Geschoeide voet

De meest voorkomende misdaad in zittingszaal 14 is momenteel die met de geschoeide voet. Momenteel is dit jaar. Al een tijdje pieker ik over de vraag waarom dat zo is. De geschoeide voet is van alle tijden, maar nooit eerder waren het er zo veel.

Er is voor zover ik weet geen onderzoek naar gedaan. Dat is best raar. De halve strafrechtketen houdt zich bezig met de geschoeide voet, rechters zitten hele dagdelen achtereen verdachten aan te horen, maar een diepgravende wetenschappelijke verhandeling over de geschoeide voet in criminologisch perspectief lijkt vooralsnog een onbewandelde weg.

U moet het doen met een bescheiden beschouwing  van een rechtbankverslaggever.

De geschoeide voet gaat over mannen (altijd) die vechten, best vaak gaat het over meerdere mannen die met z’n allen matten tegen één. Die ene ligt dan op de grond, heel eerlijk is het nooit. Zolang ze erop los slaan gaat het over mishandeling en als er hard wordt gemept over zware mishandeling. Maar zodra eentje begint met schoppen, met schoeisel aan de voet, dan wordt het andere koek, dan gaat het naar een poging tot doodslag. Mits het slachtoffer op de grond blijft leven.

Pogingen tot misdaden zijn ook strafbaar.

Maar waarom is dit nu ineens de meest voorkomende misdaad? Alsof er geen drugshandel is, geen ondermijnende criminaliteit waar Grapperhaus 100 miljoen euro extra voor heeft uitgetrokken. Het antwoord: malheur.

Het is het misdrijf
van de kat in de bak

Het zit denk ik zo. Er is narigheid bij politie, gedoe bij het Openbaar Ministerie en kommer bij de rechtbanken, de drie hoofdrolspelers in de strafrechtketen. Alle sores leidt tot één en hetzelfde: gebrek aan capaciteit. Om de kachel toch brandende te houden wordt teruggegrepen op misdaden die zich eenvoudig naar de rechtbank laten slepen.

Misdaden met de geschoeide voet hebben gemeen dat de aanleiding onbeduidend is, de politie vaak snel ter plaatse is, dat er een zichtbaar slachtoffer is (hij die gehavend op de grond ligt), dat er veel getuigen zijn, de daders doorgaans dronken en, ook niet onbelangrijk, dat camera’s de afranseling hebben geregistreerd. Het is het misdrijf van de kat in de bak.

Wie een medemens met opzet hard tegen het hoofd schopt, neemt voor lief dat de afloop fataal kan zijn omdat het hoofd een kwetsbaar lichaamsdeel is. Qua straf is een poging tot doodslag de werkstraf ver voorbij: er worden gevangenisstraffen geëist en ook opgelegd, soms wel dertig maanden.

In de rechtszaal hebben de verdachten altijd spijt. Dan zeggen ze dat het niet zo had gemoeten. Geert stond afgelopen week terecht en hij trok zelfs een beetje wit weg toen hij zichzelf op de beelden in de rechtszaal terugzag. Hij: ,,Ik ben het wel, maar ik herken mezelf niet, zo ben ik niet.’’

Ze zijn ergens
voor de lol geweest

Geert is, voor leden van de Eerste Kamer geen Noord-Afrikaan, 22 jaar, zijn vriend Karel (idem) is een jaar jonger. Ze zijn ergens voor de lol geweest en willen de zondag afsluiten met wat eten in de shoarmazaak. Ze zitten aan het tafeltje bij het raam, pal naast de ingang en happen er smakelijk op los.

Er is nog niks aan de hand.

Maar dan. Op de beelden (die dus in de rechtszaal worden vertoond) is te zien dat een man – zeg maar Bernard – de zaak binnenwandelt en doorloopt naar achteren. Geert en Karel zien hem binnenkomen. Volgens een van de advocaten is duidelijk waarneembaar dat Geert en Karel op dat moment nerveus worden. De rechters zeggen dat dat zou kunnen, maar dat zij het niet zien.

Na 2, 3 minuten loopt Karel met de telefoon aan zijn oor naar buiten. We zien hem bellen. Karel zegt dat hij zich met de situatie geen raad wist en daarom zijn vader belde.

Dan verschijnt Bernard weer in beeld, hij loopt naar buiten. Drie seconden later vliegt Geert erachteraan, hij haalt met rechts uit en Bernard gaat op de stoep als een blok tegen de vlakte. De beelden die dan volgen laten de poging tot doodslag zien. Fraai is het camerawerk niet. Terwijl Bernard op de grond ligt, slaan en schoppen Geert en Karel er flink op los.

Bernard raakt buiten bewustzijn, de politie is er snel, de vader van Karel komt, de ambulance arriveert, Karel en Geert worden aangehouden en afgevoerd. Bernard mag het ziekenhuis diezelfde avond na een controle verlaten, met een gebutst hoofd en de kleren kapot. Er staat geen voetafdruk in zijn hoofd, wel de afdruk van zijn bril.

Ze zeggen dat
het noodweer was

Het slaan en schoppen duurde al met al 6, 7 seconden, de gevolgen moeten wat de officier van justitie betreft langer duren: anderhalf jaar gevangenisstraf. Omdat beiden geen strafblad hebben (na nu wel) mag daarvan een jaar voorwaardelijk. Betekent dat Geert en Karel voor een paar maanden terug moeten naar de gevangenis.

Geert trekt dat niet, zegt hij. Karel zal zijn baan verliezen. Ze hadden het gedaan uit angst voor Bernard. Karel zegt dat hij zich geen raad wist, Geert had een black-out gekregen, terwijl de emoties maar doorgingen. Ze zeggen dat het noodweer was, dat het Bernard was die (net niet te zien op de beelden) met gebalde vuisten op Karel afkwam. Geert had toen zijn vriend verdedigd. Bernard, hij zit vlak achter de twee verdachten, luistert en kijkt minzaam. Hij heeft een schadeclaim ingediend van ruim 15.000 euro.

Er was wel een aanleiding, misschien was het een wraakactie, opperen de rechters. Geert en Karel  zeggen van niet, van nooit een keer. In 2017 hadden ze het op een feestje aan de stok gehad met Bernard en wel zo dat hij Karel flinke klappen had verkocht. In de shoarmazaak zou Karel Bernard hebben toegebeten dat-ie een vuile oplichter is.

Advocaten vragen begrip en zeggen tegen de rechters dat Bernard niet zomaar iemand is, hij is een man met een zekere reputatie in Oost-Groningen, een man met lelijke streken, een bekende ook van de televisie. Iemand die bijtgrage herdershonden op journalisten afstuurt. Zoek maar op, zeggen de raadsmannen, op Foute Boel.

Voor het misdrijf met de geschoeide voet voor de shoarmazaak maakt het allemaal weinig uit. Het gaat om die ene schop, die twee schoppen tegen het hoofd, niet zozeer om de voorgeschiedenis.

Er komt vast een tijd dat politie, justitie en de rechters de zaken weer op orde hebben, de malheur voorbij. De geschoeide voet zal dan minder vaak in de rechtszaal opduiken, want daar is dan geen tijd meer voor.

Dat denk ik.

Rob Zijlstra

update – 22 oktober 2019 – uitspraken
Geert en Karel zijn conform de eisen veroordeeld. Niks noodweer.  In de krant staat waarom.

 

Alles was mooi

Naakt rende ze door de straat. Ze riep dat ze dood zou gaan, dat iedereen haar wilde opeten. En dat de wereld bezig was te vergaan. Erg vond ze dat niet. ‘Ik was niet wanhopig of zo.’ Wel dacht ze eraan om vrienden te bellen, om hen te waarschuwen. En ze probeerde haar vriend mee te trekken, de ruimte in. Ja, in een ruimteschip, daar leek dat ding op. Wat ze ook nog weet is dat er overal op de grond sinaasappelen lagen. In de ruimte zouden ze sterren worden. Dat van dat vleesmes uit de keukenla, dat weet ze niet zo goed meer.

Pas later, veel later, realiseerde ze zich wat haar was overkomen dan wel wat ze had gedaan. Toen lag ze al in een politiecel, in de isoleer en haar vriend ernstig gewond in het ziekenhuis. Met dat grote vleesmes uit de keukenla had ze hem in de buik gestoken.

Welkom in de wereld van de paddenstoel. Niet in die van de champignon, maar van de paddo’s, de schimmels die psilocybine en psilocine bevatten, organische verbindingen die je kunnen laten vliegen. Eeuwen achtereen leverden paddo’s kleurrijke, spirituele en psychedelische vergezichten op. Ruim tien jaar geleden kwam er een verbod na een aantal trieste incidenten met dodelijke afloop. Zij die waanden te vliegen waren ter aarde gestort.

Haar vriend was teruggekomen van een verre buitenlandse reis. Blij dat ze waren wilden ze er een mooie, spirituele zondag van maken. Ze hadden lekker eten in huis gehaald en hadden nog wat paddo’s over van een vorige keer. Niet dat ze het vaak deden, samen gezellig trippen, maar sporadisch. Om het feest compleet te maken namen ze gelijktijdig ook wat lsd uit het flesje dat ze ook nog hadden staan. Elk een druppeltje onder de tong.

Het was leuk begonnen. Alles was mooi, zegt Lucy. ‘We zaten voor de tv, naar live muziek te kijken, naar artiesten die we nooit eerder hadden gezien. Beetje knuffelen.’ Tegen de rechters: ‘Het was niet een heel heftige trip.’

Dat veranderde. ‘In mijn hoofd begon het te ontwaken, een awakening. Hoe? Alsof je Jezus Christus wordt. Ik hoorde stemmen, in het Engels, die zeiden dat de mensen er een zooitje van hebben gemaakt, dat we de aarde aan het vernielen zijn. Ik kreeg ook opdrachten.’

Er is altijd

kans op een bad trip

De 24-jarige Lucy heeft ervaring met middelen. Sinds haar zestiende blowt ze. Toen ze in de horeca werkte, soms tot zes uur in de ochtend, gebruikte ze speed om het vol te houden, ze werkte in een coffeeshop. In een andere periode in haar leven – zo zegt ze dat – bezocht ze festivals en slikte dan xtc om erbij te horen.

Ze zegt dat paddo’s niet behoren tot de meest gevaarlijke drugs, ook niet in combinatie met lsd. ‘Er is altijd een kans op een bad trip, maar ik sta positief in het leven.’ En ook nogal naïef, zal de officier van justitie later opmerken: bij de reclassering had ze gezegd dat ze niet wist dat paddo’s en lsd worden beschouwd als drugs. Dat bezit van harddrugs strafbaar is, daar had ze van gehoord, maar hoe het zat met gebruikershoeveelheden in huis, wist ze dan weer niet.

Drugs associeert ze meer met zelfdestructie en dat zijn niet de middelen die de geest verruimen. De reclassering: ‘Mevrouw ziet het leven door een roze bril.’

Rechters: ‘Wat waren dat voor opdrachten die u kreeg? Wat moest u doen?’
Lucy: ‘We moesten de ruimte in. Er was een soort ruimteschip. Ik wilde hem meenemen, maar hij wou niet. Ik had nog nooit een trip gehad waarbij ik iets zag wat er niet was.’

Van het steken kan
ik mij niets herinneren

Ze vervolgt: ‘Ik wilde toen ook niet meer, ik wilde slapen, maar in mijn hoofd ging het maar door. De wereld was aan het vergaan, overal lagen sinaasappelen, ik wilde dat mijn vriend naar de supermarkt ging om Coca-Cola te kopen. Ik heb toen ook plantjes uit het raam gegooid.’

Vaag weet ze nog iets van de keukenla, maar niet van het mes.
Rechters: ‘Buren hebben gezien dat u met het mes in de hand naar buiten kwam.’
Lucy: ‘Van het steken kan ik mij niets herinneren, dat wil ik ook niet, het lijkt me niet fijn.’

