Pizza Riciclaggio di Denaro

Hamid is een 32-jarige hardwerkende en vriendelijke jongeman, zegt de advocaat toegenegen. De officier van justitie schudt met afgrijzen het hoofd: Hamid is een dikke leugenaar. Hamid zelf kan aan het einde van de strafzaak nauwelijks nog een woord uitbrengen. Met dichtgeknepen keel huilt hij: ,,Het is niet eerlijk.’’

Of is er iets anders aan de hand?

Eerst dit. Hamid wordt verdacht van witwassen. Hij, hij die zo keihard werkt, vindt dat heel erg, die verdenking. Hij gaat er onder gebukt.

Hamid verkoopt pizza’s. Dat doet hij 364 dagen per jaar, al zes jaren achtereen. Alleen op 25 december is zijn zaak eventjes gesloten. Hij begint om acht uur ’s ochtends met het snijden van het vlees, de champignons, de uien, de groenten en hij kneedt het deeg. Een pizza is niet zomaar iets, zegt hij. De advocaat vult aan: ,,Hobby’s heeft hij niet en uitgaan doet hij nooit. Altijd maar werken.’’

Hamid: ,,Ik heb twee kinderen, maar die zie ik nauwelijks. De oudste is acht, toen ik haar de laatste keer zag, stond ik versteld. Dacht oh, wat ben jij al groot en wat praat je al goed.’’

Op een nacht reed Hamid in de auto van zijn zus langs de rechtbank. Hij slingerde, zo erg dat agenten die dat slingeren waarnamen hem een stopteken gaven. Toen hij het portierraampje opendraaide en beleefd ‘goedenacht heren’ zei, roken de agenten hennep. Hamid vertelde dat hij een harde werker is, net klaar met ondernemen, dat hij naar de coffeeshop was geweest voor nog een rokertje thuis.

De agenten stelden vast dat de aan de Eufraat geboren Hamid zich recentelijk had uitgeschreven uit het bevolkingsregister van Nederland, dat de auto niet was verzekerd en dat er nog boetes op zijn naam openstonden.

Hamid: ,,Ik slingerde niet.’’
Rechters: ,,U was onder invloed, daarvoor bent u bij de kantonrechter geweest.’’
Hamid: ,,Ik had nog niet geblowd.’’
Rechters: ,,Agenten zagen een tas op de achterbank. Een big shopper met daarin een laptoptas met een slotje. U zei dat die tas van uw zus was en dat er schoolspullen in zaten.
Hamid: ,,Ik zou thuis nog een blowtje roken.’’
Rechters: ,,U zei dat u die openstaande boetes niet kon betalen, dat u als ondernemer een slechte maand had gedraaid.’’

‘Het komt bijna nooit voor dat iemand
met een tas in de auto rondrijdt met daarin 266.000 euro’

De tas moest open. De agenten telden (later) niet alleen 3.400 briefjes van 5 euro, maar ook 106 biljetten van 500 euro. Met de rest opgeteld: ruim 210.000 euro. Uit drie broekzakken en een binnenzak haalden de agenten nog eens 56.000 euro.

Leg uit Hamid.
Spaargeld.

Zegt: ,,Ik heb er zes jaren onafgebroken keihard voor gewerkt. Nooit vakantie. Ik spaarde wat ik kon.’’ De advocaat: ,,Dus altijd maar werken, zuinig leven, geen luxe.’’
Een van de rechters: ,,Het komt bijna nooit voor dat iemand met een tas in de auto rondrijdt met daarin 266.000 euro.’’
Hamid: ,,Ik was vergeten dat die tas met mijn geld in de auto op de achterbank lag.’’

De drie rechters kijken nu met meewarige blikken naar Hamid. Zo van, toe nou beste man, dat kunnen we toch niet geloven? De officier van justitie: ,,Bij de aanhouding kwam hij met de eerste leugens en daar gaat hij in de rechtszaal gewoon mee door.’’

Om iemand te kunnen veroordelen voor
witwassen moet worden aangetoond dat
het geld afkomstig is van ‘enig misdrijf’.

Nu zit het vandaag de dag zo dat wie veel contant geld heeft en niet kan verklaren hoe hij aan dat geld komt, een probleem heeft. Ook omdat dat geld ’s nachts op de achterbank van een slingerende auto lag waarvan de bestuurder zich had uitgeschreven, zich heeft onttrokken aan het zicht van de autoriteiten.

Om iemand te kunnen veroordelen voor witwassen moet worden aangetoond dat het geld afkomstig is van ‘enig misdrijf’. Een verdachte heeft de plicht – de officier van justitie is hier aan het woord – openheid van zaken te geven. Kan hij geen legale bron voor het geld aantonen, of onvoldoende deugdelijk, dan mogen wij zeggen dat het geld uit een illegale bron komt. En dan kan er dus worden veroordeeld voor witwassen.

Hamid: ,,Het is eerlijk verdiend spaargeld.’’

Met wel twintig agenten waren ze bij Hamid binnengevallen. Heel de buurt was getuige en sindsdien wordt Hamid met de nek aangekeken. De advocaat: ,,Hij groet zijn collega-ondernemers wel, maar die groeten niet meer terug.’’ Na de inval was hij ook veel politiemensen als klant kwijtgeraakt. Bij de inval werden wel ongeopende enveloppen van de belastingdienst aangetroffen, maar geen bedrijfsadministratie.

