Belazerd en bedonderd

Je hebt me belazerd, je hebt me bedonderd
En wat me nu na al die jaren nog verwonderd
Dat ik dat nooit vergeten zal al word ik honderd
Je hebt me belazerd, je hebt me bedonderd

 

Schermafbeelding 2016-01-14 om 23.06.07Wim is belazerd door een liefdeloze vrouw van plezier, terwijl Bart zo goed als zeker weet dat hij wordt bedonderd door die ellendige Wim met z’n malle praatjes.
Als het op belazeren en bedonderen aankomt, is de rechtszaal een waar lieglustoord.

Vier maal was de 54-jarige Wim uit Heerenveen op die zomerse dag in augustus (vorig jaar) bij Jennifer geweest, in de rosse buurt in Groningen.
Vier keer had hij haar ook betaald, tweehonderd euro per keer.
Ze had haar prijs.
Toen hij laat die nacht, vroeg in de ochtend, voor de vijfde keer voor haar raam stond, ging het mis.
Hij vroeg of hij mocht slapen op haar bed omdat hij moe was.
Maar de snode Jennifer peinsde er niet over en zei dat-ie maar ergens onder een brug moest gaan liggen.
De gek!

Wim zegt tegen de rechters: ‘Ik was teleurgesteld. Ik dacht dat het liefde was, maar het ging haar alleen maar om mijn geld. Ik voelde me besodemieterd.’
Rechters: ‘U was boos.’
Wim: ‘Nou ja, boos? Ik deed in ieder geval alsof. Ik laat mij niet in de maling nemen.’
Rechters: ‘U riep dat u uw geld terug wilde, dat u anders de boel in elkaar zou slaan.’
Wim: ‘Zij sloeg me op mijn kop.’
Rechters: ‘Ja, logisch, u pakte haar geld.’
Wim: ‘Haar vriend stond buiten.’
Rechters: ‘Is het waar dat u een bijl had meegenomen?’
Wim haalt de schouders op: ‘Nuchter val ik best mee.’

Dat van die bijl klopte.
Wim zegt dat hij ook wel begrijpt dat dat achteraf gezien wat raar overkomt.
Dat je dan rare dingen kunt denken.
Want wat doet een man met een bijl?
En het was natuurlijk ook niet netjes om haar geld te pakken.

Rechters: ‘Want daar had ze voor gewerkt.’
Wim: ‘Agenten zeiden tegen mij dat ik het geld terug moest geven. Dat heb ik toen ook gedaan.’

De rechters: ‘Vier keer tweehonderd euro op één dag, dat is best veel. Toch?’
Wim: ‘Ik had het gespaard over de jaren heen.’
Rechters: ‘Om het dan in een keer uit te geven?’
Wim die met zijn vinger een vuiltje van zijn mouw veegt: ‘Och, dat maakt mij niets uit.’

Er is nog meer aan de hand met deze verdachte.
Een maand eerder zou hij geld hebben gestolen uit een woning aan de Dorpsstraat in Drenthe. Volgens de aangifte gaat het om 8.275 euro.
Bart, de bewoner, zegt dat er in totaal zo’n 13.000 euro is verdwenen, op verschillende momenten.
Hij licht toe: ’Ik kan niet bewijzen dat hij het hele bedrag heeft gestolen’.

De bedonderde bewoner is handelaar in oud en ambulant goed, in oude tractoren bijvoorbeeld.
Het gaat vooral om contante handel waarvan niet zoveel op papier komt.
De contanten lagen verstopt in de woning.
Wim kwam vaak bij Bart over de vloer, gewoon voor de gezelligheid.
De gedupeerde handelaar zegt tegen de rechters: ‘Ja, hij vond het gezellig, maar ik niet. Ik vind hem een rare kerel.’

Op een dag wordt Wim slapend in zijn auto nabij het treinstation in Meppel aangetroffen door de politie.
Hij stond geregistreerd om aangehouden te worden in verband met die diefstal in de Dorpsstraat. Het kenteken klopt en in de auto vindt de politie het rode petje met daarop de naam Valentino Rossi.
Zo’n petje was ten tijde van de diefstal in de Dorpsstraat gesignaleerd.

