden bedreigd met narigheid, met het afknippen van vingers en het wegbranden van een tatoeage met een strijkijzer. De mishandeling ging gepaard met daadwerkelijke klappen.

B. zou in de val zijn gelokt, gedrogeerd met drugs, toen zijn afgerost, meegenomen in een busje (ontvoering) om uiteindelijk in onderbroek te worden gedumpt in een koud en verlaten donker bos. Onder doodsbedreigingen zou hij 5.000 euro in de vorm van een zak wiet hebben afgestaan. L. is naar eigen zeggen zo’n 4.000 euro lichter gemaakt.

Als dit waar is, dan was de welgemanierdheid ver te zoeken. Mannen, ook als lid van een motorclub, horen in tijden van vrede zo niet met elkaar om te gaan. Dan mag het afpersing heten of diefstal met geweld. Het past ook bij het beeld dat sommige motorclubs graag uitstralen: een club met ruige mannen die samen gezellig bier drinken, maar zich ook buiten de wet stellen.

Outlaws.

De zeven verdachten zeggen dat het allemaal klinkklare larie is wat de twee vermeende slachtoffers beweren. Er is niks afgeperst. Door L. is wel geld afgegeven, maar dat betrof achterstallige contributie (honderd euro per maand).

Dat B. hen heeft herkend, hun namen heeft genoemd, zal zo wezen, ze waren er niet bij. Een van de verdachten heeft een wit werkbusje waarin bloed (dna) is aangetroffen van B. De buseigenaar zegt dat hij zijn werkbus die avond had uitgeleend. Hij wil niet vertellen aan wie. Principes. Ook niet als hij zichzelf daarmee kan vrijpleiten? Nee. Bloed van B. zat ook op de motorhandschoen van D., van de man die zou hebben geslagen. Hoe dat kan? ,,Geen verklaring voor.’’

Dan zijn er de vermaledijde telefoons van vandaag de dag. Telefoons zijn smart en onthouden van alles. Politieonderzoek naar telecomgegevens laat zien dat de telefoons van de verdachten op de avond van de afpersing onderling veelvuldig contact hebben, dat ze bij elkaar komen in Vinkhuizen, dat ze samen in Eelde zijn op het tijdstip van het pak slaag, daarna gaan de telefoons in optocht naar De Papiermolen in Groningen waar de zak met wiet is afgedragen en tot slot verplaatsen de toestellen zich richting Glimmen waar B. het bos werd ingestuurd.

Een werkbus uitlenen is niet heel verdacht, maar dat de verdachten die avond ook allemaal hun telefoons hadden uitgeleend, zal bij de rechters wenkbrauwen doen fronzen. Toen schoenafdrukken nog als bewijsmiddel werden aangevoerd, leenden boeven hun schoenen uit. Dat zeiden ze toen.

De verdachten zijn ook afgeluisterd in de gevangenis en vertelden aan vertrouwd bezoek dingen die ze beter niet hadden kunnen zeggen. Gepraat van verdachten is opgenomen in het toenmalige clubhuis van No Surrender in Emmen. Het motorhonk hing niet alleen vol dingen voor mannen, maar ook vol met piepklein technisch vernuft waarmee de politie op afstand alles kon horen. De luisteragenten horen dat met trots over de afranseling van B. wordt gesproken.

Lijkt er een keertje een strafzaak te zijn van van crimineel belang en omvang, blijken de outlaws, mits schuldig, een stelletje amateurs. Een wetsovertreder die van vandaag is, weet dat je geen telefoon meeneemt naar de plaats van het delict. Die weet dat je in de gevangenis wordt beluisterd waar je bij staat.

B. spreekt zijn voormalige broeders in de rechtszaal toe via een vooraf opgenomen geluidsbestand. Hij spreekt van ‘jullie uitschot van het laagste niveau’. De man die hem zou hebben afgerost met de handschoenen noemt hij een pannenkoek. B. klinkt allesbehalve bang, maar hij zegt dat hij dat wel is. En hoe. ’Ik ben bang voor het onverwachte, bang om zomaar ineens doodgeschoten te worden. Door jullie ben ik niemand meer. Wees trots op jezelf.’

