Net andersom

Er zijn getuigen,
maar hun verklaringen brengen
– zoals zo vaak bij getuigen –
meer verwarring dan duidelijkheid

 

Schermafbeelding 2016-01-21 om 23.08.44Twee tegenstrijdige verhalen kunnen niet tegelijkertijd waar zijn.
Dit blijft ook waar wanneer het om twee verhalen gaat die beide geloofwaardig zijn.
Gedegen politieonderzoek kan in zo’n geval uitkomst bieden, maar uitgerekend in deze kwestie heeft de politie zitten klooien.
De rechters drukten zich ietwat beleefder uit.
Die zeiden: ‘Het is jammer dat het dossier op cruciale punten hiaten bevat.’

Jan (32) uit Stadskanaal is de verdachte.
Het slachtoffer is Dirk (54) uit Wildervank.

Jan draait er niet omheen.
Zijn analyse: ‘Het is gruwelijk geëscaleerd. We zijn te ver doorgezakt.’
Hij was ’s middags met de bus naar Wildervank gegaan, voor een bezoek aan Dirk die hij wel kent.
’s Middags hadden ze bier en berenburg gehaald en haringen om te eten.

Ze zaten aan tafel in de voorkamer.
Eerst was het een gezellige boel, Jan had nog staan dansen.
Maar toen de drank de baas werd, veranderde de sfeer.
Dirk, zegt Jan, begon met die fles berenburg op de tafel te slaan.
Op die tafel lag niet alleen een mes (in verband met de haringen), maar ook de mobiele telefoon van Jan.
‘Ik zei nog, pas nou op, maar het was al te laat. Het glas spatte in mijn gezicht.’

De vrolijkheid is dan verdwenen.
Jan vindt dat Dirk een nieuwe telefoon moet betalen.
Of iets moet regelen met de verzekering.
Maar Dirk, zegt Jan, wilde daar niets van weten.
Volgens hem was het glas van de telefoon al stuk.
‘Er ontstond een welles-nietes-spelletje. Het viel me op dat Dirk heel heftig reageerde.’

Rechters: ‘En toen?’

Dirk, vervolgt Jan, ging even naar de wc.
‘Maar hij bleef lang weg, dus ging ik even kijken. Bleek dat hij op straat was. Ik liep hem achterna, maar viel toen op het stoepje, ik gleed uit. Samen zijn we toen naar binnen gekropen. Toen gingen we weer drinken en begon ik dus weer over die telefoon. Ik wilde dat nog even oplossen, want ik moest de bus halen naar Stadskanaal. Er ontstond duw- en trekwerk. Ik heb toen de tafel tegen hem aangeduwd. Ik wilde niet vechten. Maar ineens, tjakka. Ineens stak hij mij met een mes. Ik raakte in paniek. Ik dacht, halve gek, ik ga morsdood, hiero.’

Jan werd geraakt in de borst en in de linkerbovenarm en begon te slaan en te schoppen.
‘Om me te verdedigen. Het was een reactie uit angst.’
Toen Dirk na een tijdje niet meer bewoog, belde Jan 112.
Hij zegt: ‘Ik schrok, dacht, oei, dit komt niet goed.’

Als de politie arriveert, zit Dirk versuft op de grond, terwijl het witte T-shirt van Jan rood is gekleurd van het bloed.
Beiden worden met spoed overgebracht naar het ziekenhuis in Groningen.
De steekwond valt bij nader inzien mee.
Dirk is er daarentegen niet best aan toe.
Hij belandt op de intensive care met onder anderen breuken in het gezicht, een gebroken nekwervel en negen gebroken ribben.
Er ontstaan complicaties.
Artsen vrezen even voor Dirks leven.

Tja, zegt Jan, ik heb dit ook niet gewild.
Tja, zegt ook de officier van justitie met zijn strafdossier vol hiaten.
Hij zegt: ‘Er is iets gebeurd, de vraag is in welke volgorde.’
Hij heeft al een keuze gemaakt: ‘Ik ga ervan uit dat Dirk Jan heeft gestoken en dat Jan vervolgens in een hevige gemoedstoestand Dirk heeft geslagen en geschopt. Ik vind dat er sprake is van noodweerexces. Zelfverdediging in paniek. Jan heeft zich wel schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag, maar ik vind dat we hem daarvoor geen straf moeten opleggen.’

De advocaat van Jan is het daar roerend mee eens.
Jan verlaat – misschien wel een beetje ontgoocheld – de rechtszaal.

