Geld & alcohol

het verdriet van Yanar
zit verwerkt in een
getatoeëerd traantje
onder zijn oog

 

Misschien is het wel waar dat in ieder mens van nature een paar gram slechtheid schuilt en dat daarom misdaad bestaat.
Zo er ook plastic in zee drijft.
Wie weet.
Met grotere stelligheid durf ik op te schrijven dat er misdaad onder ons is als gevolg van geld – te weinig of te veel – en – idem – alcohol.

Nooit zal ik de verdachte Peter vergeten, toen 31 jaar.
Bij de Spar had hij rode wijn gestolen, bij de iets verderop gelegen Gall&Gall aan het pleintje was hij gaan slaan om een fles whisky te bemachtigen.
Met de buit holde hij naar huis waar hij – eenmaal dronken – zijn geliefde in elkaar beukte.

Op een dag pikte zij dat niet meer en belde gebutst de politie.
Agenten kwamen opdraven en hielden Peter aan terwijl hij diep was weggezakt in zijn zoveelste roes.
Rond zijn bed een zee aan lege (en gestolen) drankflessen.

Peter was een man met vermogende ouders.
Om aangenaam te leven kreeg hij 15.000 euro per maand toegeschoven.
Daar hoefde hij niets voor te presteren.
Toen zijn ouders kwamen te overlijden, vloeide er een paar miljoen naar zijn bankrekening.
Waarom dan stelen met al dat geld, met al die euro’s?
Simpel: ’t was op.
Verbrast. Opgezopen. Verpist.
Peter had niets meer.
Zelfs de schadeclaim van Gall&Gall, twee tientjes, kon hij als ex-miljonair niet betalen.
De duurste afkick-klinieken in het buitenland had hij bezocht, daar waar ook benevelde wereldberoemdheden komen, maar geholpen had het niet.
Hij moest wel stelen.

Is het niet de drank, dan is het wel het geld.
Yanar (20) heeft nooit vermogende ouders gehad.
De ouders die hij wel had, zijn dood.
Oma voedde hem op.
Na een lange vlucht uit Azerbeidzjan belandde hij in Noord-Groningen, niet ver van waar ook dronken Peter was neergestreken.
Een stage bij de V&D in Groningen mislukte omdat hij er van veel te vroeg tot veel te laat en altijd te hard moest werken.

Yanar had 65 euro per week te besteden.
Dat was per week te weinig, daar hij met dit geld ook zijn dagelijkse jointjes moest financieren.
Aan de bewindvoerder had hij om opslag gevraagd, een beetje extra maar.
Over een week zou oma jarig zijn en hij wilde iets voor haar kopen.
De bewindvoerder hield voet bij stuk en gaf geen cent extra.
Yanar zei daarop boos dat hij dan op zijn eigen manier geld zou gaan halen.

Kort daarna, op nieuwjaarsdag, stapte hij met een muts over zijn hoofd en een vuurwapen in de linkerhand de frietkraam in Tuikwerd in Delfzijl binnen en eiste met trillende knieën het geld in de kassa op.
De doodgeschrokken frietmedewerkster drukte op het stille alarm en griste wat bankbiljetten bijeen.
Met honderd euro ging Yanar er vandoor.

Nee, zegt hij tegen de rechters, het is niet de manier.
Maar wat moest hij dan?
Hij had geldnood. Dus.
En nu?
Hij zegt: ‘Oma is teleurgesteld.’
En verder?
Hij wil met rust gelaten worden, zijn straf uitzitten en dan werken.
En als dat niet lukt gaat hij terug naar zijn land, dan wil hij weg van hier, van hier waar grote mensen alleen maar onzin praten.

Jawel.
Hij heeft wel aan dat meisje van de frietkraam gedacht.
Maar pas later.
Niet toen hij het ging doen, want dan denk je niet aan zoiets.
Nu wel.
De reclassering waarmee hij niets te maken wil hebben, schreef dat Yanar een kwetsbare jongeman is die al veel in zijn leven heeft moeten meemaken en de neiging heeft dat te overschreeuwen.
Het verdriet van Yanar zit verwerkt in een getatoeëerd traantje onder zijn oog.
Wat de officier van justitie betreft hoeft Yanar de komende tijd te werken noch oplossingen te verzinnen voor geldnood.
Hij eist vier jaar gevangenisstraf.

Hannes combineert geld en drank.
Hij steelt al jaren als gevolg van geldnood ten behoeve van drank.
Eens was hij goed voor twee flessen jenever per dag, tegenwoordig houdt hij het vooral bij bier en whisky.
Een dag voordat Yanar de frietkraam bezocht, keilde Hannes aan het Helperplein in Groningen een baksteen door de etalageruit van Gall&Gall (ja, die weer).
Hij was op dat moment al flink dronken.
De volgende ochtend was hij wakker geworden in Oude Pekela bij een kennis.
In het bed waarop hij lag, lagen ook zeven flessen whisky.
Toen de drank drie dagen later op was, zou hij hebben ingebroken in de woning van zijn moeder.
De buit: een fles bessenjenever en een krat Amstel.
Eis: vijftien maanden.

