Johnny B. – interview

foto: corne sparidaens / dvhn

In de cel tikt de tijd niet

Neen.

Johnny gaat in dit verhaal dus even niet vertellen dat ‘ie het wel heeft gedaan.
Hij zegt: ‘Iedereen mag zijn mening hebben. Ik blijf erbij dat ik onschuldig ben. Ik heb mijn straf gehad. Nu is het klaar.’

Tussen augustus en december 2007 waren er 22 branden, brandjes en pogingen tot brandstichting in schuurtjes en leegstaande panden in ’t Zandt en omgeving.
Er volgde qua omvang een ongekend politieonderzoek, waarbij ook de hulp werd ingeroepen van het leger. Een week nadat Johnny 19 jaar was geworden, werd hij op 18 december 2007 in de draaideur van het Universitair Medisch Centrum Groningen (UMCG) klemgezet, omvergeduwd en door een arrestatieteam in de boeien geslagen.

We hebben hem, jubelde de politie.

Bijna een jaar later, op 1 december 2008, werd Johnny B. veroordeeld.
Niet tot vijf jaar zoals justitie had geëist, maar tot twee jaar celstraf waarvan negen maanden voorwaardelijk.
De rechters achten slechts één brandstichting en twee pogingen daartoe en het versturen van dreigbrieven bewezen.
Van de andere zaken werd hij vrijgesproken.
Op het moment van de uitspraak was Johnny al op vrije voeten.
Op 5 oktober vorig jaar moest hij zich bij de gevangenispoort in Veenhuizen melden voor het uitzitten van de dan nog resterende 177 dagen.

Dat was een tegenvaller.
Hij had gratie gevraagd, gevraagd of het restant mocht worden omgezet in huisarrest.
Dat mocht niet.
Vorige week kwam definitief een einde aan zijn detentie.

Hij zegt dat het goed met hem gaat, dat hij aan het werk is.
En ja, zeker weten is hij blij dat hij eindelijk een punt kan zetten achter een ‘best wel’ roerige tijd.

Kan hij het zich voorstellen dat er mensen zijn die hem niet geloven, die hem zullen blijven zien als de brandstichter van ’t Zandt?
Ja, dat kan hij.
Nuchter: ‘Het zal altijd aan mij kleven. Ik heb geen keus. Ik zal het er mee moeten doen.’

Wat heeft het met hem gedaan, die branden, het politieonderzoek met het leger erbij, de onrust, zijn aanhouding, de verhoren, de media-aandacht, de detentie?
Johnny zegt: ‘Ik weet nu hoe kostbaar vrijheid is. En hoe je vrijheid kunt missen, als je het niet hebt.’

’t Zandt was zijn dorp.
Voor de branden was hij van plan om er altijd te blijven wonen.
Eerst iets huren en dan een huis kopen, dat was het idee.
‘Ik was er altijd bezig. In de tuin, met groenten, met bomen en planten. Of met de schapen van mijn vader.’

Hij zat op de Groene School in Winsum waar hij de eerste beginselen van het hoveniersvak leerde.
In 2007 ging hij naar het AOC Terra in Groningen voor de vervolgopleiding tot zelfstandig hovenier. De arrestatie op 18 december van dat jaar betekende het einde van zijn opleiding.

Om geld te verdienen, bracht Johnny in ’t Zandt reclamefolders rond.
En de krant.
Ook haalde hij oud ijzer op.
Met het verdiende geld kon hij zodra hij 18 jaar was rijlessen volgen en in het voorjaar van 2007 kocht hij een auto.
‘Ik was een van de eersten in mijn vriendengroep met een eigen auto.’
Zijn vrienden waren de vrienden van de lagere school.
Met hen hing hij rond in het dorp en op zaterdagavond in discotheek 538 in Uithuizen. Daar leerde hij ook zijn huidige vriendin kennen.

De liefste jongens van het dorp?
‘Nee, dat niet. We hadden een keer onenigheid met een vrouw in het dorp. Gooiden we met eieren. Tijdens oud en nieuw is dat toen een keertje uit de hand gelopen. Met een man of dertig staken we een oud bankstel op straat, maar voor haar huis, in de brand. Met z’n vieren moesten we naar de kinderrechter. Ik heb toen een taakstraf gekregen van 70 uur. De anderen kregen een waarschuwing. Moest ik van maandag tot en met zaterdag een terrein van de gemeente Delfzijl opruimen.’

Begin augustus 2007.
Zomervakantie.
Johnny gaat met zijn vriendin er een paar dagen tussenuit.
Ze gaan naar een vakantiehuisje van Center Parks.
Hij zegt: ‘Mijn leven liep op rolletjes. Ik had alles wat ik wilde.’