Maar dan, de volgende zaak.
Daarin is Dirk de verdachte en Jan het slachtoffer.
Dezelfde rechters: ‘Wat is er gebeurd?’
Tja, zegt Dirk.
‘We zaten gezellig te drinken en dat is toen uit de hand gelopen. Ik ben blij dat ik hier zit, want ik had net zo goed dood kunnen wezen.’

Rechter: ‘Vertel.’

Dirk: ‘Jan zei dat ik zijn telefoon kapot had gemaakt, maar dat is niet zo. Die telefoon was al kapot. We kregen woorden. Ineens sloeg hij mij van mijn stoel. En toen begon hij ook te schoppen. Ik ben naar buiten gevlucht, ik wilde naar mijn overbuurman. Maar Jan kwam achter me aan en sleepte me de woning weer in. Hij begon weer te slaan. Ik raakte bewusteloos. Toen ik bijkwam, waren er allemaal politieagenten.’

Dirk ontkent dat hij heeft gestoken met een mes.
‘Jan had een mes en maakte daarmee stekende bewegingen. Ik heb me afgeweerd.’
Dirk stroopt de mouwen op en laat de littekens op de onderarmen aan de rechters zien.
Die kijken met ernstige ogen en zeggen: ‘Jammer dat de politie hier niets over heeft opgenomen in het dossier.’
De messen waarmee gestoken zou kunnen zijn – er worden twee gevonden – zijn niet onderzocht.

Er zijn getuigen, maar hun verklaringen brengen – zoals zo vaak bij getuigen – meer verwarring dan duidelijkheid.
Om half tien zou het al vreselijk uit de hand zijn gelopen, terwijl pas om half elf het alarmnummer 112 werd gebeld.
De advocaat van Dirk zegt dat niet uitgesloten kan worden dat Jan zichzelf heeft verwond.
Het was een heel raar wondje, het was ook meer een snijwond dan een steekwond, met wel heel veel bloed.
Maar dat is niet raar, weet de advocaat die zich bij het scheren eens in de oorlel sneed. De rechters willen niet weten hoeveel bloed dat geeft.
‘Niet te stelpen.’

Tja, zeggen de rechters.
Ze zeggen dat ze in de vorige strafzaak een verhaal hebben aangehoord dat best heel aannemelijk klonk.
Tegen Dirk zeggen ze: ‘Maar uw verhaal past ook wel.’

Jan liegt.
Of Dirk doet dat.
De aanklager is zonder twijfel.
Hij heeft tijdens de zitting van Jan de knoop al doorgehakt.
Als Jan het slachtoffer mag zijn, moet Dirk de dader wel wezen.
Om beide vechtersbazen weg te laten komen met noodweer zou wel heel raar zijn en kan ook helemaal niet.
Dus Dirk hangt.
Hij is schuldig aan een poging tot doodslag en is – anders dan Jan – ook een strafbare dader.
De eis: achttien maanden gevangenisstraf waarvan zes voorwaardelijk.
Dat is een jaar.

Zo zit het dus.
Of net andersom.

Rob Zijlstra

update – 1 februari 2016 – uitspraken
Een lastige zaak zegt de rechtbank. Zo lastig dat ‘we er niet uitkomen’. De rechter: ‘Er liggen twee aannemelijke verklaringen die evenwel niet tegelijkertijd waar kunnen zijn. Voor beide verklaringen is bewijs en in beide zaken geldt dat dat bewijs niet kan worden weerlegt. Omdat naar een aantal cruciale zaken geen onderzoek is gedaan, blijft de waarheid in het midden liggen.’
Om toch tot een oplossing te komen besluit de rechtbank uit de te gaan voor het meest gunstige scenario voor beide verdachten.
Dirk wordt vrijgesproken.
Jan wordt ontslagen van alle rechtsvervolging

Twee spelende meisjes [4]

De man, 23 jaar inmiddels, die op 12 juni 2010 in Wildervank met zijn auto twee spelende meisjes doodreed, zat dinsdagmiddag in de verdachtenbank van het gerechtshof in Leeuwarden.
De rechtbank in Groningen had hem in maart vorig jaar vrijgesproken.
Ten onrechte, vindt het openbaar ministerie en tekende hoger beroep aan.

Een strafzaak in hoger beroep is vaak een herhaling van zetten, met soms een andere uitkomst.
In Groningen eiste het openbaar ministerie een taakstraf van 180 uur, een maand voorwaardelijke gevangenisstraf en een rijontzegging van 24 maanden waarvan acht voorwaardelijk.
In Leeuwarden stelde het openbaar ministerie een strafeis voor van 80 uur, gecombineerd met een ontzegging van de rijbevoegdheid van twaalf maanden waarvan de helft voorwaardelijk.