Rechters: ‘Uw vriend probeerde u rustig te krijgen.’
Lucy: ‘Hij stond daar met een rol ducttape in handen, ik dacht toen dat hij met me mee zou gaan. Ik was mij er niet van bewust dat ik een mes in handen had.’

De verwondingen zijn ernstig, maar vriend overleeft het. Hij zit in de rechtszaal op de publieke tribune, hij heeft geen aangifte willen doen. Lucy: ’We wonen ook weer samen.’

De officier van justitie kijkt bedachtzaam, vingers aan de kin, gaat dan staan en zegt: ‘Het culpa in causa-arrest, 9 juni 1981, Hoge Raad.’ In de richting van Lucy: ‘Nee, ik geloof niet dat u uw partner met kwade opzet heeft neergestoken. Maar schuldig bent u wel.’

Ze experimenteert om
los te komen van zichzelf

De officier van justitie gebruikt vervolgens veel tijd en woorden om het volgende duidelijk te maken: Lucy heeft het niet gewild, maar ze heeft wel ‘de aanmerkelijke kans aanvaard’ dat het mis zou gaan, ze had kunnen weten dat het zou kunnen gebeuren en ze heeft – door paddo’s en lsd tot zich te nemen, een bewuste keuze – zichzelf in die situatie gebracht. Mevrouw voelt zich meer slachtoffer dan dader, maar de ontremming is aan haar zelf te wijten. Ze experimenteert om los te komen van zichzelf. Gaat dat fout, dan is dat haar eigen verantwoordelijkheid.

Acht maanden celstraf, de helft mag voorwaardelijk. Daarnaast een drugsverbod vanwege haar naïviteit. De officier van justitie benadrukt dat hij een werkstraf in deze bijzondere zaak ‘een verkeerd signaal aan de samenleving’ vindt.

Strafrechtadvocaat Lidewij Wachters wil het anders doen. In tegenstelling tot bijvoorbeeld alcohol en speed, zijn paddo’s geen middelen die agressie opwekken, zegt ze. Paddo’s werken net als lsd niet ontremmend. Lucy had nooit kunnen bevroeden dat het faliekant mis zou gaan. Het is haar overkomen. Daarmee vervalt de schuld.

Lucy krijgt het laatste woord. Ze zegt dat ze haar les al heeft geleerd. Ze zat 81 dagen in voorarrest, toen mocht ze naar huis. De strafeis betekent dat ze terug moet naar de gevangenis om daar nog ruim een maand te zitten. Tegen de rechters: ‘Ik wil mijn studie afronden en mijn werk behouden. Celstraf lijkt me niet nodig.’

Rob Zijlstra

update – 15 oktober 2019 – uitspraak
Lucy is schuldig bevonden aan  poging tot doodslag. De rechters volgen de officier van justitie, maar leggen een andere straf op, en wel zo dat de vrouw niet terug hoeft naar de gevangenis. Wel hangt haar een jaar voorwaardelijk boven het hoofd (om haar van nieuwe trips af te houden).

klik op afbeelding voor volledige uitspraak

De notoire zwanenhater

De meeste misdrijven die worden gepleegd halen nooit de rechtszaal. Dat is maar goed ook, want zoveel rechtbanken en rechters hebben we ook weer niet. Het is ook zo dat de meeste strafzaken die wel worden behandeld, gaan over relatief kleine kwesties, hoe vervelend en naar die ook kunnen zijn. Een diefstal is niet leuk.

Dat het beeld van de misdaad anders is, komt omdat heel veel aandacht uitgaat naar het weinige dat er is, naar de zware misdaad, misdaden die de rechtsstaat van het land tarten en in crisis kunnen doen belanden.

Terwijl dat werkelijk gaande is, gaat het strafrechtbedrijf gewoon door met het werk van alledag. Een greep uit de zaken die zich in de voorbije vijf dagen in Groningen in de rechtszaal van het strafrecht aandienden: diefstal van een pakje shag, mishandelingen (ook van een levensgezel), vernielingen (bloembakken, tuinstoelen, een brandmelder), verbale bedreigingen (‘ik maak je dood’), huisvredebreuk, diefstallen van andermans spullen, pogingen daartoe (dus mislukte diefstallen), tanken en dan niet betalen, belaging via WhatsApp, schennispleging en een dief uit Ter Apel die zeventien opzettandenborstels en acht pakjes met scheermesjes van Gilette (kost een vermogen) had gestolen. Dat wil zeggen, dat was de verdenking.

Verder is het zo dat de meeste rechters geen dagtaak hebben aan de zware misdaad, net zoals bijna alle politiemensen in heel hun carrière nooit hoeven te schieten met het dienstwapen. Het klinkt niet stoer, maar 99,9 procent van de politieagent is hier niet rouwig om.

Nu ik toch bezig ben: een tiener die met een onklaar gemaakt nepwapen klooit, wordt ook nooit strafrechtelijk vervolgd, maar doorverwezen naar bureau Halt, hoe luid (en vals) het gekrakeel ook klinkt, wat moeder ook doet. En ook dat is maar beter voor iedereen.

Voor drie mannen die afgelopen week wel in de rechtszaal moesten verschijnen, pakte het allemaal wat anders uit. Zelf vonden ze het nogal overdreven, maar volgens de officier van justitie hebben de drie zich schuldig gemaakt aan ernstige strafbare feiten. De officier van justitie keek daar zo chagrijnig bij dat het buiten pardoes begon te regenen.

Hielke (70) uit Sappemeer en Gerben (72) uit Hoogezand hebben eieren geraapt. Zij deden dat tijdens het broedseizoen – in maart – op een niet toegankelijk eilandje in het Zuidlaardermeer.

Een controleur van Het Groninger Landschap had het tweetal in de verte zien lopen met een emmer en zag ganzen opvliegen. Die samenloop van waarnemingen maakte dat de controleur wist hoe laat het was. Hij belde een boa en deze ambtenaar die mag opsporen loerde vervolgens door zijn verrekijker naar de verte en telde 44 eieren in het emmertje.

Het waren eieren van de grauwe gans, de Anser anser.

Gerben mompelt dat hij zich van geen kwaad bewust was. Hij was met Hielke meegegaan, voor het eerst. Hoe moest hij dan weten dat hij daar niet mocht komen? Bordjes? Niet gezien. Ze waren er met een bootje naar toegegaan. Toen hij uitstapte was hij weggezakt en daarbij had hij zijn bril verloren.

Hielke bromt. Hij kwam er al jaren en dan dit. Er mag niks meer. Tegen de rechter: ‘Ik wil niet onfatsoenlijk zijn, maar ik vind dit nogal wat. Vissen op het meer mag ook al niet meer. Dan heb je eens een fatsoenlijk visje, een snoekbaars, en dan moet-ie terug. Weg hobby. Nou moet ik zeker aan een kanaaltje zitten met zo’n hengelstokkie. Daar ben ik de man niet voor.’

Gerben vult aan: ‘Ik kan beter niks zeggen want dan maak ik me kwaad.’

Hielke heeft recent zijn boot verkocht want de lol is er voor hem af. Over de geraapte eieren: ‘We zagen ze aankomen. Als we wisten dat het niet mocht, hadden we de eieren toch zo kunnen weggooien?’
Gerben: ‘Die bril ben ik dus nog steeds kwijt.’

Terwijl de officier van justitie met haar donderblik de zaal inkijkt, informeert de politierechter of Hielke en Gerben er financieel een beetje warmpjes bijzitten? ‘Alleen wao? Nou, dat is dan geen vetpot.’

De officier van justitie snibt dat ze de opzet van het strafbare handelen van Hielke en Gerben kan bewijzen. Niet alleen het rapen van eieren, ook het betreden van een verboden gebied – een Natura-2000 gebied. ‘Als we dat allemaal doen, hebben we straks geen ganzen meer.’

De strafeis: een boete van tweeduizend euro, de helft voorwaardelijk. De politierechter vindt die eis veel te hoog. Zegt: ‘Maar een dikke waarschuwing is op z’n plaats, want een beetje meer respect voor de natuur is niet verkeerd. U krijgt beide een boete van duizend euro, maar die is geheel voorwaardelijk. U merkt daar dus niks van.’

Hielke en Gerben knikken en zwijgen. Op de gang: ’Een goeie rechter.’

De derde verdachte is Dik, 78 jaar, geboren en getogen in het Reitdiepgebied. Hij heeft in april het welzijn van de knobbelzwaan geschaad. Hij deed dat met de wandelstok die ooit van zijn vader was. Daarmee sloeg hij de dieren van het nest. Ook schudde hij zwaneneieren in het nest zodat moederzwaan broeden kon tot ze erbij neerviel, nageslacht kwam er niet meer van.

Dik doet er niet moeilijk over. Zegt: ‘Ik heb de pokkepest aan die beesten. Weg ermee.’

De zwanenstand in het broedgebied was structureel te laag.
Het vermoeden was dat Dik al tientallen jaren strijd voert. Bij de natuurbeschermers in het Reitdiepdal staat hij bekend als de notoire zwanenhater. Nooit hadden ze hem met de wandelstok op heterdaad kunnen betrappen. Maar in april was het raak: camerabeelden.

De politierechter: ‘Het Reitdiep is een wonderschoon gebied, het mooiste van Groningen. Dat moeten we met z’n allen behouden.’
Dik: ‘Ik heb er nog nooit eentje doodgeslagen.’
Rechter: ‘Het zal, maar u bent niet vriendelijk voor de natuur.’
Dik: ‘Rotbeesten.’
Rechter: ‘U bent wel eerlijk.’
Dik: ’Zo is het.’

De boze officier van justitie had een heel valse straf voor Dik in gedachten: verplicht vrijwilligerswerk bij een zwanenwerkgroep. Praktisch bleek dat niet mogelijk. Vandaar de eis tot de werkstraf: veertig uur, de helft voorwaardelijk.

De politierechter neemt die eis over en kijkt op de klok.

Nog drie strafzaken te gaan vandaag. Een man die plastic vervoerde, maar niet de juiste begeleidingsbrief bij zich had, een bekend café uit Groningen dat de jaarrekening van het boekjaar 2016 nog niet ten kantore van de Kamer van Koophandel heeft geopenbaard en tot slot een kip met een opzettelijk onjuist ingevuld gezondheidscertificaat.

Daarna zit de dag erop.
Nee. Veel zal de wereld er niet van meekrijgen.

Rob Zijlstra

Smerig aandeel

In de eerste aflevering van het tweede seizoen van de graag geziene Netflixserie Narcos zit DEA-agent Steve Murphy eenzaam aan de bar – bar Dorado – zijn frustraties weg te drinken. Pablo Escobar is hem weer te snel af geweest en zijn grote liefde besluit vanwege de onveilige situatie terug te keren naar Amerika. Als Murphy vermoeid het toilet bezoekt treft hij twee Amerikaanse zakenmannen. Hij ziet hoe de een de ander een zakje met cocaïne geeft.

Steve Murphy vraagt, terwijl hij onder de stromende kraan de handen wast: ‘Daar knap je zeker van op?’ En: ‘Weet je wel hoeveel een kilo van dat spul kost?’ De mannen hebben geen benul, ze zeggen dat ze geen problemen willen. Agent Murphy: ‘Zes. Zes levens. Zoveel kost het. Dat zijn zes mensen die vermoord worden…’

In het volgende fragment slaat Murphy de dealer voor z’n kop. Dat wil zeggen, tussen de pisbakken beukt hij de neus van de kleine cocaïnedealer bloedig aan gort.

De makers van Narcos lijken bij de aftrap van het tweede seizoen duidelijk te willen maken dat niet alleen de grote drugsbazen aan de top slechteriken zijn, maar dat ook de kleine dealer aan de onderkant van de ladder medeverantwoordelijk is voor het wereldwijde drama dat de cocaïne-industrie veroorzaakt.