De rechters: ‘MotoGP.’
Wim: ‘Rossi is mijn favoriet.’

Onder de bijrijdersstoel vinden de agenten nog iets.
Een plastic zakje met daarin 23.970 euro.
Wim zegt dat hij oude tractoren koopt, restaureert en weer verkoopt.
Beste handel.
Hij droomt van een Lanz Bulldog, een tractor met een liggende één-cilinder tweetakt gloeikopdieselmotor.
Het is de koning onder de tractoren en kost al gauw 30.000 euro.
Vandaar dat geld onder de bijrijdersstoel.
Wim: ‘Mijn spaargeld.’

In de Drentse Dorpsstraat was hij nooit geweest, vertelde hij eerst aan de politie.
Later zegt hij dat dat een leugentje was, dat hij er wel is geweest.
Maar nooit was hij in de woning, laat staan dat hij geld heeft gestolen uit het afgesloten kabinet in de woonkamer.

De rechters vinden het maar raar.
Sowieso.
Zo veel geld, terwijl hij officieel een inkomen geniet van 900 euro per maand.
Wim meent dat ze wel meer kunnen zeggen.
Hij rekt zich iets uit en zegt: ‘Ik, deze man, deed ooit op een racefiets 18 kilometer in 25 minuten.’
Met niet minder trots merkt hij op dat hij geen medicijnen gebruikt.
‘Ik ben anti-tablet.’

Goed, de drank was wel een probleem.
Maar, zegt hij: ‘Ik doe geen drank meer in de auto. Daar ben ik mee gestopt.’
Dat er aan zijn goede verstand wordt getwijfeld, vindt Wim hoogst merkwaardig.
‘Ooit heb ik in Drachten een hoogleraar ontmoet. We hebben gepraat en hij schatte mij in op een gemiddeld niveau. Ik sta open voor een behandeling, maar kom mij dus niet aan met psychiaters.’

De officier van justitie vindt dat er 8.275 euro aan Bart teruggegeven moet worden.
Dat Wim de dief van de Dorpsstraat is geweest, dat staat voor haar vast.
Hij is er met zijn rode petje gesignaleerd en hij belazert en bedondert de boel.
Eerst zegt-ie dat hij Bart niet kent, later geeft hij toe er regelmatig op bezoek te komen.
En al helemaal is er geen twijfel over de diefstal in de kamer van Jennifer, waarbij ook nog eens geweld is gebruikt.

De advocaat van Wim meent dat er amper van diefstal bij Jennifer gesproken kan worden.
‘Hij is maar heel even heer en meester van het geld geweest, geld dat hij heeft teruggegeven. En duwen is geen heus geweld. De misdaad in de Dorpsstraat kan niet worden bewezen, want er zijn slechts verklaringen opgetekend uit de mond van de bewoner. Dat is onvoldoende en dat betekent vrijspraak.’

De officier van justitie eist negen maanden celstraf waarvan er zes op de lat mogen komen te staan.
Als waarschuwing.
Met die drie maanden die overblijven is de tijd verrekend die Wim in voorarrest heeft gezeten. Neemt de rechtbank de strafeis over, dan kan iedereen overgaan tot de orde van de dag.

Bart van de Dorpsstraat verlaat hoofdschuddend de rechtszaal.

Rob Zijlstra

uitspraak op 28 januari

Misdaadmythe

We geloven maar al te graag
dat de politie vooral bezig is
met het bestrijden van de misdaad
En dat is niet zo

Schermafbeelding 2016-01-02 om 18.18.38
Jaren achtereen riep de politie tijdens het bestrijden van de misdaad: meten is weten.
Meet hoeveel dieven er zijn en dan weet je exact hoeveel je er moet oppakken.
Politiechefs presenteerden maandrapportages (marap’s) aan burgemeester, wethouders en controlerende gemeenteraadsleden.
Gewichtige rapporten waarin per misdrijf de stand van zaken werd beschreven: hoeveel woninginbraken er vorige maand waren gepleegd, hoeveel inbraken er de komende maand gepleegd zouden worden en hoe een en ander zich verhield tot de begrote aantallen inbraken in beleidsplannen.

