Echtgenote

foto: corne sparidaens/dvhn
Hij zit in het verdachtenbankje, verbeten te schrijven.
De strafzaak moet dan nog beginnen.
Een meter achter hem zit zijn echtgenote.
Zij kijkt triest voor zich uit.

Bert (50) zit daar omdat het openbaar ministerie denkt dat hij de boel heeft belazerd.
En dat heeft hij ook.
Hij zegt het zelf.
Zegt: ‘Ik heb het gedaan. Het is helemaal terecht dat ik hier zit.’

Bert werkte op de afdeling integrale klantenafhandeling van de Informatie Beheer Groep (IBG) in Groningen. Tussen februari 2005 en halverwege 2007 liet hij computers geld overmaken naar een fictief persoon. Het bijbehorende bankrekeningnummer was echt. Dat was van hem. Hij wist de computers ook zo te manipuleren dat een controle er geen vat op zou krijgen.

Het leverde Bert al met al zo’n 45.000 euro op.
Tijdelijk, want het werd toch ontdekt.
In oktober 2007 kreeg Bert zijn ontslag.

Tegenover de rechters zit ook een manspersoon met een advocaat.
Hij is de IBG en samen met de jurist willen ze geld van Bert zien: 92.000 euro
Op de publieke tribune zitten nog meer IBG-mensen.

Dit is de setting als de rechters zittingszaal 14 betreden.
De voorzitter van de rechtbank ziet het direct: er ontbreekt iemand in de zaal.
Bert heeft geen advocaat.
Of dat wel zo verstandig is, willen de rechters van hem weten.

Bert zegt dan dus: ‘Ik heb het gedaan. Het is helemaal terecht dat ik hier zit. Dus, edelachtbare…’
Al eens eerdere antwoordde een verdachte op precies dezelfde vraag: ‘Ik heb het niet gedaan. En als je het niet gedaan hebt, kun je je ook niet verdedigen.’
Bert voegt er nog aan toe dat hij gezien zijn huidige financiële positie een advocaat ook niet kan betalen.

De rechters twijfelen, zeggen dat wie niet kan betalen een beroep kan doen op rechtsbijstand..
Rechters moeten niet alleen oordelen (en veroordelen), maar ze moeten ook de belangen van een verdachte in de gaten houden. Ze moeten er op toezien dat een verdachte een eerlijk proces krijgt.

De rechters zeggen dat ze zich zullen terugtreken voor nader beraad.
Bert knikt en schrijft weer lustig verder.
Zijn echtgenote kijkt nog altijd triest.

Na een kwartier betreden de rechters voor de tweede keer de zittingszaal.
Ze zeggen dat Bert er misschien toch verstandig aan doet een advocaat te zoeken.
Ik zie hoe de echtgenote met haar hoofd begint te knikken.
Rechters: ‘Als u dat wilt, zullen we de zaak aanhouden om u in de gelegenheid te stellen. Blijft u bij uw standpunt, dan gaan we beginnen.’

Bert: ‘Mag ik even overleggen met mijn echtgenote?’
Zij knikt nog steeds.
Hij draait zich om, een ogenblik, een halve seconde.
En zegt dan: ‘Ik wil wel een advocaat.’
Rechters: ‘Dan zullen we de zaak aanhouden.’

Ik weet het niet, maar iets zegt me dat Bert veel eerder naar zijn echtgenote had moeten luisteren.
Misschien al in 2005.

Rob Zijlstra