De nuance

Een rechtbankverslaggever probeert een zo goed mogelijk beeld te schetsen van een strafzaak en daarmee van de strafrechtspraak.
Beetje stiekem hoopt de rechtbankverslaggever dat de lezer een tikkeltje genuanceerder gaat denken.
Dat de rechtspraak niet corrupt is of wereldvreemd, dat naar slachtoffers wordt geluisterd, dat er met grote regelmaat keihard wordt gestraft.
Dat is echt waar.
Helemaal niet waar is dat verdachten van ernstige misdrijven de rechtszalen lachend en met pietluttige werkstrafjes verlaten.

Het Openbaar Ministerie – de aanklager, onze misdaadbestrijder – werkt echter niet altijd mee om een genuanceerd beeld overeind te houden.
Ik kan mij niet voorstellen dat de mensen die deze week op publieke tribune van zittingszaal 14 hadden plaatsgenomen, slachtoffers van woninginbraken, ’s avonds zorgeloos onder de dekens zijn gekropen.
Het moet inmiddels een feit van algemene bekendheid zijn dat Openbaar Ministerie de zaken nog niet zo goed voor elkaar heeft.
Ook in Noord-Nederland niet.

Wie vanavond (of morgen) op heterdaad wordt betrapt op een woninginbraak moet er rekening mee houden dat hij volgend jaar niet meer voor de rechter zal verschijnen.
Dat wordt pas in de loop van 2015.

Vraag het maar aan Mathieu (25) en Chris (26) uit Stadskanaal en omgeving.
In november en december 2011 hadden ze ingebroken in woningen en auto’s in Mussel en Musselkanaal.
De buit was enorm.
Uit een woning haalden ze sieraden uit een brandkast die in de kelder stond.
De sleutel hing aan het rekje in de keuken.
De waarde van het gestolen goed: zo’n 25.000 euro.
Het had drie- tot vierduizend euro opgeleverd.

Bij een andere woning werd zo veel gereedschap en aanverwante apparatuur (compressors, draaibank) gestolen dat Mathieu en Chris een hele nacht bezig waren geweest om het goed in te laden.
In een derde woning groeide tegen de verwachting in geen tropisch paradijs aan wietplanten.
Wel namen ze een kluis mee met daarin 2200 euro.

Mathieu en Chris zeggen niet zo veel.
Aan hen wordt ook niet zo veel gevraagd.
Ze hebben bekend en dat maakt een strafproces er niet ingewikkelder op.
De rechters willen wel weten waarom ze er steeds zo’n enorme puinhoop van maakten.
Rechters: ‘Ongelooflijk. Jullie haalden die woningen compleet overhoop. Alsof er een orkaan door de woning was gegaan. Dan kom je als bewoner thuis en dan schrik je je toch de rambam. Waarom?’

Mathieu en Chris staren voor zich uit, het is natuurlijk ook al weer bijna twee jaar geleden.
Na een tijdje ongemakkelijk staren zeggen ze eensgezind: ‘Wee nie. Gewoon…’
De vraag blijkt te ingewikkeld.
Rechters: ‘Kom op nou, we kunnen er hier toch rustig over praten? We vreten jullie niet op.’
De inbrekers moeten een beetje lachen.
Gekke rechters.

De goederen die ze buit maakten werden verkocht in Groningen.
Op een adresje bij een vrouw.
En bij de winkel in de binnenstad.
Een van de rechters kent die winkel wel, want hij noemt de naam.
De zaak was ten tijde van de rechtszaak ook gewoon geopend.

Chris had, nadat hij was aangehouden, zestien dagen vastgezeten.
Daarna mocht hij – in afwachting van de strafzaak – naar huis.
Mathieu mocht na dertien dagen het huis van bewaring verlaten.
Nu gaat het goed met ze.
Mathieu was toen hij werd aangehouden nog maar net vrij van een straf van veertien maanden cel.
Ditmaal heeft hij zijn leventje beter opgepakt.
Hij heeft werk en vier maanden geleden is zijn dochtertje geboren.
Hij woont bij zijn ouders.
De relatie is uit.

