Spinnenweb

foto: flickr

Veelpleger Roel (40) zou heel de dag wel met de rechters willen praten.
Graag zou hij willen verhalen hoe er in de gevangenis, in de Grittenborgh in Hoogeveen, met mensen wordt omgegaan.
Niet goed dus.
Roel: ‘Ik word daar knettergek.’

Hij zegt: ‘Ik zit in het spinnenweb van de hulpverlening. Er zijn wel honderd mensen die zich om mij bekommeren, maar er gebeurt helemaal niets.’
Als dit nog lang zo doorgaat, zegt Roel, dan kapt hij er mee.

Roel werd vorig jaar veroordeeld tot de veelplegersmaatregel isd.
Doel van die maatregel is dat wij van de samenleving tegen hem worden beschermd.

Isd’ers die niet gemotiveerd zijn, zitten twee jaar lang opgesloten in een hok met water en brood.
Maar isd’ers die er wat van willen maken, krijgen hulp op maat.

Roel wil er wat van maken en hij doet dat hartstikke goed.
Hij zegt tegen de rechters dat hij de trots van de afdeling is.
Dat zeggen ze steeds tegen hem.
‘Het is om gek van te worden. Want spijkers met koppen slaan? Ho maar.’

Roel doet het zo goed dat hij de gevangenis ’s ochtends met een broodtrommeltje onder de snelbinders mag verlaten.
Dan fiets hij naar zijn werk, naar het magazijn van een groot bedrijf in Hoogeveen.
’s Middags fietst hij dan terug naar de gevangenis.
Zo gaat het al een half jaar goed.

Maar als trots van de afdeling heeft Roel het niet gemakkelijk.
Tegen de rechters zegt hij: ‘Ga maar na. Ik ben de enige die naar buiten mag. Dus al die jongens binnen vragen aan mij of ik wat mee wil nemen. Drugs ja, binnen draait alles om drugs. Maar dat doe ik niet. Dus ben ik in hun ogen een watje.’

De psycholoog die deskundig moet adviseren zegt tegen de rechters dat Roel ondanks de druk stand weet te houden.
Dat dat knap werk is en dat hij als deskundige het nut niet inziet om de isd voort te laten duren.

Roel knikt.
Hij bedoelt maar.

Hij vreest dat al die hulpverleners waar hij knettergek van wordt, het ook niet meer weten.
‘Mijn situatie is lood- en loodzwaar. Ik blijf maar laten zien dat ik het kan.’

Wat hij wil?
Hij wil naar huis ‘met een stukje ambulante nazorg’.

Roel kent het jargon, want hij zat al vaker in zittingszaal 14.
In 2006 zat hij er, niet lang nadat hij twee jaar had vastgezeten en daarna nog eens bijna een jaar in een verslavingskliniek.
Toen hij op vrije voeten kwam, was hij gemotiveerd tot op het bot er iets van te maken.
Maar aan het einde van zijn eerste dag in vrijheid ging het fout.

Ja, daar baalde hij vreselijk van, zei hij toen tegen de rechters.
Hij had zelfs een beetje moeten huilen.
Zijn probleem is dat hij in de gevangenis altijd supergemotiveerd raakt om het eenmaal weer vrij goed te gaan doen.
En in klinieken waar hij al een jaar of tien met regelmaat komt, is hij altijd de trots van de afdeling.

Maar als hij dan echt vrij is, gaat genadeloos de coke-wekker af en moet er toch ook weer geld komen.
Maar dat was toen.

Nu zegt hij dat het hem ditmaal gaat lukken.
Hij zegt: ‘Het verleden kan ik niet veranderen, maar mijn toekomst wel.’

De officier van justitie noemt Roel een bijzondere isd-klant.
Stelt vast dat het goed is dat hij het hartstikke goed doet.
Concludeert dat de bemoeienis van de hulpverlening dus wel degelijk vruchten afwerpt.
De officier van justitie vindt dan ook dat de isd-maatregel moet worden voortgezet.

Maar Roel ziet dat dus anders.
De bemoeienis van al die hulpverleners levert zoveel input op dat het een grote chaos is.
‘Terwijl een beetje structuur voor mij nou juist zo belangrijk is.’