Het ging dinsdagmiddag in de grote zittingszaal van het gerechtshof niet over de strafeis.
Het ging vooral over de vraag of Robert kan worden verweten wat er door zijn toedoen is gebeurd.

In de woonwijk waar Robert toen al een jaar of zes woonde, is een potsierlijk en nogal bol bruggetje.
Op zaterdag 12 juni 2010 is het prachtig weer.
Tegen het middaguur gaan twee meisjes buiten spelen op hun waveboard.
Ze doen dat op en bij het bruggetje waar je lekker van kunt af roetsjen.
Op hetzelfde moment stapt Robert met zijn vriendin in de auto om ergens naar toe te gaan.
Hij ziet de spelende kinderen niet, zijn vriendin nog net wel.
Ze roept nog: ‘Kinderen!’
Maar te laat.
Floortje overlijdt te plaatse, Sanne-Mei bezwijkt vier dagen later aan haar verwondingen in het ziekenhuis.

Vastgesteld is dat Robert niet te hard heeft gereden.
Dat wil zeggen, niet harder dan de toegestane 30 kilometer per uur.
Er kan niet gesproken worden dat Robert ‘aanmerkelijk onvoorzichtig’ is geweest of dat hij bewust risico’s nam waardoor de verkeersveiligheid in het geding was.
Daarom verzoekt de advocaat-generaal (officier van justitie in hoger beroep) het hof Robert vrij te spreken van artikel 6 van de Wegenverkeerswet, van een misdrijf.

Maar…
Robert reed wel te hard voor de situatie ter plaatse.
Door de bolling van het bruggetje, was het zicht beperkt.
Robert had daarom zijn snelheid moeten aanpassen.
Want zo zegt artikel 19 van het verkeersreglement: ‘De bestuurder moet in staat zijn, zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kan overzien en waarover deze vrij is’.

De advocaat-generaal: ‘Vergelijkbaar met de dode hoek van de vrachtwagenchauffeur. Wanneer een chauffeur als gevolg van de dode hoek, geen of beperkt zicht heeft, moet hij maatregelen treffen om wel zicht te krijgen, dan moet hij iets doen om de beperking op te heffen. Bijvoorbeeld door nog langzamer te rijden.’

Had Robert dat gedaan, dan had hij tijdig kunnen stoppen.
De advocaat-generaal: ‘Nu hij dit niet heeft gedaan zijn twee kinderen door een verkeersongeval volkomen onnodig uit het leven gerukt.’

De strafeis is gebaseerd op artikel 5 van de Wegenverkeerswet, geen misdrijf, maar een overtreding.
Dat de kinderen op het wegdek speelden, aan de voet van het bruggetje – levensgevaarlijk – doet daar niet aan af, stelt de advocaat-generaal.
Hij zegt: ‘Een automobilist moet ook rekening houden met weggebruikers die hun eigen verkeersveiligheid veronachtzamen. En dat geldt zeker voor automobilisten ten opzichte van spelende kinderen die door hun onbevangenheid de draagwijdte van hun gedragingen vaak nog niet overzien.’

In het requisitoir staat: ‘Van kinderen kan niet gevraagd worden minder verstandige of onveilige gedragingen achterwege te laten. Van volwassenen mag daarentegen wel worden gevraagd om met het minder voorspelbare gedrag van kinderen rekening te houden.’

Robert’s advocaat pleit voor vrijspraak waarbij hij de redenering van de rechtbank omarmt: hij reed niet te hard en het was in alle redelijkheid niet te voorzien dat er kinderen aan de voet van de bolle brug speelden.
Het is een noodlottige samenloop van omstandigheden geweest met dramatische gevolgen.

Met de regels van de wet heeft het niets te maken, maar er deed zich dinsdagmiddag nog iets voor in de grote zaal van het gerechtshof.
Iets wat ook vaker wel dan niet aan de orde is bij verkeersdrama’s in de rechtszaal.

De moeder van Sanne-Mei sprak het hof toe en bezorgde – zoals zij dat in de rechtbank van Groningen ook had gedaan – alle aanwezigen kippenvel.
Wat een immens verdriet.
Nadat de moeder van Sanne-Mei de tragedie had proberen te verwoorden, las de president van het hof een al even indrukwekkende brief voor die de vader van Floortje had geschreven.

