Politici en criminelen

Er komen zelden tot nooit geïnteresseerde politici in zittingszaal 14. Ja, als verdachten. In de afgelopen vijftien jaar zag ik een paar leden van Provinciale Staten – twee dacht ik – en een handvol gemeenteraadsleden vreesachtig langskomen. De heren politici deden in drugs, aan weerzinwekkende ontucht met hun kinderen of ze kwamen als dief. Maar nooit kwam er eentje uit belangstelling, om het oor te luister te leggen.

Uitzondering is PvdA’er Tjeerd van Dekken.

Hij belde eens toen hij nog lid was van de Tweede Kamer. Of hij een dag mee mocht lopen in zittingszaal 14? Mocht. Ik zei dat hij wel zijn mond moest houden omdat nu eenmaal is afgesproken dat leden van de wetgevende macht in de rechtszaal niets te zeggen hebben.

Het idee dat volksvertegenwoordigers belangstelling tonen voor de gang van zaken van de dagelijkse praktijk is daarentegen niet een heel wilde gedachte. Het recht is het geweten van de samenleving en strafzaken laten ons zacht gezegd niet onberoerd, schreef eens een rechtsgeleerde in een boek.

Komt bij dat de strijd tegen het ondermijnende kwaad niet alleen in de rechtszaal wordt gestreden. Steeds vaker wordt een beroep gedaan op het openbaar bestuur, met de burgemeester voorop. Politie en justitie kunnen het niet (meer) alleen. ’t Moet integraal. Dus ook in die zin zou het nogal wiedes zijn dat in vijftien jaar tijd meer dan één politicus, lokaal of regionaal, eens kwam buurten. Ik bedoel, ze hebben de mond vol van veiligheid en de stevige aanpak en ze gaan toch ook naar FC Groningen?

Dus. Stel er komt zo’n gekke dag waarop een politicus zich meldt omdat zij (’n hij kan ook) wil weten hoe het nou eigenlijk gaat. Niet hoe op papier of in de rapporten, maar hoe het is gesteld met de misdaadbestrijding in de rechtszaal.

Ik zou allereerst vertellen dat het geen zin heeft alle Marokkanen de schuld te geven. Dit jaar waren er in zittingszaal 14 nog maar twee Marokkaanse verdachten, heel vorig jaar vier. Minder kan echt niet. Een van die vier werd ook nog vrijgesproken.

Ik zou vervolgens aan mijn gast vertellen dat het probleem niet zozeer bij de criminelen ligt, dat zou te gemakkelijk wezen. Nee, geachte politicus, het is het systeem dat piept en kraakt. Bij de politie is de boel nog lang niet op orde, bij justitie belazeren ze weinig integer elkaar en in de gebouwen van de rechtbanken en gerechtshoven lopen de rechters ontevreden en overwerkt in de rondte omdat ze met te weinigen zijn.

Ik zou proberen, want het ligt gevoelig, op het juiste moment op te merken dat ‘jullie politici’ met ’jullie politieke partijen’ bezig zijn de rechtsstaat uit te hollen. En dat het gevolg daarvan is dat we meer krijgen van wat we niet willen, terwijl het goede dat we hebben minder wordt.

Of de criminaliteit stijgt of daalt, waar of daar, procentje meer of minder, dat is zo niet interessant. Ook in de veiligste woonwijken van Nederland wordt ingebroken. Je kunt zomaar slachtoffer worden van een gek en geen instelling die dat kan voorkomen. Ja, de criminaliteit kan helaas zomaar heel dichtbij komen. Uitzendingen van Opsporing Verzocht leiden tot meer gevoelens van onveiligheid dan dat het misdaad oplost. Maar, mevrouw, meneer van de politiek, dit terzijde.