De politie sprak met de boekhouder. Die liet weten dat er goede zaken werden gedaan, maar dat de omzet niet van dien aard was dat Hamid daar 266.000 euro spaargeld aan kan overhouden. Zo mooi was het ook weer niet. En nee, er werd geen belasting betaald.

Hamid reageert: ,,Ik heb geen boekhoudkundige kennis. Ik werkte alleen maar.’’ Advocaat: ,,Keihard hè.’’
Rechters: ,,Maar u bent ondernemer. Dat brengt verantwoordelijkheden met zich mee.’’
Hamid: ,,Ik weet dat niet.’’
Rechters: ,,U weet wel dat omzet niet hetzelfde is als winst?’’

‘Meneer de verdachte kan zich niet
verschuilen achter zijn onwetendheid’

De politie had gepraat met de broer van Hamid. Die werkt ook in de zaak. Hoeveel pizza’s verkopen jullie eigenlijk, luidde een vraag. De broer had toen gezegd: gemiddeld vijftien per dag. En op heel goede dagen wel eens dertig. Hamid: ,,Mijn broer is niet zo snugger.’’

De officier van justitie: ,,Meneer de verdachte kan zich niet verschuilen achter zijn onwetendheid. Dit is meer dan duidelijk een kwestie in de categorie 2 van het witwassen, goed voor een gevangenisstraf van zeventien maanden. Dat is ook mijn eis. En die 266.000 euro krijgt hij niet terug.’’ De advocaat werpt tegen dat celstraf het einde van de pizzeria betekent wat grote gevolgen heeft voor heel de familie. ,,Hamid is de oudste zoon, hij moet voor de familie zorgen.’’

Of is er wat anders aan de hand?

Misschien is Hamid inderdaad een harde werker, maar zijn die vijftien dagelijkse pizza’s een dekmantel voor drugshandel. Zoiets kan, zegt de officier van justitie. Of nog anders: misschien is Hamid een geldezel, een koerier, die misdaadgeld vervoert voor een criminele organisatie. En dat hij – nu hij met hun geld gepakt is – bang is en wel moet liegen om erger dan zeventien maanden celstraf te voorkomen. Dat kan ook.

De rechters zeiden niet: laten we dit tot op de bodem uitzoeken. Ze zeiden dat over twee weken uitspraak wordt gedaan. Misschien was het wel daarom dat Hamid piepte dat het niet eerlijk is.

rob zijlstra

UPDATE – 20 januari 2020 – uitspraak

dvhn / 20 jan 20

De man die niet bestaat

 onrecht


 

 OP 4 JANUARI 2020 SCHREEF IK EEN VERHAAL OVER CHUN, DE MAN DIE IN GRONINGEN WOONT, MAAR NIET BESTAAT.  CHUN IS HET SLACHTOFFER VAN DE NEDERLANDSE BUREAUCRATIE

Ik ben van mening dat hier sprake is van onrecht.

Sinds ik betrokken raakte bij deze kwestie heb ik gelukkig ook veel mensen gesproken die zich (willen) inzetten om dit verhaal tot een goed einde te brengen. Op deze plek een dossier van relevante berichten . 

HET DOSSIER CHUN:

6 maart 2020 / dvhn

 

de antwoorden op de vragen

 

nrc handelsblad / 2 maart 2020 – chun is afhankelijk van een organisatie die disfunctioneert

 

31 januari 2020 / de overheid heeft alle tijd

 


Vanmiddag – zondag 26 januari 2020 – was ik samen met Chun te gast in het programma Tim Talkshow in Forum Groningen. Het programma is een samenwerking van Dagblad van het Noorden en Forum. Presentator is Tim den Besten.

We zaten aan tafel om het verhaal van Chun onder de aandacht te brengen. Hoe meer mensen weet hebben van dit verhaal, hoe beter. Dat denken wij.

De oplossing voor Chun is niet in zicht. De vragen die in de Tweede Kamer zijn gesteld, zijn nog niet beantwoord. Vorige week was staatssecretaris Ankie Broekers-Knol op werkbezoek in Groningen. De zaak van Chun is onder haar aandacht gebracht. Wat dat waard is? Geen idee.

Dichter des Vaderlands Tsead Bruinja droeg na het gesprek aan tafel een gedicht voor dat hij voor Chun schreef. Oorlogsverslaggever Harald Doornbos (midden-oosten, diverse media) was eveneens aanwezig. Chun is een huisvriend van de familie Doornbos.

De verslaggever filmde het gesprek (terug te kijken op: https://www.pscp.tv/w/1kvJpXrPYOwJE 

Het gedicht van Tsead Bruinja:
de nederlandse regering weet niet meer waar ze haar barmhartigheid heeft gelaten

 


13 januari 2020, NPO 1 / tv-programma Op1

 

10 januari 2020 / vragen aan de staatssecretaris

 

donderdag 9 januari 2020 / dvhn

 

6 januari 2020 / dvhn
4 januari 2020 / dvhn

 

 

waarom ik dit verhaal heb geschreven ?
hierom, daarom

Het eerste wat ik zei is dat een stukje in de krant ook niet helpt.