Zijn advocaat heeft een krantenartikel voor de rechters meegenomen waarin staat dat het geen pretje is om met je vrouw en kinderen in een beschermingsprogramma van justitie te moeten leven. Je zit dan niet in de tropische zon. B. eist ter compensatie van zijn ontwrichte leven 65.000 euro.

De politie was gretig. Daags na de afranseling mocht B. het ziekenhuis verlaten. Eenmaal buiten, met een sigaret vol verlangen in de aanslag, ziet hij tot zijn schrik mannen staan van No Surrender. Op dat moment ook biedt een hem onbekende man een vuurtje aan. De man zegt zachtjes dat hij van de politie is. Of hij wil praten, verklaringen wil afleggen? B. schrikt nog meer. Zegt dat praten met de politie betekent dat hij zijn doodvonnis tekent.

Hij zal dat later toch doen. Door de rechtszaal galmt zelfverzekerd zijn stem. ‘Ik heb de omerta verbroken, omdat jullie mijn gezin hebben bedreigd.’

Aan het einde van de derde zittingsdag komt het Openbaar Ministerie met de voorlopige resultaten van het verbreken van de omerta: celstraffen van dertig maanden tot acht jaren.

Maandag komen de advocaten. Ze zeiden: ‘Wacht maar af…’

Rob Zijlstra

uitgebreide verslagen van de zittingsdagen:
dag 1 [dinsdag]
dag 2 [donderdag]
dag 3 [vrijdag, requisitoir]

dag 4 [maandag, pleidooien]
dag 5 [dinsdag, pleidooien]

update – 23 april 2019 – de uitspraken


vonnis van a.d. – de man die de hoogste celstraf kreeg: 68 maanden

 

Met droge ogen

Wie wordt verdacht van een strafbaar feit dat-ie wel heeft gepleegd, maar waarvoor hij niet op de blaren wil zitten, heeft meer nodig dan een goede advocaat en een slechte rechter. Je moet de misdaad niet alleen bot ontkennen, maar je moet ook kunnen ontkennen. Dat laatste is in de rechtszaal een duchtige opgave. Goed liegen is een kunst die maar weinigen is gegeven.

De mens zit nu eenmaal zo in elkaar dat een bekentenis eerder voor waar wordt aangenomen dan een ontkenning.

Deze week zat een man in zittingszaal 14 die wordt verdacht van een gewapende overval op de Aldi in Delfzijl-Noord. Hij zit vast en ontkent. De strafzaak wordt in mei inhoudelijk behandeld. Deze week wilde hij alvast naar huis, maar de rechters vonden dat geen strak plan.

Er liggen bewijzen die zo stevig zijn dat de officier van justitie glunderend in de rechtszaal stond. Met ingehouden plezier, want het betreft een ernstige zaak: ‘De overval stond zelfs genoteerd in zijn agenda. Op datum en tijdstip. Ik hou van dit soort criminelen.’

Er zijn verdachten – zeldzaam, maar ze bestaan – die niet de beschuldigingen ontkennen, maar bestrijden dat wat ze hebben gedaan strafbaar is. Dus dat wat ze deden mocht, ook als waarheidsdrammers willen doen geloven dat je niet mag stelen. In Winschoten was eens een aardige man die een leegstaand gebouw dat niet van hem was verhuurde en daar goed mee verdiende. Vond hij niks mis mee. Het stond toch leeg?

Ook Henk en Marian vallen in de categorie ‘bijzonder zeldzame ontkenners’. Afgelopen week zaten ze ogend als vriendelijke mensen een dag lang in de grote zittingszaal van het gerechtshof in Leeuwarden.

Het verhaal over Henk en Marian is hier al eens uitvoerig beschreven. Kort: ze hebben de even hoogbejaarde als welgestelde mevrouw Rosingh uit Haren – waar ze zelf ook woonden – financieel kaalgeplukt. Met een volmacht hadden ze toegang tot de bankrekeningen van mevrouw Rosingh die ze als een huisvriendin beschouwen, als een lieve oma voor de kinderen. Toen mevrouw Rosingh wat last begon te krijgen van dementie sloegen ze toe.