Ik zou wel vertellen dat in het gebouw van het Openbaar Ministerie Noord-Nederland aan de Paterswoldseweg in Groningen, op het randje van Drenthe en waar ook Friesland in is ondergebracht, planken in kasten kreunen onder het toenemende gewicht van strafdossiers die wachten op behandeling en beoordeling door rechters. In de rapporten en jaarverslagen – zou ik tegen de geïnteresseerde politicus zeggen – worden dat doorlooptijden genoemd. In de praktijk is doorlooptijd een synoniem van machteloosheid van slachtoffers van verkrachting en seksueel misbruik die met het leven op de kop in onzekerheid wachten en maar wachten.

Ik zou ook vertellen dat jullie politici soms worden beduveld waar jullie bijstaan. Voorbeeld. In mei 2016 deden 175 agenten van de politie invallen op negentien locaties (woningen en bedrijfspanden) in Groningen, Hoogezand, Appingedam, Uithuizen en Eelde. Er werden dertien mensen van 26 tot 61 jaar gearresteerd en opgesloten. Wij van de pers waren vooraf geïnformeerd zodat wij journalisten aanwezig konden zijn bij de invallen. Burgemeesters stonden klaar ons vooringenomen te woord te staan.

In een persbericht maakte de politie wereldkundig dat er 25 kilo gedroogde hennep, dure auto’s, sieraden, 100.000 euro aan contant geld in beslag was genomen en dat er beslag was gelegd op woningen en bankrekeningen van verdachten. Serieuze shit dus. De burgemeesters zeiden dat ondermijnende criminaliteit onze maatschappij verzwakt en ontwricht, nee maar, dat het een aantasting is van onze rechtsstaat.

En? Dus?

Het werk van 175 agenten ten spijt, de opgepakte verdachten hebben ruim drie jaar na dato de rechtszaal nooit gezien. Het rechercheonderzoek dat leidde tot de actie en dat al in 2014 was begonnen, bracht ontiegelijk veel werk, maar leverde uiteindelijk niets op. Het recht, het geweten van de samenleving, was nergens. Zo kun je het ook zeggen.

Deze kwestie staat niet op zichzelf, zou ik benadrukken. Ik zou een lijst kunnen laten zien met voorbeelden van misdaden die wel de media haalden, maar waarvan de rechtszaal verschoond is gebleven.

Het klopt wat regelmatig in de krant staat. Uiteraard klopt dat. Dat verdachten die schuldig worden bevonden aan een misdrijf een korting op de straf krijgen omdat de behandeling van de zaak in de rechtszaal veel te lang op zich heeft laten wachten. Het komt voor dat mensen zich de komende week, dus nu pas, voor de strafrechter moeten verantwoorden omdat ze in 2014, 2015 iets lelijks hebben geflikt. Of niet.

Ik zou ook vertellen dat de reguliere strafrechtspraak de komende vier weken in Groningen op een laag pitje staat vanwege het megaproces rond voormalige leiders van de inmiddels verboden motorclub No Surrender, ondermijners van de bovenste plank. Dat proces begint maandag en gaat vooral om geweld binnen de motorclub, in 2014, 2015 en 2016, tussen motormannen onderling.

En wat als de geïnteresseerde politicus aan het einde van de dag dan vraagt: En? Dus?
Ik zou dan antwoorden dat de meervoudige strafkamer van de rechtbank in Groningen de voorbije vijftien jaren per jaar zo’n 300 tot 350 ernstige strafzaken behandelde. En dat dat dit jaar zal blijven steken op een kleine 200. Dat wordt nogal een feit.

Bellen kan altijd. Zo nodig allemaal tegelijk.

Rob Zijlstra

de rechtsgeleerde en het boek → Ybo Buruma, Geen blad voor de mond (2011), bladzijde 8

Dom, dom, dom

De rechter kijkt zonder iets te zeggen indringend naar de verdachte die in een strak lichtblauw pak, wit overhemd, voor hem zit. Dan: ‘Ik snap u niet. U had het goed voor elkaar. Uw proeftijd verliep voorspoedig. U had een huurwoning, een vrijwilligersbaan bij de kringloop. En dan dit.’ De verdachte buigt het hoofd. Mummelt: ’t Was dom.’

