Het voorleesvonnis

FOTO: KEES VAN DE VEEN / dvhn

De rechtbank in Groningen deed dinsdag uitspraak in de strafzaak van Ergün S., de 34-jarige man uit Rotterdam die een jaar geleden het echtpaar Marinus en Gina Visser uit Slochteren vermoordde in bioscoop Pathé in Groningen.

Tijdens deze zaak moest ik af en toe denken aan een andere zaak, die van Sjef R. (journalisten noemen vreselijke gebeurtenissen nu eenmaal heel zakelijk zaken, maar dit terzijde).

Sjef R. bracht in maart 2013 het echtpaar Lammert en Marga Westra uit Aduard om het leven. Dat gebeurde – o toeval – in de omgeving waar Ergün S. een jaar geleden werd gearresteerd.  De moord (tweemaal doodslag) op het echtpaar Westra was ook al niet te bevatten.  Tegen Sjef R. werd 30 jaar celstraf geëist, hij kreeg er 25.

Ergün S. heeft geen straf gekregen. Hij werd ontslagen van alle rechtsvervolging en kreeg vervolgens de maatregel tbs met dwangverpleging opgelegd. Met de gedragsdeskundigen en met het Openbaar Ministerie is de rechtbank van oordeel dat Ergün S. volledig ontoerekeningsvatbaar is. Hij heeft het (tweemaal doodslag) wel gedaan, maar is geen strafbare dader. De man lijdt aan ernstige psychische stoornissen en wel zo dat de wanen die door zijn hoofd spookten bepaalden wat hij deed.

En dat was niet goed.
Het was gruwelijk.

De uitkomst van het strafproces was niet heel verrassend.
Maar hoe leg je het uit?
Hoe leg je aan de samenleving uit dat een man die drugs gebruikte als een malle en tegelijkertijd weigerde zijn antipsychotische medicijnen te slikken, de man die  willekeurig twee mensen op gruwelijke wijze om het leven heeft gebracht , geen straf krijgt?

Rechters spreken via hun vonnis. Daarin staat hun oordeel, staan de overwegingen om tot dat oordeel te komen. Geen discussie is meer mogelijk. Het vonnis is openbaar, waarmee iedereen kennis kan nemen van die overwegingen. Dat dan nog wel.

We hoeven het er niet mee eens te zijn, schreef ik.
Als we het maar begrijpen.

De rechters in Groningen deden dinsdagmiddag bij de uitspraak nog iets anders, iets dat niet gebruikelijk is. Maar wel heel goed. De rechter die het vonnis uitsprak, de voorzitter van de strafkamer die de zaak behandelde, had  – wat hij noemde – een voorleesvonnis gemaakt. Een heldere samenvatting in klare taal. Dat droeg hij in de rechtszaal, waar ook de nabestaanden zaten, voor.

Nadat hij Ergün S. had ontslagen van alle rechtsvervolging en hem veroordeelde tot de maatregel tbs met dwangverpleging en had gezegd dat de verdachte twee weken de tijd heeft om in hoger beroep te komen, richtte hij zich specifiek tot de nabestaanden. Zoiets had ik nog niet eerder gezien.

De rechtbankvoorzitter – Jeroen van Bruggen – zei het begrijpelijk te vinden dat de nabestaanden naast hun verdriet ook woede en boosheid koesteren jegens de verdachte. En  dat de rechters zich goed realiseren dat de nabestaanden de uitspraak als onrechtvaardig ervaren omdat er geen sprake is van vergelding (want geen straf).

De rechter: ,,Maar in een zaak als deze waar het intense leed van nabestaanden botst met de ontoerekeningsvatbaarheid van een ernstig zieke psychiatrische patiënt is een rechtvaardig gevoelde uitkomst onmogelijk. De rechtbank is echter van oordeel dat een juiste toepassing van de wet niet tot een andere uitkomst kan leiden dan deze: geen straf, wel tbs.’’

Lekker plat: gekken horen in het gekkenhuis, slechteriken in de gevangenis.

Dat rechters in hun vonnissen de wet juist toepassen, is niets voor de loftrompet.
Het is hen potverdorie geraden. Dat rechters  de moeite nemen hun vonnissen in klare taal te schrijven opdat ook wij het waarom begrijpen, is (nog altijd) niet vanzelfsprekend, maar wel zeer toe te juichen.
Eigenlijk is ook dit hen geraden.

Maar dat rechters daarnaast ook nog eens uitspreken dat ze wel snappen dat direct betrokkenen hun wijsheid als onrechtvaardigheid beschouwen en tegelijkertijd staan voor wat ze vinden, dan pas heb je een uitspraak van jewelste.

Meer rechters zouden  moeten doen wat de rechters dinsdagmiddag in zittingszaal 14 van de rechtbank in Groningen deden.

Rob Zijlstra

 

klik op afbeelding om het vonnis te lezen

 

→ lees ook het  liveblog van de zitting

→ of lees, ook goed:  We hoeven het er niet mee eens te zijn…

Staat van normaalheid

De 47-jarige Freddie is omvergeworpen. Roerloos ligt hij op de grond, met de snufferd tegen het linoleum gedrukt. Op zijn blote benen zit zowel links als rechts een vrouw, aan beide zijden twee potige mannen. Freddie maakt zo geen schijn van kans, dat is duidelijk. Zijn rotleven bestaat sowieso uit hard vallen en krabbelend opstaan. Wanneer hij ditmaal weer overeind zal komen is een vraag, want de officier van justitie heeft tbs met dwangverpleging geëist.

Tbs met dwang is het laatste dat hij wiI. Hij zegt dat hij heus nog wel in de samenleving valt te handhaven. ,,Ik vind dat ik voor een tbs nog niet gek genoeg ben.’’ De officier van justitie: ,,Maar wel heel gevaarlijk.’’

In de rechtszaal worden ze met regelmaat uitgesproken, woorden die daarbuiten, in de verharde samenleving, inmiddels de status van taboe hebben bereikt: de slechte jeugd.

Maar helaas. De slechte jeugd bestaat (nog steeds) en niet zo’n beetje ook.

Freddie heeft zich door zo’n slechte jeugd heen moeten worstelen en hij is er beroerd uitgekomen. Hoe ellendig het is geweest en waarom blijft in de rechtszaal onbenoemd. Maar de rechter heeft erover gelezen en spreekt van schrijnende omstandigheden. Dat zegt genoeg.

In de rapporten staat dat er sprake is van ‘negatieve opvoedinsgservaringen’.

Een paar dagen geleden is Freddie 47 jaar geworden. Dertig jaar terug belandde hij als cliënt in de psychiatrie en later als dakloze op straat. Leven werd overleven, niet alleen in de krochten van de stad, maar ook in de opvang, in klinieken, in separeercellen, in gevangenissen.

Soms kruipen er mensen in zijn hoofd. Hij kan dan hun stemmen horen. Soms schreeuwen ze het uit. 

Rechter: ,,Hoort u nu ook stemmen?’’
Freddie: ,,Ja, maar nu zijn het meestal liedjes die ik hoor.’’

Hij wordt verdacht van negen strafbare feiten, de meeste gepleegd in maart, april en mei van dit jaar. Het zijn de misdrijven die horen bij iemand die moet zien te overleven op straat.

Bij de Jumbo in de Oosterstraat in Groningen had hij een blikje bier gestolen, elders beledigde hij twee bijzondere opsporingsambtenaren (boa’s). Toen zij hem aanspraken omdat hij aan het bedelen was, had hij ‘kankersukkel’ geroepen en tegen die andere ‘trut’ gezegd.

Hij had zich bij de Jumbo aan het Linnaeusplein schuldig gemaakt aan lokaalvredebreuk. Freddie wist niet dat hij daar niet mocht komen – vanwege eerdere diefstallen – en had die ochtend zin in gratis koffie gehad. Bij de broodafdeling hadden ze hem, zegt hij ,,hardnekkig tegen de grond gewerkt’’.

In een cel van het cellencomplex van de politie aan de Hooghoudtstraat vernielde hij de celdeur: met een op de grond gevonden schroefje had hij de deur bekrast met de letters g i f. 

Hij had een opsporingsambtenaar geslagen toen die hem wakker maakte in een leegstaand pand. Hij had op straat iemand die hem passeerde een harde knal voor de kanis gegeven. Het bleek geen willekeurige klap. Het slachtoffer was de nachtportier van de opvang. De man die hem al tweemaal buiten de deur had gezet. Freddie: ,,Dan mag ik hem toch wel een duwtje geven?’’

De officier van justitie: ,,Nee, mag niet.’’

De officier van justitie ziet een patroon. Waren het eerst vooral diefstallen uit winkels, steeds vaker is er sprake van agressie en geweld. Ze stelt vast: Freddie is aan het afglijden.

Het ergste moet nog komen. In april verblijft Freddie bij Lentis aan de Hereweg in Groningen. Het is crisis, Freddie zit in de separeercel, gehuld in een blauw gewaad, een soort jurk. Als hij moet plassen mag hij zonder begeleiding even naar het toilet. 

Halverwege ziet hij in een kantoortje de psychiatrisch verpleegkundige René. De man zit met de rug naar de geopende deur. Iemand roept nog ‘niet doen’, maar Freddie luistert niet: hij springt boven op de verpleegkundige en legt hem – onverhoeds – in een stevige nekklem. Een collega van René springt op zijn beurt op Freddie, er wordt alarm geslagen, meerdere hulpverleners spoeden zich het kantoortje in en weten eerst René te ontzetten en vervolgens Freddie uit te schakelen. Zo ontstaat de situatie zoals beschreven aan het begin van dit verhaal. 

We zijn rond.

