Niet De Laatste Keer

Parijs.
Maandagochtend 10 december.
Twintig minuten over negen.
Ineens staat hij daar.
Toch kleiner dan gedacht.
Een politieagent maakt de handboeien los.
De kale man wrijft met de rechterhand over de linkerpols.
Door het glas kijkt hij de rechtszaal in en glijden zijn blikken langs de aanwezigen.

Heeft hij enig idee?

Wie bijvoorbeeld Koen Meesters is die op tien meter afstand staat en op zijn beurt naar hem kijkt? Jarenlang heeft Koen Meesters naar dit moment uitgekeken. Van alles schiet er door zijn hoofd. Ja, hij kan naar hem toe lopen en dan zeggen wie hij is. Hij kan ‘m ook, als hij snel is, voor z’n kale kop slaan, dus nog voordat de twaalf gewapende mannen van de Gendarmerie kunnen ingrijpen. In zijn fantasie doet hij dat ook, maar in het echt, in de statige rechtszaal van Parijs, in de Salle Voltaire, blijft hij de man strak aankijken.

Die man achter het glas is Robert Dawes, 46 jaar. Brit. Hij is de hoofdverdachte in het grootste drugsproces van Frankrijk dat die maandochtend op het punt staat te beginnen en elf dagen gaat duren. In de internationale pers wordt Robert Dawes, die jaren achtereen onaantastbaar leek, beschreven als de machtigste drugscrimineel van Europa.

Hij is de man ook die in 2002 opdracht zou hebben gegeven om Gerard Meesters, onderwijzer aan het Alfa-college in Groningen, te vermoorden.

Het was een liquidatie uit vergelding, een misdaad die ook qua wreedheid z’n weerga niet kent, schreven de rechters later. De aan lager wal geraakte zus van Meesters had in Spanje drugs gestolen van haar baas Dawes om daarna spoorloos te verdwijnen. Om haar te vinden zochten ze haar familie op. Op 24 november 2002 kreeg Gerard Meesters, dan 52 jaar, aan huis bezoek van vijf mannen. Hij krijgt een telefoonnummer dat hij moet bellen om te vertellen waar zijn zuster is. Zo niet, dan komen ze terugkomen. En dan niet om te praten.

Meesters meldt het voorval aan de politie en brengt met zijn vrouw, dochter en zoon Koen de twee volgende nachten elders door. Ze zijn bang. De politie zegt niets te kunnen doen. Op zondag 28 november 2002, vier dagen na de bedreiging, wordt opnieuw aangebeld. Gerard Meesters, net thuis, doet de voordeur open. Er wordt niet gepraat. Met acht gerichte schoten wordt Gerard Meesters in koelen bloede vermoord. Hij sterft in de hal van de woning. Als Koen Meesters even later thuiskomt van zijn werk als bezorger van Chinese maaltijden, ziet hij dat de straat is afgezet met politielinten.

De schutter is de Engelsman Daniel S., een ‘soldaat’ in de organisatie van Robert Dawes. S. wordt na een jaar onderzoek gepakt en veroordeeld tot levenslang. In de rechtszaal in Groningen erkent hij dat hij werkt voor Dawes. Hij vertelt aan de rechters dat het weigeren van opdrachten niet tot de mogelijkheden behoort. Dat het geen ongebruikelijke werkwijze is van ‘de organisatie’ om onschuldige familieleden van in ongenade gevallen criminelen te vermoorden.

Koen Meesters is naar Parijs gekomen om de man te zien die hij verantwoordelijk houdt voor de gewelddadige dood van zijn vader. En hij niet alleen. De rechercheurs van de politie in Groningen die zestien jaar geleden de moord onderzochten, zeggen het ook. Zonder twijfel: Robert Dawes is de opdrachtgever. Het staat in stukken van het Openbaar Ministerie. Het staat zelfs geschreven in de vonnissen van de rechtbank Groningen en het gerechtshof van Leeuwarden.

En het werd deze week ook geopperd in de grote rechtszaal van Parijs. Onderzoekers van het Engelse National Crime Agency: ‘We believe Dawes sponsored the murder of a school teacher in the Netherlands whose sister had stolen a load of drugs.’ De rechter vraagt: ,,Ligt er een aanklacht?’’

Het proces in Parijs heeft met de ‘zaak Groningen’ niet rechtstreeks iets te maken. Dawes staat in Parijs terecht omdat hij leiding zou hebben gegeven aan een internationale criminele organisatie en aan het – via Air France – laten vervoeren van 1300 kilo cocaïne, van Venezuela naar de luchthaven Charles de Gaulle. Waarde: vele tientallen miljoenen euro’s. Niet alleen douanepersoneel was omgekocht, ook hooggeplaatste medewerkers van Air France.

Dawes werd gearresteerd in zijn luxe ressort in Spanje en uitgeleverd aan Frankrijk. Hij zit inmiddels drie jaar in voorarrest. Dertig jaar celstraf hangt er boven zijn hoofd. Er zijn vijf medeverdachten, twee landgenoten en drie Italianen die worden gelieerd aan mafia uit Napels. Zij zitten ook in de rechtszaal.

Koen Meesters (37) is niet alleen naar Parijs gegaan om de confrontatie aan te gaan. Een jaar geleden deden hij en zijn zus Annemarie (35) aangifte tegen Robert Dawes. Sindsdien wordt onderzocht of de machtige drugscrimineel in Nederland kan worden berecht voor zijn rol in de moord op Gerard Meesters. Een besluit, te nemen door het Openbaar Ministerie, is nog steeds niet genomen. Zo ook niet het besluit hem er mee weg te laten komen.

Dat Dawes tot op de dag van vandaag niet is staat van beschuldiging is gesteld, is voor de nabestaanden onbegrijpelijk. Koen Meesters: ,,Het voelt zo ontzettend onrechtvaardig.’’ Hij hoopt dat het gaat gebeuren, maar het vertrouwen in het Openbaar Ministerie is niet rotsvast. Hij zegt: ,,Ik ben ook naar Parijs gegaan om een vinger aan de pols te houden. Iemand moet dat doen. Het Openbaar Ministerie doet het niet.’’

Vijftien jaar lang heeft justitie de moord op Gerard Meesters als een opgeloste zaak beschouwd. De dader is conform de eis veroordeeld, zaak gesloten. Voor Koen Meesters en zijn familie is dat niet acceptabel. Ze kregen officieel te horen dat er andere prioriteiten zijn. Dat ook het terrorisme bestreden moet worden bijvoorbeeld.

