Kale cijfers

Rechters gaan qua lage straffen
niet helemaal vrijuit

32 gem cel p zaak 4Straffen die in rechtszalen worden opgelegd zijn te hoog en zijn te laag.
Precies goed is het zelden of nooit.

Twee weken geleden stond een 49-jarige man terecht die zijn buurmeisje seksueel zou hebben misbruikt.
Dat zou zestien jaar geleden zijn gebeurd.
Man zegt dat het niet zo is.
Het buurmeisje is inmiddels een vrouw.
In haar slachtofferverklaring, gericht aan de rechters, zei ze dat de verdachte voor de buitenwacht een leuke man is.
Maar dat de buitenwacht eens weten moest.
Ze vindt dat de verdachte geen recht heeft, niet meer, op een gelukkig en zorgeloos bestaan.

De officier van justitie eiste een gevangenisstraf van 12 maanden.
Het vermeende slachtoffer zal dit vast veel te weinig vinden, de ontkennende verdachte vindt het een nachtmerrie, een horrorscenario.
Maandag laat de rechtbank weten wat passend en geboden is.

Wat ik maar wil aangeven: het gaat er zo nu en dan heftig aan toe in zittingszaal 14.
Maar kijkend naar de kale cijfers, dan moet de conclusie zijn dat er laag wordt gestraft. Relatief.
Een strafzaak bij de meervoudige strafkamer (drie rechters en met als het leven goed is minimaal één rechtbankverslaggever) is landelijk gezien goed voor gemiddeld een jaar celstraf per verdachte.
In Groningen ligt dat voor dit jaar en tot nu toe op gemiddeld 7 maanden per verdachte.

Zeven is bijna de helft van een jaar.

4 onvoorw 81Dit lage cijfer komt niet omdat rechters in Groningen aardige mensen zijn.
Ze zijn in de rechtszaal niet milder dan hun soortgenoten elders.
Om die 7 maanden te kunnen verklaren kan het heel goed zijn dat in Groningen minder ernstige zaken ter beoordeling aan rechters worden voorgelegd.

Dat ‘wij’ onder het gemiddelde blijven hangen, is mooi voor hier.
Het betekent dat het elders (behalve in Drenthe) ernstiger is.

Ik verbaas mij ook daarom regelmatig over de politie die bijvoorbeeld maar blijft volhouden dat de bestrijding van mensenhandel in Groningen een speerpunt moet wezen.
Mensenhandel in Groningen bestaat – denk ik dan wel eens – alleen in de hoofden van hen die het moeten aanpakken.

Vorige maand was er een grote politie-actie in Groningen mede in verband met dit hardnekkige speerpunt.
Agenten mochten op klaarlichte dag verdacht uitziende types (figuren met haar?) in auto’s met buitenlandse kentekens willekeurig van straat plukken en deze vermeende criminelen meenemen voor controle.
Dat dit zo was en zo ging stond gewoon in de krant.
Geen burgemeester, geen geëngageerde advocaat of een andere bewaker van de openbare orde die ‘ho, ho’ riep.

De enige man (keurig voorkomen, vrijwel kaal) die zich dit jaar voor mensenhandel in Groningen moest verantwoorden, werd vrijgesproken.
Vorig jaar waren er vier verdachte mensenhandelaren, twee kregen werkstraffen, de lelijkste een celstraf van 18 maanden.

30 vonnis eis 8Rechters gaan qua lage straffen overigens niet helemaal vrijuit.
Een officier van justitie kan – binnen de regels van de wet – eisen wat hij wil, de rechters gaan in driekwart van de strafzaken onder die eis zitten.
Doen ze een keer iets meer, dan is het meestal maar een onsje.
In de ogen van rechters zijn eisen van het Openbaar Ministerie te hoog.
Al jaren doet het gerucht de ronde dat officieren van justitie bewust hogere eisen op tafel leggen omdat ze weten dat rechters stronteigenwijs zijn en bijna altijd voor lager gaan.
Of het waar is, weet ik niet.