Het ging over het gemis, dat de tijd geen wonden heelt, over de stilte, het lege huis, dat je tegen anderen zegt dat het wel goed met je gaat, terwijl dat niet zo is en over alle andere droefheid die horen bij twee verongelukte vriendinnetjes van tien jaar, ja, ook over kennissen die ineens niet meer de weg naar je huis weten te vinden.

Maar het ging ook over de houding van de verdachte Robert.
Nooit had hij blijk van medeleven getoond, nooit contact opgenomen.
Daardoor is er naast het verdriet, ook nog eens heel veel boosheid.
De advocaat-generaal staat er even bij stil en zegt dat hij bij het bepalen van de strafeis, heeft laten meewegen dat Robert niets van zich heeft laten horen.

Robert zegt dat hij, hoe moeilijk hij dat ook vindt, het wel heeft geprobeerd, contact te leggen.
Maar dat de wijkagent had gezegd dat hij absoluut geen contact moest zoeken met de ouders.
En later had de burgemeester – toevallig een buurtgenoot – bemiddeld door met iedereen te praten, maar ook dat had tot niets geleid.

De nabestaanden zien Robert regelmatig, want ze zijn nog altijd buurtgenoten.
Ze zeggen dat hij dan met opzet langzaam gaat rijden, naar hen kijkt en hen intimideert.
Robert zegt dat hij dan langzaam gaat rijden in de hoop dat er een toenadering komt.
Hij zegt: ‘Ik wil heel graag, ik wil alles doen wat zij zouden willen.’

Een van de raadsheren merkt op dat er kennelijk misverstanden bestaan, dat er een verschil in beleving is.
Hij zegt tegen Robert: ‘Verzamel moed en toon uw respect.’

De rest van de uitspraak volgt over twee weken.

Rob Zijlstra

.

Ik publiceerde in maart 2011 over deze nare zaak.
Het rechtbankverslag staat hier.
Op mijn verzoek schreef Nico Kwakman, universitair docent straf (proces)recht, verbonden aan de Rijksuniversiteit Groningen  een artikel over de strafrechtelijke kant van dit drama.

Voorafgaand aan de rechtszaak in Groningen heb ik ter plaatse een filmpje gemaakt van het bruggetje. Het filmpje geeft slechts een indruk, niet meer en niet minder.

.

UPDATE – 12 maart 2012 – uitspraak
Vrijspraak.
Het gerechtshof in Leeuwarden heeft Robert vrijgesproken. Volgens het gerechtshof kan Robert niet worden verweten dat hij onvoorzichtig is geweest. Ook reed hij niet harder dan ter plaatse was toegestaan. Volgens het gerechtshof is er sprake van een uitzonderlijke situatie.

HET ARREST (met motivatie hof)

Twee spelende meisjes [2]

De rechters betuigen bij aanvang van de strafzaak hun medeleven aan de nabestaanden.
Zeggen dat wat er is gebeurd, verschrikkelijk is en nadat dat is gezegd, kijken ze naar de verdachte.
De toon is gezet.

De verdachte is Robert (22).
Hij zegt: ‘Mijn leven is in een vingerknip omgeslagen. Ik moet er mee leren leven.’
De rechters reageren, nee corrigeren: ‘Voor u is het misschien nog te relativeren. Maar voor anderen niet. Voor de ouders is dit niet meer te relativeren.’
De verdachte knikt en zegt zacht: ‘Het is het ergste wat ouders kan overkomen. Als ik het kon terugdraaien dan had ik het gedaan.’

Op 12 juni 2010 bellen Floortje en Sanne-Mei met elkaar.
Niks aan de hand, twee vriendinnetjes, twee vrolijke meisjes van 10 jaar.
Ze spreken af om te gaan spelen.
Met hun waveboard.

In dezelfde buurt stapt even later Robert in zijn auto, om zijn vriendin naar haar werk te brengen.
Het is dan tien voor twaalf ’s ochtends.
Een paar minuten later volgt de vingerknip, de fractie van een seconde.

De twee meisjes spelen bij de brug.
Op een plek waarvan de ouders hadden gezegd dat dat daar niet mag.
Want te gevaarlijk.
Maar kinderen doen dat dan toch, zal de officier van justitie later zeggen, omdat het kinderen zijn.