Dat ik wel begrijp dat de publiciteit wordt gezocht als niets meer werkt.
Dat ik snap dat als alle pogingen om tot een oplossing te komen zijn mislukt, publiciteit dan wordt gezien als een laatste strohalm.

foto: duncan wijting / dvhn

Ik zei dat ik natuurlijk altijd een keertje langs kon komen om het verhaal aan te horen. Zo begon het, een half jaar geleden. Ik luisterde naar de mensen die hem ondersteunen, naar zijn advocaat. Ik zocht nieuwsberichten op van vijftien tot twintig jaar geleden, over smokkelroutes en mensen die die wegen bewandelen. Ik sprak met anderen, met de burgemeester van de grote stad die wel wilde helpen, maar uiteindelijk met al zijn netwerken niets kon betekenen.

En ik sprak vooral ook met Chun zelf.
Met de man die wel leeft, maar niet bestaat.

Gaandeweg kreeg het verhaal dat ik van verschillende kanten aanhoorde, mij te pakken. Ik dacht, een stukje in de krant mag dan misschien niet helpen, iedereen moet weten dat mensen in Nederland, in Groningen in dit geval, het slachtoffer kunnen worden van de bureaucratie van de overheid.

Dat de bureaucratie in Nederland is opgewassen tegen de menselijke maat.
Dat de overheid mensen kan veroordelen tot levende doden.
En dat dat mag.

Chun is geen asielzoeker die het land moet verlaten.
Chun is het slachtoffer van mensensmokkel.

Als 14-jarige kwam hij in Nederland, in een land dat hij niet kende. Na een paar jaar gedwongen te hebben gewerkt in een keuken van een Chinees restaurant, wist hij aan de klauwen van de mensenhandelaren te ontkomen en belandde hij – aanvankelijk veilig – in de noodopvang in Noord-Nederland.

Sinds 2008 verblijft Chun in Groningen waar
de klauwen van de bureaucratie hem in
een wurggreep namen, om niet meer los te laten.

Omdat hij niet kan aantonen dat hij uit China komt, weigert China (de Chinese ambassade) medewerking aan zijn terugkeer. Zonder die medewerking komt hij zijn geboorteland domweg niet binnen.

Nederland heeft een vergelijkbare  houding: Chun kan niet aantonen wie hij is, wie hij zegt te zijn. Wie geen identiteit heeft, wie niets kan aantonen, kan geen aanspraak maken op een verblijf in Nederland.

Maar: Chun is hier wel.

Nederland: maar op papier niet, waarmee het probleem is opgelost. Want wie niet bestaat kan immers ook geen probleem vormen. Dat Chun, 31 jaar inmiddels, een mens is van vlees en bloed is niet van belang. Gaat hij dood, dan wordt hij nergens uitgeschreven.

Het verhaal van Chun, de man die niet bestaat, staat zaterdag in de weekendbijlage van Dagblad van het Noorden.

Dat is een eerste verhaal.

Mijn voornemen is om niet alleen de ontwikkelingen op de voet te blijven volgen, maar ook de mensen en de instanties die bijdragen aan het laten voortbestaan van deze schrijnende kwestie.

Rob Zijlstra

→ e-mail rob zijlstra [vertrouwelijk]

 

 

 

Onbetrouwbare herinneringen

Dagblad van het Noorden
blikt terug op  verhalen uit 2019.
Vandaag de moord op het
Jaagpad met een
verslaggever als
belabberde getuige.

 

Mensen zijn superslechte waarnemers
(al denken we van niet)
en onze herinneringen verbeelden zich
ook heel wat.

 

Het mooiste pad om de stad Groningen binnen te fietsen is via de Platvoetsbrug, de tafelbrug over, langs de sluizen bij Dorkwerd, vervolgens over het Jaagpad met het Zernike aan de ene en het Reitdiep aan de andere kant en dan – nog een flink eind rechtdoor – de drukte van Paddepoel in.

De weg terug, en dan helemaal naar Garnwerd of nog verder, is net zo mooi.

Het is een route die ik als forens regelmatig fiets. Het is niet de meest logische weg – in de zin van de snelste – om vanaf de rechtbank mijn huis te bereiken, maar het is wel de route waar het hoofd het meest leeg van raakt.

Op 14 mei fietste ik er ook, het was een dinsdag. Een groot deel van de dag had ik doorgebracht in een stiltekamer op de redactie. Ik had Rob Geene, de deken van de orde van advocaten van Noord-Nederland, geïnterviewd en het gesprek opgenomen. Dat gesprek had ik uitgewerkt. Geene spreekt in lange, mooie en zinnige zinnen waarin hij zijn zorgen uit over de rechtsstaat. Aan mij om een drie uur durend gesprek terug te brengen tot een verhaal dat acht tot tien minuten leestijd vraagt.

Via café Hammingh in Garnwerd en de Albert Heijn in Winsum kom ik thuis. Daar verneem ik het nieuws. Er is zojuist een man vermoord, op het Jaagpad langs het Reitdiep, ter hoogte van Zernike. Via burgernet doet de politie een oproep waarbij een signalement wordt gegeven van de mogelijke dader. ‘Zuid Europees uiterlijk, donker trainingspak, donker petje.’
Plekken waar moorden zijn gepleegd

Elke beroep brengt eigenaardigheden met zich mee. Ik heb er een paar. Een daarvan is dat ik straten, woningen, plantsoenen, plekken waar ooit een moord is gepleegd opsla in mijn hoofd. Fiets ik de meest logische route van mijn huis naar de rechtbank – door Beijum, over Korrebrug, Korreweg, klein stukje Noorderplantsoen en dan de Nieuwe Ebbinge of de Boteringe in – dan kom ik nogal wat plekken tegen waar het ooit vreselijk is misgegaan.