In 2017 had het ministerie van justitie bedacht dat moordenaar Daniel S., ondanks de veroordeling tot levenslang, het land uitgezet kon worden, terug naar Engeland. Het Openbaar Ministerie was om advies gevraagd en had geen bezwaar. Voor de familie Meesters was dit voornemen een grote schok. Toen zij via de media hun ongenoegen uitten, werd het besluit haastig ingetrokken. Met de excuses.

Na de aangifte tegen Dawes in november 2017 besloot het Openbaar Minsterie toch onderzoek te doen naar de mogelijkheden voor een vervolging van Dawes in Nederland. Koen Meesters: ,,Als wij niets doen, gebeurt er niets. Via onze inzet, via media-aandacht kunnen we misschien net het verschil maken. Eigenlijk is het schandalig dat het zo moet, maar het is wel hoe het werkt.’’

In het vonnis van Daniel S. schreven de Groninger rechters dat Gerard Meesters gewetenloos is vermoord ‘in opdracht van de organisatie waarvan hij (Daniel S.) deel uitmaakte’. En ook: ‘Organisaties die zich richten op het plegen van misdrijven (…) en het plegen van moord op onschuldige slachtoffers inzetten als middel, zijn naar het oordeel van de rechtbank maatschappelijk niet te tolereren (…).

Dat zijn de gewichtige woorden op papier. En het zijn woorden die elke betekenis verliezen als de opdrachtgever zich niet hoeft te verantwoorden. Wie in Nederland opdracht geeft tot moord, is net zo strafbaar al diegene die de trekker overhaalt.

De eerste dag van het proces in Parijs verloopt chaotisch. In de Nederlandse rechtszaal is het niet de bedoeling dat iemand voor z’n beurt praat, moet iedereen blijven zitten waar ‘ie zit. Rechters eisen absolute stilte. In de Parijse rechtszaal loopt van alles in en uit, de twaalf advocaten die belast zijn met de verdediging van de zes verdachten, praten door elkaar heen, bellen, appen en roepen ‘merde’ als de rechters een getuige ondervragen, ze zijn met laptops in de weer, drinken blikjes Red Bull en hebben vooral zichtbaar plezier in wat ze doen en zeggen. Ze zijn, zo te zien, dikke maatjes met de verdachten.

Franse journalisten zeggen dat ik de top van de Franse strafpleiters aan het werk zie. De tenen van Koen Meesters die op de voorste rij van de houten publieke tribune zit, staan krom. ,,Ik snap dat een verdachte een advocaat heeft, ik snap waarom. Aan de andere kant kan ik het niet begrijpen dat ze het met zoveel power opnemen voor mensen die zo fout zijn. Ook die jolige en amicale omgang met verdachten, ik heb daar grote moeite mee.’’

In de eerste uren van het proces is Dawes actief, oogt hij alert en hangt hij aan de lippen van de tolk. In de middaguren zit hij vooral te gapen en om zich geen te kijken. Zou hij enig idee hebben?

Koen Meesters: ,,Ik weet zeker dat hij me een paar keer heeft aangekeken. Of hij mij kan plaatsen weet ik niet. Het is dubbel. Ik wil dat hij weet dat ik er ben. Dat hij weet, dat hij nog niet van ons af is, dat we nog altijd met hem bezig zijn. Maar ik weet ook waartoe hij in staat is.’’

,,Doe je dit ook voor je vader?’’

Koen Meesters: ‘Dat vragen mensen mij vaak. Nee. Ik doe het voor mezelf. Mijn vader is er niet meer, voor hem hoef ik het niet te doen. Ik ben het niet aan hem verschuldigd of zo. Robert Dawes heeft mij ook persoonlijk iets aangedaan door mijn vader te laten vermoorden. Hij heeft veel ellende en verdriet in het leven van mij, mijn zus en mijn moeder gebracht. Dat hij hiermee wegkomt, dat voelt zo onrechtvaardig.’’

Ik vraag wat Gerard Meesters hiervan had gevonden? Zoon Koen: ,,Mijn vader was een vechter, niet fysiek, maar hij stond zijn mannetje. Hij zou hier helemaal voor gaan. Wat ik doe, zou zijn goedkeuring hebben, dat weet ik zeker.’’

De aangifte van Koen en zus Annemarie Meesters ligt nu bijna dertien maanden bij het Openbaar Ministerie. Wanneer een besluit wordt genomen, is niet bekend. Misschien wacht Groningen op de ongewisse uitkomst van strafzaak in Parijs. Maar misschien ook niet.

Halverwege de tweede dag van het proces, wordt een korte pauze ingelast. Robert Dawes wordt door zijn bewakers gesommeerd te gaan staan en zijn armen naar voren te steken. De handboeien moeten weer om. Dan verdwijnt The One, zoals een van zijn vele bijnamen luidt, uit het zicht, nagekeken door Koen Meesters.

Als we later door de straten van Parijs lopen zegt hij: ,,Als het recht z’n beloop krijgt, zal dit niet de laatste keer zijn geweest dat ik hem zie.’’

rob zijlstra

>> DOSSIER GERARD MEESTERS

Het grote incident

Gewapende overvallen, kluiskraken of belastingfraude zijn misdaden die doorgaans niet in een plotselinge opwelling van het gemoed worden gepleegd. Meestal gaat aan deze misdaden denkwerk vooraf. Maar uitgerekend bij het meest kapitale delict uit het wetboek van strafrecht is het net andersom. Een moord wordt vaak wel in een plotselinge drift gepleegd. De meeste moorden zijn daarom doodslagen.

Nooit vergeet ik de man in de verdachtenbank die vertelde hoe het zo was gekomen. Hij was op klus geweest, kwam later thuis dan afgesproken en toen was zij gaan zeuren. Zoals zo vaak. Hij had afgeleerd te reageren, daar werd het alleen maar erger van. Zijn remedie: zodra zij ging jengelen, stapte hij in de auto, ging hij een kroket eten bij het tankstation en als hij dan een uurtje later voor een tweede keer thuiskwam, was de storm gaan liggen.

Op die fatale avond ging het anders. Ze bleef zemelen. In een vlaag, zei hij tegen de rechters, in een vlaag waarin alles zwart werd, greep hij naar de glazen asbak die op tafel stond en haalde uit. Zijn vrouw was op slag dood.

Wat doe je dan zodra je bent bekomen van de eerste schrik? Bel je de politie? 112? Ren je het huis uit? Moeder bellen?

Deze man dronk een flesje Heineken, overdacht zijn leven, stopte zijn geliefde in een Mickey Mouse-dekbedovertrek dat hij van de kinderkamer haalde (zachtjes om niemand wakker te maken) en begroef mama in de tuin.