Onderschepte cocaïne wordt door ons van de krant gewaardeerd in een straatwaarde. De in beslag genomen partij drugs, schrijven we dan, heeft een straatwaarde van een half miljoen euro. Een kilo cocaïne doet op straat 50.000 euro. Maar het aantal doden per kilo blijft onbenoemd. Het zijn er volgens Steve Murphy dus zes. In de echte wereld ligt dat aantal, als Urk en Mexico worden meegerekend, misschien nog hoger.

Ik moest aan Steve Murphy en de toiletscène denken toen ik woensdagochtend in zittingszaal 13 zat, met voor mij in de verdachtenbank Wouter Jan, 30 jaar, cokesnuiver en een kleine drugsdealer, werkzaam in de Groninger horeca. Wouter Jan houdt zich of van de domme of hij heeft geen benul. Cocaïne lijkt voor hem een poedertje waar je een verdienmodel aan kunt hangen. Zolang je niet wordt gepakt, is het goed.

Rechter: ‘Verdiende u daar nou veel mee?’
Wouter Jan: ‘Nee edelachtbare.’

Hij zegt: ‘Ik heb er iets beter van kunnen leven, maar ik ben er niet echt beter van geworden.’ En hij heeft er natuurlijk ook heel veel spijt van. De rechter (‘hou op met dat ge-edelachtbare’) snapt dat van de spijt heel goed. ‘Want u zit nu hier.’ Wouter Jan knikt, blij dat hij een rechter heeft getroffen die hem begrijpt. Hij zegt dat hij ook heel blij is dat hij is opgepakt. Dat had hij ook tegen de agenten gezegd. ‘Goed werk jongens.’

Het ging fout (dus goed) toen hij als automobilist staande werd gehouden bij een verkeerscontrole. De agenten roken de geur van hennep en stelden een nader onderzoek in. In de auto vonden de beambten hennep, cocaïne en wat xtc-pillen, met een straatwaarde van één dood mens.

Wouter Jan ontkende het allemaal niet. Sinds een paar maanden dealde hij, gaf hij toe. Eerst op feestjes van kennissen, later op straat. Zijn werk in de gerenommeerde horeca van Groningen kwam van pas.

Tegen de rechters: ‘Ik woonde nog niet zo lang op mezelf en probeerde heel veel dingen tegelijk te doen. Ik dacht, ik moet financieel wat sterker staan om de dingen te realiseren die ik wil realiseren. Maar ik heb nooit de ambitie gehad om in de wereld van de drugs terecht te komen. Ik schaam mij tegenover mijn ouders en mijn vrienden.’’

Het klonk niet eens ingestudeerd. Wouter Jan is ook geen doorgewinterde crimineel. Maar dan slaat hij een beetje door. Want ook van het feit dat hij onder invloed van cannabis achter het stuur zat, heeft hij donders veel spijt. Wouter Jan: ‘Normaal gesproken zou ik nooit onder invloed in de auto stappen, want als automobilist moet je kunnen anticiperen op onverwachte situaties. Ik wil daarom scherp en geconcentreerd achter het stuur zitten. Zou ik het gevoel hebben dat ik niet geconcentreerd meer ben, dan zou ik de auto aan de kant zetten en mijn rust pakken.’’

De rechter: ‘Maar u zat wel onder invloed achter het stuur.’
Wouter Jan: ‘Ja, dat wel.’
De rechter: ‘En het was al de tweede keer dat u werd gepakt.’
Klopt.

Wat kleine drugsdealers als verdachten in de rechtszaal vaak vertellen (alleen weten ze dat niet van elkaar) is dat ze er eigenlijk niets aan konden doen. Ze worden altijd door onbekende onder druk gezet. En bedreigd. Zo ook Wouter Jan.

Hij zegt: ‘Ik ben onder druk gezet en bedreigd. Als ik heel eerlijk ben, vreesde ik voor mijn leven. Ik ben bedreigd met geweld, het waren letterlijk doodsbedreigingen.’ Nee, geen namen. En nee, daar heeft hij geen aangifte van gedaan. ‘Veel te bang, edelachtbare.’

Wouter Jan heeft het over een andere boeg gegooid. Hij doet nu alleen nog positieve dingen, vaak tot ’s avonds laat in de horeca. Zegt: ’Dan moet het koppie erbij.’ Van negatieve mensen heeft hij afstand genomen. Hij kan nu leven van de horeca, maar hij heeft ook een uitgever gevonden die zijn eerste boek over sprookjes komend voorjaar in de winkel wil hebben liggen. Uiteindelijk wil hij een succesvol schrijver worden.

De rechter: ‘Dus dit was eens, maar nooit weer.’
Zo is het.
De officier van justitie: ‘Qua misdaad is een gevangenisstraf passend, qua persoon niet. Ik eis een werkstraf van 200 uur, vier maanden voorwaardelijke celstraf en een rijontzegging van zeven maanden.’
De rechter: ‘U heeft een ommezwaai gemaakt in het leven.’
De advocaat: ‘Hij was dus echt heel blij dat hij werd opgepakt, hè.’
Wouter Jan: ‘Ik ben meer dan ooit gelukkig in de liefde.’

De rechter: ‘Schuldig en strafbaar. Een werkstraf van 180 uur, twee maanden voorwaardelijke celstraf als waarschuwing en een rijontzegging van zes maanden.’ De 1100 euro die bij hem in beslag is genomen, is hij kwijt.

Als Wouter Jan de rechtszaal verlaat, komt het akelige nieuws binnen dat de man die in Amsterdam is doodgeschoten strafrechtadvocaat Derk Wiersum is. Vermoord door de cocaïnemaffia waarin ook Wouter Jan, hoe klein ook, zijn smerige aandeel had.

Wouter Jan, zoek die scène maar even op (vanaf minuut 43). Kijk dan in de spiegel en sla vervolgens – als ware je Steve Murphy – heel hard jezelf voor de kop.

Rob Zijlstra

 

Arme rechters

Een droge klik klinkt, waarna de houten deur openzwaait en Lies in de opening verschijnt. Het is de deur van de verdachten die, vanuit zittingszaal 14 gezien, toegang geeft tot het betonnen cellencomplex in de catacomben van het rechtbankgebouw. Lies staat er als bevroren, haar mond een beetje open. Een onzichtbare hand lijkt haar tegen haar zin de rechtszaal in te duwen.

Schichtig spiedt ze om zich heen, stapje voor stap – het lijkt wel slow motion – gaat het richting de stoel waarop ze moet gaan zitten, op de stoel voor verdachten. In een fractie vang ik haar blik, zelden zag ik twee zulke wanhopige en bange ogen.

Met beide handen houdt ze een pluizig knuffeltje vast, vastgeklemd in haar knuisten. Het is een klein bruin-wit hondje. Ze drukt het zachte beestje tegen haar mond, haar gezicht, tegen het voorhoofd.

Als ze op de stoel zit, zegt ze met neergeslagen ogen: ‘Hallo.’ Haar groet klinkt verrassend helder. Hallo ook, zeggen rechters terug, ze zeggen het vriendelijk. De rechters hebben in de dossiers al het een en ander over Lies gelezen.

Lies is een 26-jarige vrouw. Ze is een beetje anders, maar goed genoeg om een verdachte in ons strafrechtsysteem te mogen zijn. Lies leeft in een kliniek vanwege dwanggedachten. Die heeft ze al heel lang. Drie jaar geleden sneed ze haar pink af, vroeger probeerde ze vaak zichzelf te doden, vooral nadat haar moeder was overleden. ‘Maar ik wist nooit zo goed hoe ik het moest doen’, zegt ze zachtjes tegen de rechters. Het klinkt als een verontschuldiging.

Lies wordt verdacht van brandstichting. Dat malle hoofd van haar had haar naar het politiebureau in Stadskanaal doen lopen, naar het bureau waar ze al eens eerder een ruit had vernield door er een steen tegenaan te smijten. Dat moest. Ze hadden haar aangehouden en zij had zich verzet. Behalve aan vernieling had ze zich dus ook nog schuldig gemaakt aan wederspannigheid, een heel gedoe.

Nu – dat wil zeggen ruim een jaar geleden – was ze weer naar het bureau gegaan, ditmaal moest ze naar binnen. In de hal had ze met een aansteker de dorre blaadjes van een plant in een plantenbak in de fik gestoken. Een agent had kordaat opgetreden. Hij had de brandblusser gegrepen en zonder zich te bedenken had hij het vuur dat aan de knisperende blaadjes likte doen doven.

Dit ingrijpen heeft niet kunnen wegnemen dat agenten die op die dag, op dat moment, aanwezig waren op het politiebureau in levensgevaar zijn geweest. Dat was natuurlijk niet zo, maar het Openbaar Ministerie schrijft het gewoon op in de dagvaarding, zodat het nog erger is.

Lies weet het allemaal niet meer zo goed. Ze zegt dat het geen actie tegen de politie was of zo. Dat de rechters dus niet moeten denken dat ze een hekel heeft aan agenten. Ze zegt: ‘Ze helpen mij juist heel vaak en goed.’

Het waren de dwanggedachten. Ze zegt dat als het spook haar iets opdraagt, dat dat altijd op haar zelf is gericht. Ze zal nooit iemand met een mes verwonden. Alleen zichzelf. Over brand: ‘Dat lijkt mij heel erg.’ Ze zat 38 dagen in de gevangenis, daarna brachten ze haar terug naar de kliniek.

Arme Lies.

In de kliniek waar ze nu zit, is ze op haar plek. Ze vindt het daar fijn want de mensen helpen haar. Het gaat ook best wel goed. Rare, nare gedachten zijn er nog wel, maar ze kan nee zeggen als het spook begint te grommen. Tot nu toe.

Maar de werkelijkheid die er echt toedoet, is niet de hare. De werkelijkheid is dat deze vrouw iets heeft gedaan wat een ernstig misdrijf moet heten. Brandstichting. En dus moet er strafrechtelijk worden ingegrepen. De politie heeft namelijk aangifte gedaan en een schadeclaim ingediend. De vloerbedekking is ietwat beschadigd en de Nationale Politie wil nu dat Lies een nieuwe vloerbedekking betaalt voor in de hal van het politiebureau van Stadskanaal.

Niemand daar riep: ho nou even. Niemand op het bureau die zei, maar toe nou, wij kennen Lies met haar knuffeltjes toch? Neen. De molen ging draaien en de aangifte van de politie belandde na maanden op het bureau van de officier van justitie. Diens rol is om de samenleving – dat zijn wij – te beschermen tegen criminelen en tegen Lies.

Dus. De eis die op tafel is gelegd: tbs met voorwaarden. Een andere mogelijkheid ziet het Openbaar Ministerie niet.

Lies knuffelt haar hondje. Ze aait en liefkoost. Geeft kusjes. Als de rechters haar halverwege de zitting uitleggen wat er allemaal gebeurt en wordt gezegd en wat daar mee wordt bedoeld, draait ze zich om. Ze kijkt naar mij die achter haar zit en vraagt wat de man met die laptop daar zit te doen?

De rechters zeggen dat ik iemand van de krant ben en dit ik heus haar echte naam niet in de krant zal zetten. Als Lies niet direct overtuigd lijkt, zeggen de rechters: ‘Hij kijkt ook of wij ons werk wel goed doen.’

Die opmerking noteer ik. Hoe doen de rechters het eigenlijk in zittingszaal 14? Goeie vraag, ook al omdat rechters zelf vinden dat ze hun werk niet naar behoren doen. Want de werkdruk is te hoog, overwerk is structureel, aan het bijhouden van vereiste deskundigheid komen ze niet toe en over de salarissen bestaat al jaren onvrede. Dat vraagt om ongelukken.

Arme Lies.
Arme rechters.
Tot elkaar veroordeeld.

De rechters moeten met al hun kennis en kunde, met hun ambities en werkdruk oordelen over een heel kwetsbare vrouw die langer dan een jaar geleden dorre blaadjes in brand heeft gestoken in de plantenbak op het politiebureau van Stadskanaal.

