Mond vol tanden

de politie had geen agenten met tijd beschikbaar

Voor een verdachte is een strafzaak vooral een kwestie van het beperken van de schade.
Het is dus niet zo dat alle verdachten ontkennen en vinden dat ze onmiddellijk moeten worden vrijgesproken.
Een flink deel van de beklaagden geeft gewoon toe de misdaad te hebben gepleegd en vindt dat zoiets vervelends ook consequenties moet hebben.
Dus straf, als het even kan niet al te veel natuurlijk.

Bij het bepalen van de hoogte van de straf kijken rechters niet alleen naar de ernst van het gepleegde, maar ook naar de omstandigheden waaronder (alleen of met z’n allen, overdag of in de nacht, honger of geld zat), naar de persoon van de verdachte (mad or bad) en naar de houding van de verdachte tijdens de rechtszaak.
Dit laatste wordt door verdachten vaak onderschat.
Advocaten willen nog wel eens vergeten hun cliënten te voorzien van de juiste instructies.
Damage control vraagt om een goede voorbereiding.

Verdachten die onderuitgezakt tegen rechters gaan je-en en jij-en snappen het niet, hoewel u zeggen en ja en nee meneer, mevrouw de edelachtbare geen garantie is voor strafkorting.
Liegen wordt geaccepteerd, maar slecht liegen niet.
Het aller slechtste dat een verdachte kan doen is ongeloofwaardige onzin uitkramen.

De 21-jarige Jetze deed het op zich niet onaardig.
Hij had zich met vrienden in de binnenstad van Groningen vol laten lopen met bier en XTC-pillen.
Toen het vroeg in de ochtend was geworden begon hij dingen te zien die er helemaal niet waren.
Hij zag dat zijn vrienden werden aangevallen en sloeg er toen – om hen te helpen – op los.

Tegen de rechters: ‘Ik dacht dat er sprake was van een dreigende situatie en vond dat ik moest ingrijpen. Ik dacht dat er meer aan de hand was dan er aan de hand was.’
Twee jongemannen werden neergeslagen wat bij een van hen leidde tot een onherstelbaar beschadigd gebit.
‘Ik kan geen appels meer eten,’ zei het slachtoffer tegen de rechters.
Een derde slachtoffer werd geschopt, met de hak tegen het voorhoofd.

Jetze geeft het slaan toe, een harde klap en eentje zonder kracht, zegt hij.
‘Maar ik heb niet geschopt.’
Bij de politie was het helemaal misgegaan.
Tegen de rechters zegt hij – en dat was niet erg handig: ‘Ik heb geen hoge pet op van de politie, dus toen ik werd verhoord was ik zwaar geïrriteerd.’
Hij had gezegd dat geweld hoort bij uitgaan.
Dat hij wel vaker iemand zomaar had geslagen en dat dit ook niet de laatste keer zou zijn.

In de rechtszaal: ‘Beetje dom.
Rechters vragen: ’Niet geschopt?
‘Nee, want dan had ik het nu nog wel geweten.’
Rechters: ‘O ja? U was ladderzat.’
Jetze: ‘Ik weet toch ook nog dat ik twee keer heb geslagen?’

Wat hij er van vindt dat een van zijn slachtoffers bijna een jaar na dato nog altijd last heeft van zijn tanden en dat die tanden niet meer te redden zijn?
Dat vindt Jetze heel erg.
Aan de andere kant: hem is eens hetzelfde overkomen, dus tja…
Die houding maakt dat hij van de officier van justitie niet het voordeel van de twijfel krijgt.
Die zegt: ‘Meneer is een first offender, maar wat hij heeft gedaan is een ernstig feit, een ernstige vorm van uitgaansgeweld. Ik eis twee jaar celstraf, half jaar voorwaardelijk.’

Eerder op dag stond Prem terecht.
Hij is geen onbekende in zittingszaal 14.
In de zomer van 2010 kwam jij er voor het eerst, in november 2011 voor de tweede keer en vorig jaar juni was hij er ook.
Steeds voor nieuwe zaken.