Rest de vraag: wat te doen met Freddie? Het antwoord van het Openbaar Ministerie was er al: tbs met dwangverpleging. En dat Freddie dat niet ziet zitten, had ik ook al opgeschreven. Tegen de rechters zegt hij: ,,Ik ben nog in staat van normaalheid. Ik kan mij gedragen bij mensen die zogezegd zorg verlenen. Alleen moeten ze niet gaan kutten want dan word ik boos. Dat wilde ik even gezegd hebben.’’ 

De officier van justitie merkt op dat alle mogelijke behandelingen die ooit in de psychiatrie zijn bedacht op Freddie zijn uitgeprobeerd en dat niets heeft geholpen. Want nog altijd zijn er waanbeelden, is sprake van een gestoord waarnemingsvermogen en dreigt het gevaar van zeer ernstig geweld. Intensieve zorg en beveiliging – de combinatie heet tbs – zijn noodzakelijk. 

Freddie merkt op dat hij de verpleegkundige anders dan wat de officier van justitie beweert, helemaal niet wilde doden of pijn wilde doen. ‘’Ik wilde hem alleen een lesje leren, ik wilde hem van die stoel trekken. Ik wilde hem omverwerpen.’’

Nu is hij zelf omvergeworpen.

Ik kijk naar Freddie in de verdachtenbank. De mondkap half voor de kin. Mat. Het hoofd vooral gebogen. Ik vraag me af – stel de rechtbank legt de tbs-maatregel op – wat voor een man Freddie zal zijn als hij de kliniek weer mag verlaten. Dat zal misschien pas in 2030 zijn, want zo lang duurt gemiddeld een tbs-behandeling. Zal hij herboren zijn? Of ligt hij dan nog steeds met de snufferd op de grond?

Ik moest denken aan de verdachte (ook een poging tot doodslag) van eerder deze week, aan de man die Foxy wordt genoemd en die net als Freddie 47 jaar is. Foxy belandde dertig jaar geleden niet in de psychiatrie, maar in Nederland, als minderjarig asielzoeker uit Mogadishu, Somalië. Zijn jeugd zal daar ook weinig verheffend zijn geweest. 

Ook in zijn hoofd is het voortdurend een kabaal van jewelste waardoor de verstandelijke vermogens beperkt zijn gebleven tot die van een kind van 4 tot 7 jaar. Met dat vermogen struint Foxy al dertig jaar door de straten van de stad. Hij spreekt nog altijd geen woord Nederlands.

Een slechte jeugd, gevolgd door dertig jaar ellende met een weinig rooskleurige toekomst in het verschiet.

Prettige dag verder.

Rob Zijlstra

→ Er was nog iets aan de hand, iets wat tijdens de rechtszaak wel gebeurde, maar in het bovenstaande niet is beschreven. Wat dat was staat hieronder: 

Dikke duim

Stel je wilt iets crimineels uitvreten. Volgens mij maak je dan vooraf ten minste twee afwegingen. De eerste is dat je een inschatting maakt van de omvang van de buit. Je wilt er wel iets aan verdienen. Een tweede overweging is hoelang je denkt die buit te kunnen behouden. Dus hoe groot de kans is dat ze je pakken.

Toen Charlie besloot zijn misdaad te plegen moet hij hebben gedacht dat er wel wat te halen viel bij de coffeeshop waar hij zijn zinnen op had gezet. Charlie is met zijn 57 levensjaren een man die de weg in de wereld van de duisternis kent. 

Minder doordacht lijken de overwegingen van de 20-jarige Enzo te zijn geweest toen hij desgevraagd besloot mee te doen aan een inbraak in het hol van de leeuw: in een politiebureau.   

Eerst Charlie. Hoewel ervaren, krijgt zijn uitvoering een dikke onvoldoende. Met een doek voor zijn mond, een pet op het hoofd en een mes in de hand denderde hij tegen tien uur in de avond coffeeshop De Schavuit binnen en riep: ‘Dit is een overval’. 

De medewerker dacht van niet en ging hem te lijf met een stofzuigerslang. In de worsteling werd de medewerker gestoken in de arm. Charlie maakte 150 gram wiet (met een waarde van 1250 tot 1800 euro), nogal wat joints en 482 euro uit de geldlade buit. De medewerker signaleerde een opvallend glimmend gebit met twee flinke voortanden. Charlie werd niet lang na de overval in de omgeving aangehouden. Zonder buit.

Op een in de shop achtergebleven petje van de overvaller is DNA van Charlie aangetroffen. Toch ontkent hij. Hij sliep in een tent in het park omdat ze in de opvang waar hij was weggestuurd paracetamol hadden aangezien voor cocaïne en toen had iemand zijn tas met daarin ook zijn petje uit die tent gestolen waarvan hij ook aangifte had gedaan en toen… 

Rechter: ,,Dus u zegt dat diegene die uw tas heeft gestolen de overval heeft gepleegd.’’
Charlie, glinsterend goud, twee flinke voortanden: ,,Ja man.’’

Nog wat. Camera’s registreerden de overval met kraakheldere beelden. Door in te zoomen kon de politie zien dat de overvaller de schoenen droeg die Charlie aan had toen hij werd aangehouden. De veters waren op een bijzonder creatieve wijze gestrikt.

Tegen zoveel technisch opsporingsvernuft kan Charlie niet op. Het irriteert hem ook. In het Pieter Baan Centrum stelden wetenschappers vast dat Charlie een man is die snel boos wordt.

Rechter: ,,Klopt dat?’’
Charlie, geagiteerd: ,,Jaaaa, dat merk je toch?’’
De officier van justitie: vier jaar gevangenisstraf. 
Charlie, verongelijkt: ,,Wat? Ik ben al 30 jaar in Nederland, ik heb niemand vermoord en ik ben geen pedofiel.’’ 

Dat Charlie vaker is veroordeeld speelt een rol bij de hoogte van de strafeis. Het zint hem niks dat zijn verleden bij nieuwe strafbare feiten steeds weer wordt opgerakeld. Tegen de rechters: ,,We moeten kunnen vergeten om vredig te kunnen samenleven.’’

De rechtbank: vier jaar.

Is er voor Charlie nauwelijks een weg terug? Voor Enzo? Hij  staat aan het begin van de weg naar nergens. Hij heeft zijn zus, moeder en oma meegenomen naar de rechtbank. Enzo is wat opstandig, de medewerker van de reclassering, wat gewend, weet waarom. Enzo is met zijn 20 jaar  eigenlijk te jong voor zijn leeftijd. De puber zit nog in hem. Spanningsboog kort, impulsiviteit hoog. Enzo heeft hulp nodig om op tijd zijn bed uit te komen. Reclassering: behoorlijk onvolwassen gedrag dus.

In de verdachtenbank is Enzo een eigenwijze neus. Uit zijn hoofd heeft hij geleerd: ,,Ik ben niet verplicht tot antwoorden.’’ Dat zinnetje herhaalt hij na vrijwel iedere vraag van de rechters. Hij vindt dat als de politie zegt dat hij iets heeft gedaan, dat die gasten dan ook maar met bewijzen moeten komen.

De inbraak in het politiebureau in Haren, in mei 2018, geeft hij toe. Hij had in de bosjes naast het bureau op de uitkijk gestaan. Bij onraad zou hij fluiten, maar nodig was dat niet geweest. Het alarm van het bureau bleek uitgeschakeld. De daders jatten politieuniformen, kogelwerende vesten, patroonhouders en handboeien. Easy klusje.

Wat er met de uniformen en toebehoren is gebeurd zegt Enzo niet te weten. Wel weet hij dat zo’n buit in het criminele milieu flink wat geld oplevert. Je kunt er leuke grappen mee uithalen. Of er als neppolitie echte overvallen mee plegen.

Dat hij een paar keer benzine tankte zonder te betalen, klopt ook. Het staat op camera, dus hoe dan ontkennen? Wat hem vet irriteert is dat de politie niet met bewijzen komt voor de beschuldiging dat hij drie mensen heeft besodemieterd. 

Een vrouw had op Marktplaats kinderlaarsjes te koop aangeboden. Ene Simone reageerde en vroeg ter controle of de verkoper 5 cent wilde overboeken via een tikkie. De verkoper deed dat om niet lang daarna vast te stellen dat er 1.429 euro van haar rekening was afgeschreven: bestellingen bij bol. com. 

De politie, zegt de rechter, stelde geen diepgaand onderzoek in. Pas toen het slachtoffer zich later weer meldde met een track- en tracecode die ze had ontvangen, gingen agenten maar eens kijken op het aangegeven adres. De moeder en de zus van Enzo waren stomverbaasd geweest dat er allemaal pakketjes (telefoon, oortjes, parfum) waren bezorgd. Nee, ze wisten van niets. Twee andere slachtoffers gingen het schip in voor 1492 en 1700 euro.

Rechters: ,,Enzo?’’
,,Ik ben niet tot antwoorden verplicht.’’
Rechters: ,,Maar dit vraagt wel om een verklaring.’’
,,Ik wil er niets over zeggen.’’

Aan het einde van de zitting lijkt Enzo’s weerstand gebroken. Eigenlijk schaamt hij zich best wel. En eigenlijk wil hij best wel wat van zijn leven gaan maken. En naar school of zo. 

Over de strafeis voor Charlie was niet lang nagedacht. Dat moest vier jaar zijn. Bij Enzo ligt het anders. Want hoewel hij volwassen is, is een volwassen gevangenisstraf niet het meest briljante idee om te voorkomen dat hij Charlie achterna gaat. De reclassering ziet nog mogelijkheden voor reset.

Het wordt uiteindelijk – volgens het jeugdstrafrecht – een taakstraf van 100 uur en zes maanden voorwaardelijke jeugddetentie. Dat is de eis en Enzo lijkt niet ontevreden. 

Bij het verlaten van de rechtszaal kijkt hij triomfantelijk naar zus, moeder en oma. Als hij langs de perstafel loopt, vraagt hij met een brede glimlach: ,,Kom ik nou ook in zittingszaal 14,  in de krant?’’ 

Ik: ,,Alleen als je het nooit weer doet.’’