Ook met Chris gaat het goed, zegt hij.
Hij heeft nu twee kinderen, van wie  er eentje zeker van hem is.
Het andere kind ziet hij niet meer en met de moeder heeft hij geen contact.
Waarom niet?
Chris denkt na en zegt dan: ‘De moeder is een beetje een… hoer.’
De reclassering merkt nog op dat er met Chris geen afspraken zijn te maken.

De rechters: ‘Mooi. U heeft werk. En we lezen dat u veel spijt heeft van wat u heeft gedaan. Dat is goed. Maar wat heeft u ondertussen ondernomen richting de slachtoffers? Bent aan het sparen om hen schadeloos te stellen?’
Mathieu en Chris kijken nu alsof hen is gevraagd in een paar woorden de snaartheorie uit te leggen.
Nee, ze hadden nog niets ondernomen.
Rechters: ‘Je kunt wel zeggen dat je spijt hebt, maar als daar geen gedrag bij zit, komt het nogal goedkoop over.’

De slachtoffers krijgen alle gelegenheid hun zegje te doen en de vorderingen die ze hebben ingediend toe te lichten.
De sieraden van 25.000 euro bleken niet goed verzekerd.
Er rest nog een schadepost van 20.000 euro.
Het gedupeerde echtpaar claimt dat bedrag.
Probleem: ze hebben geen bonnetjes.
Sommige sieraden waren erfstukken of geschenken van oma aan de kinderen.
Tja, zegt de officier van justitie, de vordering is daarmee onvoldoende onderbouwd.
‘Ik kan gaan tot 313 euro voor de ring, voor het overige moet de vordering worden afgewezen.’

Ook een tweede slachtoffer blijkt geen administratie te hebben aangelegd van het goed dat uit zijn woning is gestolen.
Een mevrouw van Slachtofferhulp voert als verzachtende omstandigheid aan dat ‘meneer niet kan lezen en ook niet kan schrijven. Dus…’

De officier van justitie vraagt aan de twee verdachten wat ze ervan zouden vinden als ze terug moeten naar de gevangenis. Mathieu en Chris hebben daar wel een antwoord op: dat zouden ze niet zo leuk vinden.
De officier van justitie zegt nogmaals ‘tja’ en kwalificeert de inbraken als zeer ernstig, memoreert aan de enorme puinzooi die is aangericht, zegt dat de inbraken goed waren voorbereid en dat de buit fors mag heten.
Zegt: ‘En daar horen gevangenisstraffen bij.’
Om vervolgens tegen beide mannen een werkstraf van 200 uur te eisen.
De motivatie is dat Mathieu en Chris hun leven nu goed op rails hebben staan.
Terug naar de gevangenis zou dat leven opnieuw kunnen doen ontsporen.

Buiten het gerechtsgebouw zie ik dat de twee verdachten uitgelaten en vrolijk in hun auto’s stappen, een van hen in een glimmende BMW zonder dak (cabrio).
De rechtbankverslaggever hoopt dan dat dit de slachtoffers even ontgaat .

Rob Zijlstra

UPDATE – 7 oktober 2013 – uitspraken
Mathieu en Chris zijn conform de eis veroordeeld. De rechtbank vindt in beginsel een gevangenisstraf van aanzienlijker duur passend. Maar met het Openbaar Ministerie is de rechtbank van mening dat het opsluiten van de twee dieven een averechts effect zal hebben. Een werkstraf is daarom een passende reactie staat in het vonnis. Er is naast de werkstraf wel een forse voorwaardelijke straf opgelegd: er hangt hen 300 dagen celstraf boven het hoofd in het geval ze binnen de proeftijd opnieuw de fout ingaan.

de rechtbank heeft het vonnis  (nog) niet gepubliceerd

 openbaar ministerie: nijpend probleem

Schaamteloos

tweets.jpgG

Er bestaan kleine linke rechters en grote rechtse rechters, waarmee ik wil aangeven dat rechters er zijn in soorten en maten.
Rechters vormen een even geplaagde – ze hebben het zo druk – als bijzondere beroepsgroep.
Ze moeten levenslang op hun woorden passen, maar wat ze hardop uitspreken, telt.

