Vermist: Ilham Benchelh 2

Het onderstaande artikel staat stond  vandaag – woensdag 7 november 2018 – in Dagblad van het Noorden. De webversie van dit artikel staat hier [dvhn.nl] ↓

 

Drie weken geleden schreef ik het onderstaande bericht over deze kwestie. ↓

klik op afbeelding

 

Op 11 mei 2010 scheef ik een blog over de zaak naar aanleiding van de eerste zitting (pro forma)  waar Kasem M. toen ook aanwezig was (op sokken). ↓

klik op afbeelding

update – 8 november 2018 – voortgang ↓

klik op afbeelding

Griebel in witte auto

Hij was opgelucht toen hij werd aangehouden. Tegen zijn advocaat zei hij: ‘Ik hoop dat de zaak snel voor de rechter komt en dat ik de doodstraf krijg.’ Beide, antwoordde de advocaat, is niet heel aannemelijk. Dat was in maart van dit jaar. Afgelopen week, 241 dagen na de aanhouding, zat hij in de rechtszaal en stierf hij duizend doden.

Een van zijn slachtoffers had gevraagd wat hij ziet als hij in de spiegel kijkt. Ziet hij dan een man of ziet hij een sukkel? Een sukkel, vindt ze zelf. Mark ziet het anders. ‘Als ik in de spiegel kijk zie ik een walgelijke klootzak.’ Tegen de ouders van zijn jonge slachtoffers: ‘Hoe jullie over mij denken, dat ben ik.’

Mark, 30 jaar, wordt verdacht van een misdaad die niet heel vaak in de rechtszaal wordt behandeld: hij zou kinderlokker zijn. Hij zou de man zijn van wie ouders wakker liggen, van wie ouders de griebels krijgen als ze aan hem denken.

Hij had niet naar de rechtszaal willen komen, maar de rechters besloten dat het moest. In de verdachtenbank zit een wanhopig hoopje mens.
De rechters vragen bij aanvang van de strafzaak: ‘Gaat het?’
Mark: ‘Nee.’

In zijn witte VW Polo reed hij door woonwijken, lustig op zoek naar kinderen, naar jonge meisjes. Hij vroeg dan naar de weg, naar een pinauatomaat en of de meisjes bij hem in de auto wilden komen zitten. Hij vroeg of hij een sexy foto mocht maken van de buik. Een warmte-check noemde hij dat om te controleren ‘of je hart wel warm genoeg is’. Eenmaal – voor zover bekend – trok hij een meisje bij haar pols in de auto, terwijl hij zichzelf bevredigde. Hij maakte ook filmpjes.

Dit alles gebeurde in de tweede helft van 2017 en de eerste maanden van dit jaar in de woonwijken van Haren. In maart werd hij door twee postende agenten aangehouden. Mark voldeed aan het signalement: man met stoppelbaard in een witte auto met een goudkleurige mobiele telefoon. Toen de agenten hem aanspraken viel op hoe zenuwachtig hij was. Op zijn voorhoofd zagen ze zweetdruppels kruipen, terwijl het buiten slechts één graad Celsius was. Filmpjes op zijn telefoon maakten duidelijk dat hij de man moest zijn naar wie de politie zocht.

De officier van justitie heeft zijn misdaad vertaald in corrumperen, ontucht, vrijheidsberoving en het in bezit hebben van kinderporno. Ze noemt het een waslijst van ernstige feiten. Zijn slachtoffers zijn tussen de 6 en 9 jaar oud. Zeven kinderen. Niet uitgesloten wordt dat Mark meer kinderen heeft benaderd, maar dat alleen hij en die kinderen dat weten.

De officier van justitie: ‘Niet alle meldingen die bij de politie binnen zijn gekomen hebben geleid tot een strafzaak.’ Haar stem klinkt steeds bozer naarmate ze langer aan het woord is.

Op een geval na bekent Mark de beschuldigingen. Bij een van de meisjes, het meisje dat hij vastpakte en in zijn auto trok, is zijn DNA op de rand van haar onderbroek aangetroffen. Waarom hij het deed, willen de rechters weten. Mark heeft geen antwoord. ‘Wist ik het maar.’ Hij huilt vooral en snift dat hij nooit meer kan goedmaken wat hij heeft gedaan.

Er zijn meer zedenzaken dan drugszaken. Gelukkig is wat zich op het gebied van de misdaad afspeelt in zittingszaal 14 geen afspiegeling van de misdaad buiten de rechtszaal. Zou dat wel zo zijn dan misbruiken we meer kinderen dan we drugs verhandelen en dat zou wereldschokkend zijn.

Zo anders dan bij drugs hebben al die rottige zedenzaken gemeen dat de impact zo ontzettend groot is. Mark zit niet voor niets te janken. Terwijl hij in de verdachtenbank probeert te vergaan, doen de ouders hun verdrietige verhalen.

Ze vertellen dat de onbevangenheid van de kinderen is verdwenen. Hoe ontzettend moeilijk het is om hen toch weer te laten gaan, buiten te laten spelen, naar school te laten fietsen. Hoe groot de angst is, voor de buurman van een paar huizen verderop die op de verdachte lijkt, angst ook voor langzaam rijdende auto’s. Een van de meisjes was na de aangifte onderzocht. Dat moest. Met zeven volwassenen om zich heen had ze zich moeten uitkleden. Nu durft ze niet eens meer naar de tandarts.

Over de onmacht, omdat je als ouder je kind niet hebt kunnen beschermen. Over verloren vertrouwen. Hoe je leven van het ene op het andere moment op de kop staat.

Via de ouders klinken ook de stemmen van de kinderen door de rechtszaal. Een van de meisjes had zich afgevraagd wat voor een straf die man moet krijgen. Hij moet blijven vastzitten tot ik het hem heb vergeven, had ze gezegd. Nog zeker drie jaar. Een ander meisje vindt dat Mark nog wel mag leven en dat veertig jaar gevangenisstraf te lang is want ‘dan heb je geen leven meer’. Ook dit meisje noemt drie jaar een goede straf.