Een dikke duim is mijn deel.

rob zijlstra

Het steentje

Niet zolang nadat ik als rechtbankverslaggever begon heb ik ergens in het rechtbankgebouw in Groningen een klein steentje uit een plantenbak gepakt en op een richeltje gelegd. Gewoon zomaar, zonder bedoelingen. Jarenlang lag het steentje er te liggen. Zo nu en dan, als niemand het zag, keek ik even. Op een dag was het steentje verdwenen, dat was kort voor de zomer die nu net is afgelopen.

Het steentje heeft er 14 jaar gelegen. Nu het weg is, wil ik niet beweren dat er veel is veranderd in het rechtbankgebouw. Maar hoe onbeduidend ook, het is wel een van de weinige veranderingen. Het gebouw volgt zijn hoofdbewoner: binnen de rechtspraak verandert er weinig.

Buiten het gebouw, waar de samenleving is, gaan de veranderingen als een malle. Het rechtsbedrijf blijft een eigenwijs traag vehikel en dat heeft invloed op de rechtsgang. Ik heb een lijst met strafzaken die ooit in zittingszaal 14 zijn uitgeroepen. Met zaken die dus onder de rechter zijn, maar waar nooit meer iets van is vernomen. De verdachten zitten met schorsingen van de hechtenis thuis; zij mogen het proces in vrijheid en onzekerheid afwachten.

Kennelijk ook tot ze een ons wegen.

Ik informeer weleens bij advocaten van hoe het ermee staat, hoe bijvoorbeeld met de ondernemer die met valse paspoorten via het darkweb vanuit Amerika semtex aan de Korreweg in Groningen liet bezorgen. Advocaten smeken dan om geen aandacht aan ogenschijnlijk vergeten strafzaken te besteden. Maak geen slapende honden wakker, Zijlstra. Hoe langer een zaak sukkelt en de verdachte wacht, hoe groter de kans op een milde straf of geen straf. 

Ik schrijf er toch over.

Met regelmaat komt zo’n oude zaak wel voor de rechter en dan zie je onmiddellijk de lelijke gevolgen van traag recht. Voorbeeld. Deze week stond een 71-jarige man wanhopig terecht wegens aanranding van de eerbaarheid. Hij zou de borst van zijn studerend nichtje dat bij hem inwoonde hebben aangeraakt en haar in de badkamer die ze deelden een seksueel getinte tik op de bil hebben gegeven. 

Het had niet mogen gebeuren, zei de man berouwvol. ,,Maar ik had er geen verkeerde intenties mee.’’ Hij was gek met zijn nicht.

Het was drie jaar geleden gebeurd en nu pas was er de rechtszaak. Drie jaar lang stond zijn leven dat altijd uit hard werken had bestaan stil. Drie jaar lang vreesde hij de gevangenis. Zijn omgeving, de familie, weet nergens van. Afgelopen donderdag kwam het einde van de kwelling in zicht: het Openbaar Ministerie eiste een taakstraf van 60 uur.

Misschien dat de rechtbank over twee weken de helft oplegt, misschien ook geheel voorwaardelijk vanwege het onbehoorlijke tijdverloop.

Het is niet zo dat het tergend trage rechtsbedrijf alleen het strafrecht betreft. Andere rechtsgebieden doen er niet voor onder. Ik zat in zittingszaal 12 waar de bestuursrechter een geschil moest beslechten tussen vogels en vliegtuigen. 

Op en rond Groningen Airport Eelde vliegen vogels en vliegmachines en die combinatie is bloedlink. Bij een birdhit – zo noemen ze dat in vliegkringen – kan niet alleen de vogel, maar ook het vliegtuig het loodje leggen. Dan donderen ze naar benee. Als het de vogel betreft heet het een fauna-incident, is het het vliegtuig dan is het een ramp.

In de rechtszaal heet het geschil een botsing van belangen, van veiligheid aan de ene, de natuurbescherming aan de andere kant. 

Beide belangen hebben advocaten in stelling gebracht. Zij bestoken de bestuursrechter met argumenten, verbaal en  met uitvoerige epistels op papier. Nu denk en hoop je dat een wijze rechter met zo een kwestie raad weet. Dat is niet zo. Na lang denken besloot de rechter dat de toestand aan drie rechters moet worden voorgelegd, vanwege zo ingewikkeld.

Dit was op 3 september. Pas op 13 december kan de zaak worden voortgezet. De juridische oplossing zal ergens in 2021 het licht zien, het vliegveld in Eelde is ondertussen gewoon open, fauna-incidenten en rampen voor lief nemend.

De rechtspraak in Nederland produceert veel vonnissen, maar weinig oplossingen. Aan de borreltafel met een goed glas erbij kun je beweren dat de rechtspraak een vorm van vrede stichten is. Zo staat het ook in mooie boeken over het recht.

Eens per jaar staat in de krant dat het Nederlandse rechtsbedrijf in de top 5 van de heel de wereld staat als het om goede rechtspraak gaat. Alleen Scandinaviërs doen het altijd beter, maar daar valt mee te leven.

In het pas verschenen boek Het Papieren Paleis (‘een hartstochtelijk pleidooi voor de broodnodige vernieuwing van onze rechtstaat’) lees ik dat die ranking riekt. En wel  naar volksverlakkerij. Nederland staat, als je beter kijkt dan wat je ziet, in heel de wereld op plaats 40. Dat is middenmoot: we lossen via de rechtspraak maar weinig conflicten op. Nederlandse rechtspraak is zo inefficiënt als de pest. Niks vrede.

Het Papieren Paleis schetst een onthutsend beeld. Niet dat rechters hier aan de lopende band onschuldigen laten opsluiten, maar wel dat het rechtsbedrijf hopeloos is vastgelopen. En nog erger: het bedrijf is niet in staat, niet bij machte, ten goede te  veranderen. Het systeem wordt, schrijft het boek, geregeerd door een tevreden kaste van juristen.

Ook advocaten van vogels en vliegtuigen hebben geen belang bij een oplossing. Zij zijn toernooivechters in een strijdmodel, zij hebben belang bij voortdurende strijd, bij procederen, bij weer een nieuwe rechtszaak over nog een keer hetzelfde. 

Innovatie is het rechtsbedrijf vreemd.

Als beroepstoeschouwer – wat een rechtbankverslaggever is – herken ik veel van wat wordt beweerd. Onlangs hebben rechtbankverslaggevers uit heel het land een verbond gesloten. Uit naam van dat verbond heb ik met collega-verslaggevers Saskia Belleman (De Telegraaf) en Paul Vugts (Het Parool) en namens 35 rechtbankjournalisten het woord gevoerd over onze grieven in en rond de rechtszalen met de eindbazen van de Raad voor de Rechtspraak.

Wij spraken niet over het slome recht. Wij bespraken praktische zaken. Over de toegang tot de perstafels in rechtszalen in tijden van corona, dus dat we er ook aan kunnen zitten, over onze wens dat er geluid is als wij voor de verslaglegging zijn aangewezen op beeldverbindingen. Over onze veiligheid bij risicozaken. En dat we – als het effe kan – graag de beschikking willen hebben over stopcontacten voor onze apparatuur. 

Stroom is in de samenleving al behoorlijk ingeburgerd, maar binnen de rechtspraak is het nog niet overal vanzelfsprekend.

Rob Zijlstra

Het Papieren Paleis  (de noodzaak tot menselijker recht) is geschreven door Maurits Barendrecht  (hoogleraar innovatie rechtssystemen) en Maurits Chabot (historicus, journalist) en is verschenen bij Uitgeverij Balans.  

 

 

Verwondering

blogwebbel

 

 

Mijn column in de krant

Wekelijks schrijf ik een rechtbankcolumn – een rechtbankverhaal – in de zaterdagbijlage van Dagblad van het Noorden. Dat is de krant waarvoor ik werk en ook de krant die dat geschrijf mede mogelijk maakt. Het is de column die ook altijd op deze plek, op dit blog, staat.

Ik ben er in 2004 mee begonnen en het gaat maar door.

De verhalen, die altijd waar zijn, dienen zich soms aan als blokjes kaas, als plakjes worst op een plankje. Dan komt de verdachte de rechtszaal met het hoofd gebogen binnen en dan weet ik na één blik en zonder dat hij ook nog maar een woord heeft gesproken, hij is – schuldig of niet – het verhaal van deze week.

Ik zit ook wel met de handen in het haar als ik op donderdagmiddag nog door het gerechtsgebouw struin en de verdachten het hebben laten afweten, dat er geen geschikt onderwerp is. Dan is  er columnstress.

Dan gaat het wringen omdat mijn zelfgekozen deadline rond middernacht (do op vrij) ligt, de echte deadline – true crime – op vrijdagochtend vroeg.

Nooit lukte het niet.

Op deze site  staan nu meer dan 1200 verhalen uit de rechtbank, uit zittingszaal 14, een deel daarvan is ook terug te lezen in drie niet meer verkrijgbare boeken.

Soms gebeurt het dat ik halverwege de week, ook wel ’s nachts, een idee krijg en soms werk ik dat dan uit. Dan maak ik een schema vol associaties en kronkels. Op donderdagavond schrijfavond, probeer ik dan mijn verhaal te baseren op zo’n schema.

Het komt voor dat rond middernacht blijkt dat ik dan een heel ander verhaal heb geschreven. Maar ook wel eens niet. Vooralsnog wordt dit (zie schema) het verhaal voor zaterdag.

De titel komt nog, die moet nog invallen.

Rob Zijlstra

Zonder acteurs

In de rechtbank van Groningen was eens een officier van justitie actief – later werd hij burgemeester in Friesland – die na zijn lange uiteenzettingen over de feiten en de verzamelde bewijzen zich in de rechtszaal tot de verdachte richtte, de strafeis formuleerde en dan steevast vroeg: ,,U hoeft het er niet mee eens te zijn, maar heeft u mijn eis begrepen?’’