Buren in de lommerrijke straat waar mevrouw Rosingh woonde, vertrouwden het niet, de wijkagent evenmin, er kwam een eerlijke curator en toen een politieonderzoek en in mei 2014 werden Henk en Marian in hun royale woning met bombarie gearresteerd. In 2016 veroordeelde de rechtbank het stel tot 22 maanden gevangenisstraf per persoon en het inleveren van 300.000 bijeen gegraaide euro’s. Ze gingen in hoger beroep waardoor de straf werd opgeschort. Afgelopen week diende het hoger beroep. De nieuwe eis: 21 maanden cel en wederom het inleveren van de buit.

Henk en Marian vinden dat wat ze deden mag. Begin 2010 besloten ze de uren die ze aan hun geliefde mevrouw Rosingh spendeerden in rekening te brengen. Voor 2010 heette het naastenliefde, na 2010 werd de dementerende mevrouw Rosingh – toen 93 lentes – een verdienmodel.

Een koe.

Henk en Marian gingen kopjes thee drinken en praatjes maken met mevrouw Rosingh. Dat deden ze als de mensen van de thuiszorg (22 uur per week) er niet meer waren. Het theedrinken en de praatjes brachten ze onder de noemer zorg in rekening: 65 euro per uur, exclusief btw.

Toen mevrouw Rosingh een keertje jarig was, haalden ze de boodschappen in huis. Daar werden, inbegrepen het verjaardagsbezoek zelf, vijf uren voor in rekening gebracht. Dat was exclusief de verjaardagtaart.

Mevrouw Rosingh vond het eten van Tafeltje Dekje niet altijd te pruimen. Marian kwam dan om een stukje zorg te verlenen en bakte een pannenkoek met aardbeien en slagroom. Goed voor uren.

Ze vonden de met mevrouw Rosingh bevriende tuinman die al 40 jaar voor haar de tuin deed, te duur. Man kreeg honderd euro voor een dag per maand tuinieren. Henk en Marian ontsloegen hem en gingen zelf het tuinonderhoud doen. Voor tachtig euro per uur.

Henk maakte ook beduidende bedragen over op de bankrekeningen van zijn kinderen. Schenkingen, iets wat mevrouw Rosingh in haar kindsheid vast en zeker goed had gevonden.

Gingen Henk en Marian op de thee, dan brachten ze niet alleen voorrijkosten in rekening, maar ook de terugrijkosten. Half uur heen, half uur terug, 65 euro. Een van de rechters had Haren op Google maps bestudeerd. Vroeg: ‘Waarom met de auto? Op fiets ben je er in een paar minuten.’

Henk antwoordde dat hij geen fiets had.
De rechter: ‘Dat zegt u hier met droge ogen.’
Henk knikte: ‘Ik kan dat voor mezelf verantwoorden.’
Immers, thuiszorg rekende – volgens Henk – ook 65 euro per uur.

De rechters moeten nog oordelen.Tijdens de zitting stelden ze vast dat Henk en Marian de rekeningen die ze uitschreven, die ze vervolgens bij zichzelf indienden en ook vlot aan zichzelf betaalden, niet met de pen, maar met een vork werden geschreven.

Zo ging het jaren. Af en toe vlogen ze ten laste van de bankrekening van mevrouw Rosingh naar Italië om onderhoud te plegen aan het wijnbergje dat ze daar bezitten. De kinderen deden dan het theedrinken. Vanaf het wijnbergje werden de uren genoteerd.

De advocaat-generaal (officier van justitie) noemde het gedrag van Henk en Marian stuitend en lafhartig, ja, een gevangenisstraf van lange duur waardig.

De advocaten probeerden wat. Dat het heus waar kan wezen dat wat Henk en Marian beweren, dat wat ze deden met instemming was van mevrouw Rosingh. Dat het verdampen van haar vermogen niet tegen haar demente wil was. Dat er dus geen sprake was van wederrechtelijkheid en dat er dan dus helemaal niks aan de hand is. Dat Henk en Marian geen graaiers zijn zoals in de krant had gestaan.