Hij zegt dat als hij niet wordt bevrijd uit het web van al die hulpverleners die hem knettetgek maken, hij kapt met de trots van de afdeling te zijn.
Dan gaat hij zijn resterende tijd wel gewoon uitzitten in het isd-hok.
Dan moeten wij het zelf maar weten.

De rechtbank besluit zijn zaak voor drie maanden aan te houden.
Om het dan nog eens te bekijken.

Rob Zijlstra

Marathon

 

Bram weet het als geen ander.

Vrijheid is niet iets vanzelfsprekends.

Daar moet je voor knokken.

 

En dat was wat Bram deed, donderdag in zittingszaal 14.

 

Met een stortvloed aan woorden probeert hij de rechters ervan te overtuigen dat wat de officier ongetwijfeld in gedachten heeft, niet goed is, dat het tussen zijn oren wel spoort, dat hij die dag vette pech had, dat hij een sportman pur sang is, dat als hij Olaf niet tegen was gekomen, dat zijn vriendin…

 

De rechters: Bram, Bram, ho nou.

 

Bram komt tot rust, maar voor even.

Zegt: ‘Ik heb mavo, havo. Schuif een beer een potje honing toe. Dan weet je het wel.’

 

De rechters knikken.

Zij kennen Bram, misschien hem niet persoonlijk, maar dan toch zeker mannen als Bram.

Dat zijn mannen met uiterst gecompliceerde levens, niet eens de kwaadsten, meestal vol goede bedoelingen.

 

Bram roept: ‘Ik ben al vijftien maanden clean.’

 

De rechters zien het anders.

Zij zeggen: U bent 37 jaar. Als zestien jaar lang heeft u problemen met politie en justitie. Van die zestien jaren heeft u er tien in de gevangenis gezeten. U bent een maatschappelijk probleem en als het spoort tussen uw oren, dan moet u zich daar ook op laten aanspreken.

 

Bram mompelt iets instemmends. Dat is ook wel weer zo.

Maar hij had dus pech die dag, vette pech.

 

Hij had tien maanden vastgezeten en toen hadden ze hem ’s ochtends om kwart voor acht buiten de gevangenispoort gezet, terwijl de reclasseringsmedewerker hem pas om negen uur die ochtend zou ophalen en het was koud, dus wilde hij daar buiten niet wachten en pakte de bus, want hij had vernomen dat zijn vriendin een zelfmoordpoging had ondernomen en wilde naar haar toe, omdat hij haar al acht jaar kent en haar bijna een jaar niet had gezien en…

 

Ho ho Bram.

 

Hij mocht haar niet zien.

Daarom teleurgesteld.

Fles pisang ambon bij de Albert Heijn.

Leeggedronken.

Kwam toen, uitgerekend toen, de verschrikkelijke Olaf tegen.

Die kreeg nog 15 euro van hem.

Die moest hij voor drie uur betalen.

Want anders…

 

Niet lang daarna ging bij de Mediamarkt het alarm af, het alarm ten teken dat er iemand binnenkomt met een geprepareerde tas. Even later zag de beveiliging hoe Bram een Sony Playstation in die tas stopte. Hij moest mee naar het kantoortje waar de politie werd gebeld.

 

Rechters: En toen bedreigde u de beveiligers.

Bram: ‘Nee, ik was rustig, maar kreeg het ineens spaans benauwd. Dacht, weer de gevangenis.’

 

Rechters: U riep, laat me gaan, anders steek ik jullie allemaal dood.

Bram: ‘De politie kent mij als iemand die van alles roept, maar niets ten uitvoer brengt. Dat van die playstation klopt, maar dat was niet uit winstbejag. Ik moest immers Olaf betalen. Het was ook zijn tas.’

 

Bram weet wat de officier van justitie in gedachten heeft: de maatregel ISD.

 

Dat is de gevreesde veelplegersmaatregel.

Gevreesd omdat de maatregel twee jaar duurt.

Omdat in het veelplegerscircuit het hardnekkige verhaal gaat dat je twee jaar lang in een hok op een speciale afdeling van gevangenis de Grittenborgh in Hoogeveen zit.