Hij heeft, hoewel nog maar 22 jaar oud, behoorlijk wat zittingservaring.
Prem wordt beschuldigd van een diefstal met geweld, gepleegd met anderen.
Bij een mislukte inbraak in Groningen zou hij de bewoner die hem en zijn compagnon betrapte met een breekijzer op het hoofd hebben geslagen.
Dat was in januari 2013.

Hij was vrij snel als verdachte in beeld gekomen, maar omdat de politie geen agenten met tijd beschikbaar had, bleef de zaak negen maanden op een plank liggen.
Het zou tot september 2013 duren alvorens Prem werd aangehouden.
Daarna had het Openbaar Ministerie nog eens een heel jaar nodig de zaak aan de rechtbank voor te leggen.
Prem is mede om die reden niet gedetineerd, de detentie is geschorst.

Hij komt ditmaal dus als een vrij man de rechtszaal binnen.
Hij heeft zijn vriendin meegenomen.
Als ze samen binnenkomen, wijst hij aan waar ze kan gaan zitten.
Hij kent de weg.
Vanuit de verdachtenbank werpt hij haar nog een kusje toe, met een lieve glimlach ter geruststelling, om haar duidelijk te maken: het komt wel goed.

Het gaat helemaal fout.

Rechters: ‘Heeft u het gedaan?’
Prem: ‘Ik heb er niets mee te maken, praat maar met mijn advocaat.’
Dat is geen goede houding, het is een slecht begin.

Rechters: ‘Nou?’
Prem: ‘Ik ontken niet, ik beken niet, ik ben op de goede weg en wil dit achter mij laten.’
Rechters: ‘Anderen zeggen dat u er bij was, waarom zeggen ze dat?’
Prem: ‘Ik heb geen idee.’
Rechters: ‘Op het breekijzer waarmee de bewoner is geslagen is DNA aangetroffen, uw DNA. Hoe verklaart u dat?’
Prem: ‘Ik zou het niet weten. Ik heb het breekijzer uitgeleend misschien?’
Rechters: ‘U leent vaker dingen uit?’
Prem: ‘Kennelijk, ik heb er niets over te zeggen.’
Rechters: ‘Dat is wel heel gemakkelijk.’

Prem had beter voorbereid moeten zijn.
De officier van justitie is zonder ook maar een greintje twijfel overtuigd van zijn schuld.
En de aanklager haalt keihard uit.
Hij eist een gevangenisstraf van vijf jaar.

Rechters, standaardvraag: ‘Heeft u de eis begrepen.
’Prem: ‘Ik sta met de mond vol tanden.’

De reclassering had nog wel zo positief geadviseerd.
Prem heeft het verkeerde pad verlaten.
Hij heeft een eigen woning, een kamer, woont samen, heeft met goed gevolg een agressie-regulatietraining afgerond, hij begint met een opleiding, komt afspraken na, wil anders dan vroeger luisteren, hij heeft gebroken met het criminele circuit.
De reclasseringsmedewerkster: ‘Als Prem naar de gevangenis moet, werkt dat averechts. Dan moeten we ons afvragen wat we terugkrijgen als hij er weer uitkomt.’
De reclassering denkt dat de samenleving er niet bij is gebaat Prem vijf jaar lang op te sluiten.
Integendeel.

De rechters denken nu twee weken na.
Prem had nog gezegd, vijf jaar, dan ben ik echt alles kwijt.
De vraag is of rechters ook aan damage controle doen.

Rob Zijlstra

uitspraak op 18 september

De surprise-kogel

Het is vrijdag de dertiende, het regent en het is vroeg in de ochtend in Groningen.
In café Shadrak is nog nachtleven, maar de vriendelijkheid ligt er al op een oor.