Dat is niet alleen heel bijzonder, maar ook opmerkelijk. De officier van justitie zal even later zeggen dat zij deze zaak in het wekelijkse overleg heeft besproken met twaalf van haar collega’s en dat ze unaniem tot de conclusie waren gekomen dat een gevangenisstraf van drie jaar een passende sanctie is.

Naast drie jaar gevangenisstraf moet, zo eist de officier van justitie, de maatregel tbs met voorwaarden worden opgelegd. Een langdurige behandeling is noodzakelijk om herhaling in de toekomst te voorkomen. Mark wil dat zelf ook. Hij noemt de tbs-eis ‘heftig, maar misschien wel nodig’.

Zijn leven is tot nu toe bewolkt geweest. Thuis sloeg hij dingen stuk, de relatie ging naar de knoppen, hij raakte zijn baan kwijt en toen ook het pas gekochte huis. De drugs kwamen, maakte niet uit wat, maar hij bleef zich een afgewezen lulletje rozenwater voelen. Op de sportschool stopte hij zich vol met prestatieverhogende anabole steroïden. Voor het eerst werd hij niet aan de kant gezet, hij voelde zich iemand. Zijn advocaat Fred Kappelhof: ‘Op de sportschool word je niet beoordeeld op wie je bent, maar op de omvang van de bovenarmen.’

Een van de meisjes had zich steeds afgevraagd hoe het met de moeder van Mark zou zijn. Of de moeder van Mark, net als haar moeder, ook steeds zo had moeten huilen.

Ik hoop dat dit meisje later als ze groot is officier van justitie wordt.
Of rechter.

Rob Zijlstra

update – 12 november 2018 – uitspraak
Mark heeft niet de ‘gewenste’ drie jaar celstraf gekregen. De rechters maakten er 279 dagen van: dat betekent dat Mark begin december de gevangenis kan verlaten om te worden opgenomen in een instelling waar hij zal worden behandeld. Met deskundigen is de rechtbank van mening dat een behandeling noodzakelijk is, in de vorm van een tbs met voorwaarden.

Het vonnis:

klik op afbeelding

Buurman en Buurman

De meeste mensen hebben er twee, maar ze zijn overal en in alle soorten en maten. Ze kunnen hartstikke handig zijn. Je kunt er bijvoorbeeld dingen van lenen. In vakantietijd kun je ze vragen de planten water te geven of voor de poes en de post. Buren zijn vooral handig omdat ze naast je wonen.

Er bestaan ook akelige buren met wie je ruzie kunt krijgen. Je kunt het dan weer goedmaken op de jaarlijkse burendag, gesponsord door Douwe Egberts. Samen een bakkie doen. Dat werkt alleen als het nog niet zo erg is.

Soms is er een oplossing via een buurtbemiddelingstraject van een buurtbemiddelingsorganisatie. Lost dat niks op, dan bestaat de mogelijkheid tot escalatie. Doorgaans wordt het daar alleen maar slechter van.

Wat op de eerste vroege ochtend van het jaar gebeurde, werd afgelopen week besproken in zittingszaal 14. Het eerste misdrijf van het jaar is geen fraai verhaal, voor niemand niet.

Riekus (54) woont op 5. Hij woont daar samen met zijn partner al sinds 1991. Buren zegt hij gedag en als het moet helpt hij een handje. Riekus zegt dat hij met iedereen in het dorp kan. Nooit met niemand problemen. Maar nu is Riekus de verdachte en niet zo’n beetje ook: hij heeft met een vuurwapen op buurman William geschoten. William woont op 3. Ronald van nummer 1 was er bij toen het gebeurde.

Het was begonnen met planken. William was er in de zomer komen wonen. Hij wilde een schutting bouwen en Riekus had dat best gevonden. ‘Als je maar op je eigen grond blijft’, had hij gezegd. Niet veel later beweert William dat zijn nieuwe buren planken van hem hebben gestolen. Hij had bij hen planken zien liggen die hij gebruikt voor de schutting. Riekus: ‘Hij kwam bij mijn vrouw en eiste dat ze een aankoopbon toonde. Die hadden we. Ik dacht toen wel, wat is dit? Wat krijgen we nou naast ons wonen?’

Daarna begon het geblaf van honden, dat ging heel de dag door. Altijd rook uit een vuurton. Er was gedoe over de geiten. Riekus: ‘Hij zei dat mijn vrouw onkruid aan zijn geiten had gegeven. Hij ging helemaal door het lint.’

De rechters: ‘Er was geen sprake van een gezellig burencontact.’
Riekus: ‘Nee’

In oktober gaat bij nummer 3 het eerste vuurwerk de lucht in. Op 5 durven de honden niet meer naar buiten. Het waren enorme explosies, zegt Riekus. ‘Ik heb hem erop aangesproken, maar hij ging gewoon door.’

Het wordt december, het wordt oud en nieuw, middernacht. Op straat staat een kruiwagen met daarin een vuurtje. Riekus en zijn vrouw besluiten gezien de onderlinge verhoudingen binnen te blijven. Het vuurtje wordt groter. Dan belt William aan bij zijn buren, om – zo verklaart hij later – met de beste intenties hen een goed nieuwjaar te wensen. Riekus en zijn vrouw zijn er niet van gediend.

Het vuur op straat wordt groter en Ronald van nummer 1 begint zich zorgen te maken, ook omdat William en diens broer die op bezoek is, al aardig dronken zijn.

Het wordt vier uur in de ochtend. Riekus slaapt al als William, broer en Ronald opnieuw aanbellen. Ze hebben net bloempotten uit de tuin in de sloot gekieperd, maar willen het nu weer goedmaken.