Deze week twitterde ik de wereld in dat een rechter tegen verdachten zei dat hij niet op zijn achterhoofd is gevallen.
Hij verzocht de verdachten hem daarom niet al te veel onzin te vertellen.
Even later zei die rechter tegen diezelfde verdachten: ‘Wat u tegen mij zegt, gaat het ene oor in en het andere weer uit.’
Ook dat ging richting sociale media.

Beide tweets leidden tot een klein debatje.
Mag een rechter die onpartijdig is zoiets wel hardop zeggen?
Of moet hij voor zoiets standrechtelijk worden gewraakt?
De twee advocaten in de betreffende strafzaak, ze heten zeg maar Bram, zeiden niets.

Het was een ruige strafzaak.
De twee verdachten heten Popov (37) en Edvard (27), geboren in Joegoslavië.
Ze wonen met hun gezinnen niet echt ergens, maar verblijven hier en dan weer daar in België.
Popov en Edvard zitten sinds 13 december in de gevangenis, in Leeuwarden, in Hoogeveen.
Ze kijken boos naar de rechter die recent nog verkondigde op een publiek debat dat hij weliswaar in een ivoren toren werkt, maar daar niet woont.

Popov en Edvard worden verdacht van woninginbraken.
Uit een woning aan de Acacialaan in Groningen zouden ze een televisie en sieraden hebben gestolen.
Diezelfde avond sloegen ze toe, zegt de officier van justitie, aan de Ceresakker in Bedum, bij twee buren.
Daar werden vier dvd’s gejat, waaronder Hell Freezes Over van de eeuwige Eagles. Edvard zou in september ook hebben ingebroken aan de Julianalaan in Veendam waar een brief uit een geldkistje werd gestolen.

Ze ontkennen.
Ze waren er wel bij geweest, maar ook niet.
Dat wil zeggen dat ze wel bij de woningen waren geweest waar was ingebroken.
Maar dat ze niet wisten waarom ze daar waren en dat ze ook niet binnen waren geweest, in de zin van binnen als inbreker omdat ze buiten op de uitkijk stonden…
O ja, ze waren ook door de politie in de verhoorkamers onder druk gezet.
Edvard voegt er nog aan toe dat hij vader is van drie kinderen.
Dan ben je, vindt hij, sowieso onschuldig.

De rechter: ‘Jongens, ik ben toch niet op mijn achterhoofd gevallen. Vertel mij nou geen onzin, geen klets.’

Na de inbraak in Groningen kreeg de politie een tip dat er drie (of vier) verdachte mannen met een televisie in een groene Opel Vectra stapten en toen weg waren gereden.
De politie kwam, zag, gaf een stopteken dat werd genegeerd en zette de achtervolging in.
Het ging gevaarlijk hard.
Met hoge snelheden vluchtten de verdachten tegen de richting in door de binnenstad met koopavond, over de Grote Markt waar mensen opzij moesten springen, richting de Verlengde Lodewijkstraat waar de Opel-auto uiteindelijk crasht tegen een lantaarnpaal. De verdachten renden weg, maar werden met getrokken wapens (van de politie) toch gepakt.
Op straat slingerden de sieraden in het rond, in de auto lag de uit de woning gestolen televisie.
De verdachten gaven valse namen op.

Rechter: ‘Waarom ging u er in de auto vandoor?’
Popov: ‘Weet niet,’
Rechter: ‘Kom nou.’
Popov: ‘Ik heb niet gereden, ik zat op de achterbank.’
Rechter: ‘Wat deed u in die auto?’
Popov: ‘We waren elkaar in Veendam tegengekomen en wilden naar een meisje in Groningen dat voor geld werkt. Daar wilden we wat drinken en schaamteloze dingen doen.’