De advocaat wil geen tbs met voorwaarden. Want wat als Lies met haar dwanggedachten één foutje maakt? Dan hangt ze. Dan gaat ze de echte tbs in. En dat verdient ze niet. Lies zegt tegen de rechters dat ze liever blijft zitten in de kliniek waar ze zit.

Dinsdag doen de rechters uitspraak in deze onverkwikkelijke kwestie. Misschien dat de rechters opstaan tegen de vervolgingsmachine van het Openbaar Ministerie, dat ze fier zeggen dat ze hier niet aan meewerken, dat het strafrecht niet is bedoeld voor een vrouw als Lies. Om des gewetens wille.

Ik zou dan opschrijven dat de rechters hun werk goed hebben gedaan.

Het zal wel niet gebeuren.

Rob Zijlstra

update – 17 september 2019
Liesje is veroordeeld tot 38 dagen celstraf, tbs met voorwaarden en het betalen van een schadevergoeding van ruim 1200 euro aan de nationale politie. Ik heb de rechtbank gevraagd het vonnis te publiceren op rechtspraak.nl – het publiceren van vonnissen is (heel raar) geen automatisme.

>> tbs met voorwaarden is het beste

Youngboys van tegenwoordig

Wie wordt verdacht van een strafbaar feit en de pech heeft zich daarvoor te moeten verantwoorden bij de rechter, moet dat in het openbaar doen. In de blote kont. Iedereen kan meekijken, luisteren en ik kan er stukjes over schrijven. Anders is het als de verdachte nog geen 18 jaar is. Dan zijn de deuren gesloten.

Maar heel af en toe staan die deuren bij de kinderrechter op een kiertje –  bij wijze van spreken – en kan ik even naar binnen koekeloeren. Zo stonden nog niet zo lang geleden twee jongemannen, 16 en 17 jaar, terecht omdat ze middels ‘listige kunstgrepen en een samenweefsel van verdichtsels’ een cafetaria twee porties kapsalon döner met knoflooksaus afhandig hadden gemaakt. Ze pleegden hun misdaad via het internet.

Jong geleerd en gedaan.

Het is niet alleen kinderspel bij de kinderrechter. Zo nu en dan zie ik jongens en meisjes van 15 jaar door de gesloten deur naar binnen gaan omdat ze opzettelijk drugs hebben verkocht, afgeleverd, verstrekt of vervoerd. Kindsoldaten in vredestijd.

Nooit zal ik de zaak vergeten rond de dood van een vriendelijke en sociale man, zoals de officier van justitie hem in de rechtszaal omschreef. De man (53) woonde in een flat en je kon – iedereen wist dat in Delfzijl-Noord – wiet bij hem kopen. Als je geen geld had mocht het op de pof, dan schreef hij je naam in een schriftje.

Op een lelijke dag besloot een groepje jongens en mannen, minder- en meerderjarigen, hem te beroven. Drie van hen waren 17, eentje 19 en de vijfde net 20. Eerst wilden ze de McDonald’s in Appingedam overvallen, maar eenmaal ter plaatse vonden ze het er te druk. De man in de flat met zijn wiet en zijn schriftje was alleen, het zou een eenvoudig klusje zijn.

Hij had zich verzet, maar was niet opgewassen tegen zoveel jeugdig geweld. Twee dagen later werd hij gevonden. Doodgebloed. Als verdachten zaten ze in de rechtszaal. Het had even geduurd voordat ze werden opgepakt. Tijdens de rechtszaak zei de officier van justitie dat veel mensen in Delfzijl – jongeren en ouders – wisten wie bij de fatale overval aanwezig waren geweest, maar dat daarover werd gezwegen.

Terug naar nu. In Groningen gonzen geruchten dat recente gewapende overvallen, onder meer op cafetaria’s, zijn gepleegd door minderjarigen.

Door jochies.

Recent werd een jongen van 14 jaar veroordeeld wegens een gewapende overval op een Shell-tankstation in Groningen. In april volgde ik een rechtszaak van een minderjarige die betrokken was bij de overval, met messen, op een supermarkt in Holwierde. Het ging er heftig aan toe. Er waren twee daders, beiden 17 jaar. Behalve geld namen ze sigaretten mee van de merken die ze zelf roken. In hun omgeving waren die sigaretten opgevallen, maar niemand rook onraad of belde de politie.

Ik volgde de strafzaak achter gesloten deuren met toestemming van alle betrokkenen, dus ook van de ouders. Voorwaarde was dat ik niet over de inhoudelijke behandeling zou publiceren. Wat ik kan vertellen is dat ik schrok van het gemak waarmee jonge jongens ertoe overgaan een ov’tje te zetten, zoals ze dat zelf noemen. Zo’n overvalletje doe je bijvoorbeeld als je even geen geld hebt.

Ook niet helemaal onbelangrijk, een ov’tje op je naam is goed voor de status.
Dan krijg je respect.

In september vorig jaar werd cafetaria Alfa in Groningen-Zuid overvallen. Beelden van de overval gingen het land in via Opsporing Verzocht, nog altijd terug te zien op Youtube. Het zijn heftige beelden. Een overvaller dreigt met een vuurwapen, de tweede met een voortdurende knetterende taser, de derde heeft een mes. De buit bedraagt een klein beetje geld.

In Opsporing Verzocht zegt de politie te denken dat de overvallers nog jong zijn. En dat was ook zo. De lange man met het knetterende stroomstootwapen in de vorm van een zaklamp die dreigend bij de kassa staat is de dan 14-jarige Floris. Als hij wordt aangehouden wil hij niet vertellen wie die andere twee zijn. Hij is geen snitch.

Deze strafzaak woonde ik niet bij, maar ik las wel het vonnis. Dat is openbaar. De 14-jarige stond niet alleen terecht voor die overval, maar ook voor een poging tot doodslag, een bedreiging tegen het leven gericht en een woninginbraak. Uit de woning van ouders van een vriend – de sleutel lag onder de bloempot – haalde hij bankbiljetten, een MacBook pro, een iPhone, een Samsung Galaxy en een Playstation (4), prijzig goed dat hij later te koop aanbood op Instagram. Ook had hij bij de Mediamarkt een leeftijdgenoot met een vuurwapen tot bloedens toe op het hoofd geslagen (poging doodslag) en had hij het wapen tegen de slaap van de ongelukkige gezet en gezegd: ‘ik schiet je dood’ (bedreiging).

Hij haalde de trekker over en er klonk een droge klik.
Het wapen was niet geladen.

Nadat Floris in beeld was gekomen als verdachte voor de woninginbraak, werd zijn slaapkamer doorzocht. De politie vond een schriftje, een aanzet tot een dagboek. Hij schrijft treurig dat hij klaar is met leven, dat school aan zijn hoofd zeurt, dat hij ‘veelste veel’ wiet rookt, ‘….dat me stress toeneemt hoe meer nuchter ik ben’.

Hij schrijft dat hij 24/7 aan geld denkt, dat hij in september een ov heeft gezet. ‘Ik was de eerste youngboy van Groningen op Opsporing Verzocht, niks om trots op te zijn… maar ik krijg er zoveel respect voor’.

Verraden door zijn eigen wanhopige tekst.

Hij voerde nog aan dat hij vaker rapteksten schrijft over criminaliteit en het straatleven en dat de tekst in het schriftje niet serieus moet worden genomen. De rechters doen dat wel.

Floris heeft deze week zijn straf gekregen. Jeugddetentie met een hele waslijst aan verplichtingen (zoals het volgen van therapieën, enkelbandje, naar school) en verboden (geen alcohol, geen drugs). De komende twee, drie jaar zal hij worden omgeven door hulpverleners. Houdt hij zich niet aan gemaakte afspraken en de door de rechtbank opgelegde verplichtingen en verboden, dan wacht plaatsing in een instelling voor jeugdigen: jeugd-tbs.

Vijftien jaar (inmiddels), vaak niet nuchter, moe van het stressvolle leven en ten onder aan respect.
Wat zich achter die gesloten deuren van de kinderrechter afspeelt, is grotendeels onzichtbaar, maar kinderachtig is het niet.

Rob Zijlstra

Achterkant van Groningen

Nou ja. Het was al eens eerder crisis in de strijd tegen de georganiseerde misdaad. Gesjoemel en gesodemieter bij de politie (en justitie) in Amsterdam en omstreken leidde 25 jaar geleden tot een parlementaire enquete (commissie Van Traa) wat onder meer een rapport van 5.500 pagina’s opleverde.

Inzake Opsporing heette het. Als je het bestelde, kreeg je een doos vol.

In dat rapport werd niet alleen de crisis in de opsporing beschreven, maar werd ook een nauwgezet beeld geschetst van de criminaliteit waarmee Nederland een kwart eeuw geleden zat opgescheept. Veel te veel om dat hier allemaal eventjes te herhalen, maar één passage is altijd in mijn hoofd blijven zitten. Ergens in dat omvangrijke rapport staat dat alle vormen van criminaliteit die in Amsterdam bestaan ook in Groningen voorkomen. Alleen van alles een beetje minder.

In de voorbije 25 jaar is de misdaad er, zeg maar, niet op achteruit gegaan. En sinds deze week mogen we weten dat de strijd tegen de misdaad in Amsterdam glansrijk is verloren. Terwijl wij van de samenleving van alles bedachten om van ze te winnen, werden criminele mannen lachend miljonair en hun onzichtbare bazen miljardair.

Lezend in de Achterkant van Amsterdam – het rapport waarin de crisis van nu wordt beschreven – moet ik weer aan die vergelijking met Groningen van toen denken. Hoe ziet de achterkant van Groningen er eigenlijk uit? Wint het gajes ook hier?
Ik ben er niet gerust op.

De politie doet wel eens met man en macht in alle vroegte invallen in henneppanden, om mensen te arresteren en goederen als auto’s en geldtelmachines in beslag te nemen, om daarna persberichten de wereld in te slingeren waarin 64 keer het stoere woord ondermijning wordt gebezigd. Uiteindelijk, ook na jaren, hoor je er nooit meer iets van.

Praten met politiemensen in wandelgangen doet de hoop op goed ook niet gloren. Nu mogen politiemensen in wandelgangen van het management niet (meer) met journalisten praten, maar als ik toch goed naar ze luister worden er nauwelijks nog onderzoeken gedraaid. Onderzoeken die er wel zijn moeten binnen een week tot resultaat leiden. Blijft dat uit, dan is de zaak onopgelost. Op werkvloeren van politiebureaus broeit de onvrede.

Allemaal vanwege de capaciteit.

Het strafrecht zou op zich nog wel iets kunnen betekenen om de misdaad enigszins te beteugelen. Strafrechters kunnen immers met hun uitspraken aan de samenleving duidelijk maken wat nou wel en wat nou niet mag. Maar als grote politieacties zonder resultaten blijven en van rechercheurs het onmogelijke wordt verwacht, blijft er voor strafrechters weinig over om zich over uit te spreken.

En dit laatste is zo. Ik verwacht dat het aantal strafzaken in de categorie ‘ernstig’, dus de zaken die worden voorgelegd aan de meervoudige strafkamer (drie rechters), dit jaar dertig procent minder zal zijn in vergelijking met vorig jaar. Dat was een jaar waarin het aantal zaken sinds lange tijd niet zo laag was.

Hoe lelijk is de achterkant van Groningen?  In zittingszaal 14 in de rechtbank van Groningen zijn wekelijks voorbeelden op te tekenen die allerminste fraai zijn. Ter verontrusting:

Eind oktober 2017 is er een melding bij de politie die voor niet alledaagse ophef zorgt. Er is ingebroken in een woning in Hoogezand, in een woning van een politieman die op vakantie is. De buit: de wapenkluis met daarin politiekogels en het bijbehorende politiewapen, de Walther P99Q.

Het wapen was volgens de voorschriften veilig opgeborgen in de aan de betonnen vloer vastgeschroefde kluis, verstopt op de slaapkamer. In de kluis lagen ook patroonmagazijnen en tien biljetten van vijftig euro.