Riekus komt uit bed en laat hen binnen. Ronald van 1 zegt dat hij is meegekomen om te bemiddelen. Riekus: ‘Ik heb ze een goed nieuwjaar gewenst.’ Maar in plaats van een mooie nieuwe start, slaat de vlam in de pan met lelijke woorden en dreigementen. William geeft Riekus een kopstoot. Riekus: ‘Vroeger had ik hem een ram voor zijn harses gegeven, maar mijn rug is zo slecht, ik kan niet meer vechten. Ik werd bang, ik dacht we gaan eraan, ik dacht, ze moeten mijn huis uit.’

Riekus kreeg ooit een wapen van zijn vader. Dat ding ligt in een kluis op de slaapkamer.
Rechters: ‘Wat was u van plan?’
Riekus: ‘Ik wilde dat ze opdonderden.’

Als hij de kamer weer binnenkomt roept hij: ’Eruit’.
William reageert: ‘Schiet dan klootzak, dat durf je toch niet.’
De partner van Riekus belt 112.
Ronald loopt naar de voordeur, zal wel gedacht hebben: dat bemiddelen moet een andere keer maar.
Riekus roept dat het wapen geladen is.
William gaat er vandoor. Dat wil zeggen, hij rent naar zijn woning en komt terug.
Met in zijn hand ook een wapen.
Hij rent op Riekus af en schiet. En nog een keer.
Riekus: ‘Ik zag een steekvlam. Toen schoot ik ook, in een reflex.’
William roept dat-ie geraakt is (in arm en buik, niet levensbedreigend).
De politie komt.

Zeven weken had Riekus in de gevangenis in Leeuwarden gezeten. Dat was geen pretje geweest. Eind februari mocht hij naar huis. In de rechtszaal hoort hij de officier van justitie zeggen dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot doodslag. Maar dat er sprake is van noodweer.

William was de agressor, hij zocht de confrontatie, hij schoot als eerste tweemaal, was flink onder invloed. Riekus, broodnuchter, mocht zich verdedigen met wat in die noodsituatie voorhanden was: het wapen in zijn hand. Zijn schot was proportioneel. Wanneer sprake is van noodweer kan geen straf worden opgelegd.

Riekus, die het af en toe zwaar heeft tijdens de zitting, lijkt opgelucht. Voor heel even, want de officier van justitie is nog niet uitgepraat. Er is ook sprake van wapenbezit en dat is nooit noodweer. Ze zegt: ‘Als er geen wapen was geweest, dan had hij ook niet geschoten. Ik eis voor het wapenbezit zes maanden celstraf.’

Riekus vraagt de rechters het anders op te lossen. Hij heeft al zeven weken vastgezeten, moet hij terug naar ‘Leeuwarden’, dan zal hij zijn baan kwijtraken. Zegt: ‘Hoe zal ik, 54 jaar, versleten rug, ooit weer werk vinden?’
Riekus heeft aangegeven dat hij blijft wonen waar hij woont. Hij laat zich na 27 jaar niet wegjagen. William piekert er eveneens niet over te verkassen. Op 3 staat zijn droomhuis.

Ik neem aan dat buurman William zich binnenkort eveneens moet verantwoorden in de rechtszaal. Gezien de woorden van de officier van justitie moet niet worden uitgesloten dat ook hij gevangenisstraf tegemoet kan zien.

Eigenlijk zouden de rechters de mannen moeten veroordelen tot elkaar. Zodat ze elkaar eens goed in de ogen kijken, elkaar dan een hand geven en dat ze dan opgelucht zeggen: ‘A je to.’

Rob Zijlstra

update – 9 november 2018 – uitspraak
Riekus is ontslagen van alle rechtsvervolging zoals het openbaar ministerie dat ook had voorgesteld. Wel een straf voor het wapen, maar geen 6 maanden zoals was geëist. De rechters losten het dus anders op. Wel 120 dagen waarvan 76 voorwaardelijk – de tijd dus die hij al had vastgezeten.  Riekus raakt dus met zijn versleten rug zijn baan niet kwijt. Hieronder het volledige vonnis [klik op afbeelding]

publieksacademie voor de rechtspraak, op donderdag 15 november, over mediation [voor meer info: klik voorzichtig op de afbeelding]

Cocaïne op een vouwfiets

Zit Heinrich daar nou te huichelen in de verdachtenbank? Of vertelt hij de waarheid? Als dat laatste het geval is, dan kun je Heinrich gerust een domme Duitser noemen. Er zijn niet bevestigde aanwijzingen dat hij dat niet is.

Wat Heinrich (47) de rechters wil doen geloven is dat hij zijn auto had verkocht en met het geld vanuit Osnabrück naar Amsterdam was gegaan, daar cocaïne had gekocht, van de dealer meer cocaïne mee moest nemen dan waar hij voor had betaald, dat hij toen nog een kopje koffie had gedronken met een kennis aan de Amstel en vervolgens met de trein naar Groningen was gereisd om via Delfzijl, waar hij een hotel had geboekt, de coke op een vouwfiets naar Duitsland te trappen.

Aan het einde van de zitting vertelt hij aan de rechters dat hij niet goed had nagedacht, dat hij naïef is geweest. En dom. Hij zei het dus zelf. En ook nog dat hij graag naar huis wil, naar zijn vrouw die hem nodig heeft.

De officier van justitie heeft dan net zeven maanden gevangenisstraf geëist. Neemt de rechtbank die eis over dan moet Heinrich nog drie maanden brommen.

Medegedetineerden in de penitentiaire inrichting in Leeuwarden hadden gezegd dat als je een Duitser bent, een Duitser die drugs smokkelt, je dan niet een heel hoge straf krijgt. Hoe anders dan in Duitsland. Thuis had hij in 2014 vijf jaar en drie maanden gevangenisstraf gekregen voor iets soortgelijks. Van die straf heeft hij drie jaar uitgezeten.