’t Is een droef verhaal. Mevrouw Rosingh stierf in de zomer van 2015 op 98-jarige leeftijd zonder vermogen. Ook haar aandelenportefeuille die Henk met ongelukkige hand beheerde, bleek in rook opgegaan.

Voor Henk en Marian resteert een toekomst vol kommer. Eens in goeden doen, ze bewoonden een van de mooiste huizen van heel Haren. Nu bivakkeren ze berooid ergens op een krappe zolderkamer van een barmhartig familielid, terwijl de arme kinderen hard moeten werken om de rekeningen van de advocaten te kunnen betalen. Dat kregen de rechters te horen.

Een paar dagen na de zitting dwarrelt door een openstaand raam een briefje neer op de redactievloer van de krant. Ik check. Als ik de actuele gegevens van het kadaster mag geloven, dan valt het met de miserabele omstandigheden wel mee.

Rob Zijlstra

→  eerder verhaal over deze kwestie; mevrouw Rosingh, sorry

 

UPDATE – 11 maart 2019
Schuldig. Vanwege het lange tijdsverloop een fikse korting op de straf. Opgelegd is 18 maanden waarvan 6 voorwaardelijk. Voor beide.

klik voor het arrest op afbeelding

Petieterig recht

Je kon deze week een kanon afschieten in de rechtbank van Groningen en naar verluidt ook in die van Assen en Leeuwarden. Ik heb dat niet gedaan. Het teweegbrengen van een ontploffing is verboden (artikel 157). Dat het wel kon had niets te maken met een gebrek aan geschillen of boeven, maar alles met de schoolvakanties. Het is binnen het rechtsbedrijf een goede gewoonte dat als scholieren in het kader van de een of andere vakantie zich thuis suf zitten te computeren, de rechtspraak op z’n gat gaat liggen.

Ook rechters en hun medewerkers hebben recht op rust en vrije dagen.

Voor wie wekelijks een stukje wil schrijven over een rechtszaak is zo’n stille week een regelrechte crime. Ik verhaalde al eens tijdens een eerdere vakantie dat het toch wel zot is dat het rechtsbedrijf zich zo’n week – meerdere weken per jaar – kan permitteren terwijl er afgeronde strafdossiers jaren op planken liggen te wachten op behandeling. En niet alleen het papier wacht, ook de bijbehorende verdachten en de niet te vergeten slachtoffers.

Dit kwalijk ongerief kent vele oorzaken. De strafrechtmachine in perifere delen van het land hapert bijvoorbeeld omdat er domweg te weinig rechters zijn. In Utrecht en Amsterdam willen ze wel werken, die rechters, maar een prachtbaan voor het leven in het royale Noorden zien te veel magistraten (of hun partners) niet zitten. Liever stoten ze CO2 uit in stinkende files.

Het piept en kraakt sowieso in de gerechtsgebouwen. De Nederlandse Vereniging voor de Rechtspraak twitterde deze week: ‘De koers van de minister voor Rechtsbescherming lijkt gericht op het beperken van de rechtspraak in plaats van het verder verbeteren van onze fundamentele positie in onze democratische rechtsstaat’.

De rechterlijke veroordeling van het politieke bedrijf is niet nieuw, maar de situatie blijft knudde. De derde staatsmacht begint een roepende in de woestijn te worden.

Terwijl ik mij afvraag of dat laatste wel echt zo is, zit er in de verlaten hal van het gerechtsgebouw een jonge vrouw op haar mobiele telefoon met de duimen berichtjes te tikken. Iets verderop wachten in vol ornaat twee politieagenten. Uit hoe ze zo nu en dan naar elkaar loeren maak ik op dat ze iets met elkaar te maken hebben.

Dat is ook zo. De tikkende mevrouw heet zeg maar Els, is 26 jaar en is de verdachte, een van de agenten het slachtoffer, de ander is haar ondersteunende leidinggevende. De verdachte heeft een muur van het politiebureau vernield en het slachtoffer gekrabd.