Doodslag. Acht jaar en tbs met dwangverpleging, luidde de eis. De rechters vonden acht jaar voldoende. Ik moest aan die zaak denken, toen ik afgelopen week de 33-jarige Rutger in diezelfde rechtszaal hoorde praten. Tegen hem werd zeven jaar gevangenisstraf en tbs met dwang geëist.

Ook Rutger had, nadat hij bij zinnen was gekomen, zichzelf de vraag gesteld: en wat nu? Ook hij belde niet de politie. Hij legde het bebloede mes in de vaatwasser, vouwde een deken uit over haar lichaam en ging door waarmee hij bezig was. Met whisky drinken en spannende series kijken op Netflix. Na twee dagen kreeg hij contact met zijn moeder. Zij kwam direct, zij zag het verschrikkelijke en belde 112.

Rutger en Anja (zij werd 46) hadden elkaar anderhalf jaar eerder leren kennen in een kliniek. Toen ze naar buiten mochten, hielden ze contact want ze vonden elkaar leuk en aardig. Rutger, verslaafd aan cocaïne, zag misschien wel een mooie toekomst met haar. Hij ging voor drie maanden naar een afkickkliniek in Schotland en toen hij terugkeerde trok hij bij haar in. Hij voelde zich veilig bij Anja in haar huisje, op het Hogeland ver weg van de smerige drugsscene in de stad.

Van de cocaïne wist hij af te blijven, van de drank nog niet. Tegen de rechters: ‘Drinken is minder erg dan coke, van cocaïne ga je kapot.’’

Rooskleurig werd de liefde niet. Al na een paar weken kwamen er meldingen bij de politie over huiselijk geweld. Het veilige huisje van Anja werd bij de buurtagent een bekend adres, zo Rutger een bekend gezicht werd bij de slijterij in Winsum.

Tegen de rechters zegt Rutger dat het niet zo was dat er voortdurend ruzies waren. ‘In 90 procent van de tijd ging het hartstikke goed. Het was niet dat ik een kwaal was of zo. Na ruzies omhelsde ze me altijd en wilde ze dat ik bleef.’ Eén voorwaarde: niet meer drinken.

De ruzies die er wel waren, waren pittig. Als het niet over drank ging, ging het over geld en over rotzooi die Rutger, lui van aard, maakte. ‘Er ontbrak veel structuur in het huishouden’, zegt hij. Vaak werd hem de deur gewezen. Dan fietste hij, zatte kop en tegenwind, twintig kilometers naar Groningen, op zoek naar een hotel. ‘Dat heeft me klauwen met geld gekost. Als je ’s nachts bij een hotel aankomt, vragen ze woekerprijzen.’

Rechters: ‘Hoe vaak is dat gebeurd?’
Rutger: ‘Ik denk wel vaker dan twintig keer.’

Het wordt 9 februari. De dag, zegt Rutger, van het grote incident. In het Zuid-Koreaanse Pyeongchang beginnen de Olympische Winterspelen, in Noord-Groningen maken Rutger en Anja een wandeling met de hond. Het is koud. Hij is al naar de voedselbank geweest en heeft toen, stiekem, bij de slijter een fles whisky gekocht. Op het bonnetje staat dat dat om 13.49 uur was.

Om 15.11 uur start Rutger zijn computer op. Hij bezoekt de website GeenStijl en kijkt filmpjes op Dumpert. De fles is dan al aangebroken. Om 16.10 uur schakelt hij over op Netflix. Anja stuurt op dat moment een berichtje naar haar dochter die de volgende dag jarig is en 17 jaar wordt. Ook komt uit het onderzoek naar voren dat Anja om 17.30 uur een bestelling heeft gedaan op het internet: ze heeft een alcoholtester aangeschaft.

Hoe wrang, het is zo’n beetje het laatste wat ze doet. Niet lang na die bestelling moet het grote incident zijn gebeurd. Plotseling had Anja in zijn kamer gestaan. Rutger schrok, sloeg zijn glas whisky in een teug achterover en probeerde de fles met zijn voet weg te moffelen.

Hij zegt tegen de rechters: ‘Maar ze rook het natuurlijk. Ze zei dat ik weg moest. Ik dacht, niet weer dat gezeik. Ik kon nergens heen. Het was donker en koud, ik had geen zin met een dronken harses naar Groningen te fietsen en een hotel te zoeken. Ze trok aan mijn haren om mij uit huis te bonjouren. Ik werd wild. Ik duwde haar, zij viel. Toen schopte ik haar in het gezicht, een paar keer. Ik was zo razend, ik heb een mes gepakt en ben op haar gaan liggen en heb gestoken, met hakkende bewegingen.’

Veertien keer in de hals.

Rechters: ‘Heeft ze nog wat gezegd?’
Rutger: ‘Dat weet ik niet, ik denk niet dat ze daarvoor de kans kreeg. Ze begon raar te trillen, toen was ze weg.’

Om half acht wordt Rutger gefilmd in de supermarkt. ‘Ik was niet meer logisch bezig.’ Hij wilde meer drank. Hij had bedacht dat hij zich lam zou drinken, om dan halfdood het thuis in de fik te steken. ‘Dan maar zo.’

Wat doe je na zo’n plotselinge opwelling?
Rutger zegt tegen de rechters: ‘Het is niet eenvoudig te bedenken wat je moet doen als je net iemand van het leven hebt beroofd.’

Rob Zijlstra

Niet te geloven

De president van de rechtbank sprak, zo ook de eindbaas van het Openbaar Ministerie van heel Noord-Nederland en de noordelijke deken, het geweten van alle Friese, Drentse en Groningse advocaten. Op de eerste rij zat de burgemeester van de grootste stad, daarachter het volk. Veertig rechters in toga keken professioneel toe. Alleen de politie was nergens te bekennen.

Het volk was gekomen voor het feest, maar de gesproken woorden die door de lucht galmden, die de toehoorders kregen te verwerken, waren allesbehalve feestelijk. Het waren alarmerende woorden vol grote zorgen.

De bijeenkomst betrof een buitengewone rechtszitting waar drie nieuwe rechters en twee versgebakken officieren van justitie – allen al eerder door de koning benoemd – werden geïnstalleerd. Zoiets gaat gepaard met formaliteiten en felicitaties met na afloop pinda’s, bier en rode wijn.

De rechtbankpresident was heel gelukkig met haar verse rechters. Want we leven in een tijd van zowel bloei als van veel te weinig. Wie nu wil scheiden waarbij iets moet worden geregeld voor de kinderen, kan beter even wachten. Er zijn te weinig rechters om zoiets goed en op tijd voor elkaar te krijgen.