Aan de meeste plekken – het zijn er meer dan honderd – is ook de bijbehorende naam van het slachtoffer verbonden.

Ook als ik door de binnenstad wandel, duiken her en der namen op van vermoorde mannen en vrouwen. De route Kattendiep – Zuiderdiep (helemaal tot aan Minerva) is in dit verband de meest gewelddadige van de stad.

Het Jaagpad is nu ook zo’n plek geworden. Op dinsdagavond 14 mei, even na 19.00 uur, werd daar de 27-jarige Hidde Bergman doodgestoken. Zomaar. Toen ik die avond thuis het nieuws vernam, begon ik in mijn hoofd een kleine reconstructie te maken. Had ik een man gezien in een donker trainingspak, met een donkere pet? Hoe laat fietste ik daar?

Twee, drie dagen later hoorde ik een politieman op RTV Noord een oproep doen. Wie iets heeft gezien, moet dat melden, ook als je denkt dat het niet belangrijk is.

Ik heb, toen ik daar fietste, een man gezien die mij opviel. Hij liep over het Jaagpad, richting Groningen. Niet als een wandelaar, genietend van de mooie dag en dit mooie stukje Groningen. Nee. Hij liep een beetje als een zweverige zombie, anders kan ik het niet omschrijven. Hij schreed mij tegemoet. Om hem op de fiets te kunnen passeren, zocht ik oogcontact. De man niet, zijn ogen blikten recht vooruit. En die ogen waren hol en leeg.

Dit beeld had ik niet toen ik de man net was gepasseerd. Het beeld kwam pas thuis, en twee, drie dagen later toen ik de oproep hoorde van de politieman. Ik belde, en vertelde wat mij was opgevallen. En o ja, ik zag ook nog een man in een rood shirt in een boot van aluminium, komende uit de richting  Dorkwerd. Vast ook niet belangrijk, maar jullie vroegen erom.

Een paar keren belde de politie terug. Of ik de kleur van de jas kon herinneren. Geel? En het uiterlijk? Pet? Ik wilde graag behulpzaam zijn. Ja geel. Uiterlijk? Nee. Ook niet geel. Het was een halflange jas. Dat wel. Groen, groenig.

Of toch niet?

Ik merkte dat ik in mijn hoofd een filmpje maakte. Een filmpje waarbij ik ontbrekende stukken zelf begon in te vullen. Want die jas had natuurlijk wel een kleur. En die lege ogen maakten deel uit van een uiterlijk. Na een paar dagen voelde ik mij een belabberde getuige. Alleen die man in de aluminium boot, daar was ik zeker van. Maar of hij een rood shirt droeg?

Bij het schrijven van dit verhaal is de herinnering dat ik op weg naar huis een biertje had gedronken bij café Hammingh, met pin betaald. Ik zoek in de afschriften van de bank: 14 mei, 16.50 uur, 3,65 euro. Bij Garnwerd aan Zee. Dat is naast Hammingh. Vroeger dan ik meende en niet op de plek die ik dacht.

Ik had gedaan wat ik als rechtbankverslaggever in de rechtszaal zo vaak hoor. Dat getuigen – verdachten, slachtoffers – zich feiten menen te herinneren die bij nadere beschouwing helemaal niet kunnen kloppen. Met liegen heeft dat niets te maken. Mensen zijn superslechte waarnemers (al denken we van niet) en onze herinneringen verbeelden zich ook heel wat.

Dit alles neemt niet weg dat de naam van Hidde Bergman voor altijd verbonden blijft met die van het Jaagpad, het pad dat onderdeel is van de mooiste route om de stad binnen te fietsen.

In september verschijnt de verdachte voor het eerst in de rechtszaal. Hij heet Milton T., een jongeman met een kindergezicht. Als hij naar zijn stoel loopt, schrik ik even. Hij loopt niet gewoon, hij zweeft een beetje, als een zombie. Een aparte blik in de ogen. Of is dat wat ik onbewust wil zien?

Helaas maakt een onbetrouwbare herinnering geen einde aan de trieste dood van Hidde Bergman.

Rob Zijlstra

dit artikel stond op 31 december in Dagblad van het Noorden

Bonen doppen

Rechters zijn rijk aan kennis want zij moeten van alles weten. Van alles is al gauw een heleboel. Maar zodra rechters van alles weten om rechtvaardig te kunnen oordelen – de verdachte wordt de dader – zijn hun mogelijkheden maar armoedig: een boete, een taakstraf, een maatregel en als het ernstig genoeg is een vrijheidsstraf. Dan moet de dader voor een tijdje naar de gevangenis.

Aan die straffen kunnen rechters nog wat voorwaarden verbinden. U mag niet meer het genot van drank en drugs smaken. U moet zich laten behandelen. Dat is het dan wel zo ongeveer.

Over pak ’m beet 25 jaar kijken we vast meewarig naar de tijden van nu, misschien zelfs wel ietwat beschaamd. Dat we wijze mensen van povere middelen voorzagen om een hardnekkig en megagroot probleem – criminaliteit – in de samenleving tegen te gaan. En ook verbazing zal er wezen. Over dat die toegewijde rechters met het weinige dat ze hadden onverstoord hun werk maar bleven doen, tot structureel overwerk aan toe – onderwijl wetende dat het allemaal weinig uitrichtte.