Toen Heinrich deze zomer op het treinstation in Groningen werd gearresteerd was hij nog geen jaar op vrije voeten.

Hij werkte in Osnabrück zes dagen per week in een winkel vol groente en fruit. Op zijn eerste vakantiedag verkocht hij de auto en reisde per trein met zesduizend euro in de broekzak en een vouwfiets als handbagage naar Amsterdam. Van iemand die hij kende – vaag bleef hoe – zou hij 150 gram cocaïne kopen voor 5500 euro. Maar de verkoper eiste dat Heinrich 350 gram extra mee zou nemen naar Duitsland. ‘Je gaat toch.’ Zou hij dat niet doen, dan kon hij fluiten naar zijn zojuist afgegeven 5500 euro. En naar de drugs. Dan had ‘ie niks. Tegen de rechters: ‘Ik ben onder druk gezet. Ik ben dader en slachtoffer tegelijk.’

De deal wordt gesloten. Heinrich gaat daarna nog met een andere kennis een kopje koffie drinken aan de Amstel en stapt dan in de trein naar Groningen. Met zijn telefoon boekt hij een overnachting bij Hotel Boven Groningen in Delfzijl, het hotel, aldus het hotel, waar de Belg Georges Simenon nog logeerde toen hij zijn eerste boek schreef over detective Jules Maigret. De volgende dag, het weer was mooi, zou Heinrich op die vouwfiets via Termunten en door de Carel Coenraadpolder ongemerkt Duitsland binnen fietsen.

Het gaat anders. Een onbekend iemand belt de politie en meldt dat in Amsterdam zojuist een Duitser met een vouwfiets op de trein is gestapt. In zijn rugtas zit een halve kilo cocaïne, niet eens verstopt. Het is de trein naar Groningen. Agenten wachten hem op en houden hem op het perron aan.

Zo is het gegaan, zegt Heinrich. Hij zit nu zwaar in de problemen. Zijn vrouw heeft bezoek gehad van mannen. Die willen misschien wel geld, of hun drugs terug die hij extra had meegekregen, de drugs die op het station in Groningen in beslag zijn genomen. Mannen die dit soort bezoekjes brengen, zijn doorgaans geen aardige types. Kijk maar naar films.

De rechters willen weten of Heinrich weet wie hem heeft verraden, wie de politie belde met de mededeling dat hij in de trein naar Groningen zat. ‘Het kan niet anders’, zegt Heinrich, ‘dat het de man is geweest met wie ik koffie aan de Amstel heb gedronken. Die wist het.’

Via een telefoonnummer in het toestel van Heinrich weet de politie die man te achterhalen. Het is Pieter uit Eindhoven. Op het internet heet hij meesteroplichter te zijn, internationaal actief, vaak veroordeeld. Pieter kwam eens lang geleden landelijk in het nieuws toen hij een plan had bedacht om faillissementen van bedrijven te voorkomen. De aftrap van dit ondernemende initiatief werd verricht door de toenmalige staatssecretaris van Economische Zaken. Later kwamen er Kamervragen over hoe het kon dat de bewindsman zich had ingelaten met een meesteroplichter.

Die man dus.
Waarom hij werd verraden? Heinrich zou het echt niet weten. Keine Ahnung.

Bij de krant kwam ook een anonieme melding binnen. Misschien ook wel van die man, niemand zal het zeggen. Heinrich zou tientallen kilo’s cocaïne per week en dat jarenlang van Amsterdam, via de Eemshaven en Borkum naar ’t vaste Duitse land hebben gesmokkeld. Is de helft daarvan waar? De officier van justitie zegt desgevraagd dat hierover niets in het dossier staat.

De rechters vragen wat hij van plan was met die door hem gekochte 150 gram cocaïne. Want 150 gram is te veel voor eigen gebruik. Wilde hij het soms als een drugsdealer verhandelen? Heinrich: ‘Voor eigen gebruik. Ik heb nogal stress thuis. Af en toe een beetje cocaïne geeft minder stress. Een voorraadje is dan handig.’

De rechters zeggen dat ze hebben gelezen dat de vrouw van Heinrich – achttien jaar getrouwd – uit Colombia komt. Ze vragen – best een bijzondere vraag – of er een verband is tussen zijn vrouw en zijn handel en wandel met cocaïne? Heinrich zucht. Hij hoort dat vaker. ‘In Duitsland brengen ze me in verband met cocaïne vanwege de afkomst van mijn vrouw. Ben ik in Colombia, dan vragen ze of ik een nazi ben omdat ik uit Duitsland kom. Zo negatief, zo jammer. Het heeft niks met elkaar te maken.’

Heinrich hoopt dat hij snel terug kan naar Duitsland. Zijn kinderen, volwassenen, zijn in Colombia en allen zijn ze verlaten door hun mannen. Zijn vrouw kan daar moeilijk mee omgaan. Ze kan het niet loslaten, ze blijft maar geld sturen. Nu wil ze zelf ook terug naar Colombia, terwijl Heinrich plannen had in Osnabrück de lekkerste koffie te gaan verkopen omdat hij weet hoe je koffie moet branden. Maar als zijn vrouw vertrekt…

Rechters: ‘Nou, wat dan?’
Heinrich: ‘Niks goed.’

De rechters vragen of hij tot slot nog wat wil zeggen, iets wat nog niet is gezegd of belangrijk is.
Heinrich denkt na, kijkt even opzij naar zijn advocaat en zegt dan: ‘Krijg ik mijn fiets ook terug?’

Rob Zijlstra

update – 1 november 2018 – uitspraak 
Heinrich heeft de geëiste zeven maanden gekregen. De bij hem aangetroffen cocaïne is hij kwijt. Een in beslag genomen mobiele telefoon krijgt hij wel terug. En de fiets? Ik moet dat nog uitzoeken.

