Lotte

Herman (22 jaar) heeft de afgelopen jaren een aantal keren een boete gekregen wegens het rijden zonder rijbewijs.
Eenmaal was zijn auto om die reden door de politie in beslag genomen.
Heel veel last had hij daar niet van gehad, want zijn moeder was naar het politiebureau gegaan en had de zwarte Golf van haar zoon weer meegekregen.
Herman had de auto gekocht van zijn vader.

Hij zegt tegen de rechters: ‘Ik rij al heel lang auto, al sinds mijn 18e.’
Rechters: ‘Hoeveel rijlessen heeft u gehad.’
Herman haalt de schouders op: ‘Dertig? Veertig misschien?’

Het rijbewijs heeft hij nooit gehaald.
Het rijden op de weg mocht dan misschien het probleem niet zijn, wel de theorie, die wilde maar niet slagen.’
Herman: ‘Dat met die borden, daar liep het steeds op stuk.’

De rechters hadden dat wel gelezen in het dossier.
Daarin staat ook dat Herman is opgegroeid in een omgeving waar niemand hem corrigeerde.
De rechters: ‘In de omgeving waarin u groot bent geworden is het niet raar dat de wet wordt overtreden. U heeft geen opvoeding gehad. Normaal gesproken verkoopt een vader niet een auto aan zijn zoon die geen rijbewijs heeft.’

Herman knikt.
Rechters: ‘U begrijpt veel niet. U denkt, ik wil hier rijden, want die ruimte heb ik nodig. In uw beleving geldt de wet voor iedereen, behalve voor u.’
Herman knikt opnieuw, alsof hij dit wel begrijpt.

Deskundigen schreven in hun rapporten dat Herman hulp moet hebben en dan bij voorkeur hulp in een kliniek.
Maar Herman had gezegd dat een kliniek niets voor hem is, dat hij dan liever naar de gevangenis gaat.
Rechters: ‘Meent u dat nou?’
Herman: ‘Ja.’

In eerste instantie had het openbaar ministerie hem doodslag ten laste gelegd.
Dat bleek bij nader inzien niet haalbaar.
Daarom werd het dood door schuld, op basis van artikel 6 van de Wegenverkeerswet.

Sinds 10 februari zit Herman in de gevangenis, op een afdeling met extra zorg.
Recent is hij vanwege nachtmerries en een depressief gemoed overgeplaatst.
Dat zegt hij.
Maar de rechters hadden gelezen dat Herman in de gevangenis stoere verhalen liep te vertellen, zo stoer dat medegedetineerden daar een beetje zat van werden.
Er waren voortdurend problemen.
Dat hij daarom is overgeplaatst.

Herman: ‘Klopt niet.’
Rechters: ’t Past wel een beetje bij u.’

Lotte, Jesicca en Lisanne – dikke vriendinnen – brachten op 8 februari dit jaar een bezoek aan de Hanzehogeschool in Groningen.
Om zich te oriënteren op hun toekomst.
Lotte was net één dag 16 jaar.
Na het schoolbezoek gingen ze – dat mocht – nog even de stad in om te shoppen.
Ze hadden beloofd tegen vijf uur ’s middags weer thuis in Veendam te zijn.

In Groningen had een van de meiden met haar telefoon contact met Herman.
Hij wilde hen wel terugbrengen naar Veendam.
Ze spraken af elkaar bij de McDonald’s te ontmoeten.

Herman: ‘Ze wisten dat ik geen rijbewijs had.’
Jessica en Lisanne: ‘Dat wisten we niet.’
Herman: ‘Best wel onverstandig om bij iemand in de auto te stappen die geen rijbewijs heeft.’
Jessica en Lisanne verklaarden dat hij had gezegd dat zijn rijbewijs was ingenomen.

Via de ringweg Groningen rijden ze, langs de Euroborg, over de A7 richting Hoogezand.
Hij zegt: ‘Ik heb gewoon gereden. Je mag daar 130.’
Rechters: ‘120.’
Herman: ‘Mijn TomTom gaf 130 aan. Ik reed 110.’

Ze missen de afslag Veendam.
Ze rijden door met knoeiharde muziek uit de dertig kilo wegende speakers die los in de achterbak hangen.
Herman verlaat bij de eerstvolgende afslag de A7, om te keren en vervolgens opnieuw koers te zetten richting Veendam.
Het is dan tegen half vijf ’s middags.
De zon staat laag.
In de auto draagt niemand gordels.