Een uiterst gevoelige kwestie, sprak de officier van justitie deze week in de rechtszaal. Het gevoelige zat’m niet zozeer in het feit dat een politieman het slachtoffer was geworden van woninginbraak. Dat komt wel vaker voor. Nee, het was dat het wapen via verkeerde handen in omloop was gebracht. De kwestie werd terstond gemeld aan het hoogste gezag, het Openbaar Ministerie. Geen discussie: de Walther moest zo snel mogelijk terug.

De beste speurneuzen waren niet nodig, want de daders kwamen snel in beeld. Een kennis van de vakantievierende politieman, een meisje uit de buurt, zou op de poezen passen en had dus een sleutel van de woning.

Een paar dagen voor de inbraak had ze de poezen verzorgd en had ze – ze was er toch – ook wat vrienden uitgenodigd om te chillen. Ze childen op de bank in de kamer en daarna op het bed in de slaapkamer.
Het politie-onderzoek bracht geen braaksporen aan het licht. Wel stond een schuifdeur open. En zo rees al ras het vermoeden dat de vrienden van de poezenoppas wel eens de daders zouden kunnen zijn. De politie noteerde hun namen en luisterde vervolgens hun telefoons af. Ja hoor. Wat de agenten hoorden klonk voldoende verdacht om de woningen van twee chill-vrienden aan een nadere onderzoek te onderwerpen.

Bij de een (23 jaar) vonden ze het dienstwapen, in een schuurtje onder de stenen. Bij de ander (21 jaar) de kogels, patroonmagazijnen en tien briefjes van vijftig. De twee werden gearresteerd en zaten zo’n twee weken vast.

De 23-jarige zegt in de rechtszaal dat hij niets wil zeggen, hij beroept zich op het zwijgrecht. De 21-jarige zegt dat hij in de woning, ja ook op de slaapkamer, heeft gechilld, maar dat hij met de diefstal niets te maken heeft. En die gestolen spullen die bij hem thuis zijn aangetroffen dan? Ooit van iemand gekregen. Nee, hij gaat niet zeggen van wie. Die tien biljetten van vijftig euro? Zelf verdiend met eerlijk werk.

Dan gaat de officier van justitie staan. Ze zegt tegen de rechters dat ze haar excuses wil aanbieden. Omdat ze deze bijzondere kwestie uit oktober 2017 pas nu aan de rechtbank voorlegt. Zegt: ,,Deze zaak heeft niet de prioriteit gekregen die het had moeten hebben.’’

Capaciteit.

Omdat het Openbaar Ministerie de zaak op z’n beloop heeft gelaten, vindt de officier van justitie het niet opportuun – niet eerlijk – om nu nog gevangenisstraffen te eisen. Werkstraffen volstaan. Voor de een 50 uur, de andere mag boeten met 140 uur.

De twee jonge mannen zijn mannen met eerste banen, criminelen zijn ze nog niet. Maar ze kunnen nu wel een spannend verhaal vertellen. Dat ze lagen te chillen op het bed van een agent en dat ze toen zijn wapen hebben gestolen en kogels en 500 euro.

Lachend verlaten ze het gerechtsgebouw.

Rob Zijlstra

update – kritische noot
Journalist Bart de Koning van Follow the Money analyseerde het rapport de Achterkant van Amsterdam. Hij heeft nogal wat bedenkingen >> analyse follow the money

 

Vakantievragen

Ik ga de vakantie in met prangende vragen.

Een tijdje geleden viel het mij op dat in zittingszaal 14 geen mannen meer terechtstonden vanwege de verdenking dat ze in bezit waren van kinderporno. Niet dat ik er op zit te wachten, daar is het niet om.

Maar als er eerst regelmatig strafzaken zijn rond dit misdrijf en dan ineens niet meer, dan is er iets aan de hand. Maar wat? Ik vrees dat er niet abrupt een einde is gekomen aan dit zedenmisdrijf, dat mannen er acuut mee zijn opgehouden. Er zijn duizenden redenen om dat wel te doen, maar er blijven altijd slechte mensen over die het fijn vinden om te zien hoe kleine kinderen gillend van de pijn door de lafste mannen worden verkracht.

Waar zijn ze? Ik stelde vast dat dit misdrijf zittingszaal 14 sinds juli 2018 niet meer heeft gehaald en belde met het Openbaar Ministerie, hofleverancier van strafzaken.

Is het zo dat het opsporen en vervolgen van kinderporno is stopgezet? Zo ja, waarom? Of worden er wel kinderpornozaken opgespoord, maar niet vervolgd? Als dat zo is, wat gebeurt er dan met die zaken die wel zijn opgespoord? Dat waren mijn vragen.

Ze zijn er wel, antwoordde het Openbaar Ministerie. Er zijn dit jaar al elf verdachten veroordeeld tot dader, zes in Leeuwarden, vijf in Groningen.

Ik mis heus wel eens wat, maar ik mis in Groningen in zes maanden tijd geen vijf strafzaken over kinderporno, daar geloof ik  helemaal niks van. De vraag is dus: wat weet het Openbaar Ministerie in deze wat ik niet weet? Wat zijn de  rugnummers?

Andere prangende vraag.

Bij slachtofferadvocaat Liesbeth Poortman meldde zich recent een radeloze vrouw die vertelde dat ze was verkracht door drie haar bekende mannen. Ze deden het in haar woning, zei ze. Pogingen om hiervan aangifte te doen bij de politie mislukten. Eerst stuurden ze haar terug naar huis met de opdracht er nog eens goed over na te denken. Dat is namelijk het protocol: slachtoffers moeten een bedenktijd in acht nemen alvorens de politie een aangifte opneemt.

Iemand bedenkt zoiets.
Een ander: ‘Wow, wat een goed idee.’
Er is vervolgens over vergaderd, want hoe anders?
Daarna is het nog eens doorgesproken.
Het is thuis verteld.
Er zijn adviezen uitgebracht.
Toen werd het beleid en nu wordt er naar gehandeld.

Dus.

Ik word door drie mannen bedwelmd en verkracht.
Ik stap in al mijn vernederde naaktheid naar de politie.
De politie bestudeert het protocol en stuurt mij vervolgens naar huis omdat ik er nog eens goed over moet nadenken.

Na dagen van bang, pijn, huilen en verwarring wil ik toch aangifte doen. Juist toen ik dat wilde, was er een agent ziek en een andere agent op vakantie en was er niemand over om de aangifte op te nemen. Of ik later nog eens terug wilde komen.

Een collega vroeg aan de politie: waarom?
Waarom gaat het zo, waarom doen jullie dit zo?
Maar de voorlichtingspolitie wilde niets vertellen.
Vanwege de privacy van het slachtoffer.

Mijn grote vraag: waarom bureaucratiepolitie, waarom doen jullie wat je eigenijk toch zelf ook niet wilt en waarom doen jullie het dan toch?

Er is een derde prangende vraag waarmee ik de vakantie in moet.

Er is de rechtbank Noord-Nederland.
De rechtbank Noord-Nederland wordt geleid door een driekoppig bestuur, het gerechtsbestuur.
De voorzitter mag zich president noemen.

Een van de bestuurders zegt na vijf arbeidsjaren bij de rechtbank Noord-Nederland dat er een ‘natuurlijk moment is gekomen om een nieuwe stap in de loopbaan te zetten’. De bestuurder, een allervriendelijkste man, was toe aan een nieuwe uitdaging (zo zeggen we dat).

Intern werd het zo uitgelegd.
Het kan ook zijn dat hij plaats moest maken voor een nieuwe bestuurder.

Hoe ook, in september 2018 stapte hij op, om per direct als directeur aan de slag bij de gemeente Almere.
Hij hopte van van top- naar topbaan.
Maar hij kreeg wel  een ontslagvergoeding van € 70.905,00.
Zoveel geld verdienen de meeste mensen niet eens met een jaar knetterhard werken

Vragen.

Waarom deelt het gerechtsbestuur intern mee dat de bestuurder toe was aan iets nieuws terwijl hij in werkelijkheid ontslagen is?
Want anders immers geen ontslagvergoeding.
Toch?

Of sjoemelt het gerechtsbestuur van de rechtbank Noord-Nederland met gemeenschapsgeld?
Of gaat het gerechtsbestuur hier helemaal niet over?
Is dit bekokstooft in Den Haag, op het ministerie aldaar?
Zo ja, waarom dan?
En als het wel volgens de regels is, waarom wil het gerechtsbestuur er dan niets over zeggen?

De president van het gerechtsbestuur zegt (laat weten) dat is afgesproken met de opgestapte bestuurder om er het zwijgen toe te doen.
Waarom zwijgen?
We moeten onze rechters wel kunnen blijven vertrouwen. Een beetje openheid helpt daar bij.

Pfff, het is me wat in de strafrechtketen.

In de Tweede Kamer wordt hardop gesproken over een mogelijke strafrechtelijke vervolging van twee hoofdofficieren van justitie (Marc van Nimwegen en Marianne Bloos) wegens onder meer valsheid in geschrifte. Kinderporno haalt (denk ik) de rechtszaal van het strafrecht niet meer. Wie wordt verkracht in eigen woning wordt op het eigen politiebureau nogmaals genomen (niet serieus). Rechters laten in het midden of er binnen het gerechtsgebouw is gesjoemeld. Een rechter die er kritisch over schreef is monddood gemaakt.

Waarom, waarom?

Ik kan niet wachten tot mijn vakantie voorbij is.

Rob Zijlstra

De columnist en de president

En toen mocht de rechter geen stukjes meer schrijven van de president

Een rechter van de Rechtbank Noord-Nederland mag van rechtbankpresident Maria van de Schepop geen stukjes meer schrijven op het interne netwerk van de rechtbankorganisatie. Een kritische column over het salaris van leidinggevenden en over een ontslagvergoeding van een bestuurder bij de rechtbank deed de deur dicht.

Rechter in kwestie is Edzard van Weringh, werkzaam in de sector civiel op de locatie Assen. Voorheen was hij jarenlang strafrechter in Groningen. Zijn columns staan op Intro en zijn te lezen door medewerkers van alle rechtsinstanties in Nederland. De columns zijn in het bezit van deze krant.

Het columnverbod gaat om meer dan een intern brandje. Er heerst al langere tijd onvrede onder rechters. De werkdruk is mede door een rechterstekort hoog, overwerk is structureel, rechters zeggen niet meer de kwaliteit te kunnen leveren die van hen wordt verwacht. Rechtbankpresident Van de Schepop vindt dat zelf ook. In een speech stelde zij dat kabinetsbeleid de kerntaak van de rechtspraak – samenleven mogelijk maken – uitholt. Eerder keerden rechters uit Friesland zich openlijk tegen het eigen bestuur naar aanleiding van bezuinigingsplannen. In Assen gingen rechters zelfs in toga als demonstranten de straat op.

In mei van dit jaar publiceerde rechter Edzard van Weringh een column onder de titel ‘reisleiding’. Hij schrijft dat leidinggevenden qua salaris leven in het land van melk en honing en waar de bergen van goud zijn. De bestuurders van de rechtbank Noord-Nederland staan in de boeken voor 1,11 fte, wat neer zou komen op een 40-urige werkweek.

Van Weringh stelt dat hij en veel van zijn collega’s vaak meer dan 40 uur per week werken, maar een dienstverband hebben van 1,00 fte.

Hij schrijft ook over het salaris van de president van de rechtbank Noord-Nederland: ‘Geen president van een rechtbank was zo duur als de president van de rechtbank Noord-Nederland.’ Het blijkt uit het jaarverslag. Van de Schepop is de best betaalde rechtbankpresident van het land. Zij verdient bijna net zoveel als de ‘echte’ president: 175.236 euro in 2018.