 

Er komt een dag

Het strafrechtelijk vervolgen van verwarde mensen, of van mensen die even in de war zijn, is geen aparte tak van sport binnen de strafrechtspraak. Je kunt je afvragen waarom dat zo is.

Wie normen overtreedt, moet gestraft. Dat is de afspraak. Het is niet om de misdaad te bestrijden, maar om iedereen weer even te laten weten wat wel en wat niet mag, waar de grenzen liggen. Daarna kan de wereld weer door draaien.

Het komt voor dat een slecht mens – een crimineel – na straf, dus nadat hij een tijdje op de verdiende blaren heeft gezeten, tot inkeer komt en besluit (belooft) een beter mens te worden. Als dat lukt is dat mooi meegenomen.

Wat voor de crimineel geldt, geldt niet voor de mens die op weg naar een zeker einde ontregeld raakt. Straf heelt geen zieken.

Wat te doen met Sara, een 45-jarige vrouw die op een dag werd geboren in Sarayönü? Zij pleegde een misdrijf. Dat ze dat deed staat niet ter discussie. Ze zegt het zelf ook. Sara heeft een jaar geleden een vrouw met een mes in de rug gestoken. Zij deed dat, zegt de officier van justitie, met voorbedachten rade. Het is een poging tot moord.

Het is voorbedacht omdat ze naar de Hema was gegaan en daar een Chief Knife (large) had gekocht met de bedoeling ermee te steken. Het is een poging omdat de vrouw die werd gestoken leeft. De steek in de rug, met kracht toegebracht, had fataal kunnen zijn, wat maakt dat de aanklager spreekt van een zeer ernstig misdrijf.

Als je Sara zo ziet zitten in de verdachtenbank, zij is een kleine vrouw, zou je niet zeggen dat zij een gevaar vormt voor de samenleving. Voorzitter van een breiclub zou ze kunnen zijn of van het buurtcomité dat ijvert voor een 30-kilometerzone in de wijk. Of deelauto’s. Sara zegt dat ze geen moordenaar is: ‘Dat zit niet in mij.’ Ze zegt dat het ook niet haar bedoeling was iemand om het leven te brengen. Als ze dat zegt, moet ze even huilen.

Ze was met haar verhaal naar de media gestapt, maar wij wilden haar niet geloven. Ze vond geen gehoor. Ze had als kleine vrouw uit een Turks provinciestadje het opgenomen tegen het grote GGZ Drenthe, de instelling in Assen die haar niet alleen veel onrecht had aangedaan, maar ook haar maatschappelijk leven had verwoest. Zo voelde ze dat.

De GGZ had haar zeg maar gek verklaard en laten opnemen en dat wilde ze niet. Het was tegen haar wil. Later beweerde de instelling dat de opname op vrijwillige basis was geweest, maar de uitkomst van de strijd die ze was aangegaan luidde dat haar onrecht was aangedaan. De GGZ had jaren van haar leven afgenomen en dat had niet gemogen.

Ter compensatie biedt de instelling uiteindelijk geld aan. Sara mag 5.000 euro krijgen. Maar ze wil meer, ze wil het geld, maar vooral ook erkenning, erkenning van het onrecht. Maar die erkenning blijft uit en daar kan ze moeilijk mee omgaan. Het gaat dan ook mis. Ze raakt haar huis kwijt, haar baan, ze raakt dakloos. De Turkse gemeenschap waartoe ze behoorde laat haar vallen. Dat is wat ze aan de rechters vertelt. Het had haar verdrietig, machteloos en boos, heel boos, gemaakt en dat allemaal door elkaar.

Ze zint op wraak. Er is een man die lelijke dingen over haar op het internet heeft gezet en haar zo tot schande maakte. Ze weet waar in Rotterdam hij woont. Daarom kocht ze dat grote mes, om hem te steken.

De avond voorafgaand aan haar voorgenomen misdrijf leest ze een nieuwsbericht. Ze leest dat GGZ Drenthe financieel in zwaar weer zit, dat er moet worden bezuinigd en dat er banen op de tocht staan. En, dat vooral, dat de directeur een ontslagvergoeding van 80.000 euro heeft meegekregen.

Er knapt iets. Haar scheepten ze af met 5.000 euro en zo’n directeur, verantwoordelijk voor haar ondergang, krijgt 80.000. De volgende ochtend besluit ze niet naar Rotterdam te gaan, maar naar het hoofdkantoor van GGZ Drenthe. Het mes stopt ze in haar rugtas. Buiten regent het.

Bij de balie vraagt ze naar de directeur. De medewerkster belt naar boven. Kort daarop komt een vrouw van de trap naar beneden. Sara loopt naar haar toe, ze tovert een busje pepperspray tevoorschijn en spuit. Daarna pakt ze het mes uit de rugtas en steekt. Dan gaat ze op een bankje zitten.
In de rechtszaal tegen de rechters: ‘Ik wilde laten zien dat ik ook macht heb.’
Rechters: ‘Het was een groot mes.’
Sara: ‘Veel macht.’

Ze herhaalt dat ze niemand wilde vermoorden. Zegt: ‘Toen ik binnen was wilde een voet weer naar buiten, maar de andere wilde blijven.’ En: ‘Ik wilde iemand een litteken voor het leven geven. Het is jammer dat het zo is gegaan.’

In het Pieter Baan Centrum hebben ze bij Sara tussen de oren gekeken. Conclusie: ‘Ze lijdt aan haar eigen levensgeschiedenis.’ Ze is psychotisch, er zijn wanen. Ze meent dat ze met gebeden rampen kon veroorzaken. Niet uitgesloten moet worden dat de ramp met de MH17 haar schuld is, zo denkt ze. Er zijn ook frappante overeenkomsten: net als GGZ Drenthe ontkent ook Rusland.