Aan het misdrijf waaraan Els anderhalf uur later schuldig wordt bevonden gaat een verhaal vooraf. Misdaden komen nooit uit de lucht vallen. Els heeft een schreeuwende ex die haar al eens mishandelde en haar lastig blijft vallen. Als zij na een nacht thuiskomt, staat hij bij de buren op het balkon te lawaaien en blijkt haar voordeur vernield. Ze is bang en belt de politie.

Er komen agenten. Veel gedoe. Met het oog op orde en ochtendrust gaat Els met de agenten mee naar het politiebureau. Ze wil aangifte doen, ze wil hulp, ze wil dat het stopt. Ze is boos, niet dronken, maar de alcohol van de nacht versterkt wel haar emoties.

Als de agenten zeggen dat ze voorlopig niets voor Els kunnen betekenen en haar sommeren naar huis te gaan, gaat het mis. Huilend pakt Els het tafelblad vast en mietert in een beweging heel het zwikkie omver. De computer stuitert tegen de muur en dan op de grond.

Els wordt onmiddellijk aangehouden op verdenking van het vernielen van eigendommen die ‘geheel of ten dele’ toebehoren aan de politie-eenheid Noord-Nederland.

Bij een aanhouding hoort een protocol. Om Els in te kunnen sluiten (opsluiten) moet er een insluitingsfouillering worden uitgevoerd. De schoenen moeten uit, de sieraden af. Daarna gaat ze het hok (ophoudkamer) in. Eenmaal binnen moet ze, eveneens ten behoeve van de veiligheid, haar T-shirt uittrekken, want aan het shirt sieren stroken stof. Els wil alleen meewerken als ze direct een ander shirt krijgt. Krijgt ze niet.

Opnieuw heisa en weer gaat het mis. Twee agenten (v/v) komen haar cel binnen om een handje te helpen bij het uitkleden. Els, die niet heel groot is, maar wel flink overstuur, slaat om zich heen. Ze trekt aan politiehaar en krabt een agente in hals en nek. Het gezag is sterker. Els haar handen worden geboeid en haar voeten worden met tiewraps aan elkaar vastgemaakt. Tierend wordt ze afgevoerd.

Nu moet alleen het recht nog even zegevieren. De officier van justitie zegt dat Els zich schuldig heeft gemaakt aan het vernielen van een politiemuur, een computer en aan wederspannigheid dan wel mishandeling van een ambtenaar ‘werkzaam in het rechtmatige uitoefening van haar bediening’.

De officier van justitie: ‘Dat het niet prettig is dat u zich moet uitkleden ten overstaan van twee onbekenden, snap ik. Maar de agenten hebben een zorgplicht ten aanzien van mensen die ze opsluiten. U wilde uw zin doordrammen, maar het was op dat moment niet aan u om te bepalen wat er ging gebeuren.’

In 2013 heeft Els al eens een agent beledigd. En nu dit weer. De rechter zegt: ‘Als u uw zin niet krijgt, dan reageert u explosief. Volgens de reclassering is er sprake van instrumentele agressie.’ Els zegt dat ze zich daarin niet herkent.

Er moet straf komen, zoveel is inmiddels duidelijk. De officier van justitie: een boete van 750 euro en een week voorwaardelijke celstraf. Daarnaast: het betalen van smartengeld aan de agente want zij heeft met smart geleden: 368 euro. Tot slot: de gevallen computer en het herstel van de kapotte muur: 864 euro en 67 cent. Inclusief btw.

De advocaat praat als Johannes Brugman, rept van emoties, sta je daar in je bh, van onrechtmatigheden en van noodweer. Maar de rechter vindt dat de officier van justitie groot gelijk heeft en maakt aan het verweer van de advocaat geen woord vuil. Hij veroordeelt Els conform de eis. ‘Wij moeten zorgvuldig omgaan met onze politie en van ze afblijven’, motiveert hij de uitspraak.