Getuigen – automobilisten die hij inhaalt – verklaren later dat die zwarte Golf als een idioot reed.
Zeker 140.
Herman: ‘Ik mag toch zeker wel inhalen?’

Een paar keer zeggen de meiden dat ie rustiger moet gaan rijden.
Soms doet hij dat, maar even zo vaak trekt hij weer hard op.
Herman: ‘Iets te hard misschien.’

Om 16.29 uur pingt Lotte via haar telefoon een berichtje naar een vriendin: ‘Hij is kankerstoned, hij rijdt vet hard, niet normaal meer’.
Lotte is bang.
Om 16.31 verstuurt Lotte nog een bericht: ‘Als ik doodga heb je spijt dat je nu lacht’.

Om 16.33 komt bij de politie de eerst melding binnen dat er op de A7 een auto is gecrasht.

Tussen die twee tijdstippen zou Herman zich hebben omgedraaid, om naar iemand te zwaaien.
Naar een kennis, zegt hij.
Jessica en Lisanne: ‘Dat zwaaien duurde wel vijf seconden.’
Heel kort daarop rijdt de auto met de linker wielen door de middenberm, er is een spoor van 43 meter.
Dan knalt de zwarte Golf tegen de vangrail, schiet naar rechts, over de snelweg, over de kop, de halfbevroren sloot in.

Jessica en Lisanne raken lichtgewond.
Herman heeft nauwelijks iets.
Rechters: ‘Een wonder.’
In het ziekenhuis bezwijkt Lotte aan de verwondingen.
Rechters: ‘Verschrikkelijk.’

De rechters: ‘Het verwijt aan u is niet, niet meer, dat u het expres heeft gedaan. Maar wel dat u schuld heeft.’
Herman zegt dat hij het heel erg vindt, dat het niet had moeten gebeuren, maar dat hij er ook niets meer aan kan veranderen.

Hij zegt dat het motorblok ineens uit zijn auto viel.
Dat hij daarom is gecrasht.
Hij was die ochtend nog met zijn auto bij de garage geweest.
Schuldig is hij die zijn auto heeft gemaakt.

De man van de garage kan zich het bezoek niet herinneren.
Technisch onderzoek wijst uit dat het motorblok als gevolg van de crash uit de auto is geknald.
Een vrachtwagenchauffeur die vol in de remmen moest, had het motorblok tien meter door de lucht zien vliegen.

De rechters: ‘Als u zegt dat u het zo erg vindt, is het misschien wel beter om de waarheid te vertellen en dat u er geen dingen om heen vertelt. Da’s misschien niet zo handig.’

De snelheid waarmee Herman vlak voor de crash reed, is niet te achterhalen.
Kan 100 maar net zo goed 140 zijn geweest.
Herman had niet gedronken, in het bloed zijn wel sporen van THC aangetroffen, maar met een heel lage waarde.

De officier van justitie: ‘Roekeloosheid. Hij heeft lichtzinnig gedacht dat de risico’s die hij welbewust nam, zich niet zouden voordoen. Hij kan dingen niet overzien, hij leeft van de ene situatie naar de andere, is zwakzinnig tot zwakbegaafd, geen technisch mankement, wel onverantwoord rijgedrag, legt de schuld bij anderen, de kans op recidive is zeer hoog.’

De eis: 15 maanden celstraf waarvan 5 voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar. Reclasseringstoezicht, cognitieve vaardigheidstraining, ambulante behandeling en – ook al heeft hij geen rijbewijs – een rijontzegging van 5 jaar.

Er worden verdrietige en aangrijpende woorden gesproken.
De vader van Lotte vertelt de rechters over de leegte die hij voelt en hoe hij de toekomst vreest, een toekomst waarin hij niets met Lotte kan delen, dat de bestuurder misschien zelf kinderen krijgt die op een dag 16 jaar worden.
De moeder van Lotte schreef dat haar verdriet nog altijd groter is dan haar boosheid.
Jessica en Lisanne moeten huilen wanneer zij de rechters mogen toespreken.