Sara zegt tegen de rechters: ‘Ik kan nu weer helder denken. Ik krijg nu goede zorg. Ik zit al een jaar vast, er zijn geen incidenten geweest. Ik werk aan alles mee. De GGZ is geen vijand meer.’ Ze vindt dat ze wel wat hulp kan gebruiken. Een beetje begeleiding zou welkom zijn. Meer is niet nodig.

De officier van justitie – strijder tegen de misdaad – ziet het anders. Tegen de adviezen van deskundigen in eist hij het zwaarste middel dat hij in huis heeft voor een verdachte die hij beoordeelt als volledig ontoerekeningsvatbaar: de maatregel tbs met dwangverpleging. Sara vormt een gevaar voor de samenleving en die samenleving heeft recht op maximale bescherming. En het strafrecht kan daarvoor zorgen.

Slecht en verward belanden in de gebouwen waar de strafrechtspraak wordt bedreven in hetzelfde verdachtenbankje, twee werelden van verschil worden daar op één hoop gegooid. Er komt vast een dag dat we dat anders doen. Maar daarmee kan nu nog geen rekening worden gehouden.

Rob Zijlstra

 

update – 27 oktober 2018 – uitspraak
De rechtbank heeft Sara veroordeeld tot de maatregel tbs met voorwaarden. De rechtbank vindt dwangverpleging – zoals was geëist – een stap te ver. De vrouw wordt op dit moment behandeld in een kliniek en is stabiel. Ze zal daar nog twee jaar moeten blijven. Doet ze dat niet (ze kan weglopen), dan kan de maatregel alsnog worden omgezet in een tbs met dwangverpleging.

In totaal heeft de rechtbank veertien voorwaarden geformuleerd waar ze zich aan moet houden. Behalve de behandeling krijgt ze ook een verbod op het gebruik van sociale media.

De GGZ-medewerkster krijgt en schadevergoeding van ruim 14.000 euro. Een deel, 7500 euro, is smartengeld.

Aanhoudingsvuur

Wat een bijzondere zaak. Sowieso. De verdachte is een politieagente, dat gebeurt niet ieder jaar. De agente wordt bij aanvang van de strafzaak beschuldigd van een poging tot doodslag. Ze heeft met haar dienstwapen op een burger geschoten en dat had ze volgens het Openbaar Ministerie niet moeten doen.

Zelf denkt ze daar anders over.

De agente zit in vol ornaat in de verdachtenbank, met alle attributen aan de koppel. Alleen de holster die met riemen vastzit aan haar bovenbeen is leeg. Zo’n twintig collega’s, meestens ook in uniform, zijn meegekomen voor ondersteuning.

Het lijkt wel of de politie terechtstaat wat natuurlijk niet zo is. Wie terechtstaat is Ellie uit Emmen, 41 jaar en al 21 jaar bij de baas. Toen het gebeurde was ze in opleiding. Ze wil operationeel expert worden, een functie waarin je moet initiëren, bouwen, onderhouden en regisseren. Ze zat in de auto naast haar mentor Jaap die al operationeel expert is.

Het volgende gebeurde. Gedoe in de stad. Een man bedreigt zijn ouders en zwaait met wapens. De politie wordt gewaarschuwd en de meldkamer maakt er een prio 1-melding van. Dan is het serieus en is haast geboden. Vijf politieauto’s spoeden richting het gedoe.

Ter plaatse blijkt zoonlief niet meer aanwezig. Hij is met zijn vader in een auto vertrokken. Moeder zegt dat zoonlief weer kalm en rustig is. Ja. Hij heeft de wapens, twee, in een plastic tasje meegenomen. De operationeel expert vindt vooral dat laatste niet fijn. Besloten wordt om vader en zoon op te sporen.

Vrij snel wordt de auto getraceerd en door Jaap en Ellie aan de kant van de weg gedirigeerd. Zoonlief blijkt kort daarvoor te zijn uitgestapt. Ja. Met de wapens. Het is dan 20.33 uur. Op dat moment komt er een man op een scooter aangereden.
Zou dat ‘m zijn?

Ellie initieert. Ze legt haar hand op haar wapen, ze scant de scooterrijder (zo zegt ze dat), wijst met een vinger naar voren, roept: ‘stop of ik schiet’ en schiet. Drie keer in dezelfde richting. De scooterrijder wankelt even, geeft gas en rijdt verder. Een vierde schot.
.
Operationeel expert Jaap is met stomheid geslagen. Ellie: ‘Ik moest hem aansporen. Ik riep, rijden! Ga achter die scooter aan!’ Maar de scooterrijder is sneller en verdwijnt zigzaggend in de avond.

Niemand die het zei, maar ik denk dat agent Jaap even na 22.00 uur die avond een half politiebureau bijeen heeft gevloekt. Experts kunnen dat. Want wat? Zoonlief heeft zich gemeld. Met de wapens. En dan wordt ook duidelijk dat hij niet (niet) de man was op de scooter. Ellie heeft op een onschuldige burger geschoten.

Drie dagen na het incident meldt ook de scooterman zich. Het is Mario, de snelste scooterrijder van heel de stad, zegt hij. Hij is ongedeerd gebleven, maar zijn scooter toont twee kogelinslagen, eentje in de uitlaat, eentje aan de zijkant, in het motorblok. Hij doet aangifte.

Het Openbaar Ministerie is tot de conclusie gekomen dat Ellie in strijd met de geweldinstructies heeft gehandeld. Ze had er – het signalement was vaag – niet vanuit mogen gaan dat de scooterrijder de gezochte persoon was. Er was geen sprake van een zo dreigende situatie dat het vege lijf gered moest worden. In niets gaf de scooterrijder aanleiding: Mario had de beide handen aan het stuur.