Als de verdachte dan ja zei of knikte, dan ging de officier tevreden zitten, soms met een ‘dat is mooi’ of een ‘dankjewel’.

Dat strafeisen worden begrepen is van groot belang. Begrip houdt het recht staande. Dat geldt natuurlijk ook voor het vonnis, de uitspraak van de rechter, maar dat volgt in dit verhaal pas over vier weken. 

Buitenstaanders als verslaggevers, krantenlezers, de mensen die door straten lopen of zij die thuis aan het koken zijn hebben als het om het recht gaat makkelijk praten. Zij zijn tevreden als zij weten dat het recht z’n beloop heeft gehad, dat rechters verdachten niet onheus hebben bejegend, dat het er een beetje eerlijk aan toe is gegaan, er geen onschuldigen zijn veroordeeld en, nog beter, dat de schuldigen hun verdiende loon hebben gekregen. 

Over het verdiende loon, dus de straf, tonen onderzoeken aan dat de meeste mensen zich kunnen vinden in de door rechters opgelegde straffen. Het begrip neemt toe naarmate er meer kennis is van een kwestie. Een éénkoloms krantenbericht kan nog leiden tot gemopper en gebrom, bij een halve pagina is er instemming.

Er zijn wel mensen die schreeuwen dat de straffen veel te laag zijn, maar deze mensen schreeuwen vaak dat zo luid dat ze de geluiden van de redelijkheid niet meer horen. En dat ook niet willen. Zij zijn niet met de meesten.

Dit is allemaal waar. 

Maar dan ineens word je slachtoffer, staat de politie voor de deur met slecht nieuws. Ineens is je zuster dood met wie je een paar dagen geleden nog dikke lol had, is het je broer die je over een week zou bezoeken. Ineens zijn je ouders dood. Op slag ben je nabestaande. 

Het recht gaat uit van redelijkheid, maar waar moet je die vandaan halen als je geen buitenstaander bent, maar een direct betrokkene bij een nauwelijks te bevatten misdrijf? Hier moest ik dinsdag steeds aan denken toen de rechtbank de Groninger bioscoopmoorden behandelde. 

Op zaterdag 26 oktober 2019 werden Gina en Marinus Visser in bioscoop Pathé bruut om het leven gebracht door een dwaas. Gina en Marinus Visser waren de vaste schoonmakers van de bioscoop en wilden die zaterdagochtend beginnen met hun werk dat ze al doen zolang de bioscoop er is. 

Urenlang moeten de nabestaanden luisteren naar de onnavolgbare woorden van de man die een verdachte moet heten, maar als dader in de verdachtenbank zit. Gina en Marinus werden door hem neergestoken, beveiligingscamera’s in het bioscoopcomplex legden de gruwelijkheden vast. Alles was te zien, het was een film zonder acteurs.  

De strafzaak draait dan ook niet om de vraag of Ergün S. (34) het wel of niet heeft gedaan, of hij schuldig is of niet. Hij heeft het gedaan, iets wat hij niet uitspreekt, maar het ook niet ontkent. Hij zegt: ,,Ik vind het lastig.’’

De grote vraag in zittingszaal 14 is hoe de geschokte samenleving met Ergün S. moet afrekenen? Met wat moet hij betalen? De nabestaanden vragen de rechtbank om de samenleving ‘maximaal’ tegen Ergün S. te beschermen, dat hij dus nooit meer vrijkomt. Dat de rekening levenslang moet zijn.

Hun bedroefde woorden maken indruk, het verhaal van de dochter van Gina en Marinus komt binnen en raakt. Maar dwars door het grote verdriet van de nabestaanden heen moet in de rechtszaal na de schuldvraag nog een tweede vraag worden beantwoord: is hij die het strafbare feit heeft gepleegd ook een strafbare dader?

Anders: kan wat de verdachte heeft gedaan aan hem worden toegerekend? Deze vraag wordt in elke strafzaak gesteld en meestal luidt het antwoord: ja, het kan. 

Maar in deze zaak moet het antwoord nee zijn, zegt de officier van justitie en ze vraagt de rechters om net als zij heeft gedaan het advies van het Pieter Baan Centrum te volgen. Ergün S. is schizofreen en niet zo’n beetje ook en daarmee is hij volledig ontoerekeningsvatbaar. Door een psychose was hij niet in staat zijn wil te bepalen. De wanen in zijn hoofd bepaalden wat hij deed.

De man is ziek. Hij heeft het strafbare feit gepleegd, maar is geen strafbare dader. En dat betekent dat geen straf kan worden opgelegd. Er is geen verdiende loon. Dit is de redelijkheid van het recht.

Ergün S., geboren en getogen in Rotterdam, kwam naar Groningen om dichter bij zijn dochtertje te zijn dat hij niet meer mocht zien. In Rotterdam rende hij soms met zwaaiende armen achter trams aan. Trams zag hij als vrienden, als strijders waarmee hij de armoede de wereld uit zou helpen. Daartoe sprak hij niet alleen met de president, maar ook met de wereldleiders.

Dat was niet ongevaarlijk, wat maakte dat hij een pak nodig had dat hem beschermde. Het pak moest er eentje zijn zoals Iron Man draagt, de superheld. Hij omwikkelde zich met folie, waar hij lachgaspatronen aan vastmaakte zodat hij zich razendsnel kon verplaatsen zodra dat moest.

Het gaat mis als de waan hem vertelt dat elitetroepen met wie hij eerder nog bevriend was, zijn dochtertje hebben ontvoerd en haar hebben meegenomen naar de Noordpool waar zij sterft in een vat met zoutzuur. Tegen de rechters: ,,Ik was ontroostbaar.’’

En in die gemoedstoestand sjouwt hij op zaterdagochtend 26 oktober 2019 als Iron Man door de vroege stad, ergens gaat een deur open, hij glipt naar binnen. In het ketelhuis vindt hij een plek om te rusten.

Gina Visser opent om 07.46 uur de deur van het ketelhuis en wordt vrijwel direct neergestoken. Marinus komt op het gegil af,  er is een korte worsteling waarin ook hij dodelijk wordt verwond. Camera’s registreren dat Ergün om 07.51 uur de bioscoop verlaat. De volgende dag wordt hij gesignaleerd en schiet de politie de man neer die zich heeft omwikkeld met zilverfolie.

Wie schuldig is, maar niet strafbaar, kan wel tbs met dwangverpleging krijgen. En dat is ook de eis die de officier van justitie aan de rechtbank voorstelt. Het is het meest maximale.

We hoeven het er niet mee eens te zijn. 
Als we het maar begrijpen.

 
rob zijlstra

 

Pathémoorden in Groningen

Ik deed vandaag vanuit zittingszaal 14 een liveblog, een intensieve, maar mooie manier om een rechtszaak te beschrijven en te volgen. In mijn beleving is het  leesbaarder dan een rechtbankverslag via Twitter.

Het liveblog van vandaag handelde over de moorden, op 26 oktober vorig jaar, in bioscoop Pathé aan het Gedempte Zuiderdiep in Groningen. In de vroege ochtend van die zaterdag werd het echtpaar Marinus en Gina Visser – zij werkten  als schoonmakers in de bioscoop – doodgestoken toen ze aan hun werk wilden beginnen.

Tijdens de rechtszaak ging het niet om de vraag of de verdachte de dader was. Het neersteken van Gina en Marinus, in een tijdsbestek van nog geen twee minuten, is vastgelegd door camera’s. De vraag waar het in de rechtszaal om draaide is of het dodelijke geweld aan de verdachte is toe te rekenen. Het Openbaar Ministerie vindt van niet en eiste ontslag van alles rechtsvervolging. Het leverde de officier van justitie een compliment van de advocaten van de verdachte op.

Voor wie 6 minuten tijd heeft is het liveblog terug te lezen: tbs met dwangverpleging geëist tegen Ergün S.

[r.z]

→ wie daarna nog een paar minuten tijd heeft: maandag maakte ik een liveblog – het kwam zo uit – over de zitting waarop de strafeisen bekend werden gemaakt tegen leiders van motorclub No Surrender, in het proces dat in maart 2018 begon: 12 jaar geeist tegen Henk Kuipers

Vier jaar

De twee woorden bonken door zittingszaal 14, ter afsluiting van het requisitoir van de officier van justitie. Vier jaar. Dat is de eis. De verdachte kijkt vragend naar links, naar opzij waar de tolk zit. Als zij ‘vier jaar’ heeft vertaald, krimpt het lichaam van Damir ineen.

Damir denkt nu niet: 4 jaar is 48 maanden, gedeeld door 3 is 16 en dat dan vermenigvuldigen met 2 is 32 maanden zitten waarvan hij er al 11 in voorarrest heeft volbracht waardoor er dus nog 21 maanden celstraf resteren. Nee. Damir denkt, terwijl hij nu radeloos naar rechts, naar zijn advocaat, kijkt: vier jaren in een gevangenis. Hoe gaat hij, hij die zijn kinderen mist, dat volhouden? Dat gaat hij nooit.

Na afloop van de zitting loop ik naar de officier van justitie. Bij sommige officieren kan dat gewoon.

Ik zeg: ,,Joh’’.
De officier van justitie: ,,Wat?’’
Ik: ,,Die eis.’’
De officier: Niet goed?’’
Ik: ,,Zo hoog, zo veel, zo hard.’’
De officier van justitie, op zijn beurt: ,,Joh.’’

Damir is volgens het Openbaar Ministerie een mensensmokkelaar. Bijna een jaar geleden werd hij in Ter Apel opgepakt. Hij zou tientallen mensen onder wie veel kinderen in een verrot Mercedesbusje met een Moldavisch kenteken vanuit Frankrijk en Duitsland naar het asielzoekerscentrum in Ter Apel hebben gebracht.