Hij snapt op zijn beurt donders goed wat de rechter bedoelt.
Rechter: ‘Hoe kan iemand zo zijn eigen glazen ingooien?’
Errol: ‘Dom, dom.’
Rechter: ‘U heeft niet eens een drugsprobleem.’
Errol: ‘Dom, dom, dom.’

Errol zou heel de rechtszaal wel met dit kleine woordje willen vullen. Misschien, heel misschien als de rechters inzien dat hij echt spijt heeft van zijn domme, domme daad, dat het dan qua straf meevalt. Hij vraagt om genade. Tegen zijn rechters, ootmoedig: ‘Heb medelijden met mij. Het was niet de bedoeling.’

Errol gehoorzaamt niet aan de regels van het spel zoals die aan het strafrecht zijn toegedicht. De bedoeling is dat als je een straf krijgt opgelegd, bijvoorbeeld een gevangenisstraf, dat je daar iets van leert zodat je, eenmaal weer vrij, niet opnieuw in de fout gaat. Dat je het niet nog een keer flikt.

De meeste mannen die worden veroordeeld zijn niet zo dom, maar trekken lering en houden het bij een eenmalige veroordeling. Recidivisten bestaan, maar zijn nog altijd in de minderheid. Zolang dat zo blijft, zullen strafrechters steeds maar weer nieuwe, eenmalige criminelen naar de gevangenis sturen. Zouden alle mannen als Errol zijn, dan zouden we iets anders moeten verzinnen.

Errol, hij is 48 jaar, heeft zich in oktober vorig jaar in Sappemeer schuldig gemaakt aan een woningoverval. Dat was niet slim. Sowieso niet, maar in zijn geval was het zelfs ezelachtig. In 2010 is Errol veroordeeld tot een gevangenisstraf van negen jaar en zes maanden. Dat is nogal een straf. Hij kreeg die vanwege een serie gewapende overvallen.

In januari 2016 kwam Errol op vrije voeten. Hij had toen welgeteld twee derde deel van zijn straf op de blaren gezeten. Wie twee derde heeft opgeknapt mag in principe naar huis. Het restant – 1155 dagen in zijn geval – bleef op de lat staan. Zou hij zich gedurende de proeftijd van drie jaren fatsoenlijk gedragen, geen nieuwe strafbare feiten plegen, dan vervliegen de dagen op de lat. Dat is het klaar.

Verdachten die na twee derde van hun tijd voorwaardelijk in vrijheid worden gesteld, hebben dus iets te verliezen. Of andersom: ze hebben iets waar ze hun best voor moeten doen.

Errol heeft het echt wel geprobeerd. Met de huurwoning, een vriendin en het baantje bij de kringloop kwam enige structuur in zijn roerige leven. Het zijn zo ongeveer de belangrijkste ingrediënten om op het rechte pad te blijven. Maar op 23 oktober 2018 kinkelde Errol al zijn ruiten in.

Errol: ‘Het was niet de bedoeling.’ De rechter: ‘Als je bijna 1200 dagen open hebt staan, als stok achter de deur, dan zeg je toch nee? Maar u zei ja.’ Errol zucht. Hij moest iemand 300 euro betalen. Dat geld had hij niet, terwijl die jongen maar bleef zeuren. Dus toen ze hem vroegen voor een klein klusje zei hij ja waar hij nee had moeten zeggen.

Errol wil nu het te laat is tegen iedereen in de rechtszaal en als het zou kunnen tegen heel de wereld, sorry zeggen. ’Het was ook niet echt een overval, het was meer een inbraak in een schuurtje. We zouden de drugs pakken en dan wegwezen.’