Ellie zegt dat ze weloverwogen schoot, tijd voor een waarschuwingsschot was er niet geweest. Waarom ze schoot? Om de verdachte aan te houden. Ze zegt: ‘Het was aanhoudingsvuur.’

De rechters willen weten of Ellie een goede schutter is?
Dat is ze, zegt ze. Ze is A.
Rechter, heul voorzichtig want het is een wat gekke maar wel relevante vraag: ‘Waarom schoot u dan niet raak?

Ellie zegt dat ze in haar 21-jarige carrière nooit eerder heeft hoeven schieten, dat op trainingen niet veel wordt geoefend om op rijdende voertuigen te schieten. Geleerd wordt dat dat zelden leidt tot gewenst resultaat en dat het gevaarlijk is bovendien vanwege afketsende kogels. Maar, zegt ze: ‘Niets doen was geen optie.’

Rechters: ‘Was u niet bang dat u hem dodelijk zou treffen?’
Ellie zegt dat ze bewust laag schoot, op de banden.
Rechter: ‘U wilde de scooter uitschakelen, maar niet de bestuurder?
Ellie: ‘De intentie van laag schieten is verwonden.’

Mario wil ook wat zeggen, maar dat mag niet. Hij heeft zich niet als slachtoffer gemeld. Rechters: ‘U bent dus toehoorder.’ Op de gang vertelt Mario dat de lezing die de agente geeft niet klopt. Ze zegt dat ze schoot toen ik kwam aanrijden. Maar dat is niet zo. Ze schoot toen ik haar gepasseerd was.’
Ik vraag of hij een bloemetje van de politie heeft gekregen. Of een brief desnoods, met excuses.
Mario: ‘Niks. Ik heb nooit iets van de politie gehoord.’

De officier van justitie zegt dat de agent strafbaar is en dus ook een straf verdient. En daar zit hij mee in de maag. ‘Voor een agent is niets zo erg dan om een verdachte te zijn.’ Hij laat vervolgens de poging tot doodslag varen. Ellie heeft zich nu schuldig gemaakt aan een poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. De daarbij passende eis in haar geval: een voorwaardelijke werkstraf van 120 uur. Dat is een waarschuwing.

Advocaat Hans Anker wil nog minder. Hij is het met de politie eens, want dat is de klant. Anker zegt dat Ellie in de gerechtvaardigde veronderstelling verkeerde dat de scooterrijder de verdachte was en dat het schieten een rechtmatige uitoefening van haar bediening is geweest. Geen opzet, dus niks straf.

Er zijn vaker verdachten die zeggen onschuldig te zijn. Die krijgen dan het verwijt van een gebrek aan probleembesef. En dan neem je dus geen verantwoordelijkheid voor wat je hebt gedaan. Verdachten van geweldsmisdrijven krijgen ook vaak te horen dat het niet aan hen te danken is dat het niet erger is afgelopen. Dat verdachte van geluk mag spreken dat het slachtoffer niet ernstig verwond is geraakt. Of dood, nog erger.

Tegen de verdachte Ellie wordt dit niet gezegd, terwijl zij wie dan ook op blote knieën mag danken dat haar vier weloverwogen schoten Mario niet raakten. Zo ze ook het rechtssysteem mag omhelzen en knuffelen omdat bij de straf(eis) rekening wordt gehouden met omstandigheden.

Maar wat zegt de operationeel expert in spe in haar laatste woord tegen de rechters?
Ze zegt: ’Ik zou het zo weer doen.’

Rob Zijlstra

>>  operationeel expert

> > geweldsinzet

UPDATE – 15 OKTOBER 2018
Elly is conform de eis van het Openbaar Ministerie veroordeeld tot een voorwaardelijke taakstraf van 120 uur: een waarschuwing dus. Ik sluit niet uit dat de agente in hoger beroep gaat. Voor de overwegingen van de rechtbank, klik op onderstaande afbeelding voor het vonnis.

update – 22 oktober 2018 – dvhn
De agente gaat in hoger beroep. Tussen de visie van de rechtbank en de praktijk van de politie gaapt een grote kloof, zegt advocaat Wim Anker. Hij en zijn broer staan al jaren politiemensen bij die verdacht worden van een misdrijf.

update – 24 oktober 2018 – dvhn

update 2 – 24 oktober 2018 – politie aan de deur

Recht van gaan en staan

De beelden die in de rechtszaal worden getoond zijn springerig, maar wat te zien is laat toch weinig aan de verbeelding over. Twee mannen in een kleine, rommelige kamer. Een derde persoon filmt met zijn mobiele telefoon, hij maakt een vlog. Een eerste man wordt jolig voorgesteld als ‘de meest gezochte Turk van Nederland’. Vet gelach. Er wordt met messen gespeeld, er wordt gepraat over snitchers en hoe die – mes langs de keel – moeten worden geslacht.

Snitchers zijn verraders en zijn in zekere kringen niet zo populair.

Er verschijnt een televisie in het onrustige beeld. De begintune van het programma Opsporing Verzocht klinkt. Nog meer gelach. Als de presentatrice het item aangekondigt waar nationaal aandacht voor wordt gevraagd – de schietpartij aan de Korreweg in Groningen – wordt een paar keer hard en opgewonden ‘kankerhoer’ geroepen.

De vlog, aangetroffen op een telefoon, wordt in de rechtszaal getoond en dateert van 24 oktober 2017, de schietpartij was negen dagen eerder. Twee verdachten – de snitchers – zijn dan al aangehouden. De schutter is nog voortvluchtig en op dat moment inderdaad de meest gezochte van het land.

Het is Azim A., nog maar 21 jaar.

Hij heeft zich verschanst in die kleine, rommelige kamer in een flat in Groningen en is in het gezelschap van twee strafbare vrienden die hem helpen zoek te blijven. Twee weken later wordt Azim in die kamer gearresteerd, evenals zijn twee weldoeners, onder wie de vlogger.