Ook hekelt Van Weringh een ontslagvergoeding van een bestuurder die in september 2018 opstapte. Reden voor dat vertrek, zo luidde intern de mededeling: voor de bestuurder was ‘een natuurlijk moment aangebroken’ om ‘een nieuwe stap in de loopbaan te zetten’. In de column schrijft Van Weringh: ‘Uit de berichtgeving kan ik alleen maar afleiden dat hij toe was aan iets nieuws; geen reorganisatie dwong hem tot vertrek.’ De bestuurder kreeg desondanks een ontslagvergoeding van 70.905 euro mee.

Ook dat staat vermeld in het jaarverslag. Heel kort na het vertrek was de nieuwe stap al gezet: de man werd directeur bedrijfsvoering bij de gemeente Almere, een carrièreswitch van topbaan naar topbaan.

Van Weringh stelt dat hij bang is dat leidinggevenden binnen de rechtbank Noord-Nederland de weg kwijt zijn.

Tamelijk onschuldig is nog zijn hartekreet om kunst in het gerechtsgebouw in Assen – ‘lukraak opgehangen knutselwerkjes’ – weg te halen. ‘Is groep 8 bezig geweest de school te versieren voor de musical?’ Het kunstbudget bedroeg volgens de rechter ’in elk geval 20.000 euro’ Zijn hartkreet: ‘Haal die rommel weg!’

Steviger wordt het als hij de fusie tussen de rechtbanken Groningen, Assen en Leeuwarden (tot de huidige rechtbank Noord-Nederland) aanhaalt. In 2018 bestond de nieuwe organisatie vijf jaar en dat moest, vonden de leidinggevenden, met trots worden gevierd. Volgens Van Weringh is de fusie uitgedraaid op een ramp. ‘Wat valt er, als we eerlijk zijn, nou helemaal te vieren?’

In de column ‘Bullshit jobs’ vraagt de rechter zich af of er op de rechtbank ook onzinbanen bestaan? Zijn conclusie: ja. Om opnieuw uit te halen naar de ‘duurbetaalde leidinggevenden’ die inspirerende sessies beleven en streven naar ‘een cultuur van sterke verbondenheid en een heldere visie op leiderschap’. Dat doen ze op ‘vage kletspraatbestemmingen’ of buiten de deur, in het Fletcherhotel in Paterswolde (‘aan geld hebben we immers geen gebrek’).

Van Weringh heeft een ‘inspirerend idee’ voor de eerst volgende dag van leidinggevenden in 2019: ga truien breien.

In de column ‘Deep democracy’ suggereert Van Weringh dat de rechtbank geen veilige werkomgeving is, met name niet voor het ondersteunende personeel dat lange tijd in onzekerheid zat in verband met een aangekondigde reorganisatie. De rechter schrijft: ‘Leidinggevenden die weten dat ze gevoelens van onveiligheid op de werkvloer veroorzaken, moeten zich diep schamen. En die gaan niet onder leiding van een extern adviseur praten met angstige werknemers, maar die bieden hun excuses aan.’

In juni vorig jaar kondigde Van Weringh zijn column aan. Voorheen reageerde hij vaak ‘kritisch en soms scherp’ op berichten die op het interne netwerk verschenen. Hij vond dat een organisatie ‘tegengeluid’ nodig had. Aanvankelijk hekelde hij vooral het managementjargon (‘met trots presenteren we jullie de gouden gedragsprincipes…’). Hij noteerde: ‘Ja, wat hebben we het druk met elkaar…’

Toen hij als ‘huiscolumnist’ begon, als goedgekeurd tegenspreker, waarschuwde hij wel. Hij schreef dat hij zich zou blijven verbazen en opwinden en zou blijven zeggen wat hij denkt. Hij kreeg de ruimte, maar na een jaar was de maat kennelijk vol.

Als strafrechter in Groningen stond Van Weringh bekend als een rechter met een enorme dossierkennis. Maar ook als een rechter die in de rechtszaal geen blad voor de mond neemt en om zijn soms harde en directe manier van vragen stellen aan verdachten. In een interview met deze krant, in november 2010, uitte hij al stevige kritiek op de gang van zaken binnen de rechtspraak.

Het rechtbankbestuur is gevraagd om een reactie.

Over de gang van zaken met betrekking tot de ontslagvergoeding van het vorig jaar vertrokken lid van het gerechtsbestuur zijn door deze krant twee maanden geleden vragen gesteld. Het bestuur wilde toen geen toelichting geven. De vraag is nu opnieuw gesteld, nu blijkens een column van Van Weringh intern is meegedeeld dat het vertrek kennelijk een eigen keuze was. De reactie van nu: ‘Hierover doen wij geen mededelingen omdat dit is afgesproken met ons voormalig bestuurslid.’

Op de vraag waarom Edzard van Weringh – als rechter voor het leven benoemd – als huiscolumnist geen stukjes meer mag schrijven voor medewerkers van de gerechten luidt het schriftelijke antwoord: ‘Dhr. Van Wering is uitgenodigd voor een gesprek om het besluit om te stoppen met de column toe te lichten. Dit gesprek moet nog plaats hebben. Wij communiceren hierover dan ook niet via de media.’

Ook Van Weringh laat desgevraagd weten even niets te willen zeggen.

Rob Zijlstra

extra

Reisleiding, de column die leidde tot het ontslag als columnist – illustratie is door mij toegevoegd

Willem van E.

Willem van E. / illustratie dvhn – george langeveld

 

 

 

Willem van E. vroeg wanhopig waarom hij het had gedaan

Op 77-jarige leeftijd is seriemoordenaar Willem van E. in de gevangenis in Vught overleden. In 2002 werd hij veroordeeld tot levenslang wegens doodslag en moord op drie Groninger prostituees.

Daags nadat de politie het onderzoek rond de Willem van E. heeft afgerond – het is november 2001 – krijgt de pers een rondleiding door het kleine boerderijtje bij Harkstede waar de seriemoordenaar woonde. Acht containers met troep zijn dan al afgevoerd. Het is een luguber inkijkje. Op de voordeur kleeft een sticker van de Bloedbank Groningen: ‘Geef bloed’. In de kleine woonkamer waar alleen nog een gordijn hangt heeft hij zijn laatste slachtoffer Sasja Schenker neergeslagen en gewurgd.

Twee moorden in de jaren zeventig in Zuid-Holland deden hem in de Van Mesdagkliniek in Groningen belanden. In 1990 kwam hij op vrije voeten, maar genezen was hij niet, zo zou blijken. In 1993 en 1994 bracht hij Michelle Fatol en Annelies Reinders om het leven. Jarenlang bleven deze moorden onopgelost. In 2001 werd in het water in de buurt van zijn woning kleding gevonden van Sasja Schenker. Nader onderzoek toonde aan dat Van E. verantwoordelijk was voor de dood van de drie vrouwen, allen prostituee.

Tijdens de rechtszaken draaide het niet om de vraag of hij het had gedaan of niet. De vraag was vooral of er sprake was van doodslag of van moord, toen nog het verschil tussen twintig jaar cel en levenslang. Het doden van Fatol en Reinders werden door de rechters gekwalificeerd als doodslagen, maar het doden van Sasja werd gezien als moord. En daarmee werd zijn straf levenslang.

Deskundigen beschouwden Van E. – een kleine gedrongen, maar beresterke man – als een levensgevaarlijke psychopaat. In de rechtszaal toonde hij berouw. Dat deed hij ook tijdens de politieverhoren waarvan beelden in de rechtszaal werden getoond. Wanhopig zei hij tegen zijn verhoorders: ,,Jongens, waarom heb ik het gedaan? Vertel me dat nou eens.’’ Tegen de rechters: ,,Ik heb die vrouwen nooit willen doden. Het is me overkomen. Ik ben geen monster.’’

Journalist Sytze van der Zee bezocht Van E. vele malen in de gevangenis en publiceerde in 2006 een boek (Anatomie van een seriemoordenaar) over de man die ‘het beest van Harkstede’ ging heten. Een van de vragen was of Van E. meer moorden op zijn geweten had. Zo is het vrijwel zeker dat de tot op de dag van vandaag vermiste prostituee Jolanda Meijer (sinds 1998) bij hem thuis is geweest. Uitvoerig onderzoek heeft hem echter niet aan haar raadselachtige vermissing kunnen linken. Tegenover Van der Zee ontkende Van E. zijn betrokkenheid. Van der Zee werkt al enige tijd aan een televisiedocumentaire over Van E. Hij had geen contact meer.

In mei overleed Dirk de V. die eveneens een levenslange gevangenisstraf in Vught uitzat wegens de moord op Tjirk van Wijk uit Groningen.

 

extra
Ik interviewde  rechter Kantinka Lahuis – de voorzitter – die de levenslange gevangenisstraf oplegde en vroeg haar hoe dat als rechter is. ‘Ik stond te trillen op mijn benen.’ Om dit interview uit april 2005 te lezen  [pdf] klik op onderstaande afbeelding.

 

Ik interviewde ook Sytze van der Zee die in 2006 een boek publiceerde over Willem van E., Anatomie van een seriemoordenaar. ‘Zorg dat de tafel tussen jullie blijft, de man is een monster.’ idem [pdf] klik

Politici en criminelen

Er komen zelden tot nooit geïnteresseerde politici in zittingszaal 14. Ja, als verdachten. In de afgelopen vijftien jaar zag ik een paar leden van Provinciale Staten – twee dacht ik – en een handvol gemeenteraadsleden vreesachtig langskomen. De heren politici deden in drugs, aan weerzinwekkende ontucht met hun kinderen of ze kwamen als dief. Maar nooit kwam er eentje uit belangstelling, om het oor te luister te leggen.

Uitzondering is PvdA’er Tjeerd van Dekken.

Hij belde eens toen hij nog lid was van de Tweede Kamer. Of hij een dag mee mocht lopen in zittingszaal 14? Mocht. Ik zei dat hij wel zijn mond moest houden omdat nu eenmaal is afgesproken dat leden van de wetgevende macht in de rechtszaal niets te zeggen hebben.

Het idee dat volksvertegenwoordigers belangstelling tonen voor de gang van zaken van de dagelijkse praktijk is daarentegen niet een heel wilde gedachte. Het recht is het geweten van de samenleving en strafzaken laten ons zacht gezegd niet onberoerd, schreef eens een rechtsgeleerde in een boek.

Komt bij dat de strijd tegen het ondermijnende kwaad niet alleen in de rechtszaal wordt gestreden. Steeds vaker wordt een beroep gedaan op het openbaar bestuur, met de burgemeester voorop. Politie en justitie kunnen het niet (meer) alleen. ’t Moet integraal. Dus ook in die zin zou het nogal wiedes zijn dat in vijftien jaar tijd meer dan één politicus, lokaal of regionaal, eens kwam buurten. Ik bedoel, ze hebben de mond vol van veiligheid en de stevige aanpak en ze gaan toch ook naar FC Groningen?

Dus. Stel er komt zo’n gekke dag waarop een politicus zich meldt omdat zij (’n hij kan ook) wil weten hoe het nou eigenlijk gaat. Niet hoe op papier of in de rapporten, maar hoe het is gesteld met de misdaadbestrijding in de rechtszaal.

Ik zou allereerst vertellen dat het geen zin heeft alle Marokkanen de schuld te geven. Dit jaar waren er in zittingszaal 14 nog maar twee Marokkaanse verdachten, heel vorig jaar vier. Minder kan echt niet. Een van die vier werd ook nog vrijgesproken.

Ik zou vervolgens aan mijn gast vertellen dat het probleem niet zozeer bij de criminelen ligt, dat zou te gemakkelijk wezen. Nee, geachte politicus, het is het systeem dat piept en kraakt. Bij de politie is de boel nog lang niet op orde, bij justitie belazeren ze weinig integer elkaar en in de gebouwen van de rechtbanken en gerechtshoven lopen de rechters ontevreden en overwerkt in de rondte omdat ze met te weinigen zijn.

Ik zou proberen, want het ligt gevoelig, op het juiste moment op te merken dat ‘jullie politici’ met ’jullie politieke partijen’ bezig zijn de rechtsstaat uit te hollen. En dat het gevolg daarvan is dat we meer krijgen van wat we niet willen, terwijl het goede dat we hebben minder wordt.