Mannen maken aangeschoten ruzie om meisjes, om een verkeerde blik, over een besteld drankje of niet en omdat zij Antillianen zijn en hunnie Marokkanen.
Melvin (Antilliaan) heeft in zijn jaszak een pistool.
Zijn vriend Lary (Saint Vincent) zegt dat hij geen problemen wil.
Melvin duwt het wapen in de jaszak van Lary die zegt dat hij naar huis wil.
Melvin zegt dat als het misgaat, het beter is dat hij geen wapen draagt.

Even later verlaten Melvin, Lary en Demy – een vriendin – zonder kleerscheuren het etablissement.

Maar eenmaal buiten, het is dan kwart over zeven, gaat het mis.
Melvin, zegt Lary, werd aangevallen door een grote groep Marokkanen.
Lary: ‘Ik zei, ik ken jullie niet, ik heb met jullie geen problemen, wij gaan naar huis.’

In de rechtszaal worden beelden getoond van beveiligingscamera’s, vanuit verschillende hoeken.
Te zien is hoe Lary vanuit de Peperstraat door de Poelestraat loopt, richting Grote Markt, richting de auto waarvan hij niet weet waar die staat.
Lary komt uit Rotterdam.

Te zien is ook hoe Melvin bij het terraseiland in de Poelestraat druk in gesprek is met een paar van hunnie uit Marokko.
Het gesprek gaat, zo te zien, vast en zeker niet over integratie.
Want ineens krijgt Melvin klappen.
Hij rent weg, ook richting de Grote Markt.
Hunnie rennen met vijf, zes mannen achter hem aan.
Halverwege, bij het Vlaaienhuis, wordt Melvin onderuit geschopt, opgepakt en op de motorkap van een vroeg geparkeerde auto van een schoonmaakbedrijf gesmeten.
Dan valt hij op de grond en wordt er stevig op hem ingeschopt en -geslagen.

Er worden beelden getoond van een andere camera.
Te zien is hoe Lary in gesprek is met een Antilliaanse man.
Het oogt relaxed.
Ineens wordt zijn aandacht getrokken, door geschreeuw.
Hij herkent daar Melvin in en ziet dan hoe zijn vriend hardhandig te grazen wordt genomen.

De beelden laten zien hoe Lary naar zijn vriend rent die dan nog steeds wordt belaagd.
Dan rijdt plots een vuilniswagen van de gemeentelijke milieudienst het beeld in.
De grote vrachtwagen met zwaailicht belemmert even het zicht.
Als de auto weer uit beeld verdwijnt, na een paar seconden, is nog net te zien hoe Lary wegrent, de Grote Markt op.
En hoe een Marokkaanse man voorovergebogen en strompelend weg probeert te lopen, ondersteunt door zijn vrienden.

De man blijkt te zijn neergeschoten.
De kogel is via de nek, door een long, het middenrif en de lever gegaan en vast blijven steken in darmvet.

De politie komt en zet de halve binnenstad af.
Urenlang wordt naar sporen gezocht, maar er wordt niets gevonden.

Lary is dan bij het hoofdstation in een stadsbus gestapt.
Na een kwartiertje stapt hij ergens in het hem onbekende Groningen uit en gooit het vuurwapen weg.
Hij vindt de auto terug en rijdt naar Rotterdam.
Daar gooit hij alles wat hij die ochtend droeg, in de Maas.
Inclusief wat hij noemde zijn ongeluksjas.

De gebutste Melvin en Demy worden aangehouden.
Demy blijkt in het bezit van de patroonhouder van het wapen waarmee is geschoten.
Ze zegt dat ze die op straat vond en heeft opgeraapt.

Via taps op de telefoonnummers van Melvin en Demy komt Lary in beeld.
Op 26 januari van dit jaar wordt hij door een arrestatieteam aangehouden in een woning in Amsterdam.
Even nog ontkent hij in Groningen te zijn geweest en zegt hij dat hij niet weet wie Melvin en Demy zijn.
Later doet hij zijn verhaal.

Hij vertelt dat hij op die dag in Groningen was, met Melvin en Demy en dat hij naar huis wilde, dat hij geen problemen had en dat hij op de Grote Markt nog even met iemand had staan praten.
En dat hij toen zag dat Melvin in elkaar werd geslagen, door jongens die eerder vervelend waren geweest in het café.
Hij riep: ‘Stop met dit probleem.’