Komt het ondertussen tot echtelijk geweld in huis, dan geldt iets soortgelijks: wie vandaag nog of morgen zijn partner flink in elkaar rost, moet er rekening mee houden dat deze misdaad niet voor 2020 door een rechter wordt beoordeeld. Dat kun je, mits je de sterkste bent, ook als een voordeel zien.

Als het al tot een rechtszaak komt. Deskundige onderzoekers verkondigden niet zolang geleden dat de criminaliteit fors aan het dalen is. Terwijl velen nog twijfelden of dat wel echt waar is – ‘het is toch niet te geloven’ – meldde de politie in alle ernst dat er dit jaar 16.000 misdadige zaken in de prullenbak zijn gekieperd. Reden: er zijn te weinig rechercheurs om te rechercheren. In politiek Den Haag is zogenaamd met ongeloof gereageerd.

En het is niet alleen hommeles bij de politie. Ook de advocatuur is danig in mineur. De woorden die de deken namens de noordelijke advocaten op de bijeenkomst sprak, waren als een klontje zo klaar. De gefinancierde rechtshulp staat dusdanig onder druk dat alleen rechtzoekenden met een goed gevulde portemonnee nog kunnen rekenen op bijstand van een advocaat. De toegang tot het recht – een recht – wordt verkwanseld.

De rechtsstaat dreigt te verworden tot een juridische voedselbank, waren de weinig warme woorden die de deken sprak.

Advocaten roepen dat al een tijdje, maar menens is het. De deken hield de toehoorders voor dat Rutte en zijn troepen bezig zijn de rechtsstaat systematisch uit te hollen. Hij riep de magistraten, ook de kersverse, op de koppen bijeen te steken, de gelederen te sluiten en een list te verzinnen. Hij riep: ’Weg met het ministerie van afbraak.’ En: ‘Laten we in Noord-Nederland beginnen’.

Nu horen advocaten op de trom te slaan als minder bedeelde delen van het volk als gevolg van politieke keuzes in de knijp komen.

Wat had de president van de rechtbank Noord-Nederland eigenlijk te zeggen? Rechters – die allen tezamen de derde staatsmacht vormen – worden geacht bekwaam en bedaard te zijn en in tumultueuze tijden kalmte te bewaren.

De rechtbankpresident zei dat de samenleving als gevolg van politieke keuzes en afwegingen ontwricht dreigt te raken. Het rechtssysteem wordt door bezuinigingen (door die andere president) steeds verder uitgekleed en raakt in onbalans. De financiële situatie van de rechtspraak is ronduit zorgwekkend en dwingt tot keuzes tussen kwaden. Ook in Noord-Nederland, sprak ze.

Toen zei ze: ‘De kerntaak van de rechtspraak is om de fundamentele rechten van burgers te beschermen (…), om te zorgen dat niet de grootste mond of de dikste portemonnee het in ons land voor het zeggen krijgt, de kerntaak is om samenleven mogelijk te maken. En die kerntaak dreigt uit te hollen.’

De rechtbankpresident na kalm beraad: ‘Ik realiseer me dat ik grote woorden gebruik. Maar dit is wel wat het is: ontwrichting van de samenleving.’

De deken knikte instemmend.
De hoofdofficier van justitie liet een ander geluid horen. Een officier van justitie staat natuurlijk ook het dichtst bij de minister en het ministerie van justitie, het dichtst bij wat de deken het ministerie van afbraak had genoemd. Dan moet je op je woorden passen.

De hoofdofficier beperkte zich tot de geruststellende opmerking dat ondanks de interne commotie bij het Openbaar Ministerie (opstappende en met elkaar rollebollende officieren) de integriteit nog wel hoog in het vaandel staat. Dan weten we dat.

Dat het in de wereld hoog aangeschreven Nederlandse rechtssysteem piept en kraakt uit zich niet alleen in woorden vol zorg, maar is vrijwel dagelijks in de rechtszaal te horen als nagels die over het schoolbord krassen.

In april 2014 sloeg David in Groningen Azziz Barre, een verwarde man, met een vuistslag in het gelaat. Azziz Barre, eens kindsoldaat in Afrika, klapte achterover, met het hoofd op de stoeprand van de Korreweg. Dood. David zei dat hij werd aangevallen, maar dat was niet zo.

De rechtbank veroordeelde hem in januari 2015 tot twee jaar celstraf wegens zware mishandeling met de dood tot gevolg. De vuistslag was niet bedoeld geweest om te doden. De verdachte David was het er desondanks niet mee eens en ging in hoger beroep. Bijna vier jaar lang lag de zaak ergens in het piepende systeem te verstoffen. Niemand weet waarom. Het gerechtshof deed afgelopen week uitspraak: omdat het veel te lang heeft geduurd, alleen daarom, kreeg David korting in de vorm van een lagere straf. Twintig maanden.

De zaak van Gert is ook niet te geloven. In 2015 werd Gert veroordeeld omdat hij zich in 2014 ontuchtig bezig had gehouden met kinderporno en jonge meisjes in Stadskanaal. In november 2016 ging hij opnieuw in de fout, het slachtoffer was nu een meisje van 13 jaar.

Afgelopen week, twee jaar na de aanhouding, moest Gert zich dan eindelijk verantwoorden. De officier van justitie zei dat ze 24 maanden celstraf zou kunnen eisen. Maar dat ze dat niet ging doen. Want zij, dus het Openbaar Ministerie, heeft de zaak veel te laat aan de rechtbank voorgelegd. Om zichzelf in te peperen dat het zo niet langer kan, eiste ze voor straf twaalf maanden, daarvan de helft voorwaardelijk. Ze zei nog wel: ’Het is spijtig voor iedereen.’

Het is meer dan spijtig, maar zo rolt de rechtspraak momenteel.

Rob Zijlstra

klik op afbeelding voor speech zoals die tijdens de installatiezitting is uitgesproken

 

Grootste crimineel

Ik ga naar Parijs.
En wel hierom.

 De uit Nottingham afkomstige Robert Dawes geldt als een van de grootste criminelen van Europa. Drugs en geweld zijn zijn ding. Jaren gaf hij leiding aan een drugsorganisatie die actief was in Engeland, Spanje, Italië, Dubai, Zuid-Amerika, Afghanistan, Turkije. En in Nederland. In Groningen.

Misschien nu nog wel.
Want maffia.

Jaren achtereen wist Robert Dawes op onnavolgbare wijze uit handen te blijven van justitie, dan wel kwam hij na arrestaties steeds weer op wonderlijke wijze op vrije voeten.