De vader van Herman, over wie de rechters hadden gezegd dat hij had verzuimd op te voeden, is er ook.
Buiten de rechtszaal zit zijn zoon van 15, te wachten want te jong om de rechtszaak te mogen bijwonen.
Terwijl iedereen binnen naar de bedroefde woorden luistert, loopt het broertje van Herman naar buiten, autosleutels in de hand, sigaret in de mond.
Iemand ziet hoe hij voor de rechtbank in een auto stapt, er een () stukje in rijdt om de auto op een andere parkeerplek neer te zetten.

Weliswaar niet roekeloos, maar het geeft te denken.

Rob Zijlstra

.

UPDATE – 30 juli 2012 – uitspraak
Het vonnis: een celstraf van 15 maanden waarvan 5 voorwaardelijk. Daarnaast een rijontzegging voor de duur van 5 jaar.

het vonnis

Twee spelende meisjes [4]

De man, 23 jaar inmiddels, die op 12 juni 2010 in Wildervank met zijn auto twee spelende meisjes doodreed, zat dinsdagmiddag in de verdachtenbank van het gerechtshof in Leeuwarden.
De rechtbank in Groningen had hem in maart vorig jaar vrijgesproken.
Ten onrechte, vindt het openbaar ministerie en tekende hoger beroep aan.

Een strafzaak in hoger beroep is vaak een herhaling van zetten, met soms een andere uitkomst.
In Groningen eiste het openbaar ministerie een taakstraf van 180 uur, een maand voorwaardelijke gevangenisstraf en een rijontzegging van 24 maanden waarvan acht voorwaardelijk.
In Leeuwarden stelde het openbaar ministerie een strafeis voor van 80 uur, gecombineerd met een ontzegging van de rijbevoegdheid van twaalf maanden waarvan de helft voorwaardelijk.

Het ging dinsdagmiddag in de grote zittingszaal van het gerechtshof niet over de strafeis.
Het ging vooral over de vraag of Robert kan worden verweten wat er door zijn toedoen is gebeurd.

In de woonwijk waar Robert toen al een jaar of zes woonde, is een potsierlijk en nogal bol bruggetje.
Op zaterdag 12 juni 2010 is het prachtig weer.
Tegen het middaguur gaan twee meisjes buiten spelen op hun waveboard.
Ze doen dat op en bij het bruggetje waar je lekker van kunt af roetsjen.
Op hetzelfde moment stapt Robert met zijn vriendin in de auto om ergens naar toe te gaan.
Hij ziet de spelende kinderen niet, zijn vriendin nog net wel.
Ze roept nog: ‘Kinderen!’
Maar te laat.
Floortje overlijdt te plaatse, Sanne-Mei bezwijkt vier dagen later aan haar verwondingen in het ziekenhuis.

Vastgesteld is dat Robert niet te hard heeft gereden.
Dat wil zeggen, niet harder dan de toegestane 30 kilometer per uur.
Er kan niet gesproken worden dat Robert ‘aanmerkelijk onvoorzichtig’ is geweest of dat hij bewust risico’s nam waardoor de verkeersveiligheid in het geding was.
Daarom verzoekt de advocaat-generaal (officier van justitie in hoger beroep) het hof Robert vrij te spreken van artikel 6 van de Wegenverkeerswet, van een misdrijf.

Maar…
Robert reed wel te hard voor de situatie ter plaatse.
Door de bolling van het bruggetje, was het zicht beperkt.
Robert had daarom zijn snelheid moeten aanpassen.
Want zo zegt artikel 19 van het verkeersreglement: ‘De bestuurder moet in staat zijn, zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kan overzien en waarover deze vrij is’.

De advocaat-generaal: ‘Vergelijkbaar met de dode hoek van de vrachtwagenchauffeur. Wanneer een chauffeur als gevolg van de dode hoek, geen of beperkt zicht heeft, moet hij maatregelen treffen om wel zicht te krijgen, dan moet hij iets doen om de beperking op te heffen. Bijvoorbeeld door nog langzamer te rijden.’

Had Robert dat gedaan, dan had hij tijdig kunnen stoppen.
De advocaat-generaal: ‘Nu hij dit niet heeft gedaan zijn twee kinderen door een verkeersongeval volkomen onnodig uit het leven gerukt.’