Om zijn vriend te ontzetten, pakte hij het wapen uit zijn jaszak.
Daarmee sloeg hij de man die bovenop Melvin zat hard op het hoofd.
De man ging staan en sloeg tweemaal hard terug.
Toen sloeg hij nog een keer, weer met het wapen in zijn hand.
Toen ging het wapen af.
Zegt: ‘Het was een surprise-kogel’.
Zegt: ‘Ik wist niet eens dat het wapen was geladen.’

De officier van justitie heeft een andere lezing.
In een poging zijn vriend die op de grond lag en werd geschopt te ontzetten, greep hij naar het wapen, strekte zijn arm en schoot gericht.
Dat verklaren ook getuigen en het is ook een verklaring voor de baan die de kogel door het lichaam heeft gemaakt.
Allemaal niet voorbedacht, maar in een opwelling, dus poging tot doodslag.
Dat hij probeerde zijn vriend te hulp te komen, valt te billijken.
Maar de manier waarop niet.
Al met al: vijf jaar gevangenisstraf.

De officier van justitie zegt dat Melvin ontkent dat hij in het café het wapen aan zijn vriend Lary heeft gegeven. Raar. En dat het ook raar is dat Demy in bezit was van de patroonhouder. En dat het wapen dat Lary zegt te hebben weggegooid, ergens in Groningen, nooit boven water is gekomen.

Op verzoek van de advocaat van Lary worden de camerabeelden nogmaals in de rechtszaal getoond.
De advocaat zegt, kijk maar, nergens is te zien dat Lary de arm strekt en gericht schiet. Dat blijkt helemaal niet uit de beelden.

De officier zegt dat ze bij haar eis blijft.

De advocaat: ‘Het is juist zo dat Lary zich afzijdig hield van het gedoe in het café en van het gedoe later op straat. Dat dat wel uit de beelden blijkt. En dat het dus misschien wel zo is dat door de tussenkomst van Lary is voorkomen dat hunnie Melvin doodsloegen. En dat mag ook noodweer heten.

Lary betuigt tegenover de rechters spijt, spijt van de situatie.
En spijt voor het slachtoffer over wie de artsen zeiden dat hij alle geluk van de wereld heeft gehad.
Als het mag van de rechters wil hij best een brief schrijven aan het slachtoffer en zijn familie.
Hij vraagt de rechters om een kans, ook al omdat hij juist goed bezig was zijn leven vol pech op de rails te zetten.
En toen dit.

Rob Zijlstra

.

UPDATE – 20 mei 2010 – uitspraak
Gelaten hoort Lary aan hoe de rechtbank hem conform de eis veroordeelt tot een gevangenisstraf van 5 jaar. Een beroep op noodweer kan niet slagen, vinden de rechters, omdat het schieten op het slachtoffer – die de vriend van de verdachte belaagde – niet proportioneel is.  En dat Lary wel bewust heeft geschoten, vinden de rechters aannemelijk. Zijn verhaal dat hij sloeg met het wapen en dat dat toen per ongeluk afging, past niet bij de aard van de verwondingen. Lary’s lezing is daarmee niet geloofwaardig, zo concludeert de rechtbank.

.

UPDATE – 22 april 2011 – hoger beroep
Het openbaar ministerie heeft in hoger beroep opnieuw vijf jaar celstraf geëist tegen Lary.  Het OM gaat nog steeds uit van een poging tot doodslag. Lary was tegen het vonnis van de rechtbank in hoger beroep gegaan. Uitspraak is op 4 mei.

UPDATE – 24 mei 2011 – hoger beroep

Tweet op twitter van het Gerechtshof Leeuwarden

La, Co en Niek

La (19): ‘Ik weet er weinig meer van.’
Co (20): ‘Ruzie gehad.’
Niek (20): ‘Eigenlijk weet ik niks meer.’