In december 2015 werd hij in Spanje gearresteerd en overgedragen aan Frankrijk. In Frankrijk wordt Dawes verdacht van het smokkelen van 1300 kilo cocaïne (straatwaarde 50 euro per gram) van Venezuela naar Parijs.

Vanaf 10 december 2018 staat hij met anderen terecht. Voor het proces zijn elf dagen uitgetrokken.

In november 2002 – nu 16 jaar geleden – werd in Groningen de 52-jarige onderwijzer Gerard Meesters in de hal van zijn woning aan de Uranusstraat doodgeschoten. Gerard Meesters was een onschuldige burger, met criminaliteit had hij niets te maken. De schutter kreeg levenslang, medepleger Steven Barnes 8 jaar cel, de opdrachtgever voor deze liquidatie gaat – vooralsnog – vrijuit: Robert Dawes.

Ik ga naar Parijs met Koen Meesters.
Koen is de zoon die in november 2002 getuige was van de moord op zijn vader.
Hij zag het gebeuren.

Eind vorig jaar deden hij en zijn zus bij het Openbaar Ministerie aangifte tegen Robert Dawes.
Sindsdien is de politie ermee bezig, de politie wil wel.
Sindsdien is justitie ermee bezig.

Ik ga met Koen Meesters naar Parijs.
Omdat we de man willen zien, willen aanschouwen, die opdracht gaf tot een weerzinwekkende moord.

Samen gaan we naar Parijs om de man te zien die – als de internationale rechtsstaat rechtvaardig functioneert – eens terecht zal staan in zittingszaal 14.

De wet in Nederland zegt dat het geven van een opdracht een moord te plegen net zo erg is als het uitvoeren van die opdracht. Voor drugssmokkel door heel de wereld kan Robert Dawes in Frankrijk een jaar of tien, vijftien krijgen. Voor de opdracht in Groningen levenslang.

Wij gaan naar Parijs in de hoop dat het recht zal zegevieren.

Rob Zijlstra

ACHTERGRONDEN: dossier Gerard Meesters

Vanaf zondag 9 december doe ik op deze plek verslag van ‘Parijs’. 

Gediskwalificeerd

De officier van justitie heeft besloten dat hij het hard gaat spelen. Hij zal geen begrip tonen en als hij praat zal hij boos praten. Tegen de krant hadden de twee verdachten gezegd dat ze ervan uitgaan dat de rechtszaak zal meevallen. Want, zeiden ze, wij zijn natuurlijk geen criminelen. De officier van justitie tegen de rechters: ‘Nou, daar denkt het Openbaar Ministerie dus even heel anders over.’

De toon is gezet en die zal ook niet meer matigen.

Als de advocaat van de verdachten aan het einde van de zitting de rechtbank voorhoudt dat verdachten op leeftijd – hij is 67, zij 68 jaar – niet thuishoren in de gevangenis, veert de officier van justitie op. Gebelgd: ‘Wij sturen wel oudere criminelen naar de gevangenis.’

De verdachten zijn een echtpaar. Het zijn Henk en Gerda, het juweliersechtpaar dat blinkende zaken dreef in Veendam en Stadskanaal. Een leven lang werkten ze zij aan zij en kneiterhard. Samen bouwden ze iets moois op. Een huis aan het water in Blauwestad, een tweede huis in de behaaglijke Spaanse zon, vermogen voor de kinderen, altijd fijne auto’s om in te rijden. En ook landelijke faam, vooral toen Henk een publiciteitsstunt bedacht. Hij maakte een gouden elfstedenkruisje voor Piet Kleine die op 4 januari 1997, op de dag der dagen, in Hindeloopen vergat te stempelen en daarom door het elfstedenbestuur werd gediskwalificeerd. Henk maakte  het goed.

En nu zitten Henk en Gerda in de verdachtenbank, opgescheept met een in hun ogen kwaadaardige officier van justitie die zonder genade tegen beiden gevangenisstraffen eist van vijftien maanden.

Henk en Gerda zouden zich schuldig hebben gemaakt aan faillissementsfraude. Daarmee is bruut een einde gekomen aan de goede naam en faam van dit nu criminele echtpaar, zegt de officier van justitie. Door wat ze deden en nalieten te doen, hebben ze niet alleen de Rabo gedupeerd, maar hebben ze ook hun leveranciers met onbetaalde rekeningen laten zitten.

De aanklager: ’Je kunt zeggen dat ze van hun leveranciers hebben gestolen. Na het faillissement deden ze alsof er niets aan de hand was, ze vluchtten het land uit en zetten hun luxe leventje voort in Spanje. Ze wisten zelf wel wat goed voor hen was en daarmee speelden ze voor eigen rechter.’

Wie failliet wordt verklaard mag de broek aanhouden, maar verder dient alles ten behoeve van de schuldeisers in handen te worden gegeven van de curator. Henk en Gerda verzwegen het bestaan van garageboxen in Winschoten vol huisraad, ze smoesden niks over 75.000 euro in contanten, verstopt in een schoenendoos in de inloopkast. Ze verkochten hun villa in Spanje en staken de opbrengst – 180.000 euro – in eigen zak.

Henk en Gerda: ‘We waren ons van geen kwaad bewust.’
Rechters: ‘U bent failliet en casht 180.000 euro en dan denkt u er niet bij na om dat te melden? Leg dat nou eens uit.’
Henk: ‘Onze intenties waren goed.’
Rechters: ‘Wij kunnen niet in uw hoofden kijken, daarom kijken we naar uw gedragingen.’
Henk: ‘We zijn een beetje naïef geweest.’

Wat tot nu toe onvermeld is gebleven in dit verslag is dat de emoties tijdens de rechtszaak hoog opliepen. Al bij aanvang sloeg Henk met zijn vlakke hand herhaaldelijk hard op het houten tafelblad. Met luide en overslaande stem riep hij dat de Rabobank hem kapot heeft gemaakt, dat de Rabo een vijand was die maar één doel had: hem vernietigen. En dat hij daar ziek van is. He-le-maal leeg. Lamgeslagen. Kapot.
De rechters, vriendelijk: ‘Fijn dat u dit even heeft kunnen zeggen, dat de frustratie er nu uit is.’

Het is niet alleen boosheid wat door de rechtszaal schalde, er klonk ook bitterheid en ja, ook wanhoop.