De strafeis is gebaseerd op artikel 5 van de Wegenverkeerswet, geen misdrijf, maar een overtreding.
Dat de kinderen op het wegdek speelden, aan de voet van het bruggetje – levensgevaarlijk – doet daar niet aan af, stelt de advocaat-generaal.
Hij zegt: ‘Een automobilist moet ook rekening houden met weggebruikers die hun eigen verkeersveiligheid veronachtzamen. En dat geldt zeker voor automobilisten ten opzichte van spelende kinderen die door hun onbevangenheid de draagwijdte van hun gedragingen vaak nog niet overzien.’

In het requisitoir staat: ‘Van kinderen kan niet gevraagd worden minder verstandige of onveilige gedragingen achterwege te laten. Van volwassenen mag daarentegen wel worden gevraagd om met het minder voorspelbare gedrag van kinderen rekening te houden.’

Robert’s advocaat pleit voor vrijspraak waarbij hij de redenering van de rechtbank omarmt: hij reed niet te hard en het was in alle redelijkheid niet te voorzien dat er kinderen aan de voet van de bolle brug speelden.
Het is een noodlottige samenloop van omstandigheden geweest met dramatische gevolgen.

Met de regels van de wet heeft het niets te maken, maar er deed zich dinsdagmiddag nog iets voor in de grote zaal van het gerechtshof.
Iets wat ook vaker wel dan niet aan de orde is bij verkeersdrama’s in de rechtszaal.

De moeder van Sanne-Mei sprak het hof toe en bezorgde – zoals zij dat in de rechtbank van Groningen ook had gedaan – alle aanwezigen kippenvel.
Wat een immens verdriet.
Nadat de moeder van Sanne-Mei de tragedie had proberen te verwoorden, las de president van het hof een al even indrukwekkende brief voor die de vader van Floortje had geschreven.

Het ging over het gemis, dat de tijd geen wonden heelt, over de stilte, het lege huis, dat je tegen anderen zegt dat het wel goed met je gaat, terwijl dat niet zo is en over alle andere droefheid die horen bij twee verongelukte vriendinnetjes van tien jaar, ja, ook over kennissen die ineens niet meer de weg naar je huis weten te vinden.

Maar het ging ook over de houding van de verdachte Robert.
Nooit had hij blijk van medeleven getoond, nooit contact opgenomen.
Daardoor is er naast het verdriet, ook nog eens heel veel boosheid.
De advocaat-generaal staat er even bij stil en zegt dat hij bij het bepalen van de strafeis, heeft laten meewegen dat Robert niets van zich heeft laten horen.

Robert zegt dat hij, hoe moeilijk hij dat ook vindt, het wel heeft geprobeerd, contact te leggen.
Maar dat de wijkagent had gezegd dat hij absoluut geen contact moest zoeken met de ouders.
En later had de burgemeester – toevallig een buurtgenoot – bemiddeld door met iedereen te praten, maar ook dat had tot niets geleid.

De nabestaanden zien Robert regelmatig, want ze zijn nog altijd buurtgenoten.
Ze zeggen dat hij dan met opzet langzaam gaat rijden, naar hen kijkt en hen intimideert.
Robert zegt dat hij dan langzaam gaat rijden in de hoop dat er een toenadering komt.
Hij zegt: ‘Ik wil heel graag, ik wil alles doen wat zij zouden willen.’

Een van de raadsheren merkt op dat er kennelijk misverstanden bestaan, dat er een verschil in beleving is.
Hij zegt tegen Robert: ‘Verzamel moed en toon uw respect.’

De rest van de uitspraak volgt over twee weken.

Rob Zijlstra

.

Ik publiceerde in maart 2011 over deze nare zaak.
Het rechtbankverslag staat hier.
Op mijn verzoek schreef Nico Kwakman, universitair docent straf (proces)recht, verbonden aan de Rijksuniversiteit Groningen  een artikel over de strafrechtelijke kant van dit drama.

Voorafgaand aan de rechtszaak in Groningen heb ik ter plaatse een filmpje gemaakt van het bruggetje. Het filmpje geeft slechts een indruk, niet meer en niet minder.

.

UPDATE – 12 maart 2012 – uitspraak
Vrijspraak.
Het gerechtshof in Leeuwarden heeft Robert vrijgesproken. Volgens het gerechtshof kan Robert niet worden verweten dat hij onvoorzichtig is geweest. Ook reed hij niet harder dan ter plaatse was toegestaan. Volgens het gerechtshof is er sprake van een uitzonderlijke situatie.

HET ARREST (met motivatie hof)