Nou ja, zal dan vast worden gezegd, in die tijd namen ze het onderwijs en berichten over de klimaatverandering ook niet bijster serieus. Dat kwam pas later.

Over de verdachte van nu zal in 2044 geen verbazing zijn. Vreemde vogels zijn er altijd geweest en zij zullen er altijd blijven zolang er mensen zijn.

De verdachte van nu heet Joey, voorovergebogen hangt hij in de verdachtenbank. Hij heeft een flesje Spa-water en koekjes meegenomen.

Bedrijven zitten om jongens als Joey
te springen, zegt de advocaat tegen de rechters

Joey is 23 jaar. Drie jaar geleden is hij de oceaan overgestoken en Nederland binnen komen vliegen. Hij is al eens veroordeeld in Zeeland en een keertje in Brabant in verband met een wapen. In Groningen schoolde hij zich aan het Alfa-college. Installatietechniek. Als hij volgende week zijn VCA haalt – voor de veiligheid op de werkplek – kan hij zo aan de bak.

Bedrijven zitten om jongens als Joey te springen, zegt de advocaat tegen de rechters die net van de officier van justitie te horen hebben gekregen dat het beter is om Joey een flinke tijd op te sluiten.

Heel veel meer wordt er niet over de verdachte prijsgegeven. Tijdens de zitting komen nog wel een paar andere vaardigheden aan het licht: Joey is een consequente jongeman, iemand ook die zich niet snel van zijn stuk laat brengen. En hij is zelfredzaam. Hij heeft de reclassering niet nodig, zegt hij. Hij dopt de bonen zelf.

Er zijn nogal wat verdenkingen die Joey in de verdachtenbank hebben doen belanden. Op een speelpleintje in Groningen zou hij De Turk – zo heet een man uit Armenië die daar woont – hebben bedreigd en mishandeld, terwijl een vrouw, ook een bewoonster, hem met de steel van een bezem op de kop sloeg. Daarna had niemand aangifte durven doen, want Joey en een vriend die er ook bij was, genieten er een zekere reputatie. Aanleiding voor het gedoe op het speelpleintje was hun gejakker op scooters.

Iedere man heeft gereedschap

Ook zit Joey er omdat hij in Bauhaus, de bouwmarkt, een moker met werkhandschoenen had gestolen. Wat hij met een moker moest? Niks, zegt hij. ,,Iedere man heeft gereedschap.’’ Iemand had een keer zijn moker afgepakt en nu pakte hij er eentje terug. Lijkt hem nogal wiedes.

Rechter: ,,Het zou ook, het is maar een suggestie, inbrekersgereedschap kunnen zijn.’’
Joey: ,,Nee.’’

De rechter doet die suggestie omdat Joey twee weken eerder met een hamer en een schroevendraaier was aangehouden in een geparkeerde auto. ’s Nachts om half drie, met een bivakmuts over het hoofd. De stuurkap met daar achter de bedrading was verwijderd. Wilde hij de auto soms stelen?

Joey: ,,Nee.’’
rechter: ,,U had alleen een stuurkap nodig.’’
Joey: ,,Het zou kunnen.’’

In Hoogezand was ingebroken in een tankstation van Gulf. Op camerabeelden is te zien hoe twee mannen een kleed op de grond leggen, daar al het rookwaar op gooien en dat meenemen. Hadden ze het moeten kopen dan kostte het 4.175,80 euro.

Joey: ,,Nee.’’

Nog nooit van zijn leven is hij in Hoogezand geweest.
Dat zegt hij wel, maar helemaal klopt dat niet. Een heel klein stukje van Joey was wel in Hoogezand: een stukje huid, aangetroffen op een glasscherf van het kapotgeslagen raam waardoor de inbrekers naar binnen waren gegaan. Het stukje mens werd naar het NFI gestuurd en daar zeiden ze dat de huid – op basis van het DNA – van Joey is. De kans dat het niet zo is is kleiner dan één op de miljard.

Joey schudt het hoofd. Het lijkt hem sterk, temeer omdat dna uniek is en hij daar niet was. Tegen de rechters: ,,Ben ik op heterdaad betrapt dan? Nee dus, nou dan.’’

Er was ook nog iets met vier scooters die in zijn krappe containerwoning stonden te staan. Twee van de scooters, Piaggio Vespa Sprints, bleken gestolen.

Joey: ,,Nee.’’

Geïrriteerd tikt hij met zijn vingers tegen zijn pet die naast de koekjes voor hem op tafel ligt. De rechters moeten weten: daar stonden twee eerlijke scooters, eentje van hem en eentje van zijn oom. Dan gaat hij daar toch niet twee gestolen scooters naast zetten?

Zou de auto met gedoofde
lichten de vluchtauto zijn?

Kan een mens van 23 nog meer op de kerfstok hebben? Joey wel. Met gedoofde lichten rijdt hij in een auto – hij heeft geen rijbewijs – door de stad. Agenten zien dat. Op datzelfde moment is er een inbraakmelding in de buurt. Zou de auto met gedoofde lichten de vluchtauto zijn? Als de bestuurder een stopteken krijgt, gaat hij er plankgas vandoor.