Het komt ook voor dat het Openbaar Ministerie in de rechtszaal al met een heel lage strafeis op de proppen komt.
Wat is er dan aan de hand?
In het asielzoekerscentrum in Musselkanaal was een vechtpartij geweest met gewonden.
Twee broers kregen het aan de stok met Zaid (21) uit Syrië.
Zaid zou hebben gewandeld met het zusje van de twee broers en die wilden dat onder geen beding.
Toen de broers tijdens het biljarten Zaid zagen, riepen ze hem en kreeg hij met vlakke hand een harde klap in het gezicht.
Achteraf bleek dat de broers zich hadden vergist.
’t Was niet de verdacht uitziende Zaid die met het zusje had gewandeld.
Maar dat was achteraf.

Na de klap had Zaid geduwd en ook teruggeslagen.
Hij voelde zich bedreigd, hij was bovenop een radiator terechtgekomen waar hij met de rug tegen de muur stond.
Ineens was daar een kapper en een schaar.
Zaid zwaaide.
Stak.
Hij raakte beide aanvallende broers, de een in de onderarm, de ander in het gezicht.

Alle getuigen verklaren tegenovergesteld.
Misschien ook wel, denkt de advocaat, omdat de verbaliseerde verklaringen met tussenkomst van nogal wat tolken tot stand zijn gekomen.
De advocaat: ‘Eigenlijk weten we helemaal niks over wat er nou precies is gebeurd. Het is een dossier vol tegenstrijdigheden.’
De advocaat kreeg op basis van het dossier ook niet de indruk dat de politie het naadje van de kous had willen weten.
Voor de raadsman is het zo klaar als een klontje: zij begonnen, twee tegen een, zelfverdediging, noodweer, geen straf, klaar.

Ondanks de onduidelijkheid is er toch een rechtszaak voor de meervoudige strafkamer, drie rechters.
Voor Zaid staat het leven op het spel.
In november vorig jaar is hij via een achtbaan op duizelingwekkende wijze in Nederland terechtgekomen.
Bij een veroordeling moet hij misschien terug, terug naar de dood waaraan hij wist te ontsnappen.
Wat weten wij daar nou van?

De officier van justitie: ‘Tja, een lastig dossier.’
Het steken met scharen in armen en gezichten is doorgaans goed voor heftig strafrechtelijk geweld in de zaal.
Maar er moet ook worden gekeken naar de context van alles.
De officier van justitie: ‘Het komt erop neer dat verdachte door alle strafmodaliteiten die we hebben ernstig wordt getroffen.’
De advocaat: ‘Doe dan een ontslag van alle rechtsvervolging.’
De officier van justitie: ‘Nee. Ik eis een maand celstraf, maar die geheel voorwaardelijk.’

Schermafbeelding 2016-06-11 om 09.43.31Een lagere strafeis kan bijna niet.
Willen rechters daar onder gaan zitten, dan moet Zaid eigenlijk een beloning krijgen en dat is nou ook weer niet de bedoeling.
Op 20 juni doet de rechtbank in deze kwestie uitspraak.
De kans is groot dat de gemiddeld opgelegde straf na die uitspraak daalt.

Met kale cijfers moet je wel altijd oppassen.

Wist u trouwens – het is onderzocht en uitgerekend – dat één moord de samenleving gemiddeld 3 miljoen euro kost?
Dat zal in Groningen (en Drenthe) wel weer lager zijn, maar toch…

Rob Zijlstra

uitspraken volgen

rechtbankverslaggever als datajournalist

de kosten van de criminaliteit [onderzoek in opdracht wodc]

Thinner

De 45-jarige Paul uit Musselkanaal wordt verdacht op 21 november vorig jaar, ’s ochtends om half zes, brand te hebben gesticht.
Een houten schuurtje achter woningen aan de Geraniumstraat gaat die ochtend in vlammen op, aangrenzende schuurtjes lopen rook- en waterschade op.
Voor bewoners zou de situatie dusdanig zijn geweest dat hun levens gevaar liepen.
Een konijn vindt wel de dood.
De officier van justitie spreekt van een zeer ernstig feit en eist vier jaar gevangenisstraf.

De verdenkingen tegen Paul liegen er niet om, maar Paul ontkent.
De zaak is complex, zeggen de rechters.

Op 21 november, half zes, worden diverse bewoners wakker van knetterend vuur.
Als ze naar buiten kijken, zien ze vlammen.
Bij de meldkamer komen diverse 112-meldingen binnen.