De beelden van de beveiligingscamera’s worden in de zittingszaal getoond.
Hoek Peperstraat/Papengang, 15 november vorig jaar, zes uur in de ochtend, het is nog druk op straat.

Een opstootje.
Vechtende meisjes met wapperende haren.
Vrolijk etende en drinkende toeschouwers.
Kale grote man loopt heen en weer door het beeld.
Krijgt ineens een duw.
Dan slaande armen met handen en omvallende lichamen.
Een man met een paars petje op probeert tevergeefs vrede te stichten.
Nog meer klappen.
Politie.

Na het zien van de beelden:
La: ‘Ik heb geslagen en een beetje geduwd.’
Co: ‘Ik heb uitgehaald.’
Niek: ‘Ik dacht dat ik niks had gedaan. Maar ik heb een duw gegeven.’

De drie vechtersbazen worden kort na de vechtpartij aangehouden.
De kale man ziet af van het doen van aangifte: ‘Ik doe zelf ook wel eens wat”, had hij met een kleine hoofdwond tegen de politie gezegd.
De drie vechtersbazen verdwijnen voor drie dagen in de politiecel.
Niek vindt het maar raar dat ze nu voor de rechters zitten.

De rechters niet.
De rechters: ‘Wij rechters hebben afgesproken dat we bij openlijk geweld zo acht weken celstraf kunnen opleggen. Niet omdat er slachtoffers zijn, maar omdat wij willen dat brave vaders en moeders hun kinderen veilig naar de binnenstad kunnen sturen.’

La, Co en Niek knikken.
Dat snappen ze nu ook wel.
Zeggen ze.
Rechters: ‘Of denk je, straks weer buiten in de zon, laat die rechters maar kletsen?’
Dat denken ze niet.
Zeggen ze.

Rechters: ‘Was het de drank?
Vijf glazen, misschien acht, nee dus.
Rechters: ‘Dus dit soort onzin doe je bij volle verstand?’
Ze schudden het hoofd.
Eigenlijk weten ze het niet.
Ook niet meer wat de aanleiding was.

Nou ja, Niek herinnert zich ineens, dat die kale hem een beetje irriteerde. Op de Grote Markt al. Beetje bedreigend. En toen kwamen we hem dus weer tegen.’
Rechters tegen Niek: ‘Je moet hier geen onzin gaan zitten te vertellen.’

Zowel La, Co als Niek zijn eerder veroordeeld, ook als kinderen, voor openlijk geweld, mishandeling en vernielingen.

Rechters tegen La: ‘Ben jij zo’n vervelend mannetje?’
La: ‘Vroeger wel.’
Rechters: ‘Is 15 november vorig jaar vroeger?’
La: ‘Het zal niet weer gebeuren. Ik heb er geen zin meer in.’

Co denkt dat het goed is dat hij wat hulp krijgt, zoals hij eerder heeft gehad. Een van zijn problemen is dat hij afspraken niet kan nakomen. Hij wil wel, maar lukt gewoon niet.
‘Dan denk ik er aan en dan ineens weer niet. Dingen ontschieten mij gewoon.’

Niek: ‘Als ik drink word ik wel eens agressief.’
De rechters zeggen dat hij dan niet moet drinken. Dat het zo simpel is.
Niek mompelt wat, maar zegt niks.

La is vooral bang dat hij door dit alles zijn baan kwijtraakt.
Hij werkt soms wel zestig uur in de week hard
Zijn baas weet nergens van, wel van die uren, maar niet dat hij vandaag terechtstaat.
La weet wel dat zijn baas niet zal staan te juichen.

Co vindt het een goed plan, zoals het reclasseringsadvies luidt, dat hij een traject van de forensische psychiatrie in gaat.