Op 14 augustus 2007 is de eerste brand, in de oude, leegstaande aalmoezenierswoning midden in het dorp. In ’t Zandt werd gezegd: dat heeft de jeugd gedaan. Want de jeugd hangt daar altijd rond. Drie maanden later staat de teller op vijftien branden, heeft de politie er inmiddels een tijdelijke post ingericht en speuren tientallen rechercheurs met hulp van het leger naar sporen.
Het dorp hangt dan al vol met camera’s en detectoren.
Zelfs in de kerk.

Johnny: ‘Er gingen natuurlijk wel geruchten door het dorp. Wij waren vaak aan het donderjagen en kregen vaker de schuld van dingen die gebeurden. Ik ben toen ook verhoord, niet als verdachte, maar als inwoner van het dorp. Een keer moest ik aan het bureau komen. Raar was toen dat ik mijn auto achter het gebouw moest parkeren, terwijl er aan de voorkant ruimte genoeg was. Achteraf werd het me duidelijk: ze hebben toen een peilzender onder mijn auto aangebracht. Dat was op 16 november.’

Op 11 december vierde hij zijn 19de verjaardag met vrienden en een feestje thuis.
Wat hij toen niet wist, maar later in het dossier las, was dat de politie via de ventilatieroosters richtmicrofoons had geplaatst.
De gesprekken op het feestje werden afgeluisterd.
Een week later werd hij aangehouden.

De politie had willen wachten, die wilde de brandstichter op heterdaad betrappen.
Maar de druk was hoog en justitie zette de aanhouding door.
Ze wisten dat Johnny op 18 december een bezoek zou brengen aan een familielid van zijn vriendin die in het ziekenhuis lag.

Johnny: ‘We hebben toen nog grapjes gemaakt. Dat je in de gevangenis brood met spinnen te eten krijgt. We liepen naar de uitgang. Ik stapte als eerst in die draaideur. Zeven, acht mannen kwamen direct achter me aan. Ik kreeg een drukker en viel. Toen zaten ze boven op me en had ik handboeien om. Pas toen had ik door dat het de politie was. Ik werd naar het politiebureau aan de Rademarkt gebracht en ’s avond laat brachten ze me naar Delfzijl. Met drie auto’s en vol gas. Ik zat in de middelste.’

‘Ik dacht steeds, ik ga zo naar huis. Maar na Delfzijl brachten ze me naar de gevangenis in Ter Apel. De gevangenis kende ik alleen van de televisie. Nu zat ik er zelf. Medegedetineerden vroegen of ik nieuw en waar ik vandaan kwam. Ik zei, ik ben Johnny, uit ’t Zandt. Oh, zeiden ze, je bent steeds op de tv. Ik heb daar zelf weinig van meegekregen. Ik zat in beperking, 23 uur per dag op cel. Medegedetineerden regelden af en toe wat drinken. Soms schoven ze een krant onder de deur door. De bewaarders waren aardig. Van hen kreeg ik wel eens drop.’

‘Als je 23 uur per dag op cel zit, dan tikt de tijd niet door. Je kunt niks, andere mensen bepalen. Ik voelde mij machteloos. Op gegeven moment kun je ook niet meer huilen. Na veertien dagen mocht ik eindelijk, in het bijzijn van de politie, mijn ouders zien. We mochten niet over de zaak praten. Dat was natuurlijk hartstikke moeilijk. Van mijn moeder kreeg ik stiekem een klein knuffelbeertje. Ik had kleine briefjes geschreven. Daar had ik ‘ik hou van jullie’ op geschreven.’

‘Ineens werd ik weggevoerd, zo de verhoorkamer weer in. Ik was toen op m’n zwakst. Ze zeiden dat het niet erg zou zijn dat ik op mijn verklaringen terug zou komen. Dat ik naar huis mocht als ik zou bekennen. Ze probeerden me te breken, maar ik bleef zeggen: ik heb het niet gedaan. Ze zeiden ook, zeg het maar, we weten alles. Ze zeiden dat ze ervoor zouden zorgen dat mijn vriendin bij me weg zou gaan. Tegen mijn ouders hadden ze op de avond van mijn aanhouding gezegd, dat ze me op heterdaad hadden betrapt. Wat niet zo was.’