Bij de inbraak in de woning in Veendam was op een dekbed een bloedspoor aangetroffen.
In de Nederlandse databank werd geen match gevonden, maar wel in die van Frankrijk.
Cour d’ Appel de Lyon meldde desgevraagd dat het door Groningen opgestuurde dna-spoor 00353787000 matchte met een man die Edvard heet.
Hij zegt: ‘Kan niet.’
Rechter: ‘De kans dat het dna-spoor niet van u is, is kleiner dan één op één miljard.’
Edvard: ‘Niet mogelijk.’
Rechter, beetje cynisch: ‘Er is sprake van een internationaal complot tegen u?’
Edvard kijkt minzaam.

De officier van justitie heeft geen twijfel.
De eis: drie maanden celstraf voor Popov wegens twee inbraken en vier maanden cel voor Edvard wegens drie inbraken.
De advocaten Bram vragen of het een onsje minder mag.
Die jongens zitten al sinds december vast en willen zo graag naar huis, naar hun kinderen waar dan ook.

De rechter denkt maar heel even na en zegt dat hij direct uitspraak zal doen. Politierechters doen dat.
De politierechter: ‘Het is mij volstrekt helder. U ging er op bespottelijke wijze vandoor, mensen moesten springen voor hun leven, u komt met valse namen en met kletsverhalen. Die verhalen gaan bij mij het ene oor in en het andere weer uit.’

Popov en Edvard kijken nu zo mogelijk bozer dan boos.

De politierechter: ‘Weet u wat, u krijgt geen lagere straffen zoals uw advocaten bepleiten. U krijgt ook geen drie en vier maanden zoals de officier dat wil. U krijgt hogere straffen. U komt speciaal naar Nederland, naar Groningen, naar Bedum om hier in te breken. Dan verdien je meer straf dan gebruikelijk.’

Popov krijgt geen drie maar zes maanden, Edvard geen vier, maar acht.
De politierechter: ‘En dan komen jullie er nog goed mee weg ook.’
Luidruchtig protest.
De politierechter, vrij vertaald: ‘Wegwezen.’

Rob Zijlstra

.

Inbrekers

De kans dat ik dit verhaal heb geschreven is vrij groot.

Ik schrijf altijd op deze plek.
En het is mijn werk.
Bovendien staat mijn naam er bij.
U mag aannemen dat dit allemaal ook zo is.

In de rechtszaal zou ik geen schijn van kans maken.
In de rechtszaal draait het om bewijzen die niet alleen wettig moeten zijn vergaard, maar ook moeten overtuigen.

Ramon (31) en René (38) zijn inbreker van beroep.
Al jaren.
Beide hebben in de loop der jaren een indrukwekkende staat van dienst opgebouwd, hetgeen zich uit in de omvang van hun strafblad.
Voor beide geldt dat het strafblad meer dan twintig pagina’s beslaat en dat is veel.

Ramon en René – ze zijn neven van elkaar – mogen zich ook al jaren veelpleger noemen. Ze behoren tot de top.
René werd al eens veroordeeld tot de twee jaar durende veelplegersmaatregel isd. Ramon zelfs twee keer, wat nogal een prestatie is.

Op 23 september vorig jaar reden ze ’s avonds met z’n tweetjes op één snorfiets door de stad.

Nu zegt dat natuurlijk nog niks, maar voor twee politieagenten die het tweetal voorbij zag snorren, was het een verdachte situatie.
Politieagenten kennen hun veelplegers.
Het viel hen op dat Ramon, die achterop zat, een jas droeg waarbij het net leek alsof er iets onder het kledingstuk zat verstopt.
De jas bolde een beetje.

De agenten besluiten Ramon en René ter controle staande te houden.
Terwijl ze daar mee bezig zijn, menen de agenten te zien dat Ramon dingen weggooit.
De jas bolt even later ook niet meer.

Elders bij de politie komen drie verschillende meldingen binnen van woninginbraak. Daarbij zijn laptops met opladers gestolen, een portemonnee met daarin een biljet van vijftig euro en mobiele telefoons.
De politie denkt genoeg te weten.
Want als er ergens word ingebroken en Ramon en René zijn met z’n tweetjes in de buurt, dan kan worden aangenomen dat er een kans bestaat dat de twee neven aan het werk zijn geweest.