Die brij aan cijfers kwam samen in politiejaarverslagen.
Wij van de media berichtten op basis van die verslagen dat de misdaad was gestegen, was gedaald en met hoeveel procent het dus steeds veiliger of steeds onveiliger nu weer was geworden.

De helft van de mensen weet dat dat onzin is.
De andere helft komt daar nog wel achter.

Toen ik begon als rechtbankverslaggever was ‘meten is weten’ nog heel gangbaar.
Dus ook ik ging meten in de volle overtuiging dat zoiets zou helpen om te begrijpen.

De cijfers (mijn cijfers) beslaan een periode van elf jaar en hebben betrekking op bijna 4.000 strafzaken die dienden voor de meervoudige strafkamer, de strafkamer die is bedoeld voor het serieuzere misdaadwerk.
Ik kan bijvoorbeeld zo zien welke rechter wie van waar en wanneer heeft gestraft en waarvoor. Hoeveel studenten en onderwijzers kinderporno verzamelden.

Mijn cijfers van het afgelopen jaar laten zien dat de meervoudige strafkamer van de rechtbank in Groningen uitspraak deed in 290 zaken.
Bij elke zaak hoort één verdachte.
Van die 290 verdachten (21 vrouwen) in de leeftijd van 18 tot en met 77 jaar werden er 32 vrijgesproken.
Over meerdere jaren: het aantal vrijspraken neemt toe.
Wat echter te denken geeft: 80 van de 290 zaken die in 2015 werden behandeld, waren misdaden van 2013 en van nog ouder.

Verreweg de meeste verdachten hadden de Nederlandse nationaliteit: 204.
De overige 86 vertegenwoordigen 30 nationaliteiten.
Dit aantal is door de jaren heen stabiel.

Noord-Groningen leverde van de 290 misdaadkwesties slechts 9, nog altijd eentje meer dan het Westerkwartier.
Het Eemsmondgebied was goed voor 18 zaken, Oost-Groningen 67, de stad Groningen (inclusief Haren) 140.
Drenthe leverde 31 strafzaken aan ‘Groningen’, Friesland net 3.
De rest betreft misdrijven die geen specifieke locatie kenden.
Dat Groningen zo veel ‘Drenthe’ doet is overigens nieuw.

De meeste zaken hadden betrekking op diefstal, gevolgd door zaken waarbij geweld de boventoon voerde.
Er zijn ook diefstallen met geweld.
Diefstal al dan niet gepaard gaande met geweld zijn samen goed voor 160 van de 290 zaken.
Hoog in Groningen, maar ook Drenthe – zoals alle jaren – scoren zedenzaken: ontucht met minderjarigen, bezit van kinderporno, aanranding en verkrachting.
Opgeteld 66 zaken (waarvan 11 moeten worden toegeschreven aan Drenten).

Waren de straffen wel streng?
In 182 strafzaken werden door de rechters lagere straffen opgelegd dan door de officieren van justitie geëist.
Er werd 80 keer conform de eis gestraft en 28 maal vonden de rechters de strafeisen te laag en rolden er een hogere straffen uit.
Al met al resulteerde dit in ruim 190 jaren onvoorwaardelijke gevangenisstraffen en bijna 13.000 uren aan onbetaalde arbeidsuren (werkstraffen).

Maar was het wel streng genoeg?
Dat zal moeten blijken.
Gaat geen veroordeelde dit jaar opnieuw de fout in, dan is 2015 qua straf een bijzonder goed jaar geweest.

Wat zeggen nou al die cijfers?
Dat je moet oppassen.
Ineens veel meer zedenzaken in de rechtszaal betekent niet dat er plots meer zedendelicten op kinderkamers worden gepleegd.
Inbrekers waren schaars het afgelopen jaar in de rechtszaal, hoewel er volop wordt ingebroken.
En mensenhandel krijgt extra aandacht (want een speerpunt), maar die extra aandacht leverde in 2015 slechts 5 rechtszaken op (in 2014: 7).
De cijfers laten wel zien wat al eerder was opgevallen: de rechtbank behandelde in 2015 (en ook in 2014) veel minder strafzaken dan daarvoor en er werden relatief veel oude misdaden berecht.