Dat de grotere strafzaken, het serieuze misdaadwerk, ja, zelfs de veelgeroemde ondermijnende criminaliteit in veel rechtszalen maar spaarzaam aan bod komen, is niet goed voor het welbehagen van de ongedurige samenleving.

Maar gelukkig is er nog oog voor petieterige zaken.

Rob Zijlstra

Een groot konijn

Er zijn wel mensen, ook collega’s op de krant, die vragen of ik een advocaat ken. Een goeie bedoelen ze dan. Ze vragen het voor een vriend. Vaak weet ik wel eentje. Er zijn er ook – geen collega’s – die vragen of ik weet hoe je de perfecte moord kunt plegen. Wie een deel van zijn leven slijt in de rechtszaal, weet zoiets vast. Op zo’n vraag heb ik nooit een antwoord, wel een advies: niet doen.

In 1997 werd op een boerderij in Oost-Groningen een Limburgse drugshandelaar doodgeschoten. Het lichaam werd op het erf verbrand in een oven en er was bijna niemand die ervan wist. In Limburg werd de handelaar door zijn verdrietige moeder als vermist opgegeven en daarna bleef het stil.

Het had de perfecte moord kunnen worden, ware het niet dat de moordenaar vele jaren later een brief schreef aan een vertrouweling. Het werd de blunder van zijn leven: de vertrouweling gaf de brief aan een rechercheur die het epistel met rode oortjes las. Niks vermist, maar een moord in koelen bloede, de moordenaar onmiskenbaar de briefschrijver. De moord die hard op weg was perfect te worden eindigde in een tot op de dag van vandaag voortdurende gevangenisstraf: levenslang.

Er was eens een man die zich op het hoofdbureau van de politie in Groningen meldde met de mededeling dat hij een moord had gepleegd, een moord die dan al negen jaar te boek stond als onopgelost. Een half jaar lang probeerde de recherche te bewijzen dat hij het niet gedaan kon hebben. Toen dat niet lukte, werd hij voor de rechters gebracht en werd hij veroordeeld. Ook deze bijna perfecte moord kwam dus uit.

Van Ilham Benchelh, een Marokkaanse vrouw die in Siddeburen woonde, is al negen jaar niets vernomen. Als ze nog leeft, is ze nu 45 jaar. Het openbaar ministerie denkt dat haar partner Kasem (nu 71) haar heeft gedood. Deze week presenteerde de officier van justitie de bewijzen die de rechters moeten overtuigen van dit misdrijf. Ze leverde er ook een eis bij: twaalf jaar gevangenisstraf.

Uit de bewijzen moet klip en klaar blijken dat het niet anders kan dan dat Kasem op zondagavond 10 januari 2010 zijn vrouw met wie hij in scheiding lag om het leven heeft gebracht en vervolgens dat hij haar lichaam heeft weggewerkt.

Een kleine bloemlezing. Een dag na die zondag kocht Kasem bij de C1000 in Appingedam – getuige een gevonden kassabonnetje – twee rollen vuilniszakken, in totaal dertig stuks à zestig liter. Twee weken na de aankoop zijn er in de woning nog maar twintig zakken over. Wat heeft hij met die tien gedaan?

Een dag voor die zondag downloadde Kasem delen van de tv-serie Dexter op zijn computer. Frappant, zegt de officier van justitie. Immers Dexter is behalve bloedspatpatroononderzoeker ook seriemoordenaar die niet alleen weet hoe je moet moorden, maar ook hoe je bijbehorende sporen moet wissen.

Op de dag van de verdwijning, zocht Kasem op zijn computer, om 16.20 uur, naar ‘Elisabeth Bathory’, een helsgemene vrouw uit de zeventiende eeuw die te boek staat als de grootste seriemoordenaar ooit. En twee dagen voor de verdwijning tikte Kasem op Google, om 22.20 uur, de zoekterm ‘lintzaag’ in.