Of de criminaliteit stijgt of daalt, waar of daar, procentje meer of minder, dat is zo niet interessant. Ook in de veiligste woonwijken van Nederland wordt ingebroken. Je kunt zomaar slachtoffer worden van een gek en geen instelling die dat kan voorkomen. Ja, de criminaliteit kan helaas zomaar heel dichtbij komen. Uitzendingen van Opsporing Verzocht leiden tot meer gevoelens van onveiligheid dan dat het misdaad oplost. Maar, mevrouw, meneer van de politiek, dit terzijde.

Ik zou wel vertellen dat in het gebouw van het Openbaar Ministerie Noord-Nederland aan de Paterswoldseweg in Groningen, op het randje van Drenthe en waar ook Friesland in is ondergebracht, planken in kasten kreunen onder het toenemende gewicht van strafdossiers die wachten op behandeling en beoordeling door rechters. In de rapporten en jaarverslagen – zou ik tegen de geïnteresseerde politicus zeggen – worden dat doorlooptijden genoemd. In de praktijk is doorlooptijd een synoniem van machteloosheid van slachtoffers van verkrachting en seksueel misbruik die met het leven op de kop in onzekerheid wachten en maar wachten.

Ik zou ook vertellen dat jullie politici soms worden beduveld waar jullie bijstaan. Voorbeeld. In mei 2016 deden 175 agenten van de politie invallen op negentien locaties (woningen en bedrijfspanden) in Groningen, Hoogezand, Appingedam, Uithuizen en Eelde. Er werden dertien mensen van 26 tot 61 jaar gearresteerd en opgesloten. Wij van de pers waren vooraf geïnformeerd zodat wij journalisten aanwezig konden zijn bij de invallen. Burgemeesters stonden klaar ons vooringenomen te woord te staan.

In een persbericht maakte de politie wereldkundig dat er 25 kilo gedroogde hennep, dure auto’s, sieraden, 100.000 euro aan contant geld in beslag was genomen en dat er beslag was gelegd op woningen en bankrekeningen van verdachten. Serieuze shit dus. De burgemeesters zeiden dat ondermijnende criminaliteit onze maatschappij verzwakt en ontwricht, nee maar, dat het een aantasting is van onze rechtsstaat.

En? Dus?

Het werk van 175 agenten ten spijt, de opgepakte verdachten hebben ruim drie jaar na dato de rechtszaal nooit gezien. Het rechercheonderzoek dat leidde tot de actie en dat al in 2014 was begonnen, bracht ontiegelijk veel werk, maar leverde uiteindelijk niets op. Het recht, het geweten van de samenleving, was nergens. Zo kun je het ook zeggen.

Deze kwestie staat niet op zichzelf, zou ik benadrukken. Ik zou een lijst kunnen laten zien met voorbeelden van misdaden die wel de media haalden, maar waarvan de rechtszaal verschoond is gebleven.

Het klopt wat regelmatig in de krant staat. Uiteraard klopt dat. Dat verdachten die schuldig worden bevonden aan een misdrijf een korting op de straf krijgen omdat de behandeling van de zaak in de rechtszaal veel te lang op zich heeft laten wachten. Het komt voor dat mensen zich de komende week, dus nu pas, voor de strafrechter moeten verantwoorden omdat ze in 2014, 2015 iets lelijks hebben geflikt. Of niet.

Ik zou ook vertellen dat de reguliere strafrechtspraak de komende vier weken in Groningen op een laag pitje staat vanwege het megaproces rond voormalige leiders van de inmiddels verboden motorclub No Surrender, ondermijners van de bovenste plank. Dat proces begint maandag en gaat vooral om geweld binnen de motorclub, in 2014, 2015 en 2016, tussen motormannen onderling.

En wat als de geïnteresseerde politicus aan het einde van de dag dan vraagt: En? Dus?
Ik zou dan antwoorden dat de meervoudige strafkamer van de rechtbank in Groningen de voorbije vijftien jaren per jaar zo’n 300 tot 350 ernstige strafzaken behandelde. En dat dat dit jaar zal blijven steken op een kleine 200. Dat wordt nogal een feit.

Bellen kan altijd. Zo nodig allemaal tegelijk.

Rob Zijlstra

de rechtsgeleerde en het boek → Ybo Buruma, Geen blad voor de mond (2011), bladzijde 8

Dom, dom, dom

De rechter kijkt zonder iets te zeggen indringend naar de verdachte die in een strak lichtblauw pak, wit overhemd, voor hem zit. Dan: ‘Ik snap u niet. U had het goed voor elkaar. Uw proeftijd verliep voorspoedig. U had een huurwoning, een vrijwilligersbaan bij de kringloop. En dan dit.’ De verdachte buigt het hoofd. Mummelt: ’t Was dom.’

Hij snapt op zijn beurt donders goed wat de rechter bedoelt.
Rechter: ‘Hoe kan iemand zo zijn eigen glazen ingooien?’
Errol: ‘Dom, dom.’
Rechter: ‘U heeft niet eens een drugsprobleem.’
Errol: ‘Dom, dom, dom.’

Errol zou heel de rechtszaal wel met dit kleine woordje willen vullen. Misschien, heel misschien als de rechters inzien dat hij echt spijt heeft van zijn domme, domme daad, dat het dan qua straf meevalt. Hij vraagt om genade. Tegen zijn rechters, ootmoedig: ‘Heb medelijden met mij. Het was niet de bedoeling.’

Errol gehoorzaamt niet aan de regels van het spel zoals die aan het strafrecht zijn toegedicht. De bedoeling is dat als je een straf krijgt opgelegd, bijvoorbeeld een gevangenisstraf, dat je daar iets van leert zodat je, eenmaal weer vrij, niet opnieuw in de fout gaat. Dat je het niet nog een keer flikt.

De meeste mannen die worden veroordeeld zijn niet zo dom, maar trekken lering en houden het bij een eenmalige veroordeling. Recidivisten bestaan, maar zijn nog altijd in de minderheid. Zolang dat zo blijft, zullen strafrechters steeds maar weer nieuwe, eenmalige criminelen naar de gevangenis sturen. Zouden alle mannen als Errol zijn, dan zouden we iets anders moeten verzinnen.

Errol, hij is 48 jaar, heeft zich in oktober vorig jaar in Sappemeer schuldig gemaakt aan een woningoverval. Dat was niet slim. Sowieso niet, maar in zijn geval was het zelfs ezelachtig. In 2010 is Errol veroordeeld tot een gevangenisstraf van negen jaar en zes maanden. Dat is nogal een straf. Hij kreeg die vanwege een serie gewapende overvallen.

In januari 2016 kwam Errol op vrije voeten. Hij had toen welgeteld twee derde deel van zijn straf op de blaren gezeten. Wie twee derde heeft opgeknapt mag in principe naar huis. Het restant – 1155 dagen in zijn geval – bleef op de lat staan. Zou hij zich gedurende de proeftijd van drie jaren fatsoenlijk gedragen, geen nieuwe strafbare feiten plegen, dan vervliegen de dagen op de lat. Dat is het klaar.

Verdachten die na twee derde van hun tijd voorwaardelijk in vrijheid worden gesteld, hebben dus iets te verliezen. Of andersom: ze hebben iets waar ze hun best voor moeten doen.

Errol heeft het echt wel geprobeerd. Met de huurwoning, een vriendin en het baantje bij de kringloop kwam enige structuur in zijn roerige leven. Het zijn zo ongeveer de belangrijkste ingrediënten om op het rechte pad te blijven. Maar op 23 oktober 2018 kinkelde Errol al zijn ruiten in.

Errol: ‘Het was niet de bedoeling.’ De rechter: ‘Als je bijna 1200 dagen open hebt staan, als stok achter de deur, dan zeg je toch nee? Maar u zei ja.’ Errol zucht. Hij moest iemand 300 euro betalen. Dat geld had hij niet, terwijl die jongen maar bleef zeuren. Dus toen ze hem vroegen voor een klein klusje zei hij ja waar hij nee had moeten zeggen.

Errol wil nu het te laat is tegen iedereen in de rechtszaal en als het zou kunnen tegen heel de wereld, sorry zeggen. ’Het was ook niet echt een overval, het was meer een inbraak in een schuurtje. We zouden de drugs pakken en dan wegwezen.’

De tip kwam via via. Een schuur vol drugs, de bewoner op vakantie in Suriname. Errol: ‘Het plan was dat we niemand zouden tegenkomen. En nu zit ik in deze domme situatie.’

De bewoner was inderdaad in Suriname, maar de man die tijdelijk in de schuur bij de woning verbleef kwam om half twaalf ’s avonds thuis van z’n werk. Hij zag licht branden in de schuur en ook dat de deur openstond. Toen hij naar binnenliep werd hij door drie mannen vastgepakt en tegen de muur gezet. De mannen wilden weten waar de drugs lagen, maar van drugs wist hij niks. Er werd gedreigd met geweld, met slaan.

Een van de mannen was Errol, als enige niet gemaskerd. Er zou immers niemand zijn. De schuurbewoner werd naar achteren geduwd en daar – daar waar een camera hing – vastgebonden aan een trap, met de handen op de rug. Errol beet hem toe: ‘Ik weet waar je moeder woont.’ Over zijn hoofd kreeg de ongelukkige een doek. De drie overvallers gingen er met een klein zakje met daarin MDMA (drugs) vandoor. Een van hen riep nog: ‘Je maakt jezelf wel los hè?’

Errol wil niet veel kwijt over die andere twee, die onbekenden zijn gebleven. Over de moeder: ‘Dat was bluf.’

Agenten herkenden hem van de camerabeelden. Bij de politie had hij niet veel anders te melden dan dat hij gebruik wenste te maken van het recht te mogen zwijgen. Nu, in de rechtszaal, moeten de rechters vooral weten dat zijn rol in het geheel beperkt was. Hij had niemand vastgebonden, hij had alleen dat kleine zakje met drugs meegenomen.

Toen de hoofdbewoner terugkeerde uit Suriname stelde die vast dat er meer spullen waren verdwenen. Een paar schoenen van het merk Lacoste, maat 41. Zeven riemen van slangenleder. Een opvallende tas.

Domme, domme Errol. De herkenning leidde eerst tot een tap op zijn telefoon. Toen dit niets opleverde volgde een huiszoeking. In zijn woning vond de politie een paar schoenen van het merk Lacoste, maat 41. Een riem van slangenleder. Een opvallende tas, met daarin een klein zakje drugs. En ook nog een in Groningen gestolen laptop.

Rechter: ‘Welke schoenmaat heeft u?
Errol: ’43’.
Rechter: ‘Het waren dus niet uw schoenen.’

De officier van justitie zegt met twee vingers in de neus dat er bewijs te over is. En dat ook domme acties serieuze consequenties moeten krijgen. En dus dat Errol het restant, die 1155 dagen, alsnog moet uitzitten. Eigen schuld. En als hij al die dagen heeft uitgezeten, kan hij beginnen aan de nieuwe straf die hij moet krijgen voor de kwestie in Sappemeer: vier jaar. Inderdaad, daar dan twee derde van. Het restant (480 dagen) mag dan weer op de lat, op de stok achter de deur. Dit is de eis.

De advocaat: ‘Ik had gehoopt op iets meer nuancering. Helaas is die er niet.’

Rob Zijlstra

update – 18 juni 2019 – uitspraak
De rechtbank heeft Errol veroordeeld. Tegen de verdachte zei de rechter bij de uitspraak: ‘U wilde genade, maar wij gaan u een zware straf opleggen.’ Het werd wel een onsje minder dan de eis. Geen vier jaar, maar drie jaar celstraf. Maar wel met die 1155 dagen als extraatje erbij. De rechters: ‘U was een buitengewoon gewaarschuwd mens.”  Errol zweeg.