Robert rijdt in zijn grijze BMW richting het bruggetje en dan het bruggetje op.
Plots roept zijn vriendin: ‘Kinderen!’
Een klap.
Robert voelt iets, iets onder de auto.
Een hond?
Stopt, stapt uit.
Zegt: ‘Ik wist niet wat ik zag.’
Hij belt 112 en bekommert zich over Sanne-Mei, over haar ademhaling.
Zij ligt achter de auto, Floortje er onder.
Robert: ‘Het was heel onwerkelijk.’
De politie, de ambulance, de traumahelikopter en de brandweer zijn er snel.

Floortje sterft ter plaatse.
Sanne-Mei vier dagen later in het ziekenhuis.

Robert zegt: ‘Ik heb niets gezien.’
Rechters: ‘Hoe kan dat nou?’
Robert: ‘Dat vraag ik mezelf ook af.’

De politie doet vooral technisch onderzoek, want er zijn geen getuigen.
Vastgesteld wordt dat de afstand tussen het hoogste punt van de brug en de plek waar de meisjes zijn aangereden, 12,4 meter bedraagt.
Er zijn geen remsporen wat er op duidt dat er niet hard is geremd.
Aangenomen wordt ook, op grond van het letsel, dat de kinderen niet hebben gestaan.
Mogelijk zaten ze op het wegdek, met hun waveboard.
Een feit is ook de meisjes zich op een plek op de weg bevonden waar ze niet hoorden te zijn.

Er is onderzoek gedaan naar de zithouding van de bestuurder.
Robert zat wat onderuitgezakt achter het stuur, dat had hij zelf aangegeven.
De rugleuning van de bestuurdersstoel was iets naar achteren gedraaid.
In de laagste positie had hij onvoldoende zicht.
In de hoogste net voldoende.

Uitgerekend is dat als Robert 30 kilometer per uur zou hebben gereden, hij de meisjes vanaf het hoogste punt van de brug had moeten zien en hij nog op tijd had kunnen stoppen.
De officier van justitie: ‘Hij had de aanrijding dus kunnen voorkomen. En dat dit niet is gebeurd, duidt erop dat hij harder dan 30 kilometer per uur heeft gereden.

De conclusie van de officier van justitie: “Robert heeft niet goed opgelet, dan wel te snel gereden, dan wel een combinatie van die twee.’

De politie heeft de exacte snelheid niet kunnen vaststellen.
Aannemelijk is: 28 tot 34 kilometer per uur.
De maximum snelheid op die plek: 30 kilometer per uur.
De officier van justitie zegt dat dat een maximum is, geen must, geen verplichting. Dat een automobilist zijn snelheid altijd moet aanpassen aan de omstandigheden. Dat dertig dus ook best te snel kan zijn.

Heeft hij niet goed opgelet?
Robert zegt van wel.
Zegt: ‘In mijn ogen was ik zelfs een van de weinigen die zich daar aan de regels hield.’
Buurtbewoners hebben verklaard dat op die plek altijd kinderen spelen.
De rechters zeggen dat ze dat wel snappen.
Waveboard, mooi asfalt, hellinkje, lekker roetsjen.
Deden zij vroeger ook, maar dan op rolschaatsen.

Robert zegt: ‘Ik heb ze niet gezien. En ik had ook nooit verwacht dat ik daar geen zicht had.’

Er worden twee brieven in de volle rechtszaal voorgelezen waarin de ouders hun radeloze verdriet verwoorden.
Dat ze de gelukkigste ouders van de wereld waren.
En dat ze nu de verdrietigste ouder zijn.
Tranen, brokken in de keel en niet alleen bij de nabestaanden.
Ook bij de rechters die zeggen dat ze hun werk doen en professionals zijn.
Maar dat dit er behoorlijk inhakt.
En ook aan de perstafel, waar zelfs de journaliste van de Telegraaf een beetje moet huilen.

De ouders zeggen ook dat ze vreselijk boos zijn.
Omdat Robert nooit iets van zich heeft laten horen.
Ja, hij had een kaartje gestuurd, maar zonder tekst.
Laf.

Robert zegt op zijn beurt dat dat hem vreselijk pijn doet.
Dat ze zo over hem denken.
Dat hij vanaf de eerste dag graag contact had willen hebben.
Maar dat de politie het hem had afgeraden.
En daarna had de burgemeester gezegd dat contact niet op prijs werd gesteld.
En dat had later ook Slachtofferhulp gezegd.
Robert zegt dat als hij iets kan betekenen, dat hij dat dan graag doet.

De reclassering was bij hem geweest.
Conclusie: een doodgewone jongen waar niks mis mee is, maar die wel iets vreselijks heeft meegemaakt.
Kans op herhaling: laag.