De tip kwam via via. Een schuur vol drugs, de bewoner op vakantie in Suriname. Errol: ‘Het plan was dat we niemand zouden tegenkomen. En nu zit ik in deze domme situatie.’

De bewoner was inderdaad in Suriname, maar de man die tijdelijk in de schuur bij de woning verbleef kwam om half twaalf ’s avonds thuis van z’n werk. Hij zag licht branden in de schuur en ook dat de deur openstond. Toen hij naar binnenliep werd hij door drie mannen vastgepakt en tegen de muur gezet. De mannen wilden weten waar de drugs lagen, maar van drugs wist hij niks. Er werd gedreigd met geweld, met slaan.

Een van de mannen was Errol, als enige niet gemaskerd. Er zou immers niemand zijn. De schuurbewoner werd naar achteren geduwd en daar – daar waar een camera hing – vastgebonden aan een trap, met de handen op de rug. Errol beet hem toe: ‘Ik weet waar je moeder woont.’ Over zijn hoofd kreeg de ongelukkige een doek. De drie overvallers gingen er met een klein zakje met daarin MDMA (drugs) vandoor. Een van hen riep nog: ‘Je maakt jezelf wel los hè?’

Errol wil niet veel kwijt over die andere twee, die onbekenden zijn gebleven. Over de moeder: ‘Dat was bluf.’

Agenten herkenden hem van de camerabeelden. Bij de politie had hij niet veel anders te melden dan dat hij gebruik wenste te maken van het recht te mogen zwijgen. Nu, in de rechtszaal, moeten de rechters vooral weten dat zijn rol in het geheel beperkt was. Hij had niemand vastgebonden, hij had alleen dat kleine zakje met drugs meegenomen.

Toen de hoofdbewoner terugkeerde uit Suriname stelde die vast dat er meer spullen waren verdwenen. Een paar schoenen van het merk Lacoste, maat 41. Zeven riemen van slangenleder. Een opvallende tas.

Domme, domme Errol. De herkenning leidde eerst tot een tap op zijn telefoon. Toen dit niets opleverde volgde een huiszoeking. In zijn woning vond de politie een paar schoenen van het merk Lacoste, maat 41. Een riem van slangenleder. Een opvallende tas, met daarin een klein zakje drugs. En ook nog een in Groningen gestolen laptop.

Rechter: ‘Welke schoenmaat heeft u?
Errol: ’43’.
Rechter: ‘Het waren dus niet uw schoenen.’

De officier van justitie zegt met twee vingers in de neus dat er bewijs te over is. En dat ook domme acties serieuze consequenties moeten krijgen. En dus dat Errol het restant, die 1155 dagen, alsnog moet uitzitten. Eigen schuld. En als hij al die dagen heeft uitgezeten, kan hij beginnen aan de nieuwe straf die hij moet krijgen voor de kwestie in Sappemeer: vier jaar. Inderdaad, daar dan twee derde van. Het restant (480 dagen) mag dan weer op de lat, op de stok achter de deur. Dit is de eis.

De advocaat: ‘Ik had gehoopt op iets meer nuancering. Helaas is die er niet.’

Rob Zijlstra

update – 18 juni 2019 – uitspraak
De rechtbank heeft Errol veroordeeld. Tegen de verdachte zei de rechter bij de uitspraak: ‘U wilde genade, maar wij gaan u een zware straf opleggen.’ Het werd wel een onsje minder dan de eis. Geen vier jaar, maar drie jaar celstraf. Maar wel met die 1155 dagen als extraatje erbij. De rechters: ‘U was een buitengewoon gewaarschuwd mens.”  Errol zweeg.

 

Mooie uitspraak

BLOGWEBBEL

Op de fiets op weg van huis naar de rechtbank – 18 kilometer – luisterde ik naar een podcast van Joris Luyendijk in gesprek met Jesse Frederik. Beide zijn correspondenten bij De Correspondent. Luyendijk doet ‘goed slecht nieuws’, Jesse Frederik praat en schrijft over de economie. Daarover weet hij dingen. Terwijl ik over de Westerdijkhorn richting de stad ploeter, in de motte regen, praten deze twee journalisten over de economie waarin iedereen maar wat doet.