Dat is het begin van een wilde achtervolging. Slingerend raast Joey met snelheden tot 130 kilometer per uur door de stad, stuiterend over verkeersdrempels, door rode lichten, rakelings langs een andere auto, om uiteindelijk tollend en slippend via een lantaarnpaal glijdend tot stilstand te komen tegen een boom.

Joey: ,,Ja, ’t was wel gevaarlijk, maar dat was de schuld van de politie. Die jaagden me op, daar werd ik zenuwachtig van.’’
Rechters: ,,Logisch. Ze wilden u pakken.’’
Joey: ‘Ja, dat snap ik ook wel.’’

De officier van justitie spreekt van een reeks kwalijke feiten in een korte tijd gepleegd, terwijl verdachte ook nog eens in een proeftijd van een eerdere straf liep. De springende werkgevers moeten even geduld hebben. Niet aan de bak, maar vijftien maanden in de bak, dat is de eis.

De rechters noteren het en denken nu na over het consequente ‘nee’ van Joey en of de eis een goeie straf is.

Niet dat het helpt.

Rob Zijlstra

De snelwegschutter

De misdaad in de film, in series, steekt slim in elkaar. Er is een heldere verhaallijn, met een introductie, met voorstelbare personages, met wendingen om de spanning erin te houden, met uiteraard de climax op twee derde deel van het verhaal waarna toegewerkt wordt naar een verrassende ontknoping.

In de rechtszaal is de misdaad altijd anders. De misdaad in de rechtszaal is een willekeurige hap uit de werkelijkheid. Logica is ver te zoeken, nooit kent het verhaal een begin en is er geen einde. En vaak blijft een deel van het verhaal onverteld.

In de nacht van 17 januari, om 01.52 uur, komt er via 112 een melding binnen bij de politie: er wordt geschoten op de snelweg, op de A7 ter hoogte van de Dikke Linde, het tankstation. Een donkere auto met daarin de schutter heeft de afslag genomen naar Kolham.

De mannen van de melding rijden door naar Hoogezand. Op de parkeerplaats van het casino aan de Kerkstraat treffen ze de gealarmeerde politie. De mannen – het zijn de gebroeders B. – zijn ongedeerd. Maar in het achterportier en in de bumper zitten kogelinslagen.

Ze vertellen aan de agenten dat er een zwarte auto naast hen kwam rijden en dat de bestuurder met gestrekte arm op hen schoot. Meerdere keren. Ze weten ook wie de bestuurder is: het is Mo met wie ze in onmin leven.

Ze doen aangifte en Mo (23) wordt twee dagen later gearresteerd. Het Openbaar Ministerie concludeert na onderzoek: Mo heeft na kalm beraad en rustig overleg geprobeerd de gebroeders B. van het leven te beroven terwijl de uitvoering van het voorgenomen misdrijf niet is voltooid. Oftewel: poging tot moord.

Nu al doemt de vraag op: waarom? Waarom wordt er in het holst van de nacht op de A7 vanuit een rijdende auto met Mo achter het stuur geschoten op de gebroeders B? Was het een afrekening? Een poging daartoe? Een vergissing? Had het met drugs van doen? Met bedrog in de liefde?

Mo: ,,Ik heb niet geschoten.’’

Dit scenario is misschien
niet de meest logische, maar…

Zijn advocaat Mathieu van Linde: ,,Misschien hebben de gebroeders B. het in scène gezet. Om Mo een loer te draaien. Dit scenario is misschien niet de meest logische, maar het kan ook niet worden uitgesloten.’’

Aan het geschiet, het vermeende geschiet, zou iets vooraf zijn gegaan. De gebroeders B. zouden het jongere broertje van Mo hebben bedreigd. Dat zou eerder die nacht zijn gebeurd bij de McDonald’s aan het Sontplein in Groningen. Mo, zeggen de gebroeders, was daar ook.

Mo: ,,Ik was daar niet. Ik was ergens anders in de stad.’’

Hoe dan ook. Het bedreigde broertje gaat er met zijn auto van tussen, de gebroeders B. gaan achter hem aan. Broertje is bang en belt grote broer Mo. Die zegt: ,,Zorg dat ze je niet inhalen, want dan rijden ze je klem. Ik kom zo snel mogelijk.’’

En zo ontstaat de scène op de snelweg. Broertje in een witte Opel voorop, zigzaggend van links naar rechts, daarachter de gebroeders B. in een grijze Citroën en daar weer achter Mo in zijn zwarte Fiesta. Mo gaat naast de gebroeders rijden, strekt de arm en schiet. De gebroeders bellen 112 en rijden door naar Hoogezand.

Mo tegen de rechters: ,,De waarheid is dat ik naast hen ben gaan rijden, ongeveer drie seconden, en dat ik een armgebaar heb gemaakt. Dat klopt. Maar ik heb niet geschoten.’’

Wat zijn de bewijzen?

Op de plek waar zou zijn geschoten, bij hectometerpaal 210 worden vier hulzen gevonden. De politie weet te achterhalen dat de hulzen passen bij een semi-automatisch wapen, vermoedelijk een Browning Zastava. De kogel die in de auto van de gebroeders is aangetroffen, in het achterlicht, zou met zo’n wapen kunnen zijn afgevuurd.