In de buurt waar Ramon en René werden gecontroleerd, vinden andere agenten twee tassen met daarin de gestolen laptops.
Iets verderop, op een geparkeerde auto, liggen de twee adapters.
Het lijkt alsof die zware dingen zijn weggesmeten, want de voorruit van de auto is stuk.

De rechters vragen: ‘En?’
René: ‘Ik ben onschuldig.’
Ramon: ‘Ik ben vreselijk genaaid door de politie. Ik heb er niets mee te maken en verder zeg ik niks.’
Beide kijken boos en af en toe even kort naar elkaar.

De agenten vinden nog meer.
Ze vinden een flipper.
Dat is een stukje plastic waarmee hartstikke gemakkelijk deuren die op slot zijn, kunnen worden geopend zonder braakschade.
Bij de woningen waar is ingebroken, zijn geen sporen van braak aangetroffen.
Daar is dus geflipperd.

Bij de controle blijkt dat Ramon in het bezit is van 75 euro, inclusief een biljet van vijftig euro.
En René heeft drie mobiele telefoons in de binnenzak.
Telefoons van het type die zijn verdwenen uit de drie woningen.

Kortom, het lijkt meer dan aannemelijk dat de twee Groninger topinbrekers weer hebben toegeslagen.

Kan best zo lijken, zegt René, maar toch is het niet zo.
Ramon zwijgt.

Rene zegt: ‘Ik was op weg naar huis. Onderweg kwam ik Martin tegen. Ik kreeg nog geld van hem. Hij had geen geld. Toen heeft hij mij die telefoons gegeven. Als onderpand.’

Ramon verbreekt even zijn zwijgen en zegt: ‘En daar was ik dus niet bij. Ik kwam René later tegen en toen heeft hij mij een lift gegeven. Ik ben dus genaaid.’

De politie deed navraag.
Martin ontkende stellig.
Hij zei dat hij er niks mee te maken had.
René: ‘Ja, nogal logisch, dat zou ik ook zeggen als ik hem was.’

Beide vertellen dat ze juist zo goed bezig waren.

Ramon had net 19 maanden lang in de behandeling gezeten en had 19 maanden lang zijn stinkende best gedaan.
Zegt: ‘Ik heb een nu een jobcoach en al drie sollicitatiegesprekken gehad.’

René zegt dat hij al twee jaar van de drugs af is en dat hij zijn leven bijna weer op de rails had. Zelf geregeld. Woning, bankrekening, alles.
Zegt: ‘Met die therapeutische gesprekken schiet ik niks op. Ik moet aan ’t werk. Ik kan lassen, schilderen, ik ben hartstikke handig. In de gevangenis volg ik een leefstijltraining, voor een stukje gedragsverandering.’

De advocaten zeggen dat het niet rechtmatig is als agenten twee beroepsinbrekers op een snorfiets staande houden enkel en alleen omdat de jas een beetje bolt.
En dat twee ervaren inbrekers toch niet anderhalf uur met de buit rondrijden in de buurt waar ze zouden hebben ingebroken.
Dat een biljet van vijftig euro niks zegt.
Dat het logisch is dat Martin liegt.
En dat het zo raar is dat de politie geen nader sporenonderzoek heeft gedaan.

De officier van justitie vindt deze verdediging niet aannemelijk.
Ze eist een jaar gevangenisstraf tegen Ramon.
Rene hoort 14 maanden celstraf eisen met nog eens zes maanden erbij die hem boven het hoofd hingen als gevolg van een eerdere veroordeling.

De kans dat ik dit heb geschreven is vrij groot.
Toch kan niet met zekerheid worden uitgesloten dat iemand anders voor deze tekst verantwoordelijk is.

Niet aannemelijk, maar toch…

Rob Zijlstra

UPDATE – 18 januari 2010 – uitspraken
Maar toch dus. Rene is veroordeeld tot een fors lagere straf:  2 maanden cel.  Martin is vrijgesproken, omdat het aangeleverde bewijs onvoldoende is.