 

Bram vindt dat hij een allerlaatste kans moet krijgen.

 

De adviserende reclassering vindt van niet.

De reclassering meent dat Bram zijn laatste kans heeft verspeeld.

Dat alle hulp die hij de afgelopen jaren aangeboden heeft gekregen, op niets is uitgelopen.

Dat Bram wel een reële kijk op de wereld heeft, maar niet in staat is de juiste keuzes te maken.

 

Bram vecht nu voor wat hij waard is, in de hoop te redden wat er te redden valt.

Roept dat niet alleen in het slaaphuis, maar ook in de afkickkliniek volop drank en drugs te krijgen is.

Dat hij, hij die al vijftien maanden clean is, er daarom steeds wegliep.

Dat je een beer geen potje honing toe moet schuiven.

Want dan weet je het wel.

Dat…dat het tijd is om barrières te doorbreken… dat hij aan een zijden draadje hangt, maar dat het met een laatste kans misschien toch nog goed kan komen.

 

Wat de officier van justitie betreft zijn alle stations gepasseerd en is er van een zijden draadje helemaal geen sprake.

Wat hem betreft hangt Bram al: ISD, 2 jaar.

 

De advocaat zucht.

 

Hij noemt de justitiemaatregelen, gelijk het aantal treinstations tussen Vlissingen en Roodeschool, die de laatste decennia zijn bedacht om mannen als Bram te bewegen tot gedragsverandering. Zegt dat dat allemaal niet veel heeft uitgehaald.

‘Dus ach, laten we onszelf in deze niet al te serieus nemen. Geef hem die laatste kans.’

 

Bram ruikt zijn kans en vraagt of hij een brief, zeven, acht kantjes handgeschreven, aan de rechters mag geven.

‘Ik heb opgeschreven wat er ten grondslag ligt aan mijn motivatie. De marathon van Rotterdam.’

 

Rob Zijlstra

 

UPDATE – 29 januari 2009 – uitspraak

Bram is strijdend ten onder gegaan: isd 2 jaar. Met de officier van justitie is de rechtbank van mening dat Bram zijn laatste kans al heeft gehad en die heeft verknoeid.

 

 

 

 

De Stille en De Hoop

Eerst kwam Cheb, daarna Bunny.

Cheb en Bunny zijn collega’s. Ze stelen en daarmee zijn ze dieven. Vanwege de lange staat van dienst mogen ze zich binnen het gilde tot de top rekenen. Beide hebben een indrukwekkend strafblad en zowel Cheb als Bunny sleten een aanzienlijk deel van hun leven in gevangenissen. Voor beide geldt ook dat dat niets heeft geholpen, want donderdagmiddag zaten ze voor de zoveelste keer in het verdachtenbankje.

Eerst kwam Cheb.

Hij is al vijftien jaar actief en nu 31 jaar. Op 21 juni dit jaar pikte hij een Acer-laptop, een digitale camera en een portemonnee met daarin 40 euro uit een studentenwoning aan de Peizerweg in Groningen. Hij was flipperend  – met plastic kaartje deur openen – binnengekomen en met een volle tas van Albert Heijn weer vertrokken op zijn grijze mountainbike.

Een van de studenten zag hem wegfietsen en voelde nattigheid. De student sjeesde achter Cheb aan en toen hij hem had ingehaald zei hij: ‘Volgens mij heb jij bij ons ingebroken. Mag ik zien wat er in die tas zit?’ Dat mocht niet. Cheb zei: ‘Ga weg, anders krijg je problemen.’ Maar de student gaf niet op, hield een passant aan, leende diens mobiele telefoon en belde de politie: Lange, dunne man, beetje Marokkaans, op een grijze mountainbike. De agenten: ‘Aha, dat is Cheb, de flipper.’

Cheb had meer uitgevroten. Aan de Verlengde Hereweg vond hij in een woning een sleutel van een Opel Astra die voor deur stond. Weg auto. In de gebouwen van de Rijksuniversiteit Groningen wist hij onbeheerde portemonnees te stelen met daarin ook creditcards. Met die pasjes ging hij weer tanken en afrekenen bij de Gulf en BP. De beveiligingscamera’s registreerden het.