Niek werkt in de zaak van zijn vader.
Autohandel.
Hij verdient daar soms wel 4.000 euro in de maand.
Vader zelf dacht dat het iets minder was.
Want naast die verdiensten krijgt Niek ook zakgeld en is hij vrijgesteld van het betalen van kostgeld.
Rechters zeggen dat ze dat niet normaal vinden, dat het tijd wordt dat hij op eigen benen komt te staan.
Ze zeggen: ‘Je komt nogal onverschillig over.’
Niek: ‘…’
Rechters: ‘We hebben gelezen dat je in acht maanden tijd voor 3500 euro boetes hebt gekregen. Voor te hard rijden en door rood licht.’
Niek: ‘Soms gaat het hard.’

De officier van justitie zegt er geen zin in te hebben een riedel af te draaien over uitgaansgeweld, over de verziekte sfeer in de stad en dat soort akelige dingen die we met z’n allen niet willen.
Hij zegt: ‘Ik hoor mezelf al praten. Maar ik wil de heren wel een forse tik op de vingers geven.’
Hij eist tegen alle drie honderd uur werkstraf, vier maanden voorwaardelijke celstraf, reclasseringstoezicht en een meldingsgebod. Mocht de reclassering het nodig vinden dat er cursussen gevolgd moeten worden, dan moet dat.

De advocaat van La: ‘De eis is te zwaar’
De advocaat van Co: ‘Mijn cliënt heeft al drie dagen vastgezeten.’
Advocaat Niek: ‘De kale man heeft geen aangifte gedaan.’

Laatste woord:
‘Nee.’
‘Neuh.’
‘Nee!’

Rob Zijlstra

.

UPDATE – 3 mei 2010 – uitspraken
La, Co en Niek zijn conform de eisen veroordeeld: taakstraffen van 100 uur en 4 weken voorwaardelijke celstraf . In het vonnis wordt opgemerkt dat de drie verantwoordelijk zijn voor ‘verminderd plezier dat aan uitgaan wordt beleefd’.

Ondertussen in Assen

Omdat rechters geen praatjes willen, moeten twee Drentse verdachten die misdadig zouden zijn geweest in het hartje van Assen, in Groningen terechtstaan.
Dat komt niet vaak voor.
Maar in dit geval beschikt een van de beklaagden over familiare banden met de rechtbank in Assen.
Dan dreigen praatjes en partijdigheid.

Rechtbanken horen zuiver op de graad te zijn.
Toen Alex en Bert uit Groningen eens werden betrapt toen zij negen lege kratten bier (voor het statiegeld bij de avondwinkel) gapten, werd een rechter uit Friesland ingevlogen om het duo te berechten.
De lege kratten waren namelijk van de rechtbank Groningen.
Beide kregen van de Fries een werkstraf van twintig uur.

Drentse Martin, zondag wordt hij al weer 21 en Drentse Gerard, net 19, hadden aanvankelijk geprobeerd hun plaatsgenoot Jaap dood te slaan.
Juridisch gezien dan.
Dat gebeurde op 21 september vorig jaar, eerst in café The Beefeater en daarna voor Hotel de Jong en dat allemaal schuin tegenover de Drentse rechtbank.

Via de horecatelefoon belden de horecaportiers die nacht de politie: snel komen, ’t is hier hommelles.
Op de grond, naast een taxi, ligt een gestrekte Jaap buiten bewustzijn.
Getuigen verklaren dat wel zes man hem hadden geslagen en geschopt, ook toen hij al lang en breed op de keien lag.
Twee van die zes zouden, zeggen getuigen, Martin en Gerard zijn geweest.

Zo is het niet gegaan, zegt Martin.
Het ging anders, zegt Gerard.

Gerard: ‘Een vriendin die aan het bubbelen was geweest vertelde in het café aan mij dat Jaap vervelend was en handtastelijk. Daar heb ik wat van gezegd. Toen gaf hij mij een stoot. Ik heb toen een stoot teruggegeven, een klap, een knal in het gezicht. Twee of drie keer. Ik zag dat Jaap een bloedlip had. Toen ben ik uit de zaak gezet.’

Meer heb ik niet gedaan, zegt Gerard.

Gerard en zijn vrienden zijn dan buiten.
En dan ineens is daar ook Jaap.
Hij loopt als een parmantige haan door de Brinkstraat, zeggen getuigen.
Gerard: ‘Hij was hartstikke dronken.’