Azim heeft zich volgens het Openbaar Ministerie schuldig gemaakt aan een poging tot moord. De eis die bij de rechtbank op tafel is gelegd: twaalf jaar gevangenisstraf en de maatregel tbs. Daarnaast ligt er een schadeclaim van bijna een miljoen euro. Hoewel in Groningen geboren, heeft Azim alleen de Turkse nationaliteit. De kans bestaat dat hij op een dag in de toekomst als ongewenste vreemdeling het land wordt uitgezet.

Op 15 oktober 2017, even na vijf uur in de ochtend, schiet Azim met een Nagant – model 1895 – op een fietsende passant. Met gestrekte arm lost hij vijf schoten. Drie kogels treffen het lichaam van de fietser die na een avondje werken en daarna op stap, op weg is naar huis.

De schade die de kogels aanrichten is zo ernstig dat het niet meer goedkomt. Sidney, student integrale veiligheidskunde, zal nooit meer kunnen lopen, zal altijd een aangepast leven moeten leven. In de rechtszaal zei hij tegen de schutter: ‘Jij hebt mij het recht van het gaan en staan ontnomen.’

Een mens kan achteloos een vlieg doodmeppen, zonder reden is dat nooit. Die beesten zijn vreselijk irritant. De huurmoordenaar heeft hoe verwerpelijk ook, een motief en een belang in de vorm van geld, genoeg om het geweten te sussen.

Maar Azim A. schoot zomaar.
Zonder aanleiding in welke vorm dan ook, zonder motief.
Het slachtoffer was een willekeurig iemand.
Azim A. was niet stomdronken, niet zwaar onder invloed van middelen.
Hij schoot in koelen bloede.
Hij pleegde een misdaad die thuishoort in de overtreffende trap van weerzinwekkend.

De officier van justitie: ‘Bedoeld om te doden.’

Dat Azim A. de schutter is, staat in de rechtszaal niet ter discussie. Hij schoot. Punt. De vraag is hoe het juridisch moet heten wat hij heeft gedaan. Was het voorbedacht of was er een plotselinge opwelling van het gemoed? Azim A. zwijgt. Hij heeft, zegt zijn advocaat, geen vertrouwen in de rechtspraak. Door alle media-aandacht is bovendien zijn privacy geschonden. Dat vindt hij.

Zelfs voor een B-film is dat een slecht verhaal.
De grootste vraag, en nooit eerder was die vraag in een Groningse strafrechtszaal zo groot, luidt: waarom?
Waarom doe je iets dat zinlozer is dan zinloos?
Waarom verknal je je leven?
En dat van een ander?

De rechtszaak duurt een dag. Ik kijk naar Azim als aan hem vraag na vraag na vraag wordt gesteld. Tweehonderd keer hoor ik hem zeggen dat hij zich beroept op zijn zwijgrecht, wat hij later op de dag vervangt door ‘geen commentaar’ of simpelweg: ‘zwijgrecht’. Daarbij kijkt hij boos, geërgerd en  gekrenkt als het persoonlijk wordt.

Na het schieten vlucht hij naar de woning van de moeder van zijn pasgeboren dochtertje, het jongste zusje van zijn eerste kind. Om de revolver van sporen te ontdoen, wast hij het wapen in het water van het babybadje, vertelt een medeverdachte bij de politie.

Rechters: ‘Is dat waar?’
De spieren in de kaak spannen zich, de blik verstrakt.
De rechters: ‘Als er één ding belangrijk voor u is, lazen wij, dan zijn het wel uw kinderen hè?’
Azim zwijgt voor heel even niet. ‘Zeker weten.’

Waste hij het wapen in het babybadje?
‘Geen commentaar.’

Na het schieten, zeggen de medeverdachten, zei Azim dat het lekker voelde. Alsof hij een vogel uit de lucht schoot. En dat hij ‘fucking trots’ was dat hij het had gedaan. Medeverdachte tegen de rechters: ‘Het was zo eng.’

Weer even doorbreekt Azim zijn zwijgen. Kortaf: ’Van die vogel, dat zijn leugens.’ Rechters: ‘Wat moeten we met zo’n mededeling als u over al het andere blijft zwijgen.’

Azim kijkt minzaam. En zwijgt.

In het Pieter Baan Centrum is hij eerst beleefd, vriendelijk en correct, later agressief, provocerend en vijandig. Dat zeggen ook zijn vrienden: Azim is ontzettend loyaal, maar hij kan ineens omslaan. De observatiekliniek komt niet met een advies want de onderzoekers weten het niet.

De officier van justitie zegt dat hij geen advies van deskundigen nodig heeft om vast stellen dat de verdachte gestoord is en bloedlink, iemand is die nergens voor terugdeinst en geen verantwoordelijkheid neemt. Hij zegt dat het daarom is dat hij naast twaalf jaar gevangenisstraf de maatregel tbs met dwangverpleging eist.

Dat waarom zonder antwoord blijft, doet zeer. Toen Azim A. eerder dit jaar, tijdens een pro-formazitting in mei, de rechtszaal binnenkwam, droeg hij een zwart T-shirt met op de rug een groot en glinsterend doodshoofd. Waarom was dat?

Alsof het leven – waarin je kunt gaan en staan waar je wilt, waarin je na een avond vol plezier met vrienden naar huis fietst, zin hebt in een volgende dag – is teruggebracht tot een game. Met springerige beelden, met punten als je raak schiet, met een bonus als het doelwit wordt uitgeschakeld.

Een leven ook waarin het waarom er niet toe doet.

Monstrueus.

Rob Zijlstra

 

update – 19 oktober 2018 – uitspraak

Azim A. is veroordeeld tot 10 jaar cel en tbs met dwangverpleging. Aan het slachtoffer moet hij ruim 400.000 euro betalen.

→ Voor meer over deze uitspraak en de medeverdachten: De Korrewegschutter