De gestolen Astra werd gevonden. Er lag een sigarettenpeuk in met daarop DNA-sporen van Rocky, ook van het gilde en die al in de gevangenis zat. Rocky verklaarde dat hij eens bij een lange, dunne man in de auto had gezeten. Bij ene Mustafa. Toen de agenten hem een foto lieten zien, zei Rocky: ‘Dat is ‘m. Dat is Mustafa.’

De agenten: ‘Onze Cheb.’

De reclasseringsmedewerker zegt tegen de rechters dat hij het niet meer weet. Alles is al eens geprobeerd, maar Cheb is niet vooruit te branden, is niet gemotiveerd. ‘Wat rest is dwang.’ De officier van justitie kopt in: ‘Een dwingend kader is nodig. Meneer is veepleger. Ik eis de veelplegersmaatregel: ISD, twee jaar.’

De ISD-maatregel is twee jaar opsluiting met hulp op maat. Binnen het gilde – de draaideur gewend – is het de gevreesde maatregel, want je staat niet zo weer op straat.

Cheb zegt niks, want hij weet dat hij het recht heeft te zwijgen. En om boos te kijken.

Rechters: Het heeft dus geen zin om vragen aan u te stellen?

Cheb knikt: ‘Nee. Ik zwijg.’

Daarna Bunny.

Twee laptops, een mobiele telefoon en een portemonnee met 14 euro. En acht vleespakketten uit de koeling van de Aldi, Hoornsediep. De Aldiman kende hem en zag het daarom gebeuren. Toen Bunny de kassa zonder te betalen passeerde, werd hij aangesproken. Bunny sprong op de fiets en ging er vandoor. Een medewerkster probeerde hem tegen te houden, maar kwam daarbij lelijk ten val en had daar negen dagen last van gehad. Zo werd het een diefstal met geweld.

Bunny wil heel de dag wel volpraten. Alles klopte, hij had het gedaan. Alleen van dat geweld zat hem dwars. Er had helemaal niemand aan zijn fiets getrokken. En het waren ook geen acht vleespakketten. ‘Ik ben een viseter. Het waren twee pakjes garnalen.’

Waarom? Dat willen de rechters weten. Ze vragen ook: Beseft u wel dat u andere mensen schade toebrengt?

Bunny: ‘Jazeker. En ik ben ook spuugzat van mezelf. Ik was net vrij, had geen geld, geen huis, had niks.’

Rechters: Bent u al eens eerder spuugzat van uzelf geweest?

Bunny: ‘Ja, maar ditmaal ben ik gemotiveerd en wil ik veranderen. Dat heeft ook met mijn leeftijd te maken. Ik ben al 44.’

Rechters concluderen: Dan is ouder worden toch nog ergens goed voor.

Bunny vertelt over zijn vriendin, die borstkanker kreeg en toen doodging. Haar familie had daarna zijn huis leeggehaald en zijn zoontje meegenomen. Daarna was het weer mis gegaan. ‘Ik ben erg eenzaam, heel alleen. Ik lijd, omdat ik geen contacten heb met mensen.’

Rechters: Heeft u hulp nodig?

Bunny: ‘Ik heb het alleen geprobeerd, maar het lukt me niet.’

Het advies van de reclassering: ISD, twee jaar. ‘Bunny is supergemotiveerd en heeft al heel wat trajecten doorlopen. Hij kan daarom binnen de dwingende kaders van de ISD eind dit jaar naar De Hoop, een instelling die hem op het rechte pad kan helpen.’ De officier van justitie vindt het een supermooi advies. Bunny ook. Als hij maar geholpen wordt en niet weer in de jungle van de hulpverlening terechtkomt, dan wil hij het graag.

De advocaat en de officier van justitie, nog net niet olijk en in koor: ‘De ISD, die is okay!’

 

Rob Zijlstra

UPDATE – 23 okt 08 – uitspraken

Cheb en Bunny krijgen waar de officier van justitie om had gevraagd: ze moeten 2 jaar naar de instelling voor stelselmatige daders (isd). Bij Bunny heeft de rechtbank aangetekend dat zijn opname zo snel mogelijk moet geschieden.