De officier van justitie zegt dat geen straf recht doet aan het leed dat is aangericht.
Dat kinderen niet op het wegdek horen te spelen, maar dat toch doen, omdat het kinderen zijn.
En dat dit een automobilist niet ontslaat van de verplichting extra oplettend te zijn.

Ze zegt dat Robert het ongeluk had kunnen voorkomen.
Als hij maar goed had opgelet.
Maar dat hij dat niet heeft gedaan, dat hij de auto niet tijdig heeft kunnen stoppen.
Dat hij door een onjuiste zithouding geen goed zicht had.
Dat hij een beoordelingsfout heeft gemaakt.
En vermoedelijk te snel heeft gereden, in ieder geval te snel voor de omstandigheden.
En dat dat, opgeteld, verwijtbaar is in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet.
Zij het in de lichtste variant.
Niet roekeloos, maar wel onoplettend.

Wat de officier van justitie niet mee laat wegen in haar strafeis, maar wat ze wel eventjes gezegd wil hebben, is dat Robert in de drie jaren dat hij zijn rijbewijs heeft, al twee keer eerder bij een verkeersongeluk betrokken is geweest.
In april 2009.
In september 2009.
Of daarbij sprake was van schuld, vertelt ze er niet bij.

De officier van justitie zegt wel dat een gevangenisstraf niet zou misstaan.
Maar dat zeggen officieren van justitie heel vaak als ze een taakstraf gaan eisen.
De eis: een taakstraf in de vorm van een werkstraf van 180 uur.
Daarnaast een maand voorwaardelijke celstraf met een proeftijd van twee jaar.
En een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de periode van 24 maanden, waarvan acht voorwaardelijk.

De advocaat pleit voor vrijspraak.
Hij zegt dat Robert zich hartstikke schuldig voelt, de rest van zijn leven.
Maar dat er juridisch gezien geen schuldige valt aan te wijzen in dit verschrikkelijke drama.
Dat Robert heeft gedaan wat hij moest doen.
Hij reed niet harder dan toegestaan, hij lette wel degelijk op, maar hij heeft meisjes die daar niet hoorden te zijn, niet gezien.
Hij heeft misschien een inschattingsfout gemaakt.
Maar een inschattingsfout maakt niet dat je ook schuldig bent.
Dat het soms, hoe erg ook, niet anders is.
En dat hij ook graag contact wil met de nabestaanden.
Als die dat willen.

Tja.
Ik weet het niet.
Zondagmiddag ben ik ter plaatse wezen kijken.
Het is een stom en potsierlijk nepbruggetje, in een woonwijk waar wonen, werken en recreëren vast samen moeten gaan.
Misschien dat je dit soort bruggetjes in zo’n woonwijk met kinderen niet moet willen.
Omdat verkeersveiligheid zwaarder moet wegen dan dat er voor het plezier bootjes onder door moeten kunnen varen.
Dat de brug, zoals de gemeente Veendam direct na het ongeluk riep, aan alle veiligheidseisen voldoet, zal zo wezen.
Ding is van steen en beton, dus je zakt er niet doorheen.

Aan de andere kant: automobilisten hebben wat verkeersongelukken betreft een bedenkelijke reputatie.
Het idee dat we met z’n allen ontzettend goed kunnen autorijden, is maar al te vaak niet waar.
Meestal gaat het gelukkig goed, soms nog net op het nippertje en een enkele keer is er die vingerknip en gaat het verschrikkelijk mis.

De wet zegt dat bij de beoordeling van dit soort zaken gekeken moet worden naar de gedragingen, in dit geval van de bestuurder van de auto.
En niet naar de trieste gevolgen van die gedragingen.
Dat we de zaak niet ernstiger moeten beoordelen omdat twee vrolijke meisjes nu vreselijk dood zijn.

Dat klinkt bijna kil.
Maar misschien is dat wel de waarheid.
De lelijkste waarheid.
Een waarheid die zo lelijk is dat we die slechts kunnen verdragen als we een schuldige kunnen aanwijzen.

Rob Zijlstra


zie ook: Twee spelende meisjes [1]
met foto’s en een filmpje van die situatie ter plaatse.

.