 

Mooie uitspraak

BLOGWEBBEL

Op de fiets op weg van huis naar de rechtbank – 18 kilometer – luisterde ik naar een podcast van Joris Luyendijk in gesprek met Jesse Frederik. Beide zijn correspondenten bij De Correspondent. Luyendijk doet ‘goed slecht nieuws’, Jesse Frederik praat en schrijft over de economie. Daarover weet hij dingen. Terwijl ik over de Westerdijkhorn richting de stad ploeter, in de motte regen, praten deze twee journalisten over de economie waarin iedereen maar wat doet.

Over bijvoorbeeld deurwaarders die in overvolle brievenbussen van mensen met torenhoge schulden een zoveelste envelop proppen met nieuwe rekeningen en denken dat ze daarmee een bijdrage leveren aan de economie. Over hoe wij allemaal kleine radartjes zijn en ondertussen geen sjoege hebben van wat we samen eigenlijk aan het doen zijn. En wat we samen veroorzaken. Dat er vorig jaar meer dan 18.000 mensen enige (korte) tijd in de gevangenis hebben gezeten omdat ze een verkeersboete niet tijdig hadden betaald, niet konden betalen.

Ik ging naar de rechtbank voor onder meer een uitspraak. Twee weken geleden was er een 26-jarige man die terechtstond omdat hij mensen had besodemieterd, ook via Marktplaats. Hij was een oplichter. Hij beduvelde zelfs zijn vrienden, vrienden van vrienden en leuke meisjes op Tinder. In anderhalf jaar tijd vergaarde hij met list en bedrog tienduizenden euro’s.

Er was ook een reden. Hij was verslaafd geraakt aan het gokken. De verleiding van spanning en veel kon hij niet weerstaan. Al snel vulde hij het ene gat met het andere, onderwijl hopende op die ene klapper die hem in een keer uit de groeiende ellende zou halen. De klapper bleef uit, de ontmaskering en arrestatie niet.

Twee jaar na de aanhouding volgde een rechtszaak, sneller kan dat nu eenmaal niet. Er zijn tientallen gedupeerden.

Nu wil het geval dat de verdachte na zijn aanhouding en een behandeling bij de verslavingszorg een vaste baan vond met bijbehorend salaris. Met (bijna) alle gedupeerden – al zijn slachtoffers – trof hij een betalingsregeling. De helft van zijn inkomen draagt hij af, net zolang iedereen schadeloos is gesteld. Met duizend euro in de maand zet hij zoden aan de dijk.

Maar wat eiste de officier van justitie?
Een gevangenisstraf.
Van vijftien maanden.
De officier van justitie wil hiermee niet alleen het ontslag van de jongeling bewerkstelligen, maar ook dat de slachtoffers hun sneu verloren geld niet terugkrijgen.

Toen ik het verhaal over de deurwaarders en de overvolle brievenbussen beluisterde, moest ik aan de officier van justitie en zijn strafeis denken.

In het podcastgesprek roemen Luyendijk en Frederik de politie-agenten die weigerden gehoor te geven aan de opdracht iemand met torenhoge schulden in diens woning aan te houden en over te brengen naar de gevangenis. Soms moet je tegen de regels ingaan en je gezond verstand gebruiken.

De rechters hebben inmiddels uitspraak gedaan.
Schuldig.
Een gevangenis is op zich een passende straf.
Maar die is niet opgelegd.
Wel de maximale taakstraf van 240 uur en een flinke stok achter de deur (negen maanden voorwaardelijke celstraf).
De rechters komen tot dit oordeel omdat ze vinden dat het beter is dat de gedupeerden schadeloos worden gesteld. Een gevangenisstraf is daarbij  niet heel handig is.

Ik vind het een mooie uitspraak. Het is een uitspraak die recht doet aan alle betrokkenen. Maar denk nou niet dat rechters zoiets moois van de daken schreeuwen. Daarom doe ik het maar even.

Rob Zijlstra

klik op afbeelding voor het mooie vonnis (helaas nog niet in klare taal)

 


 

De genoemde podcast van Joris Luyendijk

Drie gehurkte mannen

Advocaten vragen wel eens na afloop van een rechtszaak: en, wat denk je? Vaak antwoord ik met een: wat denk je zelf? Daarmee zeg ik eigenlijk dat ik denk dat de verdachte de dader is en zal worden veroordeeld. Hoe anders? Het is doorgaans niet het antwoord waar de advocaat, nog helemaal in de flow van zijn welbespraakte pleit voor vrijspraak, op zit te wachten.

Ruim 90 procent van de mannen en vrouwen die zich moet verantwoorden voor de strafrechter is schuldig. Met een ‘wat denk je zelf’ heb ik ook de statistiek mee, ook al zegt die niks.

Ik dacht dat de man die wij van de pers de brandstichter van Hoogezand noemden, zou worden veroordeeld. Want hoe anders? Van alles wees in zijn richting, een camera had hem op heterdaad betrapt, deskundigen sloten pyromanie als stoornis niet uit. Zijn antwoorden en verklaringen waren vaag en onlogisch.

En?
De rechters spraken hem afgelopen week grotendeels vrij. Alleen het heterdaadje – een poging tot brandstichting – kan worden bewezen. De rest smoort in onschuld dan wel in slecht politieonderzoek.

Ik zei dat ik dit niet had verwacht.
Advocaat Iris Djordjevic glunderde.

Er waren eens drie mannen van 30, 34 en 36 jaar. De jongste komt uit Delfzijl, de andere twee uit Rotterdam en Alkmaar. De een is industrieel reiniger, de ander data-analist, de derde schilder. Het zijn mannen met kleine kinderen. En met veroordelingen uit het verleden, wat ook niks hoeft te betekenen.

Ze zeggen dat ze onschuldig zijn. De officier van justitie schudt het hoofd (van nee). Want hoe dan?

Schilder Jagi uit Alkmaar was naar Delfzijl gekomen om een zieke oom te bezoeken. Hij overnachtte bij Regor, een kennis. Bij Regor thuis is ook dataspecialist Ragi uit Rotterdam. Ragi heeft verstand van webshops en was gekomen om zijn vriend Regor met iets te helpen.

Het zijn deze drie mannen die halverwege de ochtend van 23 november 2018 worden gearresteerd in de flatwoning van Regor. Op het moment van de inval zitten ze gedrieën gehurkt te roken in de kleine badkamer. Met de deur op slot.

De drie mannen zouden zo’n anderhalf uur voor de arrestatie een supermarkt van Aldi hebben overvallen. De afstand tussen de overvallen superwinkel en de woning is nog geen kilometer. De drie mannen zeggen dat ze het niet hebben gedaan. Want hoe dan? Op het moment van de overval, even na acht uur die ochtend, waren ze thuis bij Regor, misschien net wakker. Dan kan het dus nooit.

Even na acht uur in de ochtend van 23 november 2018 lopen mannen met bivakmutsen over het hoofd de supermarkt van Aldi binnen. Het zijn er drie. Eentje draagt groene handschoenen. Camera’s van de tegenover de Aldi gevestigde Jumbo leggen het vast. Aldi zelf doet niet aan camera’s, zodat ze goedkoper kunnen zijn dan de Lidl. Of zoiets.

De vroege klanten worden door een van de mannen, gewapend met een zwart pistool, naar een hoek gedreven en gesommeerd op de grond te gaan liggen. De ander heeft een mes en dwingt het personeel naar een kantoortje. De bedrijfsleider krijgt een zilverkleurig vuurwapen in de rug gepord en de opdracht de kluis te openen. Even later rennen de mannen de winkel uit, met een blauwe Aldi big shopper met daarin bankbiljetten, rollen muntgeld en sigaretten. Het is opgeteld zo’n 4.000 euro.

De politie is dan al onderweg, een klant had om tien minuten over acht liggend op de grond 112 durven bellen. De drie onbekende mannen zijn ineens vluchtelingen. In de lucht hangt een politiehelikopter, kennelijk hebben ze in Delfzijl zo’n ding paraat. Er ontstaat iets van een klopjacht. Getuigen melden zich, ze hebben drie mannen gezien, met een grote blauwe tas, eentje op een fiets, twee op een fiets, bij de brug, bij het station, ’t was zo’n grote big shopper, bij het speeleiland, bij de flat, bij het spoor, eerste verdieping. De omgeving van de flat wordt afgezet, 112-fotografen filmen hoe agenten deur voor deur aanbellen. Op nummer 178 wordt niet opengedaan, het gordijntje beweegt wel eventjes.

Via de politiesystemen achterhalen agenten dat op dit huisnummer een man woont met ‘politie-antecedenten’ waaronder overvallen. Met de rammeneur (Gronings voor de stormram, elders ook wel bonkie genoemd) wordt de voordeur eruit geramd. Het glas rinkelt.

In de woning lijkt niemand aanwezig. Dan ontdekt een van de agenten dat de badkamerdeur is afgesloten. De deur gaat open: drie gehurkte mannen. Een voor een worden ze afgevoerd.

De overeenkomst is treffend. Drie mannen overvallen de Aldi en binnen een straal van nog geen kilometer zitten anderhalf uur later drie mannen verscholen in een badkamer. Dat een van de overvallers dreadlocks had, zoals ook een de mannen in de badkamer, kan natuurlijk toeval zijn. Regor is immers niet de enige man ter wereld met dreads.

Het politieonderzoek levert nog een aantal aanwijzingen op die erop zouden kunnen duiden dat de drie mannen wellicht niet de waarheid spreken, dus dat ze misschien helemaal niet heel de ochtend thuis bij Regor zijn geweest.

In de telefoon van Ragi staan foto’s opgeslagen. Selfies. Van hem met een zilverkleurig vuurwapen. In de telefoon van Jagi een selfie waarop hij een Nike-muts draagt.

Nog een aanwijzing: in de badkamer waar de mannen zich hadden verschanst staat in de hoek een tas. Het is een Aldi big shopper. In de tas: rollen muntgeld, sigaretten, groene handschoenen, bivakmutsen, eentje van Nike met gaten. Elders in de woning, onder het matras van een ledikantje, een zilverkleurig vuurwapen als op de foto van Jagi. In een keukenkastje een zwart gekleurd wapen.

De drie mannen ontkennen, ze zeggen dat ze er niets mee te maken hebben. De advocaten proberen dat met veel woorden te onderstrepen. De selfies, de tas met de buit? Nee. Geen verklaring voor?

De officier van justitie is zonder twijfel en noemt de gewapende overval eentje in de zware categorie en eist daarom drie maal vijf jaar gevangenisstraf.

En, wat denk je?
Ik denk dat het wel heel bijzonder is. Uit de telefoon van Regor toverde de politie een gewiste afspraak uit de Google-agenda boven water. Regor had genoteerd: ’23 november, 08.00 uur, Aldi-klus’.

Nou?
Ik denk, denkend ook aan Hoogezand: ik zeg even niks.

Rob Zijlstra

update – 7 juni 2019 – uitspraken
De rechtbank heeft de drie mannen veroordeeld. Niet tot vijf jaar zoals het Openbaar Ministerie dat had gewild, maar vier jaar per persoon. Een van de drie vonnissen lezen? Klik op onderstaande afbeelding.

vonnis (uitspraak) overval Aldi Delfzijl

 

extra – bron: youtube /  eemskrant.nl

de deken van de orde van advocaten

Interview met Rob Geene, over zijn  dagelijkse zorgen over de rechtsstaat. In januari dit jaar protesteerden advocaten uit Noord-Nederland voor de rechtbank in Groningen. Deken Geene laat sindsdien geen gelegenheid voorbijgaan om zijn visie te geven over de teloorgang van niet alleen de sociale advocatuur, maar die van  de rechtsstaat. ,,De overheid is verworden tot een semi-commercieel bedrijf.” Op de barricaden

 

Rob Geene heft tijdens de actie van advocaten de wijsvinger richting Maria van de Schepop, president van de rechtbank Noord-Nederland (ze zijn het met elkaar eens).

de actie duurde een half uurtje (het was koud)

ondertussen gaat het werk van de ‘gewone man’ gewoon door

 

klik voor pdf-versie