Over bijvoorbeeld deurwaarders die in overvolle brievenbussen van mensen met torenhoge schulden een zoveelste envelop proppen met nieuwe rekeningen en denken dat ze daarmee een bijdrage leveren aan de economie. Over hoe wij allemaal kleine radartjes zijn en ondertussen geen sjoege hebben van wat we samen eigenlijk aan het doen zijn. En wat we samen veroorzaken. Dat er vorig jaar meer dan 18.000 mensen enige (korte) tijd in de gevangenis hebben gezeten omdat ze een verkeersboete niet tijdig hadden betaald, niet konden betalen.

Ik ging naar de rechtbank voor onder meer een uitspraak. Twee weken geleden was er een 26-jarige man die terechtstond omdat hij mensen had besodemieterd, ook via Marktplaats. Hij was een oplichter. Hij beduvelde zelfs zijn vrienden, vrienden van vrienden en leuke meisjes op Tinder. In anderhalf jaar tijd vergaarde hij met list en bedrog tienduizenden euro’s.

Er was ook een reden. Hij was verslaafd geraakt aan het gokken. De verleiding van spanning en veel kon hij niet weerstaan. Al snel vulde hij het ene gat met het andere, onderwijl hopende op die ene klapper die hem in een keer uit de groeiende ellende zou halen. De klapper bleef uit, de ontmaskering en arrestatie niet.

Twee jaar na de aanhouding volgde een rechtszaak, sneller kan dat nu eenmaal niet. Er zijn tientallen gedupeerden.

Nu wil het geval dat de verdachte na zijn aanhouding en een behandeling bij de verslavingszorg een vaste baan vond met bijbehorend salaris. Met (bijna) alle gedupeerden – al zijn slachtoffers – trof hij een betalingsregeling. De helft van zijn inkomen draagt hij af, net zolang iedereen schadeloos is gesteld. Met duizend euro in de maand zet hij zoden aan de dijk.

Maar wat eiste de officier van justitie?
Een gevangenisstraf.
Van vijftien maanden.
De officier van justitie wil hiermee niet alleen het ontslag van de jongeling bewerkstelligen, maar ook dat de slachtoffers hun sneu verloren geld niet terugkrijgen.

Toen ik het verhaal over de deurwaarders en de overvolle brievenbussen beluisterde, moest ik aan de officier van justitie en zijn strafeis denken.

In het podcastgesprek roemen Luyendijk en Frederik de politie-agenten die weigerden gehoor te geven aan de opdracht iemand met torenhoge schulden in diens woning aan te houden en over te brengen naar de gevangenis. Soms moet je tegen de regels ingaan en je gezond verstand gebruiken.

De rechters hebben inmiddels uitspraak gedaan.
Schuldig.
Een gevangenis is op zich een passende straf.
Maar die is niet opgelegd.
Wel de maximale taakstraf van 240 uur en een flinke stok achter de deur (negen maanden voorwaardelijke celstraf).
De rechters komen tot dit oordeel omdat ze vinden dat het beter is dat de gedupeerden schadeloos worden gesteld. Een gevangenisstraf is daarbij  niet heel handig is.

Ik vind het een mooie uitspraak. Het is een uitspraak die recht doet aan alle betrokkenen. Maar denk nou niet dat rechters zoiets moois van de daken schreeuwen. Daarom doe ik het maar even.