UPDATE – 21 maart 2010 – uitspraak
De rechtbank heeft Robert vrijgesproken. Hij draagt geen schuld aan het ongeluk. Niet is gebleken dat hij te hard heeft gereden dan wel dat hij anderszins onvoorzichtig is geweest. En hoewel bekend was dat bij het bruggetje vaak kinderen speelden, was voor de bestuurder de aanwezigheid van de kinderen aan de andere kant van de bolle brug niet te voorzien.  Oftewel: het ongeluk is een vreselijke samenloop van omstandigheden geweest.

De uitvoerige motivering van de rechtbank is te lezen in het vonnis.

extra
zie ook de toelichting op deze zaak door universitair docent Nico Kwakman (straf(proces)recht, verbonden aan de Rijkuniversiteit Groningen

.

UPDATE – 28 maart – hoger beroep
Het openbaar ministerie legt zich niet neer bij het vonnis en heeft aangekondigd in hoger beroep te gaan. De zaak zal daarom later dit jaar op 28 februari 2012 opnieuw worden bekeken en beoordeeld door het gerechtshof in Leeuwarden.

Het verslag van de zitting in hoger beroep (op 28 februari)  staat hier

Twee spelende meisjes [1]

Het zou de nachtmerrie moeten zijn voor iedereen die aan het verkeer deelneemt, voor automobilisten in het bijzonder: artikel 6 van de Wegenverkeerswet.
Dat klinkt wat suf, maar wie zich schuldig maakt aan dit artikel 6, maakt zich schuldig aan een misdrijf.

Artikel 6 zegt vrij vertaald dat het verboden is je in het verkeer zo te gedragen dat door jouw schuld een verkeersongeluk plaatsvindt waardoor een ander wordt gedood of zwaar lichamelijk letsel oploopt.

Het is een akelig en gemeen artikel: het misdrijf wordt meestal in een fractie van een seconde gepleegd.
Maar de gevolgen zijn onomkeerbaar en zullen ook nooit meer verdwijnen.
Vaak zeggen verdachten in de rechtszaal dat ze de klok zouden willen terugdraaien.
Als dat kon.
Maar dat dat niet kan.

Bijna altijd vertellen verdachten tegen hun rechters dat ze het niet met opzet hebben gedaan.
Dat ze niet hebben gewild wat er toch is gebeurd.
Maar zo eenvoudig is het niet, zo gemakkelijk kom je er niet mee weg.

Want je kunt volgens de wet iets zonder opzet doen en toch schuldig zijn.
En hartstikke strafbaar.
Geen opzet betekent niet dat er geen sprake is van verwijtbaarheid.

Je stapt in de auto, misschien wel een paar keer per dag, cd’tje er in, andere zender, telefoontje, routine, beetje haast, beetje gas en al jaren schadevrij.
Ineens is daar die fietser, een voetganger die je in die fatale fractie van een seconde nooit hebt gezien.
Maar de fietser, de voetganger, die was er wel.
Die kwam niet uit de lucht vallen.
Als je niet ziet wat er wel is, dan heb je niet goed gekeken.
En dat is verwijtbaar.

Dat is wat artikel 6 zegt.

Het artikel kent drie gradaties van verwijtbaarheid.
Je kunt roekeloos zijn geweest, bijvoorbeeld door sneller te rijden dan mag of verantwoord is.
Je kunt ook  ‘aanmerkelijk onvoorzichtig’ zijn geweest.
Het telefoontje.
Of heel simpel, eventjes onoplettend, even afgeleid.
Het blijft een misdrijf.

Op 12 juni spelen twee vriendinnetjes, twee meisjes van tien jaar, bij de brug aan de Rietgors, in de waterrijke woonwijk Langebosch in Wildervank.
Kinderen spelen daar vaker, want de plek nodigt uit om er onbekommerd te spelen.

De stenen brug bolt.
Wie aan komt rijden, heeft geen zicht op de andere kant.
En terwijl de meisjes er spelen, komt de dan 21-jarige Robert aangereden in zijn auto. De twee meisjes worden geschept.
Floortje overlijdt ter plaatse, vriendinnetje Sanne-Mei vier dagen later in het ziekenhuis.

De politie heeft een reconstructie van het ongeluk uitgevoerd om de toedracht te achterhalen.
Robert, zegt het openbaar ministerie nu, heeft te hard gereden, dan wel heeft hij zijn snelheid onvoldoende aangepast aan de situatie.
En hij had een zodanige zithouding dat hij onvoldoende zicht had op het weggedeelte, direct achter de brug.

De weg naar het bruggetje toe, is breed, lang en recht en nodigt niet uit tot het rijden met dertig kilometer per uur.
Direct achter het bruggetje houdt de weg op, verandert de weg in een weggetje, in een lus rond parkeerplaatsen.