Met cijfers kun je ook goochelen.
De meervoudige strafkamer van de rechtbank in Groningen beoordeelde afgelopen jaar dus 290 verdachten, sprak er 32 vrij en veroordeelde 258 volwassenen tot een straf.
Dat is – de zaterdag en zondag niet meegerekend – één boef per dag.
En dat terwijl er dagelijks 580.000 Groningers zijn.

Ga je het zo bekijken, dan kun je de stelling betrekken dat het helemaal geen zin heeft dat er dagelijks ook nog eens honderden politie-agenten in dienst zijn.
Want wat doen die dan eigenlijk?

Ik denk, wat politieprofessor Bob Hoogenboom zegt.

Deze hoogleraar politiestudies en veiligheidsvraagstukken publiceert regelmatig over de politie.
Hij schreef het afgelopen jaar bijvoorbeeld dat de politie om de gestelde doelen te halen achter makkelijke zaken aanholt.
Dat leidt wel tot meer strafdossiers maar door dat gehol zijn die dossiers onder de maat en die leiden tot niets.
De politie wordt op papier productiever, maar in de rechtszalen zijn minder strafzaken. Hoogenboom: ‘Hou op met die cijfers.’

Ons probleem is, beweert de professor, dat we geloven in een mythe.
We geloven maar al te graag dat de politie vooral bezig is met het bestrijden van de misdaad.
En dat is niet zo.
Hooguit tien procent van de tijd is de politie bezig met misdaadbestrijding.
De overige tijd en energie gaat op aan hulpverlening aan mensen die in de war zijn, aan burenruzies, aan bijstand bij vechtscheidingen en verkeersongelukken, aan het simpelweg aanwezig zijn: bij voetbalwedstrijden, bij demonstraties, in uitgaansgebieden, surveilleren in de wijken en dorpen.
Hiermee heeft de politie, zegt Bob Hoogenboom, een ongelooflijk belangrijke symbolische functie.

Dat de politie rechtstreeks in verband wordt gebracht met dalende en stijgende criminaliteit, is ook de schuld van de media.
Wij van de pers houden het beeld van de politie als crime fighter levend, zo de populaire politieseries dat op de televisie en andere beeldschermen doen.
Ook de politiek van veiligheid en justitie doen ons in deze fabel geloven en de politie zelf spreekt het niet tegen.

Dit was 2015.

Komende week staan de eerste strafzaken van 2016 op de rol van de meervoudige strafkamer.
Als een van de eersten moet er een man terechtstaan omdat hij wordt verdacht van diefstallen in Winschoten.
Dat deed hij in 2013 ook al eens en in de voorbije elf jaar waren er nog 29 mannen die terechtstonden omdat ze in Winschoten diefstallen hadden gepleegd.
Zij kregen gevangenisstraffen van 22 dagen tot 3 jaar opgelegd.

Dat zegt dus niets en al helemaal niets over Winschoten.
Maar u weet het alvast.

Rob Zijlstra
dit verhaal is ook gepubliceerd in dagblad van het noorden, zaterdag 2 januari ’16

→ de Veiligheidsmythe [bart de koning] met dank aan erik
→ Bob Hoogenboom: de politiecolumn
→ een deel van mijn ‘meten en weten’: opgelegde straffen
→ 2 tot de 57885161ste macht – 1 is het grootste bekende priemgetal [hou op]

De slachtofferverklaring

ze spreken omdat ze niet willen zwijgen

Schermafbeelding 2015-10-17 om 11.59.18Er was een signalement van de aanrander op de scooter.
Een forse man met een boos gezicht, een rokersstem, lange nagels, dikke handen, hangwangetjes, grijze snor.
In juni werd hij opgepakt.

Hij heet Mark en is 49 jaar.
In 2009 werd hij veroordeeld tot dertig maanden celstraf omdat hij in 2008 acht vrouwen had aangerand in de omgeving van de Stadsschouwburg in Groningen.
Mark zei toen tegen zijn rechters dat hij spijt had en dat het niet nog een keer zou gebeuren.
Die woorden herhaalde hij deze week.
Opnieuw spijt en weer nooit meer.

In 2013 zou hij in Friesland tenminste zeven jonge vrouwen hebben aangerand.
En in de eerste helft van dit jaar sloeg hij toe in de regio Emmen en Odoorn: dertien jonge vrouwen werden het slachtoffer.