Damir had moeten weten dan wel vermoeden dat wat hij deed wederrechtelijk was. Dus dat wat hij deed, niet mocht. Want ook Damir wordt, zoals wij allen, geacht de wet te kennen, zegt de officier van justitie. Hij had moeten weten dat hij mensen die niet over geldige grensoverschrijdende reisdocumenten beschikken, niet naar Ter Apel mag brengen.

Dat hij dat ook nog eens deed in een gammel busje met technische malheur en een barst in de voorruit maakt het nog erger. Er hadden ongelukken kunnen gebeuren. Een plotselinge trap op de rem (die werkte) en het was bal op de snelweg. Daarom beschuldigde de officier van justitie Damir naast van mensensmokkel ook nog eens van een ‘poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel’. In de rechtszaal zegt de aanklager dat hij dat bij nader inzien juridisch niet kan hardmaken en dat hij voor dat punt dus vrijspraak vraagt.

Rest de mensensmokkel, vier jaar.

Damir is 35, zoon van de dorpssmid van Glodeni. Hij komt net als zijn smokkelwaar uit Moldavië. Het is het armste land van Europa, een land waar de broodnodige ingrediënten voor levensgeluk aan voorbij zijn gegaan. Volgens Buitenlandse Zaken is het een veilig land om te bezoeken, maar toeristen laten zich er nauwelijks zien, meldt Wikipedia. Na de val van het communisme verliet een kwart van de bevolking, vooral jongeren, het land.

Is het waar, vragen de rechters, is het waar dat u een mensensmokkelaar bent? Damir gaat staan, nederig, pet bij wijze van spreken in de hand en zegt: ,,Geachte heren, ik heb mijn vrouw en mijn kinderen meegenomen naar Frankrijk om daar asiel aan te vragen. In Frankrijk zijn veel mensen van mijn volk, het Romavolk. In Moldavië zijn wij een minderheid en worden wij gediscrimineerd. Ik was de enige met een busje. Ik probeerde mensen te helpen. Ik had geen verkeerde bedoelingen.’’

De rechters gebaren dat hij wel mag gaan zitten en ze stellen hun vragen. Waarom hij dan naar Nederland kwam? Waarom niet België, vanuit Frankrijk niet onlogisch? Hoe vaak hij naar Ter Apel was gereden, hoe vaak in dat rammelbusje en of hij dat ding wel eens uitleende? Of hij zich veilig voelde achter het stuur?

De rechters vragen (tegen beter weten in) of Damir de Dublin-procedure kent? Dat is de complexe procedure die handelt over welk land verantwoordelijk is voor een asielaanvraag. Damir antwoordt dat hij over Dublin heeft horen spreken, maar er niets van begrijpt.

Hij zegt dat Roma-mensen elkaar helpen, dat dat een plicht is. Dat Nederland onder zijn volk bekendstaat als een land dat goed is voor asielzoekers, dat de mensen in dat land gastvrij zijn. Over het busje: ,,Wij zijn gewend ons te verplaatsen met de middelen die we hebben. Voor uw land is het busje misschien slecht, in mijn land is het een goede bus.’’ Over de veiligheid: ,,In vergelijking met paarden en trekkarren is zo’n busje veiliger.’’

Damir zou zo graag met zijn vrouw en kinderen tot onze wereld willen behoren. In zijn land is nauwelijks onderwijs. En dat is wat hij wil, onderwijs voor zijn twee kinderen zodat zij het iets beter krijgen dan hij.

Tegen de rechters: ,,Van mijn vader heb ik geleerd dat als je goed bent voor andere mensen, andere mensen ook goed zullen zijn voor jou.’’

In Frankrijk was hij met zijn gezin in een overvol tentenkamp terechtgekomen op een uitgewerkt industrieterrein met zo’n zeshonderd landgenoten en nauwelijks sanitaire voorzieningen. Met zijn busje haalde hij bruikbaar afval op waarmee ze in het kamp nog wat konden. Ondertussen gingen er verhalen over Nederland, over een nieuw leven dat je daar zou kunnen beginnen. Dat je dan eerst naar Ter Apel moest, volgens de routeplanner maar 531 kilometer ver.

Vier keer zou Damir met zijn busje in Ter Apel zijn geweest met opgeteld 38 mensen die hij afzette bij het asielzoekerscentrum. De laatste keer, toen hij werd opgepakt, kwamen er tien volwassenen en negen kinderen uit zijn busje dat volgens EU-normen slechts geschikt is voor acht personen.

Hij kreeg voor zijn smokkelarij geen geld. Dat zegt ook het Openbaar Ministerie. Er werd alleen betaald voor diesel. Advocaat Freek van der Brugge ziet ook daarin zijn gelijk. Damir heeft geprobeerd te ontkomen aan erbarmelijke omstandigheden in het tentenkamp in Frankrijk en hij heeft – omdat hij een busje had – anderen geholpen.

Vrijspraak.

De officier van justitie zegt dat verdachte een ernstige inbreuk heeft gemaakt op de rechtsorde, dat hij heeft bijgedragen aan de instandhouding van een illegaal circuit en dat hij het maatschappelijk draagvlak voor de opvang van asielzoekers ondermijnt.

Vier jaar.

Van der Brugge: ,,Hoezo illegaal? Het aanvragen van asiel is een mensenrecht. Iemand helpen dat recht uit te oefenen, kan dan toch niet strafbaar zijn?’’

Vrijspraak.

Zittingszaal 14 is het podium van twee werelden die van elkaar gescheiden zijn, niet meer door slagbomen en blaffende honden bij de grenzen, maar door wetten en procedures. Ook wie niets heeft dient de wetten van hen die alles hebben te respecteren. Doe je dat niet, dan mag je naar onze gevangenis.

Vier jaar.

Rob Zijlstra

 

update – uitspraak – 5 oktober 2020

klik voor uitspraak

Ongemakkelijk probleem

Er zijn ook verdachten die straf willen. Rick zal het wel voor elkaar krijgen, voor Paul (35) is het nog maar de vraag. Eerst Rick (51).

Het ging niet goed met Rick. Hij had aan een bel getrokken, maar de hulpverleningsinstanties gaven niet thuis. Daarom was het gebeurd. De rechters vinden dat maar raar: ,,Het is toch raar dat als het even tegenzit in je leven, dat je dan je eigen dochter gaat misbruiken?’’ Rick doet een diepe zucht. Wat moet hij er over zeggen? Hij is niet zo’n prater.

Hij zegt: ,,Het was fout, geef me straf, klaar.’’

Zijn advocaat probeert de nuance aan te brengen. Straf mag dan moeten, de rechters mogen zich wel realiseren dat een gevangenisstraf vergaande consequenties heeft. Want Rick werkt, hij heeft iets te verliezen.

Wat hij precies doet en waar, wil hij niet zeggen (‘ik doe van alles’). Maar moet hij de bajes in dan raakt hij zijn baan kwijt. Sowieso zijn dan de gevolgen groot.

De officier van justitie is niet onder de indruk van wat de advocaat naar voren brengt. Dat een straf consequenties heeft lijkt hem ,,volstrekt logisch’’. Hij eist drie maanden celstraf.

Zedenmisdrijven bestaan in soorten en maten, van grensoverschrijdend gedrag tot weerzinwekkende horror. De strafeis die Rick voor de kiezen krijgt (de rechtbank moet nog uitspraak doen) past bij ontucht in de juridische categorie light. Zijn dochter, een tiener, had hem moeten bevredigen. Niet vier jaar lang, zoals de officier van justitie even dacht te kunnen bewijzen, maar – volgens Rick – slechts twee keer. ,,Nee. Ook niet goed. Geef me straf.’’

Voor slachtoffers bestaan geen juridische categorieën. Wie slachtoffer is van een zedenmisdrijf, light of weerzinwekkend, is altijd de pineut.

Paul.

Bijna twee uur lang wipt zijn rechtervoet op en neer. Schuin achter hem zit de vrouw die ooit verliefd op hem was. Zij is de moeder van het meisje dat door Paul is misbruikt. Paul is de vader. Zijn dochter was nog maar 2 jaar toen hij het flikte.

Het is een merkwaardig verhaal. Paul zat bij de psycholoog toen hij zijn van niets wetende aanstaande ex belde en vertelde: ,,Ik heb aan onze dochter gezeten.’’ Daarna ging hij naar een politiebureau waar hij nogmaals vertelde wat hij even daarvoor aan zijn partner had verteld.

De rechters willen weten: ,,Waarom?’’

Paul: ,,Ik heb een seksverslaving. Daar was ik voor in behandeling, al sinds 2015. En dat hielp goed. Maar op de dag dat het is gebeurd, had ik een vervelend gesprek met mijn vader. Ik heb toen een terugval gehad. Een beetje stom. Ik baal ook verschrikkelijk.’’

De rechters vragen: ,,Waarom heeft u het opgebiecht?’’

Goeie vraag. Paul en zijn dochtertje van nog maar twee waren immers alleen, het kind zou het niet kunnen vertellen. Paul had het geheim kunnen houden.
De rechters willen het waarom ook weten omdat ze wel aanvoelen wat de advocaat straks gaat zeggen.

Dus. Waarom Paul?

Hij doet een poging: ,,Ik wilde dit niet voor mijn dochter. Ik was bang dat… niet dat ik het weer zou doen, maar ik dacht… als ik het vertel, dan kan ik er mee aan de slag… ik heb voor mezelf een lijn getrokken, daar mag ik niet overheen.’’

Het was gebeurd toen hij haar luier ging verschonen. Het meisje had luieruitslag. Hij smeerde haar billen in met vaseline. Dat had hem opgewonden.

Het had, vertelt hij, twee minuten geduurd en die twee minuten hadden gevoeld alsof hij drugs gebruikte, een heel geruststellend gevoel. Maar plots was er een besef gekomen. Paul: ,,Ineens dacht ik, waar ben ik mee bezig? Ik was bang. Ik dacht, als ik hiertoe in staat ben, waartoe ben ik dan in de toekomst nog meer in staat?’’