Het openbaar ministerie zegt dat Robert zeer goed van de plaatselijke situatie op de hoogte is geweest en dus ook kon weten dat daar vaak kinderen spelen.
Want hij woont daar.

De rechters zullen maandagochtend in de rechtszaal zeggen dat wat zij er ook van vinden, straks bij de uitspraak over veertien dagen, het een feit is dat er iets vreselijks is gebeurd op die 12e juni.
Een vreselijk drama, voor de ouders, de familie, de vrienden, ja voor iedereen.
Maar dat dat ook geldt voor de jonge verdachte die ook verder moet met zijn leven.

Aan deze jonge verdachte zal worden gevraagd wat hij die dag heeft gedaan en wat de dag daarvoor.
En hoe hij zich toen voelde.

Tegen de rechtszaal, tegen de aanwezigen, zullen de rechters zeggen dat het vandaag draait om een strafzaak en dat er details moeten worden besproken die pijnlijk zijn om te horen.
Dat ze het daarom niet erg vinden als mensen de rechtszaal even willen verlaten.
Dat ze dat dan gewoon moeten doen.

Nabestaanden zullen misschien wel een verdrietige slachtofferverklaring voorlezen.
Het zal dan ongemakkelijk stil worden in zittingszaal 14.
De verdachte zal het hoofd buigen, wil dan ter plaatse het liefst door de grond zakken.
Maar ook dat kan niet.

De officier van justitie zal, voordat zij een strafeis formuleert, refereren aan die verdrietige verklaring om vervolgens iets zeggen in de trant van dat geen straf recht doet aan wat er is gebeurd.
Maar dat er, indien bewezen, wel een straf moet volgen.

Meestal volgt dan een eis tot een taakstraf in combinatie met een rijontzegging.
Dat Robert met zijn toen 21 jaren een beginnende bestuurder is, zal een rol spelen.

De lichtvoetigheid waarmee wij onze auto’s soms van A naar B sturen, staat altijd in schril contrast met het immense verdriet dat bij dit soort strafzaken in de rechtszaal voelbaar is.

Ik ben er zondagmiddag even, voorzichtig, naar toe gereden.
Om er te kijken en om te zien.
Om de kille feiten die maandagochtend tijdens de rechtszaak in de rechtszaal worden gepresenteerd, beter te kunnen begrijpen.

Het bruggetje is nog steeds een bruggetje en voldoet, zei de gemeente kort na het ongeluk, aan alle veiligheidseisen.
Het bruggetje wel.

Ik zag vlakbij het bruggetje, in het gras rond een boom, ietwat van kleur verschoten windmolentjes staan.
Die zijn daar een half jaar geleden machteloos neergezet, ter nagedachtenis.
En die molentjes draaien maar door.

Rob Zijlstra

.

Het rechtbankverslag staat hier.

De situatie ter plaatse: de Rietgors

Artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994

.

UPDATE – 7 maart 2011 – de strafeis
Het openbaar ministerie heeft vanochtend een werkstraf van 180 uur geëist. Naast de werkstraf is een maand voorwaardelijke celstraf geëist en een rijontzegging van 24 maanden waarvan 8 voorwaardelijk. Volgens het openbaar ministerie heeft Robert vermoedelijk te snel gereden en had hij door zijn zithouding, iets onderuitgezakt, geen goed zicht op de weg. Overigens heeft technisch onderzoek de exacte snelheid niet kunnen vaststellen. De twee slachtoffertjes waren bij de brug, en op het wegdek, aan het spelen met een wave-board. Uit een analyse blijkt dat de automobilist het ongeluk had kunnen voorkomen, aldus het openbaar ministerie. De verdachte zegt daarentegen dat hij de kinderen niet heeft gezien.

uitspraak op 21 maart

.

UPDATE – 7 maart 2011 – filmpje

Op onderstaand filmpje is te zien hoe een (mijn) auto over het bewuste bruggetje rijdt. Zet het filmpje stil bij de 17e – 18e seconde: de automobilist heeft dan een goed zicht op de weg voor hem. De meisjes werden aangereden op 12 meter, berekend vanaf het hoogste punt van het bruggetje. De bestuurder zegt dat hij de kinderen niet heeft gezien. Terechte opmerking (zie hieronder) is dat het filmpje niet exact laat zien wat de bestuurder heeft kunnen of moeten zien. Het geeft een indruk.(het filmpje is zondagmiddag gemaakt).