Ik kan het hier allemaal opschrijven.
Over wat de rechters vroegen en wat Mark dan onhandige antwoordde.
Over wat de officier van justitie zei, de advocaat.
Over de deskundigen die spraken over frotteurisme en dat het behandelplafond is bereikt.

En dat er nog geen strafeis kan worden geformuleerd.
Dat de strafzaak daarom in januari wordt voortgezet.

In de rechtszaal zat een machteloze vader die wel van alles zou willen zeggen tegen die rotverdachte, maar dat niet mag zeggen van de rechters. Hij zei nog wel: ‘Weet jij wel wat je hebt aangericht? Besef je dat wel?’
De rechters: ‘Duidelijk, klaar.’
Rechters moeten verdachten die nog niet zijn veroordeeld ook een beetje beschermen,

In de rechtszaal zaten de slachtoffers, de jonge vrouwen.
Zij spreken omdat ze niet willen zwijgen.
Ik luisterde.

Ik weet het nog precies, en ik denk ook niet dat ik het ooit zal vergeten. Het was een donkere dinsdagochtend in februari, en ik fietste zonder zorgen naar school. Ik was net zestien geworden, en stond stralend in het leven. Zoals altijd als ik alleen moest fietsen had ik muziek op. Mijn lievelingsnummer. Terwijl ik heel zachtjes meezong zag ik jou aankomen op een pikzwarte scooter. En hoewel het heel donker was zag ik meteen dat je naar me keek.

De rillingen schoten over mijn rug. Ik wist dat op deze weg naar school weleens meisjes waren aangerand. Maar zoals heel veel andere meisjes dacht ik: dat overkomt mij heus niet. Maar toen ik jou zag begon in meteen te twijfelen. Dit voelde écht niet goed. Toen reed je me voorbij en hoopte ik dat je snel door zou rijden. In de verte zag ik het paadje al waar dit donkere bospad zou eindigen en ik tussen de huizen zou fietsen. Nog maar even, dan ben ik niet meer alleen, hield ik mezelf gewoon voor.

Maar toen ik achterom keek zag ik waar ik al zo bang voor was. Jij reed helemaal niet door, maar je keerde om en kwam achter me rijden. En dat was het moment waarop ik wist dat ik me twee keer had vergist. Één om te denken dat mij dit toch niet overkwam; en twee dat ik het einde van het bospad zou halen. Het was ook het moment waarop ik accepteerde dat me iets stond te gebeuren wat ik absoluut niet wilde.

Ik weet niet hoelang je daar achter me bleef rijden, terwijl ik doodsbang was voor wat je met me ging doen. Het leken wel uren, maar het kunnen maar hooguit dertig seconden geweest zijn. Ik bleef gewoon doorfietsen, iets anders kon ik niet. En toen gaf je gas en reed je ineens naast me, terwijl je me aankeek en je hand in de richting van mijn borst ging. Maar toen je mijn lijf aanraakte verdween mijn angst voor heel even en kwam er enorme kwaadheid voor in de plaats.

Met alle kracht die ik had duwde ik je in je gezicht van me af. Ik kon mijn evenwicht door die duw niet bewaren en viel in de berm. Ik zag hoe jij je evenwicht nog wel kon bewaren en dat je een paar meter verderop stil stond. Ik kwam zo snel als ik kon overeind terwijl ik de pijn in mijn knie probeerde te negeren. Terwijl ik huilend schreeuwde dat je weg moest gaan rende in een stuk naar de autoweg toe.

Ik weet nog dat je naar me om keek, me even recht aankeek en toen wegreed. Ik stopte met rennen en keek je na tot ik zeker wist dat je echt weg was. Ik had nog steeds mijn lievelingsnummer op. Maar het is mijn lievelingsnummer niet meer, want sinds die ochtend moet ik altijd huilen als ik het hoor.

Die ochtend heeft mijn moeder me opgehaald, nadat ik haar gebeld had toen ik bij mijn fiets stond. Toen ik haar belde was ik zo overstuur dat ze niet eens kon horen wie ze ervoor had: mijn jongere zusje of ikzelf. Toen ik iets rustiger werd en ik kon vertellen wat er gebeurd was, kwam ze meteen naar me toe. Toen ik uiteindelijk thuiskwam stond er politie op me te wachten, aan wie ik alles precies moest uitleggen.