Henk en Gerda zeggen dat als ze alles vooraf hadden geweten, dat ze het nu anders zouden doen. Zoals het hoort. Ze werkten tachtig uren in de week, of nog meer, en de bedrijfscijfers waren goed, vertelt Henk als hij is bedaard. Probleem: ‘De cijfers waren voor de ratten van de Rabo niet goed genoeg.’ Eind 2015 trok de bank de stekker uit het bedrijf en was het faillissement onafwendbaar. Henk: ‘Maar er waren oplossingen, we hadden vermogen, maar de Rabo wilde maar één ding, wij moesten kapot.’

Rechters: ‘Wat is er met die 180.000 euro gebeurd?’
Gerda, de rust zelve: ‘Daar hebben we van geleefd. En we hebben onze dochter en schoonzoon geholpen met het opzetten van een nieuwe zaak.’
Henk, weer over de toeren: ‘Want als je kinderen hebt, dan help je die. En dat zou ik weer doen. Dat doe je voor je kinderen.’ Een van de rechters merkt op dat leveranciers met onbetaalde rekeningen misschien ook wel kinderen hebben.

Er gaan jaarlijks duizenden personen en ondernemingen failliet. Volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek is er in dertig procent van de faillissementen sprake van onrechtmatigheden en strafbare feiten. Duizenden criminele gevallen dus, waarvan misschien maar één of twee procent – mijn inschatting – wordt voorgelegd aan strafrechters. Waarom moeten uitgerekend Henk en Gerda zich verantwoorden? En ook hun dochter (‘ik zit hier fucking onschuldig’) en ex-schoonzoon (‘spijt van’)? Dochter en ex zijn medeverdachten, ze zouden fout geld van Spanje naar de inloopkast hebben vervoerd.

Een antwoord komt niet. Misschien was het daarom dat een van de drie rechters – scherp en indringend – vragen begon te stellen, waarbij ze zei: ‘Ik probeer u ook een beetje te helpen’.

De rechter gelooft niet dat Henk en Gerda naïef zijn geweest. De rechter: ‘Ik heb een ander beeld en dat wil ik u graag voorhouden, want dat vind ik wel zo eerlijk.’ Ze zegt: ‘U heeft dus altijd hard gewerkt. U zegt dat u naïef bent geweest en dat wat u heeft gedaan in het belang was van de kinderen. En daar kan ik mij ook nog wel iets bij voorstellen. Maar we hoeven er niet omheen te draaien? Zeg nou eerlijk, u wist toch dondersgoed dat wat u deed, dat dat niet goed was?’

Het wordt stil, Henk en Gerda zwijgen.
De rechter: ‘Ik zie dat u allebei knikt. Dank u wel.’
Lag daar zomaar ineens een bekentenis.

De vraag die dan rest is of criminelen als Henk en Gerda vijftien achtereenvolgende maanden in de gevangenis moeten verblijven? Dus of zij op hun leeftijd moeten worden gediskwalificeerd?

De uitspraak komt eraan.

Rob Zijlstra

UPDATE – 29 NOVEMBER 2018 – UITSPRAAK
Een diskwalificatie van acht maanden is het geworden, hij in de mannengevangenis, zij in de vrouwengevangenis. En ze moeten daarna ook nog werken: 240 uren p.p. De motivering van de rechtbank staat (uiteraard) in het helder geschreven vonnis [klik op afbeelding]

vonnis

 

Ontzettend Vindicat

Eigenlijk ging het kort na aanvang van de zitting al mis. Wouter (25) vertelt dat hij ontzettend blij is dat het goed gaat met het slachtoffer, dat hij het ontzettend fantastisch vindt dat het slachtoffer volop meedoet aan de activiteiten van het studentenleven. ‘En zijn vrienden groeten mij ook gewoon.’

Dus…

Maar tijdens de zitting blijkt dat de ontzettende blijdschap van Wouter voorbarig is. Het gaat helemaal niet goed met Rogier, het slachtoffer. Nog steeds stekende hoofdpijnen, nog altijd concentratieproblemen. En vrienden mogen dan gewoon groeten, het slachtoffer zelf durft niet eens de rechtszaal te betreden waar Wouter in de verdachtenbank zit. Rogier zit met zijn familie elders in het Paleis van Justitie waar het hoger beroep dient. Hij heeft opnieuw een schadeclaim ingediend van ruim vijfduizend euro. Wouter wil niet betalen.

De advocaat-generaal (zo heet de officier van justitie in hoger beroep) vraagt het gerechtshof Wouter B. wegens zware mishandeling te veroordelen tot de straf die de rechtbank in Groningen een jaar geleden opgelegde: 31 dagen cel waarvan 30 dagen voorwaardelijk en een taakstraf van 240 uur. En het betalen van de schadeclaim.

Student bedrijfskunde Wouter B. was in augustus 2016 als prominent lid van Vindicat belast met het toezicht op de ontgroeningsrituelen. In die functie was hij , broodnuchter, op het hoofd gaan staan van Rogier die op dat moment (rond 18.00 uur) op een met glas bezaaide betonnen vloer lag in een kelder van het naar verschaald bier riekende pand van de studentenvereniging aan de Grote Markt in Groningen. Rogier lag op de buik, rechterwang op het beton. Het deed ontzettend zeer.

Wouter deed het niet om dit aankomende Vindicatgroentje eens even flink de les te lezen, niet om wraak te nemen vanwege een eerder incident, het was niks persoonlijks. En hij deed het ook niet omdat hij zelf niet helemaal goed bij zijn hoofd is. Wouter deed het, zegt hij tegen de raadsheren, om de spanning iets op te voeren.

Tijdens de rechtszaak in Groningen was de deur naar die kelderruimte – bij Vindicat noemen ze die ruimte het tennishok – op een kiertje gezet opdat wij stervelingen voor even een blik naar binnen konden werpen. Glas dus op de vloer, glas van kapot gegooide bierflesjes. Pikkedonker. Op een tafeltje een paar kaarsen voor licht schijnsel. In het schijnsel zijn mensfiguren te zien die in een rare houding – negentig graden – tegen de muur leunen terwijl ze, met de vingers in de oren, zoemende geluiden maken. Dat moet. Af en toen worden voeten onder de kont weggeschopt (‘vegen’). De figuren vallen dan om. En in die omstandigheid ligt Rogier op de buik in het glas. En voert Wouter met zijn geschoeide voet de spanning iets op.

Strafrechtadvocaat Tjalling van der Goot (een geldinzamelingsactie was niet nodig) vindt de veroordeling niet terecht. De rechtbank heeft de conclusie (schuldig) gebaseerd op verkeerde feiten.

De raadsheren willen het van Wouter weten en vragen: ‘Waarom bent u in hoger beroep gekomen?’ Het blijkt te maken te hebben met eerlijkheid. Wouter: ‘Ik vind eerlijkheid ontzettend belangrijk. En mijn veroordeling is niet eerlijk. Daarom.’