Op 13 februari, bijna twee maanden na de aanhouding, werden de beperkingen opgeheven.
‘Ik mocht bellen en voor het eerst televisie kijken. Ik heb toen de hele nacht gekeken. Ik kreeg toen ook de kaartjes en brieven van vrienden, van mensen uit ’t Zandt, van wildvreemden uit het hele land. Steunbetuigingen die ze twee maanden hadden achtergehouden. Ook mijn ouders kregen kaartjes en bloemen. Het dorp heeft mijn ouders nooit laten vallen, ze hebben hen nooit afgerekend op de verdenkingen tegen mij. Dat is voor ons zo ongelooflijk belangrijk geweest.’

Politiemensen, gespecialiseerd in het verhoren van ontkennende verdachten, ondervroegen hem. Uren achtereen, in totaal zo’n zestig keer.
En Johnny bleef zeggen: ik heb het niet gedaan.

Uiteindelijk waren ook de rechters niet overtuigd.

Als jij het niet hebt gedaan, heeft iemand anders het gedaan.

Hij zegt: ‘Er is een categorie mensen die zegt dat ik er meer van weet. Als ik buitenstaander was, zou ik ook mijn bedenkingen hebben. Echt waar. Maar hoe moet ik mijn onschuld bewijzen? Ik ken het dossier uit mijn hoofd. Vast staat dat er een aantal branden is die ik domweg niet gesticht kan hebben. Dat weet de politie ook. En er zijn sporen die wijzen naar anderen. Ik was tijdens het onderzoek niet de enige verdachte. Er waren meer mensen in beeld. Er is ook DNA aangetroffen dat niet van mij is.’

Johnny heeft zijn leven weer opgepakt. Hij heeft een huisje en gaat binnenkort officieel samenwonen met zijn vriendin. Ze hebben nu vijf jaar verkering. Hij heeft werk als hovenier, bij zijn oude werkgever.

Eigenlijk heeft Johnny net als voor de branden zijn leven weer goed op orde.
Als mensen hem vragen waar hij vandaan komt, zegt hij nooit: ik kom uit ’t Zandt.
Maar als mensen hem op de man af vragen of hij Johnny is, de Johnny B. uit ’t Zandt, dan zegt hij ja.

Dan zegt hij: ‘Ja, dat ben ik. Maar ik heb het niet gedaan.’

Rob Zijlstra

.

[dit interview is ook gepubliceerd in Dagblad van het Noorden van zaterdag 3 april]

Johnny B. (slot)

Stel je voor.

Je gaat – ’s avonds in december 2007 – even op ziekenbezoek in het ziekenhuis en als je dat grote gebouw een uurtje later wilt verlaten, springen ze bovenop je en ben je gearresteerd.
De politie voert je met zwaailichten af naar het politiebureau, roept ‘we hebben hem!’ en vervolgens zit je twee maanden lang opgesloten in een cel zonder dat je contact mag hebben met de buitenwereld.

Na negen maanden sta je eindelijk voor de rechters.
Die zeggen dat je naar huis mag, dat je het proces dat nog moet komen, in vrijheid mag afwachten.
Omdat de rechters vinden, zeggen ze, dat je gezien de beschuldigingen lang genoeg vast hebt gezeten.

De politie brengt je – jij meer dan opgelucht – terug naar de gevangenis zodat je je spullen bijeen kunt rapen.
Eindelijk naar huis.
Maar eenmaal in de gevangenis, zegt de politie dat je opnieuw bent aangehouden.
Dat justitie je niet wil laten gaan.
Een week later moet dat dan alsnog, opnieuw op last van de rechters.

Uiteindelijk, bijna een jaar na je arrestatie in het ziekenhuis, is daar de dag van het proces.
Justitie eist 5 jaar gevangenisstraf.
De rechtbank vindt dat veel te veel, spreekt je in december 2008 van het overgrote deel van de ten laste gelegde beschuldigingen vrij.
Jij krijgt 24 maanden celstraf waarvan 9 voorwaardelijk.

Omdat je op dat moment vrij bent, hoef je niet direct met de politie mee.
Je moet de oproep afwachten.
Justitie is het er absoluut niet mee eens, maar gaat toch niet in hoger beroep.

Het duurt even, maar in oktober 2009 moet je je dan melden bij de gevangenispoort in Veenhuizen voor het uitzitten van het dan nog resterende deel van de opgelegde straf: nog 177 dagen.

Vandaag is dag 177.
Dan ben je morgen – 843 dagen na die arrestatie in de draaideur van het ziekenhuis – weer vrij man.

Stel je voor dat je zoiets meemaakt.
Dan kun je gerust zeggen dat je het een en ander hebt beleefd.

Daarover gaat het interview dat ik met Johnny B. uit ’t Zandt had.
Dat interview staat zaterdag – exclusief zoals we dat noemen en met een mooie foto – in Dagblad van het Noorden.

Rob Zijlstra