In de zalen van het strafrecht zijn wekelijks dit soort geld- en drankverhalen op te tekenen.
Soms, heel soms, gaat het andersom.
Zoals bij Max, een jongeman van dan 21 jaar uit Oezbekistan die deel uitmaakte van een criminele bende die zich in Oost-Groningen schuldig maakte aan moord (althans pogingen daartoe), vrijheidsberoving, drugshandel, bedreigingen en gewapende overvallen op hennepplantages.

Max zou betrokken zijn geweest bij een woningoverval (met hennep) in Froombosch.
Iemand had hem met zijn oorbellen door zijn oren herkend, op de plaats-delict was een muts gevonden met daarop zijn dna.
De rechtbank veroordeelde hem tot vier jaar.
Zijn rechters wilden niet weten dat bij hem sprake was van een ‘psychotisch beeld’, veroorzaakt door een ‘schizofreen proces’.

Er volgde hoger beroep.
In het Paleis van Justitie in Leeuwarden stelden de raadsheren ter plekke vast dat Max geen gaatjes in de oren had en ten aanzien van de muts met dna luidde het oordeel dat de muts er door anderen kan zijn neergelegd.
Vrijspraak.

Max had drie nachten in een politiecel doorgebracht.
Daarna had hij vijf nachten met beperkingen een huis van bewaring gezeten, gevolgd door nog eens 736 nachten zonder beperkingen, zij het wel opgesloten en van de vrijheid beroofd.
En dat ten onrechte.

De advocaten stelden voor om aan Max een schadevergoeding toe te kennen.
Voor de eerste acht dagen 105 euro per etmaal, voor de 736 daaropvolgende nachten tachtig euro.
En omdat bij Max dus wel sprake is van een ‘schizofreen proces’ zou het standaardtarief moeten worden verdubbeld.
Ook de kosten van het verzoek tot schadevergoeding – 550 euro – zou moeten worden vergoed.

De rechters dachten diep na en besloten toen de Staat der Nederlanden te verplichten om aan de jonge Oezbeek (op een tientje na) 120.000 euro te betalen.

Proost.

Rob Zijlstra

uitspraken op 25 juni

Adresjes

Ze zijn er niet alleen in de stad en de wijken van de stad.
Ze zijn er ook in de ommelanden van de stad, in de dorpen, in de dorpjes en misschien hier en daar ook wel in de gehuchten.

Adresjes.

Op die adresjes wonen mensen die verkopen.
In de stad heten die mensen gewoon drugsdealers.
Buiten de stad heet het verkopen van drugs nogal eens een vriendendienst.
Ik reed toch naar de stad voor mezelf en dan nam ik ook direct voor vrienden mee, dat scheelt maar benzine, zei bijvoorbeeld een tijdje geleden de man uit Uithuizen die in cocaïne handelde.

Maandagmiddag stond Elly (49) terecht in zittingszaal 14.
Ook wel bekend als ‘De Vrouw van de Dobvenne’.
Zo noemden scholieren haar.
De scholieren in Winsum bedoelden dan dat je bij die vrouw aan de Dobvenne, tegenover het verzorgingstehuis, drugs kon kopen.
Het adresje voor een zakje wiet voor vijf euro.
De achterdeur stond altijd open.

Elly, met een vaste baan met verantwoordelijkheden in Groningen, liep in maart dit jaar tegen de lamp. De politie deed onderzoek naar iets heel anders en tijdens dat onderzoek noemden jongeren haar naam en adres.
De politie schreef al die jongerenverklaringen op en ging eens kijken bij Elly thuis.
Zes agenten vonden drugs, plastic zakjes om er drugs in te doen en contant geld in een potje in de eiken kast in de woonkamer.

De jongeren wisten, zo verklaarden ze, dat Elly pas in de loop van de middag thuiskwam van haar werk in Groningen.
Je kon er dus niet te vroeg terecht.
En ze wisten nog wel meer, of dat nou klopte of niet.
Dat er bijvoorbeeld een kluis in de woning aanwezig was en dat Bennie daar de geheime code van had. En een pistool.

Ik weet niet met welke ideeën Elly maandag naar de rechtbank was gekomen. Misschien dacht ze wel dat het allemaal zou meevallen als ze zich een beetje van de domme zou houden.
Dat als ze misschien vaak ‘ik weet het niet’ zou zeggen, dat de rechters haar dan zouden willen geloven.

Hoe vaak jongeren bij haar kochten?
Ze zei: ‘Nou, niet vaak.’
Hoe ze dan aan die naam kwam?
Ze zei: ‘Ik weet het niet.’
En waarom deed ze het?
Elly: ‘Weet niet, ik deed het zonder na te denken.’