Hij had ook gezegd dat hij spijt heeft, maar ook dat ‘een stukje vernedering’ nu eenmaal bij ontgroening hoort.
De raadsheren vragen: ‘Maar waar heeft u dan spijt van?’
Wouter, na veel omhaal van woorden: ‘Het was te vernederend. ’
Raadsheren: ‘Met vergaande consequenties voor het slachtoffer. Toch?’
Wouter, als een politicus: ‘Wij hebben ons ontzettend veel zorgen over hem gemaakt.’

In het ziekenhuis werd even gevreesd voor Rogiers leven. Hersentrauma, mogelijk een schedelbreuk. Hij durfde aanvankelijk geen aangifte te doen. Sterker, aanvankelijk durfde hij buiten zijn familie om er met niemand over te praten. Als aspirant-lid van Vindicat had hij een geheimhoudingsverklaring ondertekend. Bij de politie kwam de eerste melding binnen via Meld Misdaad Anoniem: ‘In de sociëteit van Vindicat worden feuten mishandeld.’

Wouter ontkent niet dat hij op het hoofd van Rogier is gaan staan. Dat wil zeggen, hij heeft zijn voet op het hoofd geplaatst, maar dat deed hij gecontroleerd, beheerst, met de hak op de grond en hij zette geen druk. Dat Rogier gilde van de pijn hebben sommigen wel en anderen niet gehoord. Wouter niet. Hoe dan toch dat nare letsel? Wouter zou dat niet weten.

Getuigen verklaarden dat Wouter volledig opging in zijn rol van de ontzettende vernederaar. Een getuige: ‘Hij was ‘qua gefuck keihard’, om bang van te worden.’

Wouter B. werd door zijn vereniging (‘waar ik een ontzettend leuke tijd heb gehad’) geroyeerd en maakte zijn studie in Amsterdam af. Nu probeert hij werk te vinden, maar hij heeft inmiddels ontdekt dat werkgevers weten wie Wouter B. is. En dan willen ze hem niet. Dat is de schuld van de media, vindt B. Zijn boodschap aan ons, de boodschappers van het nieuws: ‘Ophouden.’

In een verklaring die wordt voorgelezen in de rechtszaal laat Rogier weten dat hij hoopt dat hij het laatste slachtoffer is van mishandeling tijdens ontgroeningen in Nederland. Wouter is het daar vast ontzettend mee eens, maar hij en zijn advocaat zien het wel anders. De advocaat tegen de raadsheren: ‘U moet geen moreel oordeel vellen over ontgroening, u moet oordelen over de strafbaarheid en dat moet u doen op basis van de feiten.’

Volgens Tjalling van der Goot is zwaar letsel niet vastgesteld en dan kan van zware mishandeling geen sprake zijn. De advocaat noemt het griezelig dat de rechtbank zonder meer aanneemt dat het slachtoffer een schedelbreuk opliep. Feiten, zegt hij, moet je niet invullen. ‘Feiten liggen er.’

Hooguit, vervolgt de advocaat, is er sprake van een eenvoudige mishandeling en dan moet de setting in acht worden genomen. Was er sprake van intimidatie? ‘Jazeker, want ontgroening is bedoeld om te intimideren. Het is een spel, een act. De leden zijn niet werkelijk kwaad, maar doen alsof. Om een dikke huid te kweken bij nieuwe leden.’

En: ‘Dat Wouter spijt heeft, mag niet worden uitgelegd als een schuldbekentenis. Hij is onvoorzichtig geweest, wat onhandig. Maar een onlust veroorzakende gewaarwording is niet per definitie een strafbaar feit.’

Dus… vrijspraak.

In de rechtszaal in Groningen zei Van der Goot het zo: ‘Vrijheid is ook dat de mens tot op zekere hoogte zelf mag bepalen wat hij lijden wil.’

Komende week doet het hof uitspraak en ik denk dat Wouter B. het daar ontzettend mee oneens zal zijn.

Rob Zijlstra

update –  22 november 2018 – uitspraak

Doe nooit een toespeling op de uitkomst van een rechtszaak. Ik denk (pas op) dat Wouter B. het  nu vast wel een beetje eens is met de uitkomst van het hoger beroep: geen werkstraf van 240 uur, maar een boete van 1000 euro. Geen zware mishandeling of poging daartoe, maar een eenvoudige mishandeling. En geen veroordeling tot het betalen van schadevergoeding.

Het hof volgt deels het betoog van advocaat Van der Goot. Niet helemaal, want de mishandeling is wel bewezen. Het hof stelt, anders dan de rechtbank, dat niet is vast komen te staan dat het slachtoffer een schedelbasisfractuur heeft opgelopen.  Over de mishandeling zegt het hof dat Wouter B, het slachtoffer niet alleen pijn heeft gedaan, maar hem ook heeft vernederd.  Kosten: 1000 euro.

aanvulling
Advocaat Tjalling van der Goot laat weten dat B.  erg tevreden is met de uitspraak. En dat ik gelukkig geen rechter, maar journalist ben geworden.  En zo is het.

Voor het volledige arrest (klik op onderstaande afbeelding):

vindicat

klik op afbeelding

 

 

Mores
Onderstaande is een fragment van het requisitoir van de advocaat-generaal Marina Weel. De opname is gemaakt door het Openbaar Ministerie en zonder toestemming hier geplaatst. Omdat het OM de opname via twitter heeft verspreid, is volgens mij toestemming ook niet nodig.

De afrekening

Het begin van een verhaal vangt aan met een eerste zin om te eindigen met de laatste. Maar in het echt kent een gebeurtenis begin noch einde. Er is altijd een vooraf en na de laatste zin gaat het verhaal voor betrokkenen gewoon door. Maar dat lees je dan niet.

Herman antwoordt: ‘Beroerd ja. Ik heb evenwichtsstoornissen. En concentreren lukt ook niet. Ik voel me een kluizenaar. Ik laat de hond uit, dat is het wel. Het komt allemaal daardoor.’

De rechters zeggen dat ze hebben gelezen in het rapport van de reclassering dat hij nu een scootmobiel heeft. Herman, bijtend: ‘Het is geen pretje hoor om in zo’n ding rond te rijden.’ Wat denken ze wel.

Met venijn: ‘Die hele fles staat in mijn kop.’