Ik deed dat zo goed als ik kon, om snel klaar te zijn. Want ik wilde maar één ding: helemaal schoon in mijn bed liggen. Dus toen ik klaar was ging ik naar boven om meteen onder de douche te gaan. En toen ik daarna in bed lag trok ik de dekens over mijn hoofd omdat ik wilde slapen en alles wilde vergeten. Maar ik kwam erachter dat dat niet ging, want toen ik wakker werd was het het eerste waaraan ik dacht. En dat was nog maar het begin van alles wat er daarna veranderd is.

Mijn gevoel van veiligheid, dat voorheen prima was, was totaal verdwenen. Ik durfde niet meer alleen te fietsen, durfde niet meer door het donker en zelfs in mijn eigen huis en mijn eigen kamer, met mijn familie of vrienden om me heen, vond ik het donker vreselijk. Als ik ’s avonds in bed lag en eraan dacht zei ik soms zachtjes: ‘Ik ben aangerand.’ En dan kon ik niet geloven dat ik het over mezelf had, omdat ik voorheen zo’n heerlijk onbezorgd leventje had.

En scooters, wat een hekel kreeg ik aan dat geluid. Alleen al bij het geluid van een scooter sloeg mijn hart over en wilde ik de benen nemen. Zoals ik vroeger blij en vrolijk was was ik nu verdrietig. Omdat ik dagenlang aan niks anders dacht, en in de les zat terwijl ik tegen mijn tranen vocht.

Maar het ergste vond ik nog wel dat ik onbekende mensen niet meer normaal aan kon kijken. Zouden ze zomaar aan me zitten? Kon ik ze wel vertrouwen? Gedachtes die ik vroeger nooit had, waar ik nu ineens over nadacht, terwijl ik er helemaal niet over wilde nadenken.

En dan ook nog eens school. Ik haalde slechte cijfers voor vakken die ik prima kon, waardoor ik afgelopen jaar met de hakken over de sloot over ben gegaan naar het vijfde jaar. Ook zag ik elke dag op tegen dat bospad, waar ik toch echt doorheen moest. Nog steeds kan ik er niet doorheen rijden zonder eraan te denken en constant over mijn schouder te kijken uit angst dat het nog eens zal gebeuren. En niet alleen ik, maar ook mijn vriendin die er langs moet rijden stond stijf van de zenuwen.

Terwijl mensen om me heen razend waren voelde ik eigenlijk alleen maar leegte vanbinnen. Echte kwaadheid heb ik nooit gevoeld. Eigenlijk alleen verdriet en teleurstelling. Je bent zomaar mijn leven binnengegaan, en het ergste is dat ik je er gewoon niet uit krijg, terwijl ik dat zo graag wil. Het gewoon vergeten, het uit mijn hoofd weghalen en er nooit meer aan denken.

Het is nu meer dan acht maanden geleden, maar telkens als ik erover praat word ik weer verdrietig, omdat ik moet accepteren dat dit voor altijd bij me zal blijven. Ik weet inmiddels dat je al minstens achtentwintig vrouwen en meisjes hebt aangerand, van wie  ik er één ben. Mijn verhaal is slechts één van de achtentwintig… 

Zo is dat dus.

Rob Zijlstra

Dit verhaal staat op deze plek met nadrukkelijke toestemming van het slachtoffer (op verzoek geen naam) en haar ouders.

→ Ik schreef eerder over Mark (maart 2009). Het betrof toen de strafzaak naar aanleiding van de aanrandingen rond de Stadsschouwburg in Groningen »» viagra 

update – 11 januari 2016 – vervolg strafzaak
Het Openbaar Ministerie heeft 36 maanden celstraf en tbs met voorwaarden geëist. Mark wil wel worden behandeld, maar hij wil nog liever naar huis. Hij maakte ook gebruik van het laatste woord: of hij zijn scooter terug kan krijgen? Zijn raadsman verzocht de rechtbank af te zien van celstraf,maar de nadruk te leggen op behandeling. De rechtbank doet op 25 januari uitspraak. >> kort verslag