Hij vertelt dat hij nu bezig is met ,,een soort van afkickproces’’. En dat hij het geloof terug heeft gevonden. Alsof dat helpt.

De rechters vragen hoe hij denkt het uit te leggen, later.
Paul: ,,Tja, dat wordt nog wel een dingetje. Ik zal zeggen dat ik ziek was en dat ik toen te ver ben gegaan. Zoiets.’’ Hij houdt er rekening mee dat zijn dochtertje later psychische klachten krijgt. ,,Of zo.’’

De seksverslaving richtte meer schade aan. Paul had foto’s gemaakt van zijn bloot slapende vrouw, hij was er listig in geslaagd naaktfoto’s te maken van een schoonzus over wie hij wilde fantasieën had (heeft). Die foto’s wist hij te slijten op het internet, op de afdeling schimmig.

De officier van justitie is snel klaar met Paul. ,,Wat meneer heeft gedaan is totaal respectloos.’’ De strafeis: 30 maanden gevangenisstraf, waarvan 18 maanden voorwaardelijke, een meldplicht zodra hij vrijkomt en dan een klinische behandeling. En een verbod om in de buurt van de woning te komen waar zijn ex en zijn kinderen wonen. Er is ook nog een zoontje.

De moeder is er niet klaar mee. Ze zegt dat het misbruik onderdeel zal uitmaken van het levensverhaal van haar dochtertje, dat hij haar lichaam aan het begin van haar leven heeft bezoedeld. Ze zegt dat het aan haar vreet want ,,ik heb mijn kind niet kunnen beschermen, ik heb mijn dochter toevertrouwd aan een gevaarlijke gek’’.

Over die rotfoto’s: ,,Hij heeft me onteerd en te grabbel gegooid. Hij was er niet voor mij, niet voor ons. Hij was bezig met zijn eigen obsessie.’’ Ze zegt tegen de rechters dat haar ex-man ,,gevaarlijker is dan jullie denken” en dat ze bang is voor als hij straks vrijkomt. ,,Ik zal hem altijd vrezen. Maar ik wil mijn leven terug.’’

Haar woorden vullen de rechtszaal en maken indruk. Maar nog niet alles is gezegd.

Advocaat Cees Eenhoorn houdt de rechtbank een wat hij noemt ongemakkelijk probleem voor. De advocaat zegt dat hij wel snapt dat Paul juridisch op z’n donder moet krijgen, dat hij zou willen pleiten voor een kortere straf dan geëist zodat de behandeling eerder kan beginnen, maar dat het daar niet om gaat.

De advocaat: ,,Waar het om gaat, en daar kan ik ook niks aan doen, is dat het bewijs in deze zaak naast mij zit. Het bewijs is zijn eigen verklaring. Verder is er helemaal niets.’’ De wet is hier duidelijk over: een enkele verklaring is te weinig om iemand te kunnen veroordelen. Dat weten de rechters zelf ook wel. Advocaat Eenhoorn: ,,U zult de verdachte vrij moeten spreken, er moeten andere wegen worden gevonden om deze man te genezen.’’

Paul huilt.

rob zijlstra

→ meldpunt kindermisbruik

update – uitspraken
Paul is veroordeeld maar tot een lagere straf: 18 maanden waarvan 11 maanden voorwaardelijk. Verder: een contactverbod met zijn ex en kinderen voor een periode van 5 jaar (gelijk de opgelegde proeftijd). En het betalen van smartengeld: 5.000 euro.

Rick kreeg het niet helemaal voor elkaar: de rechtbank acht niet meer opportuun om hem nog naar de gevangenis te sturen: 6 maanden celstraf maar geheel voorwaardelijk. Hij moet wel een schadevergoeding betalen: 3000 euro.

 

Nieuws

leestijd: 1 minuut

journalisten en een cameraploeg (1998)

Als je als journalist zelf in het nieuws komt,  al is het maar voor even, dan voelt dat altijd ongemakkelijk.

Maandag werd bekend dat Dagblad van het Noorden  – de krant waarvoor ik werk en ook de krant die het blog zittingszaal 14  mogelijk maakt – wordt overgenomen door het Belgische Mediahuis. De directeur zei in een interview  dat hij met zijn uitgeverij  tot de topuitgevers van Europa wil behoren.

Hij zei ook: ‘Wij zijn jagers, geen prooi.’
Er bestaan jagers die hun prooi opeten.

Zijn er zorgen? Er is gezonde argwaan, maar er is ook vertrouwen. Ik heb de eindbaas van Mediahuis deze week mogen ontmoeten. Ik concludeerde: Mediahuis wordt niet geleid door romantische courantiers, maar ook niet door hongerige jagers. Wel door mensen met hart voor de journalistiek. Gegeven de omstandigheden is dat goed nieuws.

Resteert het ongemak zelf onderwerp van nieuws te zijn.

Journalisten horen (eigenlijk) met pen en aantekenboekje op de achterste rij te  zitten om daar zo afwezig mogelijk waar te nemen en aan te horen wat er wel en wat er niet wordt gezegd. En om daar dan vervolgens zonder aanzien des persoons verslag van te doen. Niet meer, niet minder.

Soms gaat het anders.

Eind  1997 ging het mis in een stadswijk wat leidde tot een bestuurscrisis in Groningen en bijna tot een constitutionele crisis in het land. Onderdeel van deze crisis was wat wij noemden de ‘Nacht van Ouwerkerk’, toentertijd de burgemeester van de stad. Die nacht stapte hij op. Wij zaten boven op het nieuws en wel zo dat we zelf ook nieuws werden: het NOS-journaal kwam langs. Dat was toen bijzonderder dan dat het nu zou zijn.

Op bovenstaande foto sta ik (bos haar) met rechts van mij Menno Hoexum – toen chef nieuws  van de redactie van Nieuwsblad van het Noorden en (links) Evert van Dijk, toen de chef van de stadsredactie. Van Dijk kwam bij de krant binnen als stagiaire en is nu, nu we worden overgenomen,  algemeen hoofdredacteur en directeur van ’t hele spul.

De foto is gemaakt – door wie weet ik niet meer – toen wij ’s nachts op de redactie de laatste hand legden aan een extra editie. Dat was in januari 1998.

Nou ja, dit even voor de geschiedschrijving.

Rob Zijlstra

 

 

 

 

 

Rollende erwten 2

leestijd: 4 minuten

De rechter vraagt aan de verdachte die hij net anderhalf uur lang stevig doch ook genadig heeft ondervraagd hoe hij er nou zelf op terugkijkt, op wat er is gebeurd. De verdachte, niet de meest spraakzame, mompelt binnensmonds: ,,F’cked’p.’’ De rechter veert iets op en zegt, met verbazing en wijd opengesperde ogen: ,,Zegt u nou fuck you tegen mij?’’

Het belangrijkste onderdeel van een strafrechtzaak is de ondervraging door rechters van de verdachte. De rest staat op papier. Die gesprekken zijn geen praatje pot. De gesprekken zijn indringend, soms heftig tot op het bot. Maar rechters en verdachten spreken lang niet altijd dezelfde taal.

Soms letterlijk niet.

Nog niet eens zo lang geleden was er een in Groningen geboren en getogen verdachte die het Nederlands niet meester was. Een medewerker van de rechtbank die zowel het Gronings als het Nederlands beheerst werd opgetrommeld voor verbale bijstand. En anders zijn er de gecertificeerde gerechtstolken. In zittingszaal 14 staan soms verdachten terecht van buitenlandse herkomst, ik tel elk jaar weer 35 tot 40 verschillende nationaliteiten. Tolken bieden dan kundig uitkomst.

Terzijde: gerechtstolken worden onderbetaald. Zij voeren met regelmaat actie, maar daar merkt bijna niemand iets van.

De geboren Groninger heeft ook pech. Friese verdachten mogen niet alleen in hun eigen rechtszalen aan het Zaailand in Ljouwert Fries spreken, maar Friezen mogen dat ook in de rechtszalen van Groningen en Assen. Groningers en Drenten genieten dit privilege niet.

‘Ynwenners fan de provinsje Fryslân hawwe it rjocht om Frysk te sprekken’, staat in Noord-Nederland op iedere dagvaarding, ook op de dagvaardingen die zijn geadresseerd aan die 35 tot 40 andere nationaliteiten. Moet van de wet.

Overigens zei de verdachte uit de eerste zin van dit verhaal niet fuck you. Op de vraag wat hij er nou zelf van vond antwoordde hij dat het fucked up was, waarmee hij bedoelde dat hij het had verkloot. Eigen schuld, dikke bult.

De rechter had toen met een vriendelijke lach gezegd: ,,Oh, nou dan is het goed.’’
Dat begreep de verdachte weer niet: ,,Goed, goed? Nee, niet goed, ik heb het verkloot toch.’’

Rechters en verdachten verstaan elkaar niet altijd omdat ze wel dezelfde taal spreken, maar niet elkaars jargon.

Er was eens langer geleden een verdachte die bij aanvang van de strafzaak aan de rechters liet weten dat hij een schriftelijke cursus rechten had gedaan. Hij wilde even duidelijk hebben dat ze hem met hun juridisch gepraat niets wijs moesten maken. De rechters adviseerden de verdachte aan het einde van de zitting de vervolgcursus te doen, want ‘u heeft er nog niet veel van begrepen’.

Hoewel de rechtsbeoefenaars er voor het volk zijn, is hun taal daar niet naar. Ze maken het soms nodeloos ingewikkeld. In rechtszaken wordt veel aangehouden. Daarmee wordt uitstel bedoeld, geen arrestaties. Voor een beetje crimineel is dit nogal verwarrend. Zij die rechtszaken uitroepen (‘hallo, we gaan beginnen’) worden aangeduid als deurwaarders. In rechtszalen ontsmetten deurwaarders tussen de rechtszaken door de stoelen en tafels vanwege corona.