Schotresten zijn megakleine deeltjes
lood, barium, koper of kwik

Als Mo wordt aangehouden draagt hij een jas. De jas wordt onderzocht en jawel: verdachte sporen, zogeheten schotresten. Schotresten zijn megakleine deeltjes lood, barium, koper of kwik die in een wolk vrijkomen als je met een wapen schiet.

Ook de auto van Mo wordt minutieus onder de loep genomen. Ook schotresten? Het Nederlands Forensisch Instituut: het is waarschijnlijker van wel dan van niet. Zijn het dan resten met dezelfde samenstelling als op de jas? Het instituut: dat kunnen we niet vaststellen.

Mo zegt dat het anders zit. Want die jas met sporen, de jas die hij droeg toen hij werd gearresteerd, droeg hij die avond niet. Bovendien is het niet zijn jas, maar van een vriend van wie hij de naam niet wil noemen. En die auto had hij gehuurd. Gehuurd met schotresten, wie zal het zeggen.

Advocaat Van Linde heeft ook nog een ding. De vier hulzen die op de vluchtstrook bij hectometerpaal 210 zijn gevonden, lagen niet ver van elkaar. Van Linde vindt dat opmerkelijk. Vliegen hulzen niet alle kanten op als je vanuit een rijdende auto op een andere rijdende auto schiet? Die hulzen vallen dan toch niet netjes naast elkaar neer op de vluchtstrook?

Sowieso vindt de raadsman het gek dat die hulzen daar op de vluchtstrook lagen. ,,In de lezing van het Openbaar Ministerie heeft Mo geschoten terwijl hij achter het stuur zat. Is het dan niet aannemelijker dat die hulzen in de auto terechtkomen in plaats van daarbuiten?

Het zijn vuurwapengevaarlijke gebroeders dus
hun verklaringen zijn wellicht niet zo heel betrouwbaar

Zat er misschien nog iemand bij Mo in de auto? Zou dat het zijn? Mo zegt van niet, de gebroeders B. verklaarden dat ze de schietende man herkenden als Mo. De raadsman zegt dat de rechters moeten weten dat gebroeders B. bekenden zijn van de politie. Het zijn vuurwapengevaarlijke gebroeders dus hun verklaringen zijn wellicht niet zo heel betrouwbaar.

Het scenario van een bijrijder is niet helemaal uit te sluiten. Mo heeft die avond contact gehad met ene L. uit Appingedam. Onderzoek wijst uit dat de telefoon van L. die nacht dezelfde route heeft afgelegd als de telefoon van Mo.

Als de rechtbank dit scenario, het scenario van een schietende bijrijder, het meest aannemelijk vindt, dan gaat Mo dus vrijuit. Dan is hij niet de schutter.

Maar is het dan niet raar dat Mo beweert dat hij alleen in de auto zat? In een film zou dat inderdaad merkwaardig wezen. Maar in het echt gaat het vaak raar.

De officier van justitie blijft erbij dat Mo de snelwegschutter moet zijn en eist 5 jaar gevangenisstraf. De cliffhanger: gaan de rechters hier in mee? Of zit de verkeerde man in de verdachtenbank? De uitspraak is over twee weken.

Rob Zijlstra

update – 17 december 2019 – uitspraak
Geen 5 jaar celstraf, maar 7 jaar, want geen pogingen tot doodslag, maar pogingen tot moord. Lees het hele vonnis:

 

Els Slurink – nieuw onderzoek

 

Het spijt me

Het betuigen van spijt zou in de rechtszaal van het strafrecht verboden moeten worden. Nog beter zou het zijn om het uitspreken van het woord ‘spijt’ strafverzwarend te laten zijn. ‘Wat? U heeft spijt? Ook dat nog? Jaar erbij.’ Dit alles moet ook gelden voor de opmerking: ‘Als ik het terug zou kunnen draaien, dan…’

Er zijn verdachten die al spijt betuigen nog voordat er een woord is gezegd. Of het tijdens de zitting voortdurend herhalen. Alsof dat helpt.

Het woord spijt is in de rechtszaal zonder betekenis geworden. Ik heb meer dan drieduizend strafzaken gevolgd, de tel kwijt. Slechts eenmaal was er een man – een bullebak in een T-shirt van Feyenoord – die geen spijt had.

Hij had iemand, iemand die hij niet eens kende, tegen het hoofd gemept en wel zo dat het slachtoffer, een kleine man, maanden later nog altijd last had van suizende oren. Het was zo erg dat de man er slecht van sliep en daardoor niet meer in staat was zijn werk naar behoren te doen. Zo moe. In de rechtszaal las hij met gebroken stem een slachtofferverklaring voor om de rechters deelgenoot te maken van de ellende waarin hij zonder schuld verzeild is geraakt.

De bullebak mocht reageren. Hij zei, nors: ‘Ik had ‘m nog harder moeten slaan.’ Daar wilde hij het bij laten.

Al die andere verdachten hadden spijt.

Als je aan Google vraagt wat het nut is van spijt, dan volgen binnen een kwart van een seconde meer dan een half miljoen pagina’s.

Spijt is een complexe emotie, leer ik, die altijd is gekoppeld aan keuzes. Dat je iets hebt gedaan wat achteraf niet zo slim was of dat je iets hebt gelaten en dat het nu te laat is. Het is ook een pijnlijke emotie en dat is goed, want door die pijn herinner je je fouten beter en dan is de kans dat je opnieuw de fout ingaat kleiner: de theorie van de ezel en de steen.