Martin: ‘Ja, ik heb de eerste klap gegeven, op zijn rechteroog. En daarna een schop.’
Martin, beoefenaar van vechtkunsten, erkent dat hij met zijn beheersing van vechttechnieken (‘die kun je niet uitschakelen’) best wel hard kan hebben geslagen.

Rechters: ‘Maar u had ook reden boos te zijn.’
Martin: ‘Ja.’
Rechters: ‘Want het was uw vriendin die door Jaap in haar kruis was gegrepen.’
Martin: ‘Ja.’

Gerard ontkent dat hij buiten ook heeft meegedaan, hij stond op afstand toe te kijken en te praten met de security. Martin gaat er nadat Jaap is geveld met een vriend op de fiets vandoor.
Best wel geschrokken.
Als ze achterom kijken, zien ze hoe een grote menigte om Jaap heen is gaan staan, ze zeggen dat ze zien dat er wordt geschopt en geslagen.

De Drentse politie had misschien wel andere dingen te doen, maar vier maanden na het gedoe worden Martin en Gerard gearresteerd.

De officier van justitie ziet bij nader inzien in dat de twee verdachten niet de intentie hadden Jaap dood te slaan.
Juridisch gezien is dat minimaal één brug te ver.

De stoot, klap dan wel knal van Gerard is ditmaal domweg een eenvoudige mishandeling.
Martin die wel de vechtkunsten beheerst, maar niet zichzelf kan worden aangeklaagd in dit geval voor een poging tot toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.

Jaap kon na twee weken ineens weer zien.
Wel heeft hij nog altijd last van zijn oog en doet ook de neus nog zeer.
Maar Jaap moet als slachtoffer nou ook weer niet te veel zeuren, vindt de officier van justitie.
Dat hoor je ook niet zo vaak zeggen.

De officier zegt: ‘Het staat voor mij vast dat Jaap erg dronken, handtastelijk, agressief en stierlijk vervelend was. Civielrechtelijk gezien is er zelfs sprake van medeschuld. Anders gezegd: Slachtoffer Jaap heeft de ellende over zichzelf afgeroepen. Betekent wat mij betreft ook dat hij niet in aanmerking komt voor schadevergoeding.
Jaap had om honderden euro’s gevraagd.

De laatste keer dat in zittingszaal 14 van de Groninger rechtbank één uitgedeelde horecaklap besproken werd, kon het slachtoffer die niet navertellen.
Hij overleed aan de gevolgen van die ene klap.
De officier van justitie roept het maar even in herinnering.
Opdat niemand op het idee komt dat horecageweld straffeloos is.

Maar de ene horecazaak, juridisch gezien, is de andere niet.
Gerard en Martin komen wat de officier van justitie betreft goed weg ook al omdat hij ‘geen enkele kans’ op herhaling ziet. Dit laatste heb ik nog nooit een officier horen voorspellen.

De eenvoudige mishandeling door Gerard kan wat hem betreft worden afgedaan met een 26 uur durende cursus agressieregulering. Dat is eigenlijk nog te veel, maar volgens zijn moeder is zo’n cursus best wel een goed idee.
De officier: ‘Dus volg ik het advies van de moeder.’
Martin, die geen strafblad heeft, hoort zestig uren werkstraf eisen.
Daarnaast krijgen beide Drenten nog het justitiële advies in cafés voortaan uit de buurt van types als Jaap te blijven.

Rob Zijlstra

UPDATE – uitspraken – 10 september 2009
De eis tegen Martin, zo vindt de rechtbank doet geen recht aan de ernst van de zaak. Daarom krijgt hij een zwaardere straf dan de officier van justitie had bedongen: een taakstraf van 120 in plaats van zestig uur. Poging doodslag bewezen. Gerard die eerst doet en dan denkt gaat nat voor mishandeling; de voorgestelde agressieregulatietraining van 26 uur volstaat, zo heeft de rechtbank bepaald.