De rechters: ‘Lekker vaag.’
Elly: ‘Niet al die verklaringen zijn ook waar.’
Rechters: ‘Wordt dan eens concreet.’
Elly: ‘Er zit een heel verhaal omheen.’
Rechters: ‘U laat niet het achterste van uw tong zien hè?’

Heel het verhaal er om heen vertelt over de vriend van haar dochter, niet de gewenste schoonzoon, maar een jongen met problemen die niet wilde deugen.
En zij wilde hem helpen, het rechte pad op, in het belang ook van haar dochter.
Opdat hij weer contact zou krijgen met zijn ouders en zo.
Daarom was zij hem wat behulpzaam geweest.
Het was bij haar thuis vooral zijn handel.

De rechters stellen een tikkeltje cynisch vast dat Elly zich zorgen maakte over haar dochter en die vriend en daarom drugs verkocht aan minderjarigen.
De rechters zeggen: ‘U wilde R. op het juiste spoor zetten en ondertussen hielp u anderen te ontsporen.’

Drugsdealen, niet als vriendendienst, maar als een vorm van hulpverlening.

Elly sputtert nog wel wat tegen. Ze zegt dat jongeren ook verklaringen hebben afgelegd die niet waar zijn. Waarschijnlijk om anderen, andere adresjes in Winsum, uit de wind te houden.
Ze zegt: ‘Het is niet eerlijk mij alles in de schoenen te schuiven.’
De rechters: ‘U weet kennelijk van de hoed en de rand.’

Elly – na een uur stevige ondervraging houdt ze het niet meer droog – snottert dat ze het nooit weer zal doen. ‘Dat kan ik u verzekeren. Het is zo gelopen en ik ben er in meegelopen.’

De officier van justitie acht alles voldoende wettig en overtuigend bewezen. ‘Mevrouw heeft de verkeerde keuzes gemaakt. De vraag is ook hier weer, en wat nu?’

Hij zegt dat Elly heeft meegeholpen om de jeugd afhankelijk van drugs te maken.
Dat dat slecht is.
Dat het helemaal slecht is dat ze verkocht aan minderjarigen.
Dat dat strafverzwarend moet werken.

Door het hoofd van Elly schieten nu misschien wel de maanden die ze op water en brood zal moeten doorbrengen.
Boven het hoofd gieren nu zichtbaar de zenuwen.

De officier van justitie: ‘Ik zal u niet naar de gevangenis sturen, want u heeft alleen de verantwoordelijkheid van de opvoeding van twee opgroeiende dochters. Ik zal een stevige werkstraf eisen. En dat zal voor u een hele kluif worden, want u zult vrije tijd moeten inleveren.’

De officier van justitie vervolgt: ‘Een werkstraf van tachtig uur is zo gek nog niet.’
Een voorwaardelijke straf als stok achter vindt hij niet nodig want hij heeft niet het gevoel dat Elly haar hoofd nog een keer zal stoten. Elly moet dan wel in de oren knopen dat als ze weer de fout ingaat, justitie uit een heel ander vaatje zal tappen.

Het in beslag genomen geld uit het potje in de kast van eikenhout, 323,40 euro, mag ze terughebben. Het staat onvoldoende vast of dit crimineel geld is.

Elly knikt.
Alsof ze dat terecht vindt.
Opgelucht hoort ze de rechters zeggen dat ze goed gaan nadenken en over twee weken uitspraak doen.

Ik denk niet dat het de jongeren in Winsum iets uitmaakt.
Die hebben vast al lang weer een ander adresje.

Rob Zijlstra

UPDATE – 26 oktober 2009 – uitspraak
Mevrouw E. is door de rechtbank veroordeeld tot een taakstraf van 150 uur. Er was 80 uur geeist. De rechters rekenen het haar aan dat zijn gedurende enkele maanden softdrugs heeft verkocht aan (minderjarige) scholieren.

UPDATE – 13 oktober 2009 – verwarring
Ik kreeg een mailtje van een ietwat verontwaardige lezer.
De namen van verdachten en slachtoffers in mijn verhalen, verzin ik (de rest niet).
Toch?
Ja.
Maar nu heeft het toeval huisgehouden. De echte namen die ik heb verzonnen, blijken niet de namen te zijn van de verzonnen verdachten en betrokkenen. Soms verzin je iets, wat toch zo waar blijkt te zijn. Zo als de kans op een winnend lot uit de loterij.  Ik hoop dat dit voldoende verward.

Elly is dus niet de naam van de vrouw die maandag in de rechtbank anders heette. Er werden daar vele namen genoemd, gelukkig voor hen zat er geen schoolklas uit de buurt op excursie. Bennie heb ik verzonnen, dus de Bennie die in Winsum woont, bestaat daar mogelijk echt, maar zijn toegedichte kennis van kluizen en pistolen berust niet op de echte Bennie die misschien wel van niets weet, omdat hij in werkelijkheid Andre heet. Of Guus, Richard of Tjon.

Elly en Bennie kunnen best als personen bestaan, maar in mijn verhaal zijn zij slechts bedachte namen.