En wie fouten wist,
wist ook wijsheid

Andersom kan ook. Dat het helemaal niet goed is om spijt te betuigen omdat je daarmee je fouten juist wist. En wie fouten wist, wist ook wijsheid. Misschien wist die bullebak dit.

Ik keek naar een filmpje van een spijtprofessor die uitlegt waarom zo veel mensen meedoen aan de Postcodeloterij. Omdat de marketing met al die ongevraagde rommel in de brievenbus een beroep doet op de emotie spijt. Als je niet meedoet, beste bewoner van dit pand, dan sta jij straks je buren te feliciteren met hun gewonnen miljoenen. Om spijt achteraf te voorkomen, maak je (onbewust) de keuze toch mee te doen.

De keuzes die Sjef uit Groningen in zijn leven maakte, laten zich al jaren inspireren door drugs. Dat zijn doorgaans niet de beste keuzes. In maart van dit jaar pikte hij een fiets. Had hij weer. Het bleek de lokfiets van de nationale politie. Daar zit een zendertje in. En dus werd hij, spijtig voor hem, opgepakt.

Toen hij ras weer buiten stond, besloot hij andere keuzes te maken. Hij ging spullen stelen die dierbaren op grafstenen plaatsen. Ornamenten van brons werden zijn specialiteit, begraafplaats Selwerderhof zijn werkterrein.

De politierechter zegt dat het hem heeft verbaasd. In mei en juni werden er nogal wat diefstallen gepleegd op de begraafplaats. Rechter: ,,U struinde daar vrijwel dagelijks rond. Was er nou nooit iemand die u daarop aansprak? Zo van, wat doe jij hier?’’

Sjef: ,,Nooit.’’
Rechter: ,,Goh.’’

Sjef zegt dat hij vanwege de verdovende middelen ver van het padje was afgeraakt. En dat hij – daar komt-ie – heel veel spijt heeft van wat hij heeft gedaan.

Want daar zagen ze toch ook wel
dat de handel van Sjef niet deugde?

Achter hem zitten de mensen die hij ontzettend veel pijn en verdriet heeft gedaan. De ornamenten, soms (zelfgemaakte) kunstwerkjes, werden losgerukt, los geflext met ook forse schade aan de grafstenen tot gevolg.

De rechter vraagt waar het brons naartoe ging, naar welke recyclingbedrijven en of daar dan geen vragen werden gesteld. Want daar zagen ze toch ook wel dat de handel van Sjef niet deugde?

Er vallen namen van handelaren op industrieterreinen in oud metaal. Sjef: ,,Het wordt gewoon op de weegschaal gelegd en dan krijg je je geld.’’
Rechter: ,,Echt?’’
Sjef: ,,Er worden geen vragen gesteld.’’
Rechter: ,,Ik heb gelezen wat het opleverde.’’
Sjef: ,,Drie euro per kilo’’
Rechter: ,,Dat is een habbekrats Sjef.’

De rechter krabt aan zijn slaap, hij moet dit even verwerken. Zegt: ,,Je mag ook geen winkeldiefstallen plegen, maar dit, dit soort diefstallen, is gevoelsmatig toch van een andere orde.’’
Sjef: ,,Het is de loop van de omstandigheden, veel meer kan ik er niet over zeggen, dat heeft niet zoveel zin, als ik het zou kunnen terugdraaien dan…’’

Eén metaalbedrijf was wel argwanend en belde de politie. Sjef werd aangehouden. Negen diefstallen konden aan hem worden toegeschreven.

Papegaaien was zijn alles
edelachtbare, zegt ze

Vier gedupeerden zitten in de rechtszaal. Een van hen, een moeder, verhaalt over de pijn. Over dat het graf niet alleen een laatste rustplaats is, maar ook een plek van verdriet en troost. Dat hij dit monumentje met zijn blote handen heeft vernield, het heeft ontzield. De moeder zegt dat ze de tiende sterfdag van haar zoontje heeft moeten herdenken bij een kapot monument.

Een mevrouw vertelt dat de bronzen papegaai van het graf van haar man is gestolen. Papegaaien was zijn alles edelachtbare, zegt ze. Nee, helaas heeft ze geen bonnetje meer. Het was nog in guldens. Het bedrijf dat de papegaai speciaal had gemaakt, bestaat ook niet meer. Geld voor een nieuwe papegaai heeft ze niet.

De advocaat van Sjef zegt dat het lijkt alsof het hem niks doet, maar dat is niet zo. Het doet hem wel wat, zegt ze. Zij denkt aan een werkstraf. Sjef zucht en zegt dat de schade niet in geld is uit te drukken. De rechter, nuchter: ,,Maar u moet wel betalen.’’ Opgeteld zo’n achtduizend euro.

Sjef krijgt de straf die de officier van justitie eist: zes maanden gevangenisstraf. Niet alleen vanwege de diefstallen, maar ook vanwege een totaalgebrek aan respect. En omdat hij wel heel gemakkelijk ‘spijt’ zegt.

Met het einde van het jaar in zicht is Sjef wat mij betreft de Gluiper van 2019. Zijn spijt is van eenzelfde larie als ik hier schrijf dat ik tot mijn spijt vergeten ben de naam van dat heel foute recyclingbedrijf te vermelden.

Sorry daarvoor.

Rob Zijlstra