De advocaat wordt raadsman of raadsvrouw genoemd, maar nooit raadsheer, want dat is een rechter in hoger beroep. Nu heet een vrouwelijke rechter in hoger beroep ook raadsheer of zij nou willen of niet (niet). De officier van justitie in hoger beroep is een advocaat-generaal, maar deze figuur heeft niets met advocaten van doen en ook niets met het leger, zo de politierechter gewoon rechter is en niet van de politie is.

Dit alles is zo omdat het al meer dan honderd jaar zo is en veranderingen in de rechtspraak de slome slakkengang volgen. Voor het idee: dat is trager dan traag.

Wie vandaag de dag wordt aangehouden (gearresteerd) en zich niet zomaar in de kladden laat grijpen, vanwege opstandigheid of dronkenschap, wordt op de dagvaarding met het navolgende om de oren geslagen:

… hij/zij die op of omstreeks pleegdatum/pleegperiode te pleegplaats,
toen een aldaar in uniform geklede dienstdoende politieambtenaar verdachte,
als verdacht van het gepleegd hebben van één of meer op heterdaad ontdekt(e) strafba(a)r(e) feit(en), had aangehouden en had vastgegrepen, althans vast had, teneinde verdachte ter geleiding voor een hulpofficier van justitie over te brengen naar een politiebureau, zich met geweld tegen eerstgenoemde opsporingsambtenaar, werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn of haar bediening, heeft verzet door te rukken en/of te trekken in een richting tegengesteld aan die waarin die ambtenaar verdachte trachtte te geleiden…

Dus. Er zijn mensen, in dit geval werknemers van het Openbaar Ministerie, die een strafdossier bestuderen om vervolgens het gedrag van de rukkende onverlaat te vertalen in juridische abracadabra. Het hierboven aangehaalde fragment is niet van een zaak uit 1896, maar van vorige week.

Een dief jat of gapt niet, maar ‘neemt iets weg om het zich wederrechtelijk toe te eigenen’. Wie de kluit belazert doet dat niet vals en sluw, maar met ‘listige kunstgrepen en een samenweefsel van verdichtsels’. Als het letsel als gevolg van grof geweld niet langer verenigbaar is met het leven, dan wordt bedoeld dat het slachtoffer dood is.

Uitspraken van rechters – hun vonnissen en arresten – zijn heus wel te lezen, maar laten zich niet zomaar begrijpen. Zinnen met tweehonderd woorden voorafgaand aan de punt zijn gewoon. Waarom rechters dit doen, zo nodeloos ingewikkeld, is in raadselen gehuld. Pogingen tot verandering – schrijf toch in klare taal – hebben iets geholpen, maar niet veel. Initiatieven verwelken waar ze bijstaan.

Afgelopen week kreeg ik een prachtig oud boekje, vol verhalen over drama’s in de rechtszaal, dertig jaar geleden opgeschreven door rechtbankverslaggever Frits Abrahams.

Hij noteerde in 1991 dat de slungelige Sjoerd voor het hekje bij de Groningse politierechter stond omdat hij herhaaldelijk niet was komen opdagen voor de keuring voor militaire dienst aan de Hereweg 121 in Groningen. Sjoerd had wel uitnodigingen van het ministerie van Defensie ontvangen.

De officier van justitie trok hard van leer, de advocaat had gevraagd:
‘Kun je lezen jongen?’
Nee.
‘Kun je schrijven?’
Nee
‘Dus als je een brief krijgt…’
Dan begrijp ik het niet.

Frits Abrahams noteerde: ‘Zijn woorden rollen als losse erwten over de vloer van de statige rechtszaal.’

En terwijl de erwten rollen praten rechters, de officier van justitie en de advocaat over transactievoorstellen, verantwoordelijkheid, schuldigverklaringen, over opzet en afstand van hoger beroep en begint het hoofd van Sjoerd te duizelen. Zijn hoofd zakt, zo observeert de rechtbankverslaggever, steeds moedelozer tussen zijn schouders. In nog geen kwartier tijd, zoveel nieuwe woorden.

Het oude boekje is het overtuigende bewijs van het bestaan van de slome slakkengang in de rechtspraak van nu.

rob zijlstra

 

Rollende erwten

Ik kreeg vandaag dit pareltje in handen, uit 1993.  Het boek dook zomaar ineens op in de minibibliotheek aan de Barkmolenstraat in Groningen, daar waar je boeken gratis kunt brengen en kunt halen. Het boek bevat verhalen over drama’s in de rechtszaal. Dat staat op de kaft.

Binnenin het boek, op de pagina’s, staan parels van zinnen. Op pagina 54 geeft de  rechtbankverslaggever, terwijl hij luistert naar wat de verdachte te zeggen heeft, een analyse van wat hij waarneemt. Hij hoort de verdachte raaskallen en noteert dan:

‘Zijn woorden  rollen als losse erwten over de vloer van de statige rechtszaal.’

De rechtbankverslaggever: Frits Abrahams.

Ik zet dit fijne boekvol parels  op mijn rechtbankplank in de boekenkast, naast de drie van Jacques van Veen.

rob zijlstra

Monte, Monte

leestijd: 4 minuten

Ik schreef eens over de beste rechter van Groningen. De beste rechter was ontzettend goed, niet omdat zij de wetboeken van het strafrecht en strafvordering uit het blote hoofd kende of wist van de meest relevante uitspraken van elders. Dat kunnen alle rechters. Nee, ze was de beste schreef ik, omdat ze de juiste toon wist aan te slaan. En dat altijd. Onverbiddelijk als een spijkerharde verdachte niet beter verdiende, haast moederlijk tegen mannen en vrouwen die in de war waren en de weg kwijt.

Als er rechters bestaan die de beste zijn, dan bestaan er ook slechtste rechters.

De slechtste rechter is de magistraat die vals zingt, die niet de juiste toon kan of wil aanslaan die binnen het orkest is afgesproken.

Nu zijn begrippen als de beste en de slechtste natuurlijk relatief. Winsum is het mooiste dorp van heel het land, maar volgend jaar wordt net zo makkelijk een ander dorp met deze kwalificatie opgezadeld.

Evenwel kan het niet anders dan dat de slechtste rechter van heel Groningen en Drenthe van dit moment de rechter is die deze week te horen kreeg dat hij tijdens een strafzaak zich vooringenomen toonde. Dat is zo ongeveer het allerergste wat je over een rechter kunt zeggen. Het raakt de kern van de rechtspraak: een rechter kan bijna van alles zijn, maar nooit en te nimmer vooringenomen.

Monte van Capelle – strafrechter in de rechtbank van Noord-Nederland sinds 2011 – was dat zonder twijfel wel, oordeelden zijn collega-rechters van de wrakingskamer. Van Capelle kreeg de rode kaart en moest het veld verlaten. De vermaarde strafpleiter Piet Doedens zei eens over deze slechtste rechter, die toen officier van justitie was: ‘De man blaft zonder dat er een grote diepgang van gedachten achterstaat.’

Het optreden van Van Capelle was inderdaad nogal plat. Hij had een verdachte getypeerd als een mongool. Hij nam dat woord niet in zijn mond, dat niet. De verdachte maakte tijdens de ondervraging door de rechters, bozig, duidelijk dat hij geen mongool is. Hij riep: ,,Ik ben toch geen mongool?’’ Van Capelle reageerde gebeten en zei dat het daar ‘anders wel op lijkt’.

De verdachte, toen nog bozer, liet weten dat hij niet meer met deze rechter wilde praten. Van Capelle bitste met het hoofd afgewend dat hij er ook klaar mee was en gunde de verdachte geen blik meer waardig.

De advocaat van de verdachte hekelde niet alleen de verbale, maar ook de non-verbale communicatie van Van Capelle. Volgens de raadsman uitte Van Capelle gedurende langere tijd zijn afkeer van de verdachte. De wrakingskamer is het ook op dit punt met de raadsman eens.

Er wordt buiten Geert Wilders om niet zo heel veel gewraakt in het strafrecht. En als het dan eens gebeurt, wordt het verzoek tot wraking vrijwel altijd afgewezen. Maar ditmaal was er geen ontkomen aan.

‘Monte, Monte, je moet eerst eens tot tien tellen’, luidt de kop boven een groot artikel in Nieuwsblad van het Noorden, in september 1997. In dat 23 jaar oude artikel wordt gememoreerd aan de ‘vaak onredelijke woede-aanvallen’ van Van Capelle in de rechtszaal. Toen dus al.

Van Capelle begon zijn arbeidzame leven als inspecteur bij de gemeentepolitie in Groningen, maar zou later door heel het land vooral naam maken als officier van justitie. Aan advocaten had hij, zo berichten de kranten in het archief, een broertje dood. Advocaten identificeerde hij met verdachten, journalisten als mensen met een ‘genetisch bepaalde autoriteitenhaat’.

Hij speelde in de jaren negentig de hoofdrol in de IRT-affaire en hij was verantwoordelijk voor de spraakmakende arrestatie van politieman Lancee op Schiermonnikoog.

De kranten van toen noemen hem een rechtlijnige crimefighter met een enorme dadendrang, iemand ook die geen blad voor de mond neemt en die is behept met een ‘extreem gevoel voor rechtvaardigheid.’ Dat laatste zei zijn eigen broer tegen de krant.

Misschien was Monte van Capelle in die tijd wel de beste officier van justitie van heel het land. Er waren ook heus mensen die gecharmeerd van hem waren en een enorme dosis humor aan hem toedichtten. Misschien had de misdaadbestrijder nooit een onafhankelijk rechter moeten willen worden.

Na de gewraakte uitlatingen in de rechtszaal werd door de voorzitter van de strafkamer een proces-verbaal van het incident opgemaakt, een woordelijk verslag.