Het is niet de eerste keer dat er in de Florabuurt in Musselkanaal brand is.
Sinds 2005 zijn er 174 meldingen geweest van branden en brandjes.
Auto’s, caravans, tuinhuisjes, schuurtjes.
De politie had al eens een lokcaravan ingezet om de brandstichter tot actie te verleiden.
Dat leverde niets op.

De brandweer is die ochtend snel ter plaatse en heeft het vuur binnen drie minuten onder controle.
Paul is een van de omwonenden die nog heeft geprobeerd het vuur met een tuinslang (met daarin water) te bestrijden.

Wat wil het geval?

Een bewoner heeft vanwege de onrust rond de vele brandjes een camera aan zijn gevel vastgeschroefd. Zo nu en dan zet hij de video aan, op long play, zodat zes uur beeld kan worden opgenomen.

Ook die avond doet hij dat.
Hij weet alleen niet precies hoe laat hij de recorder heeft aangezet.

Direct na de brand bekijkt de bewoner de beelden en zegt na enige tijd: krijg het nou, het zal toch niet waar zijn?
Door het vage beeld, loopt plots een man heen en weer.
Tot drie keer toe.
Vaag, maar geen twijfel: het is achterbuurman Paul.

Maar niet alleen dat: buurman Paul heeft een witte fles in zijn hand.
Het lijkt zelfs of hij even aan de dop draait.
Hij loopt in de richting van waar later de brand zal uitbreken.
Het lijkt wel een witte fles met een brandversnellend middel.

In het schuurtje van Paul, een blokhut, vindt de politie de witte fles, op een plankje achter andere flessen in een kastje.
Het is thinner.

De technische recherche stelt met behulp van speurhond Ringo vast dat de brand is aangestoken met behulp van een brandversnellend middel.
Het Nederlands Forensisch Instituut: thinner.

Voor Paul zijn de rapen dan gaar.
Zou je toch zeggen.
Nu gaat het in de strafrechtspraak in eerste instantie niet om de vraag of iemand schuldig of onschuldig is, maar om de vraag of wettig en overtuigend kan worden bewezen of de verdachte gedaan heeft waarvan hij wordt verdacht.

Omdat de camerabuurman niet precies weet hoe laat hij de video heeft aangezet, kan niet exact worden achterhaald hoe laat die nacht Paul in beeld was.
De buurman heeft die avond naar het In Holland staat een Huis gekeken.
Bij RTL informeert de politie hoe laat dat programma op die dag was afgelopen.
Om 22.14 uur.
Daarna laat hij de hond uit.
De route is door de politie nagelopen om de duur vast te stellen.
Op basis hiervan wordt aangenomen dat camera en video om 22.25 uur zijn aangezet.
Om 04.32 uur stopt de opname.
Een klein uur later breekt de brand uit.

Paul zegt dat hij die nacht wel naar buiten is geweest, maar hoe laat weet hij niet meer.
Hij had lawaai gehoord, was naar buiten gelopen, zag in de tuin de fles thinner staan (hij had een klusje gedaan die middag) en nam die fles onbewust in zijn loop mee.

Buiten stelt hij vast dat er een verkeersbord in de tuin van de buren ligt die er eerder niet lag.
Hij gaat weer naar binnen, nadat hij eerst de fles thinner in het kastje in de blokhut heeft gezet.

Binnen drinkt hij bier, rookt shagjes, kijkt naar de herhaling van RTVNoord en surft wat op de computer.
Doet hij vaker in de weekeinden.
Op de bank valt hij in slaap.

Tegen de rechters zegt hij zich op de beelden te herkennen.
Zegt: ‘Dat ben ik met een fles thinner in de hand.’
Rechters: ‘U rookt. Heeft u altijd een aansteker op zak?’
Paul: ‘Altijd.’

De politie heeft zijn computer onderzocht en vastgesteld dat hij tussen 02.00 uur en 05.36 uur geen internetpagina’s heeft bezocht.
Maar om 05.37 uur surft hij naar de site P2000, de site met meldingen van de brandweer.
Om 05.38 belt zijn vrouw 112.
Paul: ‘Toen ben ik direct naar buiten gegaan om te helpen met blussen.’

De snelle brandweer maakt het karwei in drie minuten af.
Om 07.15 sms’t Paul naar zijn zoon: ‘Er is weer brand geweest.’
Dan gaat hij slapen.
Drie kwartier later staat de politie op de stoep.

Een zeer ernstig feit, zegt de officier van justitie, ook al omdat in de nabijgelegen woningen kinderen sliepen.
Voor hun leven is te duchten geweest.

Stemmingmakerij, zegt de advocaat.
Niemand is ook maar op een moment in gevaar geweest.
Het schuurtje staat niet in verbindingen met de woningen.
De brandweer had het vuur zo geblust, dus zo heel groot was die brand nou ook weer niet.

De officier van justitie: ‘Wie loopt er nou ’s nachts met een fles thinner langs schuurtjes?’
De advocaat: ‘Tussen de tijd dat Paul op de beelden staat en het moment dat de brand uitbreekt, zit een uur.’

De officier van justitie: ‘Omwonenden schrikken die ochtend wakker van knetterend vuur. En Paul die op dat moment wakker is, zegt niets te hebben gehoord. Naar eigen zeggen zat hij op de wc. Maar zijn eigen vrouw wordt er wel wakker van.’
De advocaat: ‘Het NFI heeft niet kunnen vaststellen dat de thinner die op de plaats van de brand is aangetroffen (dankzij die speurhond) dezelfde componenten bevat als de thinner van Paul in het schuurtje. Zeer waarschijnlijk is het andere thinner.’

De officier van justitie: ‘Er is een telefoontap van een gesprek tussen de echtgenote van de verdachte en de schoonvader. In dat gesprek wordt gezegd dat er iets is wat de politie niet zou moeten weten.’
De advocaat: ‘Paul wist dat die camera daar hing. Dan ga je er toch geen brand stichten?’

De officier van justitie: ‘Op de beelden zien we hoe verdachte aan de dop draait. We zien nog net niet hoe hij de thinner tegen het schuurtje giet en de boel met zijn aansteker in brand steekt.’
Advocaat: ‘Dat bedoel ik, stemmingmakerij. De kleding van mijn cliënt is direct na de brand onderzocht. Geen spoortje, niets.’

De officier van justitie: ‘Deze brand staat niet op zichzelf. Het is opvallend dat eerdere branden plaatshadden op tijdstippen dat verdachte verlof had, of ziek thuis was. Ik meld dit maar even.’
De advocaat: ‘Irrelevant. De officier kleurt het onderzoek, maar maakt niets concreet. Mijn cliënt is nooit eerder met politie en justitie in aanraking geweest.’

Zo gaat het nog even door.

Dat Paul een superverdachte in deze rare zaak is, is zonneklaar.
Dat erkent ook de advocaat.
Maar stelt hij, waar rook is, is vuur, telt in de rechtszaal niet.
Zegt: ‘Er is onvoldoende bewijs voor schuld en er is heel veel ontlastend materiaal.’

Paul zegt in zijn laatste woord dat hij niet wil worden gestraft voor iets wat hij niet heeft gedaan.
Niemand zal hem op dit punt tegenspreken, want vier jaar in de gevangenis is dan een hele tijd.

Rob Zijlstra

UPDATE – 6 juni 2011 – uitspraak
De rechtbank heeft nader onderzoek door een deskundige gelast. De periode tussen het moment dat Paul voor het laatst op de band is gezien en het moment van het uitbreken van de brand – ruim een uur – is onvoldoende onderzocht, aldus de rechtbank. Dit betekent dat er een nieuwe zitting komt waar de bevindingen van de deskundige zullen worden besproken.

UPDATE –  8 september 2011 – uitspraak
De rechtbank heeft vervroegd uitspraak gedaan en dat is doorgaans gunstig voor de verdachte. Ook in dit geval: Paul is vrijgesproken en per direct in vrijheid gesteld. Hij heeft negen maanden vastgezeten, ten onrechte dus in de ogen van de rechters.

Uit het vonnis:
Feit is dat de man met een fles thinner in de hand had,  dat hij wisselende verklaringen heeft afgelegd en geen openheid van zaken heeft gegeven. Dat is verdacht, maar nog geen bewijs. Het verhaal van Paul is niet zonder meer onaannemelijk.

Paul is zeer verdacht, maar het overtuigende bewijs dat hij de brand heeft gesticht is niet geleverd.

De overwegingen van de rechtbank: HET VONNIS