Herman heeft al tientallen keren in de verdachtenbank gezeten. Drugs. Toen hij 16 was, had-ie z’n eerste veroordeling aan de kont. Hij is nu 55. Het gaat beter. Hij trok als ervaringsdeskundige langs scholen, om scholieren te behoeden te worden zoals hij. En dus dat ze met hun poten van die rotdrugs moeten afblijven. De laatste jaren leeft hij via trajecten der hulpverlening in de schaduw van zijn criminele verleden. De laatste veroordeling dateert uit 2010. Fietsendiefstal.

Zegt: ’En ik ben ook doof. Dat komt er ook door.’

Hij was op weg naar zijn vriendin, op de ochtend van de een na laatste dag van het jaar. De jaarwisseling wilde hij bij haar doorbrengen. Bij de afdeling drank van de Jumbo in het FC-voetbalstadion kocht hij ook daarom een fles Amaretto. Verder fietsend schoot door zijn hoofd dat zijn vriendin misschien ook wel een fles zou lusten. Hij kent haar. En dus stopte hij bij de slijterij aan de Meeuwerderweg, toen net open.

De slijter stond bij de toonbank, in gesprek met een vrouw. Hij was doorgelopen naar achteren waar de flessen Amaretto staan. Dat wist hij, want hij kwam er vaker. En toen? Herman zegt dat hij niet alles meer precies weet. Hij is niet alleen veel van zijn zelfstandigheid verloren, maar is ook vergeetachtig geworden.

De slijter had hem aangesproken en Herman was toen boos geworden vanwege de valse beschuldiging. Hij had de fles Amaretto op de toonbank gezet, om af te rekenen. De slijter zag de fles in zijn jas. Ja, zegt Herman, dat was dus de fles van de Jumbo.

Een vreselijk misverstand of niet, de afrekening mislukt en Herman ligt niet veel later in het ziekenhuis waar hij een spoedoperatie moet ondergaan. Artsen hadden zijn schedel moeten lichten om de druk weg te halen. Er zijn bloedingen. Dagenlang is zijn toestand kritiek en moet hij vechten voor zijn leven. Daarna volgt een maandenlange revalidatie in Beatrixoord. Pas na vijf maanden kan hij door de politie worden gehoord.

Had hij in de winkel met flessen gegooid? Etalageruiten aan diggelen? Herman zegt dat het kan, maar dat hij dat nu niet meer weet. Wat hij wel weet is dat die man hem eerst ten onrechte beschuldigde en hem vervolgens bijna heeft doodgeslagen. Met een fles champagne.

Een verhaal kan op veel manieren worden verteld.

Bernard is de man van de slijterij. Hij vertelt dat hij de dag was begonnen met spiegelen (dat doen winkeliers). Daarna had hij een eerste klant geholpen, een vrouw. Terwijl hij haar hielp, zag hij een wat groezelige man binnenkomen die direct doorliep naar achteren. Tegen de rechters: ‘Toen hoorde ik een ritssluiting, daarna het geschuif van een fles en toen weer de ritssluiting.’

Bij de toonbank had Bernard gevraagd of hij in de jas mocht kijken want hij vermoedde diefstal. Niet alleen vanwege ritsgeluiden. Een derde aanwezige klant had hem een veelbetekenende knipoog gegeven. Toen wist hij met zijn ervaring – nog een jaar en dan pensioen – genoeg.

En toen?
Bernard: ‘Escalatie. Hij ging door het lint. Paniek.’
Een buitenstaander ziet dat er in de winkel een worsteling is en houdt de deur dicht om te voorkomen dat er mogelijke winkeldieven vandoor gaan. De veelbetekenende knipoogklant helpt mee te worstelen. Er vliegen flessen door de lucht. Bernard: ‘Ik was angstig. Ik was bang dat hij mij zou doodslaan.’

En toen?
Bernard: ‘Toen heb ik hem een tikje gegeven. Met een fles, vanuit de pols’

Herman en Bernard zitten na elkaar in de verdachtenbank. De fles met champagne woog 1.568 gram.

Bernard wil 7.000 euro hebben van Herman. Schadevergoeding. Sinds de gebeurtenis, straks twee jaar geleden, zit hij ziek thuis. Eet slecht. Slaapt slecht.

De advocaat van Herman: ‘Je moet maar durven. Eerst sla je bijna iemand dood en dan wil je nog geld hebben ook.’

Herman vordert op zijn beurt 21.000 euro van Bernard. Herman zal niet volledig herstellen, maar last blijven houden van restverschijnselen. Dat hebben de artsen gezegd. De scootmobiel brengt weinig verlichting, de gehoorapparaatjes zijn peperduur.

De advocaat van Bernard: ‘Mijn cliënt kreeg in 2013 een waarschuwing van zijn werkgever. Er werd te veel gestolen als hij aan het werk was. Hij moest beter op winkeldieven letten.’

Mag een winkelier een winkeldief op de kop slaan? Bijna dood het ziekenhuis in? Eigenlijk niet, maar in bijzondere gevallen weer wel, zegt de officier van justitie. In dit geval? De aanklager: ‘Er was sprake van een ogenblikkelijke aanranding van lijf en goed. De reële mogelijkheid tot onttrekking aan de situatie ontbrak. Er was sprake van een hevige gemoedsbeweging.’

Oftewel: van het Openbaar Ministerie mocht de winkelier in dit geval de vermeende Amaretto-dief met een champagnefles de kop inslaan. Noodweer (-exces). De officier vraagt de rechtbank daarom om Bernard te ontslaan van alle rechtsvervolging. Dan kan hij geen straf krijgen. Tegen Herman eist ze een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden wegens diefstal met geweld. Voorwaardelijk, omdat ze rekening wil houden met zijn toestand.

De advocaat van Herman zegt dat Herman al is gestraft, omdat de winkelier voor eigen rechter heeft gespeeld. Tegen de echte rechters: ‘Uw werk is al gedaan.’

In de rechtszaal zit ook de eigenaar van de slijterij, de werkgever van Bernard. Hij wil ook een schadevergoeding want re-integratie van de al bijna twee jaar zieke werknemer kost klauwen met geld. Zegt: ‘Ik vind het voor beiden heel erg, maar voor mij is dit ook een drama.’ Hij vertelt dat hij anders zou hebben gehandeld. En dat het dan niet was gegaan zoals het is gegaan.

Maar hoe dat zit, dat lees je dan niet.

Rob Zijlstra

update – 15 november 2018 – uitspraak
Conform. Conform. Dus Herman heeft twee maanden voorwaardelijke celstraf gekregen, een waarschuwing dus. Hij moet Bernard zo’n 3.000 euro betalen. En Bernard is ontslagen van alle rechtsvervolging en hoeft niks te betalen. De vordering die de slijter als werkgever indiende, is afgewezen. Hieronder het vonnis van Bernard [klik op afbeelding].