De wrakingskamer kwam een dag later bijeen om beide partijen in de gelegenheid te stellen hun standpunten toe te lichten. Van Capelle schitterde door afwezigheid. Hij had wel een schriftelijk verweer. De wrakingskamer noteerde later in de uitspraak dat Van Capelle van andere feiten uitgaat dan de feiten zoals die in het proces-verbaal staan.

De rechter gaf met ‘alternatieve feiten’ een eigen draai aan het incident.

Dat de gewraakte rechter het liet aankomen op een behandeling door de wrakingskamer wekte hier en daar ook nog wel enige verbazing. De beste man had ook kunnen zeggen, gut mensen, ik liet mij even gaan, in de hitte van het debat, wat ik, ik die als rechter dan nog zonder oordeel is, uiteraard niet had moeten doen.

Hij had het boetekleed kunnen aantrekken en zelf kunnen opstappen. Maar toen de voorzitter van de strafkamer het hem vroeg, of hij berustte in de wraking, luidde het antwoord afgemeten: nee! Op de toon van: over mijn lijk.

Heeft dit alles nu nog consequenties voor de voor het leven benoemde rechter, was een veelgestelde vraag de afgelopen dagen. Ik heb geen idee. Wellicht komt er een indringend gesprek met de rechtbankpresident, misschien maken andere rechters voortdurend grapjes over zijn onkunde en heeft hij dat wel door.

Welbeschouwd deed Monte van Capelle met zijn vooringenomen optreden in de rechtszaal een Grapperhausje. In Den Haag zal dit niet tot ophef leiden, maar de vraag die er ligt is wel de volgende: hoe moet het nu als Van Capelle de komende weken weer in de rechtszaal zit als rechter en in gesprek moet met de verdachte die een politieagent een mongool noemde of de diender met andere beledigende woorden om de oren heeft geslagen?

Dit is een veelvoorkomende misdaad waar politierechters de handen vol aan hebben.

Rechter: ‘Dus u geeft toe dat u de agent een mongool noemde?’
Verdachte: ‘Ja, dat beken ik. En daar heb ik ook spijt van… maar wacht eens even. Bent u niet die rechter die…’

rob zijlstra

→ lees ook: de beste rechter

→ of het artikel van Nieuwsblad van het Noorden uit september 1997 [pdf]

rechtbankpoëzie

verzet
[fragment uit een dagvaarding]

 hij/zij op of omstreeks pleegdatum/pleegperiode te pleegplaats,
toen een aldaar in uniform geklede dienstdoende politieambtenaar verdachte,
als verdacht van het gepleegd hebben van één of meer op heterdaad ontdekt(e) strafba(a)r(e) feit(en),
had aangehouden en had vastgegrepen,
althans vast had,
teneinde verdachte ter geleiding voor een hulpofficier van justitie over te brengen naar een politiebureau,
zich met geweld tegen eerstgenoemde opsporingsambtenaar,
werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn of haar bediening,
heeft verzet door te rukken en/of te trekken
in een richting tegengesteld aan die
waarin die ambtenaar verdachte trachtte te geleiden

auteur onbekend

Kattencrime

leestijd: 4 minuten

Stel je voor dat in het verkeer de bijna-ongelukken worden geregistreerd. De gevoelens van onveiligheid zouden flink toenemen, want bijna-ongelukken zijn schering en inslag. Duizenden per dag. Er zouden campagnes op radio en tv verschijnen om het aantal bijna-ongelukken terug te dringen ter bevordering van het verkeersveiligheidsgevoel.

Bijna-ongelukken in het verkeer worden niet geregistreerd. Hoe zou dat ook moeten?

Bij de misdaad is dat anders. Niet alleen inbraken, overvallen en verkrachtingen worden geturfd door het Centraal Bureau voor de Statistiek en allerhande misdaadmeters, maar ook de pogingen tot krijgen streepjes. Mislukte misdaad is ook misdaad.

Dat geldt ook voor misdaden die met een sisser aflopen. Ook die belanden in de statistieken van de criminaliteit. Het is alleen daarom al dat officiële misdaadcijfers met een korrel zout kunnen en moeten worden genomen. Wanneer cijfers doen inzien dat de misdaad toeneemt, kan die in werkelijkheid best dalen. Andersom net zo goed.

Het is maar wat je wilt, waar je staat en wat het beste bij je past.

Misdaden die met een sisser aflopen, kunnen – dat dan weer wel – best heftig zijn. De rechters van zittingszaal 14 buigen zich momenteel over een explosieve kwestie, veroorzaakt door de vrijdag 27-jaar geworden Jos uit Groningen.

Jos had een fascinatie die hij deelt met heel veel mannen: vuurwerk dat knalt, laag bij de grond, hoog in de lucht, maakt niet uit. Jos’ fascinatie was er eentje in het kwadraat. Hij wilde het vuurwerk niet kopen, maar zelf maken. Sterker nog: dat deed hij ook. In een appartementje met heel veel buren. Die buren hoorden wel eens knallen in de tuin, meldden ze achteraf. Jos denkt dat het meer knalletjes moeten zijn geweest, want hij experimenteerde altijd kleinschalig.

Dat het gevaarlijk was – het was megalink wat hij deed – dat wist Jos dondersgoed. Vertel hem wat. Maar het mooie weer was dat hij veel vertrouwen in zichzelf had. Hij wist daarom dat het niet fout zou gaan. Want hij was goed. En ja, het klopte dat hij veel explosief materiaal in zijn woninkje had. Het stond overal. Maar dat was alleen link als die stoffen met elkaar in aanraking zouden komen. En hij bewaarde alles gescheiden, in emmers.

In totaal zo’n zestig kilo.
Zou er toch iets gebeuren, iets per ongeluk, dan zou van het appartementencomplex, inclusief van de buren, weinig heel blijven.
Maar er gebeurde zoals Jos al had voorvoeld helemaal niks.

Dat hij toch als verdachte voor de rechter moest verschijnen – hij was naar de kapper geweest en had zijn beste jasje aangetrokken – kwam omdat het systeem functioneerde. Dat moet ook eens gezegd.

Nederland kent een systeem waar het Bom Data Centrum (BDC) over waakt. Er zijn dagen dat je niks van dit politie-onderdeel hoort. Medewerkers van Bom Data kunnen ruiken als ergens stoffen worden ge- en verkocht met een luchtje. Bom Data slaat niet aan als iemand een liter lampenolie en drie liter terpentine aanschaft, maar wel als daar dan ook nog zwavelbloem, salpeterzuur, zoutzuur, natriumwaterstofcarbonaat en aceton bij komen kijken.

In november vorig jaar ging bij Bom Data de rode lamp aan en werd de politie in Groningen gealarmeerd. Agenten gingen bij Jos op bezoek, juist op het moment dat hij gefascineerd bezig was aan de keukentafel. De dienstdoende agenten vroegen aan de voordeur wat zij in de woning konden aantreffen. Jos draaide er niet omheen en de agenten sloegen op hun beurt nog meer alarm, de Explosieven Opruimingsdienst kwam en de burgemeester riep de vaste leden van de veiligheidsregio met spoed bijeen. Heel het apparaat ging in de hoogste staat van paraatheid. De omgeving, inclusief een zorgcentrum voor ouderen, werd ontruimd. En Jos werd gearresteerd.

Het liep dus met een sisser af. In die zin dat er niets ontplofte. Maar wie een misdrijf voorbereidt waarop meer dan acht jaar gevangenisstraf staat is zo strafbaar als de pest. En Jos trof voorbereidingen voor het opzettelijk teweegbrengen van een ontploffing. Dat is meer dan acht. Zijn misdaad schurkt tegen terrorisme aan.

Wilde u, vragen de rechters, indruk maken op uw vrienden?
Het hoofd van Jos schudt van nee.
Hij zegt: ,,Mijn vrienden wisten niet waarmee ik bezig was, ik liep er niet mee te koop.’’
Zijn familieleden wisten dat overigens wel. Daarom woonde hij ook niet meer thuis. Dat mocht niet van ze.

Het was vooral de techniek die hem deed gloeien.
Van rode fosfor witte maken, dat werk.
Het internet had hem wijs gemaakt.

Rechters: ,,Wat was nou uw hoogste doel?’
Jos: ,,Zelf shells maken.’’
Shells zijn mortierbommen die in Nederland in handen van niet-professionals verboden zijn. Het wordt beschouwd als het zwaarste vuurwerk dat er is.

Voor de zekerheid vragen de rechters of Jos ook contacten heeft in het criminele circuit. Of hij mensen kent die bijvoorbeeld geldautomaten opblazen? Jos zegt van niet. ,,Ik deed het ook niet voor het geld.’’

De officier van justitie moet wat in de rechtszaal want Jos is niet voor niets gedagvaard. Dat met Jos geen groots crimineel is gevangen, geen man die de samenleving met veel bombarie wil ontwrichten, is wel duidelijk. Hij had na zijn arrestatie 49 dagen vastgezeten. Dat mag volstaan, vindt de officier van justitie. Er moet wel een waarschuwing komen, een stok achter de deur van 450 dagen celstraf, geheel voorwaardelijk.

De rechters moeten nog uitspraak doen – komende week – maar Jos kan zich vinden in de eis. Het hele gebeuren heeft hem doen inzien dat het voor iedereen beter is dat hij een andere fascinatie zoekt. Hij is klaar met vuurwerk. Zijn nieuw hobby: mountainboarden, ook heel gevaarlijk. Volgens wikipedia is mountainboarden een snelgroeiende sport die maar op twee plaatsen in Nederland kan worden beoefend. In de heuvels van Limburg en in Groningen.

De misdaad van Jos zal de statistieken kleuren. Op een dag wordt uit de doeken gedaan dat het aantal voorbereidingshandelingen van ernstige misdaden, denk aan terrorisme, is toegenomen. Denk dan even aan Jos. Of aan die laatste net niet aanrijding.

rob zijlstra