Er is een buurvrouw die achteraf verklaarde verdachte geluiden te hebben waargenomen. Op die zondagavond hoorde zij, om 21.45 uur, door het openstaande slaapkamerraam geschuif met tussenpozen. Alsof, zei buuf, er iets zwaars werd versleept. Toen Kasem hier later mee werd geconfronteerd, opperde hij dat buurvrouw waarschijnlijk de konijnen had gehoord.

De officier van justitie zegt tegen de rechters dat konijnen geen slepende schuifgeluiden maken, laat staan dat konijnen zware dingen verslepen.

Dan het matras. Op de dag na die zondag, om 12.25 uur, zocht Kasem op Marktplaats naar een matras voor op het logeerbed, het bed waarop Ilham de laatste weken van hun aflopende huwelijk sliep. Het bed ook waaraan bloed (niet veel) is aangetroffen, waaraan veegsporen waren te zien, alsof er was schoongemaakt. Hij kocht die dag ook een matras. Met haast, zei later de opgespoorde verkoopster. En het oude matras? Dat had hij in stukken gesneden en ergens weggegooid in een berm, ergens bij Hoogezand, niet meer wetende waar.

De officier van justitie: ‘Heel raar.’

Stuk voor stuk zijn het geen bewijzen die aantonen dat de 71-jarige in Amsterdam geboren en getogen Kasem zijn vrouw om het leven heeft gebracht. Maar, zegt de officier van justitie, je moet het in de context van de verdwijning van Ilham plaatsen. En in onderlinge samenhang bezien. Dan kan het niet anders.

Of dat laatste zo is, moet blijken. De rechters zeiden aan het einde van het twee dagen durende proces: ‘Dit gaat om een complexe zaak met veel juridische vragen die moeten worden beantwoord. Daarvoor hebben wij meer dan de gebruikelijke twee weken nodig.’

Getuige het begin van dit verhaal kan een ‘moord zonder lijk’ zelfs met levenslang worden bestraft. Maar een ‘moord zonder misdrijf?’ Kan dat ook? Het is ook de vraag die advocaat Fred Kappelhof opwerpt. Ilham Benchelh is spoorloos verdwenen. Maar waaruit blijkt dat aan die verdwijning een misdrijf vastzit?

De advocaat: vuilniszakken, Dexter, Bathory, een lintzaag, het matras, een beetje bloed, het zijn allemaal zaken waar je niets achter hoeft te zoeken. ‘Tenzij je er iets achter wilt zoeken.’

De raadsman stelt dat in Nederland ieder jaar twintig mensen op raadselachtige wijze voorgoed verdwijnen. Waarom zou Ilham Benchelh niet een van hen zijn? De raadsman merkt ook op dat er zeer intensief naar het lichaam van Ilham is gezocht: in de tuin, in meren, kanalen en sloten, op kerkhoven, in mestkelders en silo’s, in riool- en zuiveringsinstallaties, op stortplaatsen en dat met honden en helikopters. Als er dan niets wordt gevonden, zegt de raadsman, dan kan dat ook een aanwijzing zijn dat Ilham leeft.

Haar beste vriendinnen geloven niet dat Ilham vrijwillig is vertrokken, zij vinden het onbestaanbaar dat ze haar kind van een jaar vrijwillig heeft achtergelaten. Zo’n moeder was Ilham niet.

Stel dat Kasem onschuldig is, hoe dan heeft Ilham op die ijskoude zondagavond zonder auto en met bussen die vanwege de gladheid niet reden, Siddeburen zonder sporen kunnen verlaten? Stel dat Kasem het wel heeft gedaan. Kan hij dan zijn straf ontlopen als er geen overtuigende bewijzen zijn? Is dat dan de perfecte moord?

Het knaagt aan alle kanten.

Rob Zijlstra

klik voor compleet vonnis

update – 26 maart 2019 – uitspraak
De rechtbank heeft Kasem M. veroordeeld tot 15 jaar celstraf wegens doodslag. Het is de zwaarste straf die voor doodslag kan worden opgelegd.  →  zie dvhn voor eerste bericht

→ meer: het raadsel van siddeburen (inclusief het uitgesproken requisitoir]

→ het vonnis in audio [duur 29 minuten]: