Rechters van de Week

rechtspraakDe Week van de Rechtspraak zit er weer op.
Hoewel rechters worden geacht wijze mensen te zijn – dat zijn ze – doen ze vrolijk mee wanneer communicatiemaffia-achtige types de macht adviseert een week in de publicitaire zon te gaan staan.
Opdat het publiek, wij, kan ontdekken hoe de rechtspraak werkt en zo.

Want de rechtspraak, luidt de oneliner, maakt samen leven mogelijk.
Gezellig.
En dus kon je chatten met twitterende rechters, kon je met echte rechters praten aan een tafeltje in Assen, een historische stadswandeling maken door Alkmaar, meedoen aan een leuke quiz in Den Bosch.
Het was vast een groot succes.

De rechtbank in Groningen deed niet mee aan het officiële programma.
Maar maandagochtend werd duidelijk dat de rechters van zittingszaal 14 een eigen invulling gingen geven aan het geheel: van de eerste strafzaak van de week maakten ze alvast de slechtste strafzaak van het jaar.

Dat ging zo:

De rechters begonnen – zo anders dan anders – met onvriendelijke woorden.
Daarmee was de toon gezet.
De advocaat uit Arnhem was tien minuten te laat en kreeg de wind van voren.
De rechters, schoolmeesterden: ‘Net als al die andere advocaten uit het westen. Alsof de afstand van jullie naar ons groter is dan wij van Groningen naar jullie.’
De advocaat zei sorry, dat ze het ook vervelend vond, maar dat het stadsverkeer de boel in de war had geschopt.
De advocaat, op de knieën: ‘Nogmaals excuus.’
Rechters: ‘Niks mee te maken. Negen uur is negen uur. U heeft hier maar te zijn, dat is uw verantwoordelijkheid.’

Uitgerekend op deze zitting moet Sid de verdachte wezen.
Sid is een beweeglijke jongeman die 28 jaar geleden werd geboren in Marokko.
Hij beschikt over een gebrekkige zelfbeheersing en laat niet met zich spotten.

Sid ontkent dat hij op 29 mei, ’s nachts, aan het Gedempte Zuiderdiep in Groningen, bij bioscoop Pathé, een dronken student van zijn fiets trok en hem toen in elkaar roste.
De student was met een oranje lifehammer op het hoofd geslagen.
Op die lifehammer werd later niet alleen studentenbloed aangetroffen, maar ook bloed van Sid.
Rechters: ‘Hoe kan dat nou? Hoezo ontkennen?’

De verdenking luidt ook dat Sid de fietsende student wilde beroven.

Sid zegt opgewonden dat hij nu al maanden ten onrechte vastzit, dat hij zelf is mishandeld.
Op zijn beurt: ‘Hoe kan dat dan?’ Hoezo schuldig?’

De rechters zeggen dat hij zijn mond moet houden, dat hij alleen antwoord moet geven op vragen.
Niet andersom.
Sid, opgefokt: ‘Zie ik eruit als een geestelijk gestoorde junk? Ik ga toch niet iemand op straat beroven? Ik ben toch niet dom?’
De rechters schreeuwen nog net niet terug, maar hun non-verbale uitingen spreken boekdelen.
Sid besluit de rest van de zitting de mond te houden.

Tot zichtbare ergernis bij de rechters verzoekt de advocaat om een schorsing voor overleg.
Rechters: ‘Twee minuten.’
Na honderdtwintig seconden biedt Sid zijn excuses aan.
De voorzitter mompelt, nukkig: ‘Ik kan wel wat hebben.’

Maar niet heel veel later vliegen ze elkaar weer in de haren en opnieuw besluit Sid – met trillende benen onder de tafel – te zwijgen.
Zegt: ‘Met u valt niet te praten.’
Een van de rechters staart met een verontwaardigd gezicht en open mond naar de verdachte.
Alsof hij water ziet branden.
Jij vlegel!

De advocaat zegt dat ze hoopt dat de rechters een beetje door het gedrag van Sid heen kunnen kijken.
Ze zegt: ‘Het zijn de zenuwen en het is zijn frustratie. Hij zit in de gevangenis voor iets wat hij niet heeft gedaan.’
De advocaat vraagt een paar keer of de toon van de ondervraging iets vriendelijker kan. Wanneer zij voor de derde maal om een korte schorsing vraagt voor overleg met Sid – ‘want de sfeer blijft niet goed’ – commanderen de rechters: ‘Nee! U gaat door.’

Tijdens het pleiten van de advocaat, met verve, wekken de rechters niet de indruk – ook zo anders dan anders – dat zij aandachtig luisteren.
Ze kijken verveeld en alle kanten op.
Het ontlokt de advocaat halverwege de opmerking: ‘Heb ik nog wel de aandacht?’
Norse blikken zijn haar deel.

Sid zit ondertussen met zijn blote armen rillend naast haar.
Rechters: ‘Gaat het wel?’
Sid: ‘Ik heb het zo koud. Maar let u niet op mij, luistert u liever naar mijn advocaat.’
De rechters, als gebeten: ‘Nog een keer zo’n opmerking en u gaat de zaal uit.’ Gehakketak volgt.

De officier van justitie zegt dat ze niet kan bewijzen dat Sid de student wilde beroven.
Wel dat hij heeft geslagen.
De advocaat zegt dat het klopt, dat Sid heeft geslagen.
Nadat hij eerst is geslagen.
Hij heeft teruggeslagen.
Dat is toch wat anders, dat is meer noodweer.

De officier van justitie: ‘Meneer is in 2008 al eens veroordeeld wegens bedreiging. Nu dit weer. Openlijk geweld. Een jaar celstraf.’

Sid krijgt het hem wettelijk gegunde laatste woord, maar niet heus.
Hij vraagt, ditmaal vriendelijk: ‘Meneer de rechters, wat deed ik nou fout?’
Rechters, helemaal klaar met hem: ‘Uw opmerking was volstrekt onder de maat, eigenlijk schandalig.’
Dan, tikkeltje sarcastisch: ‘Maar dat legt uw advocaat u wel uit.’
Sid wil nogmaals, als laatste, zijn mond opendoen, maar hij mag niks meer zeggen.

Zo ging het.

Een van de belangrijkste onderdelen van een strafproces is dat rechters al dan niet stevig in gesprek raken met een verdachte omwille de waarheidsvinding.
In deze strafzaak mislukte dat volledig.
De oorzaak: de vijandige toon van de rechters.
De verdachte voelde zich hierdoor bedreigd en besloot te zwijgen.
Dat de rechters geen moeite namen de zaak te normaliseren, ondanks herhaalde verzoeken daartoe van de advocaat, maakte dat Groningen toch nog een bijdrage leverde aan de Week van de Rechtspraak: de slechtste.

Rob Zijlstra

UPDATE – 23 september 2013 – uitspraak
Sid is veroordeeld conform de eis: een jaar zitten.

HET VONNIS

Spiegelbeeld

Moeilijk is dat niet, een lelijk verhaal schrijven over een verdachte in zittingszaal 14.
Veel verdachten die in deze zaal moeten verschijnen, hebben nare dingen uitgevroten.

Rechters daarentegen zijn mannen en vrouwen van onbesproken gedrag.
De Groninger rechtbank telt zo’n vijftien onkreukbare mannen en vrouwen die in wisselende samenstelling, maar altijd met z’n drietjes, strafrechtspreken in zaal 14.

Ik ben niet van de partij die vindt dat rechters wereldvreemde snuiters zijn, dat zij geen oog hebben voor onbehagen in de samenleving of dat rechters met hun veel te lage straffen dwalende softies zijn.
Ik vind dat de strafrechtspraak in het algemeen een dikke voldoende verdient, dat de opgelegde straffen er niet om liegen en dat het geen recht doet de onkreukbaren af te rekenen op hier en daar een onverteerbaar incident.

Dit laatste wil niet zeggen dat buiten die lelijke incidenten om, rechters het altijd goed doen.
Donderdagochtend ging het er hard aan toe in de Groninger rechtszaal, zo hard dat de rechters halverwege de rit uit de bocht vlogen.

Edward (23) is de verdachte.
Justitie verdenkt hem van vrijheidsberoving.
Hij zou van 15 tot en met 21 januari zijn ex, de moeder van zijn kind, hebben opgesloten in haar woning. Hij zou haar kleren hebben weggenomen, zou de klinken van de ramen en deuren hebben verwijderd, haar hebben vastgebonden en haar toen ook nog eens hebben opgesloten in een kast.

Edward ontkent dat stellig, hij heeft een heel andere lezing.

‘Ja ja’, zegt de officier van justitie, ‘zijn verhaal is het spiegelbeeld van het verhaal dat Tanja, de voormalige geliefde, bij de politie heeft verteld.’
Justitie gaat er vanuit dat het slachtoffer bij de aangifte de waarheid heeft gesproken.
En dus dat Edward liegt dat hij barst.

Het is aan de rechters de waarheid te vinden.
Rechters weten dat de waarheid veel gezichten kent en dat wat raar lijkt, toch best waar kan zijn.
Daarom moeten zij wikken en wegen en met alles rekening houden.

Edward zegt een alibi te hebben.
Hij was bij zijn beste vrienden thuis, bij Pim en Tim.
De twee broers, die als getuigen zijn opgeroepen, beamen dat.
‘Edward was bij ons.’

Er is alle reden voor een stevige ondervraging, want het verhaal van Edward bevat merkwaardigheden.
Als hij begin januari verneemt dat Tanja met een vriend naar Amsterdam is gegaan, vervliegt zijn hoop op een gelukkig gezinsleven.
Nee, hij was niet boos.
Wel teleurgesteld.
Zegt: ‘Ik voelde me bij de neus genomen. Door weg te gaan, ben ik verstandig geweest. Ik ken zat mannen die in zo’n situatie rare dingen zouden doen.’

In Amsterdam ontvangt Tanja een sms’je waarin staat dat ze niet moet schrikken als ze thuiskomt. Als Tanja thuiskomt is haar woning nagenoeg leeggehaald en zijn de muren met verf beklad.
Edward: ‘Klopt. Ik heb mijn spullen opgehaald. Daar ging dat sms’je over.’

Vijf dagen lang, van 15 tot 20 januari, was Edward telefonisch onbereikbaar geweest. Toen de politie op 21 januari bij Tanja aan de deur kwam, na een ongerust telefoontje van de moeder van Edward, vluchtte hij via een raam de wijde wereld in.
Hij was er dus toch.
Terwijl Pim tegen de politie had gezegd dat Edward bij hem was.

Twee uur lang wordt Edward door de rechters doorgezaagd.
Halverwege wordt het hem te veel en zegt geëmotioneerd: ‘Die dingen die zij over mij zegt, doen pijn. Want die dingen zijn niet waar.’

De rechters schakelen door naar de vijfde versnelling.
En dan gaat het fout.
Het verbeelde bord dat aan de muur achter de rechters zou kunnen hangen met de tekst ‘wij zijn niet vooringenomen’ klettert op de grond.
Edward is niet langer meer een verdachte, maar een valse leugenaar.
Dat blijkt niet alleen uit de vijandige toon die de rechters nu aanslaan, ze stralen het ook uit.
Ze trekken lelijke gezichten als de beklaagde iets zegt.
Ik geloof niet dat rechters zich bewust zijn van hun non-verbale communicatie.

Als Edward bezig is antwoord te geven op een vraag stelt de rechter alweer een nieuwe vraag en bijt hij hem toe er een hekel aan te hebben als een verdachte praat terwijl hij aan het woord is.

De advocaat roept drie keer dat hij grote moeite heeft met de wijze waarop zijn cliënt wordt ondervraagd.
Dat dit nergens op lijkt.

Als even later Pim en Tim als getuigen – onder ede – worden gehoord, blijft de sfeer vijandig.
Alsof ook de getuigen iets misdadigs hebben gedaan.
Rechters, smalend: ‘U heeft tegenover de politie gelogen. Waarom zouden wij geloven dat u hier de waarheid spreekt?’
Pim, zenuwachtig: ‘Omdat ik nu onder ede sta.’

Als ze zeggen dat ze het niet precies meer weten, zeggen de rechters dat ze niet mogen liegen.
Als Pim zegt dat hij al eerder heeft gezegd dat hij het niet precies meer weet, roept de officier van justitie: meineed!
Hij vraagt de rechtbank proces-verbaal op te maken waarna de getuige kan worden gearresteerd.

De rechters trekken zich terug voor beraad.
De zitting is dan al bijna vier uur gaande en de waarheid is nog altijd ver zoek.
De advocaat bezint zich op het ultieme middel waarover hij beschikt: het wraken van de rechters die blijk geven van vooringenomenheid waardoor er van een eerlijk proces geen sprake kan zijn.

De advocaat doet het uiteindelijk niet.
Zegt wikkend en wegend dat het niet in het belang is van Edward.
En dat hij wel verder moet met deze rechters.
Zo werkt het dus.

Als de rechters terugkeren in de rechtszaal zeggen ze geen werk te maken van de meineed door de getuige.
Besloten is nog een getuige te horen en de zaak aan te houden.
Er komt dus een vervolg.

Ik noteer: wat was dit een lelijke rechtszaak.

Rob Zijlstra

.

UPDATE – 7 juni 2010 – voortzetting
De strafzaak tegen Edward is maandagochtend voortgezet met het horen van de moeder van de verdachte als getuige. De officier van justitie vindt dat hij de vrijheidsberoving kan bewijzen en hecht weinig geloof aan de verklaringen van bijvoorbeeld de moeder en de twee eerder gehoorde getuigen. Ze liegen uit loyaliteit met de verdachte, aldus de officier. De eis: 30 maanden celstraf waarvan 6 voorwaardelijk.

De moeder had laten weten dat het slachtoffer niet altijd even betrouwbaar is. Ze zei: ‘Als ze boos is, haalt ze alle kuikens uit het mandje.’

Edward zelf  vroeg nog aan de rechters of die het boek ‘Echte mannen eten geen kaas’ hadden gelezen.

.

UPDATE – 21 juni 2010 – uitspraak
Het verhaal zoals Edward dat in de rechtszaal heeft verteld is niet geloofwaardig, vinden de rechters. Bewezen is dat hij de vrouw niet vijf, maar vier dagen heeft opgesloten en dat hij haar dus van haar vrijheid heeft beroofd.  Dat is op een vernederende wijze gebeurd.  De straf: 2 jaar cel.

Het Volk

blogwebbel

Vanmiddag (vrijdag) heeft er een buitengewone zitting plaats van de rechtbank in Groningen.
Er staan geen buitengewone boeven terecht.
Op de zitting waarvan het officiële gedeelte slechts enkele minuten duurt, worden twee rechters en een officier van justitie geïnstalleerd.

Na afloop is er bier en wijn, aangevuld met altijd dezelfde, maar lekkere hapjes.
De gasten – collega’s, relaties en familieleden – gaan dan in rijen staan om de gelukkigen te feliciteren en aardigheidjes te schenken.
Dit is overigens geen wet van Meden en Perzen.

De te installeren rechters en de officier van justitie – de installandi – zijn niet nieuw, maar werken al gewoon. Ze zijn eerder voorgedragen en toen heeft het de koningin behaagd hen te benoemen.

Ooit waren deze buitengewone zittingen bedoeld om nieuwe rechters aan het volk te tonen.
Opdat het volk kon zien dat er rechters waren en wie dan wel.

Dat gaat nu dus iets anders.
Zo’n buitengewone zitting is verworden tot een toneelstukje.
Daar is niets mis mee.

Na het kortstondige officiële gedeelte vertelt de president van de rechtbank een verhaal.
Meestal is dat iets actueels en krijgt vooral de media er van langs.
Daarna mag de hoofdofficier van justitie iets zeggen.
Hij haakt doorgaans aan bij wat de president net heeft gezegd.
Tot slot krijgt de deken van de orde van advocaten (afdeling Groningen) het woord.
Die doet meestal iets sociaals en plaatst dat dan in historisch perspectief om met enige woorden van zorg voor de toekomst te besluiten.

De toehoorders zijn op dat moment vaak al wat onrustig.
Ze wiebelen dan op de stoelen en verlangen naar het bier, de wijn en de lekkere hapjes, een enkeling nog altijd naar de sigaret.

De president zal vanmiddag spreken over de relatie tussen politiek en het recht.
Deze president kennende zal hij vast zeggen dat het recht (rechters) hun oren niet te veel moeten laten hangen naar de politiek, wat sommige politici ook roepen.

De hoofdofficier van justitie zal zeggen dat er niets mis mee is dat de politiek vertolkt wat er in de samenleving leeft.
En dat ook rechters daar naar te luisteren hebben.

Om dit te onderbouwen, zal de Groninger hoofdaanklager verhalen over het bekritiseerde snelrecht. Hij zal het ‘schandalige gedrag’ hekelen van het liederlijke tuig dat zo rond oud en nieuw hulpverleners het werken onmogelijk maakt door met stenen en wat al niet te gooien.

Het volk, zal de hoofdofficier opmerken, denkt daar net zo over, ook het volk spreekt er schande van. Het volk vindt met de hoofdofficier dat hulpverleners op onvoorwaardelijke steun moeten kunnen rekenen van de overheid.
De strafrechter incluis.

De president krijgt vervolgens niet de gelegenheid tot dupliek.

Het volk is voor deze buitengewone zitting overigens niet uitgenodigd.
Dat hoeft ook niet; de zitting is openbaar
Dus kom op volk.

rob zijlstra

.

aanvang: 15.30 uur
locatie: Oude Boteringestraat 33 (doopsgezinde kerk)

de borrel na afloop is in het gerechtsgebouw

>> de speech van Leo Ph. den Hollander (hoofdofficier van justitie Groningen)

Het leven van anderen

De rechters slagen er niet in heel de zitting blijk te geven van hun onafhankelijke positie.
Anders gezegd: zo nu en dan klinkt het net alsof de rechters tijdens de ondervraging van de verdachten al een mening hebben.
Dat ze vinden dat Ko en Jet dikke leugenaars zijn.
Bij voorbaat schuldig.

Als Ko en Jet zeggen dat de buurvrouw liegt en dat zij die buurvrouw zelden tot nooit zien, zeggen de rechters dat dat raar is, de buren zelden zien.
De rechters zeggen dat zij hun buren namelijk regelmatig zien.
Daar zijn het toch buren voor.

Het is vooral de toon, de manier waarop de rechters hun vragen stellen.
Die is opvallend onvriendelijk.

Ko vertelt dat hij de verhoren door de rechercheurs als verschrikkelijk heeft ervaren.
Ze waren erger dan Stasi’s zegt hij.
Rechters: ‘Nou wij lezen dat ze u tijdens de verhoren koffie hebben aangeboden en zelfs een maaltijd. Die u nota bene heeft geweigerd.’
Dat laatste klinkt als een verwijt.

Misschien heb ik niet goed geluisterd en ben ik zelf wat vooringenomen.

Het is wel een rare zitting.
Aan het einde wordt het Ko ook allemaal even te veel en later op gang, buiten het zicht van de rechters, zie ik dat hij erg moet huilen.

Ko is 76 jaar, Jet 62.
Jet was getrouwd, maar niet met Ko en Ko ook niet met haar.
Toen was er een sterfgeval en gebeurden er andere dingen – ik weet niet wat – maar Ko en Jet werden single.
Toen kwamen ze elkaar tegen en toen werden ze vrienden.
Zo gaan de dingen.

Wie op oudere leeftijd een partner heeft die doodgaat, moet alleen verder leven.
Maar wie na een tijdje alleen verder leven weer verkering krijgt, moet oppassen.
Je zit zo in zittingszaal 14.

Ko en Jet gingen samenwonen, maar na twee jaar bleek hun verkering niet je van het.
Jet bleef wonen, Ko pakte zijn vishengels en vertrok.
Zomers verbleef hij op campings in Nederland, in de winter toerde hij door het buitenland.
Met zijn pensioentje, auto en caravan.
Met Jet bleef hij bevriend en Jet ook met hem.

Misschien horen mannen als Ko achter de geraniums, hij is per slot van rekening ook al 76.
Dan moet je stinkende sigaren roken, kleinkinderen optillen, biljarten en zeuren over vroeger, en niet als een halve zwerver rondreizen.
De Sociale Verzekeringsbank vertrouwde het dan ook voor geen meter.
En begon een onderzoek.

Ze denken dat Ko en Jet gewoon samenwonen, dat Jet helemaal niet zo een brave dame is zoals ze er wel uitziet en dat Ko niks geen caravanman is met een vaste plek ergens in Duitsland.

Sociale rechercheurs gaan speurneuzen.
Ze neuzen bij het waterbedrijf en zien dat mevrouw Jet in dr uppie wel heel veel water verbruikt.
Wel voor twee.
Ze neuzen bij de bank die kennelijk mag doen alsof privacy ketelkoek is; de bank verstrekt overzichten met daarop het pingedrag van Ko en Jet.
En ja, ze sluipen ook achter Ko aan.
En wie zien ze dan – zie je wel – op de camping in Duitsland?
Het lijkt wel Jet.

Op de camping worden ook mensen ondervraagd.
Zo worden aan campinggasten pasfoto’s van Ko en Jet getoond met de vraag of die twee een stel zijn.
Oh, had iemand gezegd, das zijn die twee van de eerste plek achter het toiletgebouw.

En natuurlijk worden thuis ook de buren ondervraagd.
Zo weten de rechercheurs dat het is voorgekomen dat Jet en Ko samen op visite gingen.
En dat Jet wel eens gebruik maakt van de auto van Ko.
Dat Ko de tuin wel eens deed.
Dat Ko de twee hondjes van Jet een keer had uitgelaten.

Kortom.

Als Ko’s knie kapot gaat en er een nieuwe moet komen, is het gedaan met het rondreizen met de caravan.
Hij mag herstellen bij Jet.
Dat duurt een maand of twee, drie.
Jet zegt tegen de rechters dat ze steeds alles heeft doorgegeven aan de Sociale Verzekeringsbank.
En ook dat ze naar de notaris zijn gegaan.
Dat de notaris had geadviseerd een kostgangercontract op te laten stellen.
Kon hij wel doen.

Zo gaat Ko aan Jet 250 euro per maand betalen.
Jet zegt dat ze ook dat allemaal heeft doorgegeven.
Rechters: ‘Oh ja? Ook aan de belastingdienst?’
Jet: ‘Ik heb geïnformeerd. Dat hoefde niet.’
Rechters: ‘Wast u zijn kleren?’
Jet: ‘Nee.’

Later is er een probleem.
Kostganger Ko heeft wel een zelfstandig leven, maar ontbeert een eigen opgang.
Hebbes.

De officier van justitie is onverbiddelijk: fraude.
Ko en Jet hebben Nederland belazerd en benadeeld.
Zij, sinds 1997 en tot 2007, voor 10.000 euro.
Hij, zelfde periode, voor een dikke 70.000 euro.

Jet moet nu 369 euro per maand terugbetalen
Ko ook, maar hij weet zo uit zn blote kop niet hoeveel.

De officier van justitie zegt dat hij volgens de richtlijnen gevangenisstraf moet eisen.
Acht maanden.
Maar dat hij dat niet doet, omdat deze zaak al drie jaar op de plank ligt te wachten op berechting.
Hij eist daarom tegen Ko en Jet werkstraffen van 240 uur, de helft daarvan voorwaardelijk.

De advocaat zegt tegen de rechters dat de vermoedens van buurtbewoners en campinggasten vermoedens zijn.
Dus geen bewijzen.
En dat de Sociale Verzekeringsbank in al die jaren een paar keer een regulier onderzoek had uitgevoerd en nooit onregelmatigheden had vastgesteld.
Dat ze ook bij de gemeente hadden gezegd dat Ko een zwervend bestaan leidde.
Dat de rechercheurs van alles hadden gedaan, maar nooit onderzoek hadden ingesteld in de woning waar ze hun misdaad zouden hebben gepleegd.
Waarom eigenlijk niet?
En dat van opzet geen sprake is, dat Ko en Jet nooit het idee hebben gehad dat wat ze deden, niet kon.
Omdat er nooit aanleiding is geweest om dat te denken.

Jet zegt aan het slot van de strafzitting dat deze zaak haar jaren heeft gekost, dat het verschrikkelijk is.
Ko zegt dat hij veel heeft meegemaakt in zijn leven en dat hij het vreselijk vindt dat hij, 76 jaar, nu in de rechtbank zit.
Hij houdt het niet droog.

Nu heb ik dit verhaal zo geschreven dat het net lijkt alsof Ko en Jet onschuldig zijn.
Misschien is dat niet zo.
Misschien zijn die twee wel heel sluwe mensen die voor eigen gewin een extraatje uit de grote pot graaiden en dondersgoed wisten dat wat ze deden en voorwendden eigenlijk niet kon.

Het oordeel is aan de rechters van wie ik de indruk kreeg dat ze niet onbevangen waren tijdens de zitting.
En dat vond ik wel opmerkelijk.
Bij andere criminelen zijn rechters (bijna) nooit zo.

Rob Zijlstra

 

 

UPDATE – 8 februari 2010
Het zat er aan te komen. Ko en Jet zijn veroordeeld conform de eis van de officier van justitie: beide een werkstraf van 240 uur waarvan de helft voorwaardelijk.

UPDATE – 29 maart 2011 – uitspraak hoger beroep
Het gerechtshof in Leeuwarden heeft beiden vrijgesproken. De inhoud van het dossier levert niet de overtuiging op dat Ko en Jet hebben gefraudeerd, oordelen de raadsheren.

 

 

.

 

Uitspraak

Er gaat geen week voorbij of het gaat wel ergens over.
Zo was het nog maar net de week van de democratie,
onlangs de week van de smaak, zijn er weken van allerlei
akelige ziekten, bloembollen, boeken en vinyl en ook
de week van de zee bestaat echt.
Het is aandachtvragerij.
Daar is niks mis mee.
Over twee weken begint de week van het recht.

week van het recht

.

.

Begin deze maand hield mr. G.J.M. Corstens, hij is de president van de Hoge Raad, een lange voordracht over vertrouwen in de rechtspraak.
In die voordracht vraagt Corstens zich af hoe rechters moeten omgaan met veranderingen in de samenleving.
Rechters vragen zich dat al een hele tijd af.
Zij spreken dan van De Kloof en dan bedoelen rechters dat het vertrouwen dat de samenleving heeft in de strafrechtspraak afkalft.
Omdat de samenleving bijvoorbeeld roept dat die slappe slome rechters met hun veel te lage straffen niet meer van deze wereld zijn.

Het is een serieus probleem, schetst Corstens, omdat rechters hun werk alleen goed kunnen doen wanneer zij vertrouwen genieten.
Komt dat vertrouwen in de buurt van het vriespunt, dan dreigt de samenleving voor eigen rechter te gaan spelen.
Uitgerekend dat is nou net niet de bedoeling van het strafrecht.

Corstens schetst zijn ideaal: ook al vindt de borreltafel een uitspraak knap waardeloos, dan nog zou dat het gezag van de rechter niet moeten aantasten.
Eens was er zo’n mooie tijd, sombert de president.

De afname van het vertrouwen heeft oorzaken.
Corstens noemt er drie.
Populistische politici (1), hijgerige journalisten (2) en rechters (3) die hun werk wel goed doen.

Er zijn politici die ieder incident uitbuiten om de onderbuik te voeden.
En voor journalisten met hun hijgerig geschrijf is de strafrechtspleging een dankbaar onderwerp omdat die garant staat voor controverses en spanningen, denkt Corstens hardop.
Hij zegt dit niet helemaal zo, maar dit bedoelt hij wel.

De derde boosdoener is de rechter zelf.
Dat wil zeggen, de rechter doet zijn moeilijke werk best goed, alleen schort het aan de presentatie.
Om te voorkomen dat Nederland straks 17 miljoen eigen rechters telt, moet het verloren gezag worden herwonnen.

Corstens weet ook hoe.
Een rechter moet niet de oren laten hangen naar ferme opvattingen in de samenleving (fors hogere straffen, geen taakstraffen meer).
Soms moet hij vrijspreken als de samenleving een veroordeling eist, dan weer moet hij veroordelen als krachten in de samenleving maar blijven roepen dat er sprake is van een rechterlijke dwaling (Lucia de B., Deventer moordzaak).

De oplossing van de president: een betere communicatie.

Rechters moeten hun beslissingen beter motiveren, zij moeten ook beter aan de samenleving uitleggen waarom ze een bepaalde beslissing hebben genomen.
In heldere taal, opdat ook niet-juristen het snappen.
Rechters moeten zich daarbij steeds afvragen wat de impact van hun beslissing is of kan zijn.
En ook hoe de lelijke pers zal reageren.

Uitgangspunt bij dit afvragen moet echter blijven dat rechtvaardigheid het richtsnoer is en niet het gemor in de straat.

De morrende straat moet zich namelijk wel even realiseren dat rechters, juist de rechters, als geen ander te maken hebben met fraudeurs, dieven, oplichters, verkrachters en moordenaars. Dus om nou te beweren dat rechters maar wereldvreemde snuiters zijn, gaat niet op.
Rechters kennen de zelfkant van de samenleving maar al te goed.

Tot zover, in vrije vertaling, de president.

Hij hield zijn voordracht op het jaarcongres van de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak, de beroepsvereniging en vakbond voor rechters en officieren van justitie (ja, die bestaat en zij zitten bij elkaar in één club).
De president zal ongetwijfeld een zaal vol bedachtzame mannen en vrouwen hebben toegesproken die misschien na afloop wel applaudisseerden.
Het was ook zo’n toespraak waar niemand het eigenlijk mee oneens kan zijn.

Terug naar zittingszaal 14, naar de dagelijkse praktijk.

Op een vast tijdstip in de week doet de meervoudige kamer (van een rechtbank) uitspraak in strafzaken die twee weken eerder op zitting zijn behandeld.
Er worden op zo’n vast tijdstip twee, vier, vijf, acht vonnissen uitgesproken.

Soms is de verdachte daarbij aanwezig, maar meestal niet.
Soms is de advocaat er, maar ook lang niet altijd.
Vaker is de zittingszaal leeg.
Met een beetje geluk zit er eenzaam een rechtbankverslaggever die luistert.

Het vonnis wordt nooit helemaal voorgelezen.
Dat is met vijf, zeven of elf A-viertjes tekst ook niet zo praktisch.
Meestal wordt kort gemeld welke feiten wel en niet zijn bewezen, hoe de bewezen feiten worden gekwalificeerd (poging tot doodslag of toch een eenvoudige mishandeling) en vervolgens welke straf de rechtbank passend en geboden vindt.

Er zijn rechters die hier een vlot en een mooi samenhangend verhaal van kunnen maken, er zijn ook rechters die zich hakkelend door het vonnis heen worstelen, er blijk van geven de zaak inhoudelijk niet te kennen en vergeten te vermelden dat een deel van de straf voorwaardelijk is opgelegd.

Op deze manier worden in tien minuten tijd twee, vier, vijf, acht vonnissen soms bondig uitgesproken en dan weer hakkelend afgeraffeld.

De rechtbankverslaggever die luistert vindt dat niet erg; over tien minuten begint immers de volgende strafzaak.
En wil hij van de hoed en de rand weten, dan belt hij de drukke voorlichter die het vonnis best voor sluitingstijd op papier naar de perskamer wil brengen of eventjes op de mail zet.

Zo gaat dat.
En zo ook verdwijnen de meeste vonnissen van een meervoudige strafkamer ongelezen in de archieven van de rechtbank.

Straks begint de week van het recht.
Rechters gunnen de samenleving dan een kijkje in hun keuken.
Dat is hartstikke mooi

Maar het zou na zo’n week nog mooier zijn dat rechtbanken hun vonnissen op een heel toegankelijke wijze publiceren op bijvoorbeeld rechtspraak.nl.
Dat is al hun eigen site.

Nu doen rechtbanken dat soms, willekeurig en meestal niet.
De rechtbank van Groningen – als voorbeeld – publiceerde dit jaar vijf (5) van de in totaal 260 uitspraken van de meervoudige strafkamer.

Rechters kunnen, zoals Corstens bepleit, wel beter uitleggen en nog veel beter motiveren, maar als er (bijna) niemand is die luistert, is het als water naar de zee dragen.
Ook betere communicatie wordt dan niet verstaan.

Rob Zijlstra

 

UPDATE – 30 oktober 2009 – aanvulling
De rechtbanken in Groningen en Assen hebben in reactie laten weten dat er meer uitspraken zijn gepubliceerd op rechtspraak.nl dan ik in mijn verhaal vermeld. Dat is correct. Met een beetje doorklikken op de deelsites van de rechtbanken verschijnen meer vonnissen. In die zin ben ik een beetje te kort door de bocht gegaan. Mijn punt blijft echter dat uitspraken op een weinig toegankelijke wijze worden gepubliceerd en dat wat er wordt gepubliceerd niet volledig is.


Stemadvies

verkiezingen

Niet dat ze zaten te bibberen, maar een beetje bang voor gevangenisstraf waren ze toch wel.
Ze hadden per slot van rekening iemand het ziekenhuis in geslagen, een vijver vernield, vijf vissen dood, de burgemeester tot wanhoop gedreven en ook hadden ze nogal lelijk gedaan tegen de politie.
De rechter had gezegd dat het bespottelijk is, zo lelijk te doen tegen mensen die gewoon met hun werk bezig zijn.
Of ze wel wisten dat de rechter in dat soort zaken dubbel zo zware straffen mag opleggen.

Politie, politie, de hoeren van justitie.
Dat soort lelijke dingen hadden ze geroepen.
De officier van justitie: ‘Als jullie ooit in nood zijn, denk dan eens na wie jullie helpen zal. Ik verzeker dat het niet jullie vriendjes zullen zijn.’

De zes 20-jarige verdachten die zich ooit de Skaffa Boys van Bedum noemden, hoorden werkstraffen tot 100 uur eisen.
De politierechter nam die uiteindelijk – het strafproces duurde vrijdag ruim zes uur – min of meer over.
Dat luchtte wel op.
Behalve de werkstraffen en twee weken voorwaardelijke celstraf, kregen de verdachten ook nog een opdracht mee.

Met opgeheven vinger, boze ogen en luide stem zei de rechter: ‘Als we straks verkiezingen krijgen, zal ik geen taakstraffen meer kunnen opleggen voor dit soort feiten. Dan moet ik gevangenisstraffen opleggen.
Die tijd zit er aan te komen en het duurt niet lang meer. Los van wat ik daar van vind, moeten jullie dit goed in de oren knopen.’

En dat dezen ze.

Rob Zijlstra

Wicher Wedzinga (51)

– met update

 

Voormalig rechter Wicher Wedzinga (51) uit Groningen is volgens justitie weer eens (opmerkelijk actueel) de fout ingegaan.

Hij moet zich morgenvroeg melden in zittingszaal 14 van de Groninger rechtbank.

 

De rechtbank Groningen (met rechters uit Arnhem en omstreken) noemde Wicher Wedzinga een jaar geleden een uitstekend jurist.

Maar wel eentje die strafbare feiten pleegt.

 

Het openbaar ministerie sprak toen over een ‘persoonlijk drama van een man die de weg een beetje kwijt is’.

Wedzinga, voormalig strafrechter bij het gerechtshof in Leeuwarden, werd veroordeeld tot een taakstraf van 150 uur en drie maanden voorwaardelijke celstraf wegens onder meer oplichting.

Dat was meer dan de eis.

 

Ruim een jaar daarvoor was Wedzinga veroordeeld wegens mishandeling.

Die kwestie betekende het einde van zijn carrière als rechter.

 

Maandag staat Wicher Wedzinga opnieuw terecht omdat hij zaken naar buiten zou hebben gebracht die binnen hadden moeten blijven.

Het gaat om beraadslagingen in de raadkamer van het gerechtshof.

Die vallen onder het geheim van de raadkamer.

Rechters weten dat.

Het is bijzonder dat een (voormalig) rechter terecht moet staan wegens het schenden van dit geheim.

Misschien nog wel nooit eerder vertoond.

 

Het gaat niet om niks.

Het hof in Leeuwarden, met Wedzinga als een van de drie raadsheren (rechters), veroordeelde een eerder vrijgesproken verdachte tot een gevangenisstraf van 12 jaar wegens een gewelddadige overval.

Na de veroordeling heeft Wedzinga naar buiten gebracht dat hij twijfelt aan de schuld van de veroordeelde.

Wedzinga zou de man zelf willen helpen met een herzieningsverzoek bij de Hoge Raad.

Op zijn weblog schrijft Wedzinga (in mijn gesprekken met…) te hopen dat Danny snel vrijkomt.

 

De vice-president van het Leeuwarder hof deed in oktober 2007 per e-mail aangifte.

In februari 2008 kreeg de president te horen dat justitie in een strafrechtelijke vervolging van Wedzinga geen brood ziet.

De president was het daar niet mee eens en diende een klaagschrift in bij het hof Arnhem. Dat bepaalde in november 2008 dat justitie Wedzinga wel moet vervolgen.

Dit, aldus het hof, omdat het algemeen belang niet is gediend met een sepot.

 

Het is hoe dan ook een lelijke zaak.

Lelijk vanwege de tussenkomst van (in dit geval) Arnhem.

Justitie ziet geen brood in de zaak.

Arnhem bepaalt vervolgens dat justitie dat wel moet zien.

En dan ziet justitie – gezien de tenlastelegging – er ineens wel brood in.

Dat is zo lelijk.

Consequent zou zijn dat de officier van justitie maandag vrijspraak zal eisen.

 

Lelijk is natuurlijk ook het gedoe.

Rechter die tegen rechter aangifte doet en zich beklaagt bij andere rechters als justitie niet wil vervolgen.

Zoiets verwacht je ergens anders.

 

Komt nog bij dat Wedzinga – figuurlijke gesproken – een lelijke verdachte is, want al twee keer eerder als voormalig rechter veroordeeld.

De eerste opgelegde werkstraf voerde hij niet uit, waardoor hij een tijdje in de gevangenis in Ter Apel moest doorbrengen.

Wedzinga vierde er zijn vijftigste verjaardag.

 

Op internetsites waar stijl geen must is – wordt Wedzinga geprezen en verguisd. Op zijn eigen weblog beticht hij de (halve) rechterlijke wereld van klassenjustitie, corruptie, van belangenverstrengeling en arrogantie.

De strafrechtspleging bevindt zich, aldus Wedzinga, in een diepe crisis.

Veel mensen vinden dat mooi.

 

De vraag of de volgens Wedzinga ten onrechte veroordeelde man nu wel of niet ten onrechte is veroordeeld – toch geen onbelangrijke vraag – hoor je ondertussen nergens.

De advocaat van deze veroordeelde zwijgt.

Dan zeg je wel wat.

 

 

Rob Zijlstra 

update – eis

Het openbaar ministerie heeft zes weken gevangenisstraf waarvan drie voorwaardelijke geeist wegens het schenden van het geheim van de raadkamer. Wedzinga ontkent. Hij verklaarde dat hij als jurist maar nog meer als wetenschapper gewend is zijn woorden zorgvuldig te wikken en te wegen, zoals ook in dit geval. Uitspraak is op 8 april.