Rob Zijlstra

klik op afbeelding voor het mooie vonnis (helaas nog niet in klare taal)

 


 

De genoemde podcast van Joris Luyendijk

Drie gehurkte mannen

Advocaten vragen wel eens na afloop van een rechtszaak: en, wat denk je? Vaak antwoord ik met een: wat denk je zelf? Daarmee zeg ik eigenlijk dat ik denk dat de verdachte de dader is en zal worden veroordeeld. Hoe anders? Het is doorgaans niet het antwoord waar de advocaat, nog helemaal in de flow van zijn welbespraakte pleit voor vrijspraak, op zit te wachten.

Ruim 90 procent van de mannen en vrouwen die zich moet verantwoorden voor de strafrechter is schuldig. Met een ‘wat denk je zelf’ heb ik ook de statistiek mee, ook al zegt die niks.

Ik dacht dat de man die wij van de pers de brandstichter van Hoogezand noemden, zou worden veroordeeld. Want hoe anders? Van alles wees in zijn richting, een camera had hem op heterdaad betrapt, deskundigen sloten pyromanie als stoornis niet uit. Zijn antwoorden en verklaringen waren vaag en onlogisch.

En?
De rechters spraken hem afgelopen week grotendeels vrij. Alleen het heterdaadje – een poging tot brandstichting – kan worden bewezen. De rest smoort in onschuld dan wel in slecht politieonderzoek.

Ik zei dat ik dit niet had verwacht.
Advocaat Iris Djordjevic glunderde.

Er waren eens drie mannen van 30, 34 en 36 jaar. De jongste komt uit Delfzijl, de andere twee uit Rotterdam en Alkmaar. De een is industrieel reiniger, de ander data-analist, de derde schilder. Het zijn mannen met kleine kinderen. En met veroordelingen uit het verleden, wat ook niks hoeft te betekenen.

Ze zeggen dat ze onschuldig zijn. De officier van justitie schudt het hoofd (van nee). Want hoe dan?

Schilder Jagi uit Alkmaar was naar Delfzijl gekomen om een zieke oom te bezoeken. Hij overnachtte bij Regor, een kennis. Bij Regor thuis is ook dataspecialist Ragi uit Rotterdam. Ragi heeft verstand van webshops en was gekomen om zijn vriend Regor met iets te helpen.

Het zijn deze drie mannen die halverwege de ochtend van 23 november 2018 worden gearresteerd in de flatwoning van Regor. Op het moment van de inval zitten ze gedrieën gehurkt te roken in de kleine badkamer. Met de deur op slot.

De drie mannen zouden zo’n anderhalf uur voor de arrestatie een supermarkt van Aldi hebben overvallen. De afstand tussen de overvallen superwinkel en de woning is nog geen kilometer. De drie mannen zeggen dat ze het niet hebben gedaan. Want hoe dan? Op het moment van de overval, even na acht uur die ochtend, waren ze thuis bij Regor, misschien net wakker. Dan kan het dus nooit.

Even na acht uur in de ochtend van 23 november 2018 lopen mannen met bivakmutsen over het hoofd de supermarkt van Aldi binnen. Het zijn er drie. Eentje draagt groene handschoenen. Camera’s van de tegenover de Aldi gevestigde Jumbo leggen het vast. Aldi zelf doet niet aan camera’s, zodat ze goedkoper kunnen zijn dan de Lidl. Of zoiets.

De vroege klanten worden door een van de mannen, gewapend met een zwart pistool, naar een hoek gedreven en gesommeerd op de grond te gaan liggen. De ander heeft een mes en dwingt het personeel naar een kantoortje. De bedrijfsleider krijgt een zilverkleurig vuurwapen in de rug gepord en de opdracht de kluis te openen. Even later rennen de mannen de winkel uit, met een blauwe Aldi big shopper met daarin bankbiljetten, rollen muntgeld en sigaretten. Het is opgeteld zo’n 4.000 euro.

De politie is dan al onderweg, een klant had om tien minuten over acht liggend op de grond 112 durven bellen. De drie onbekende mannen zijn ineens vluchtelingen. In de lucht hangt een politiehelikopter, kennelijk hebben ze in Delfzijl zo’n ding paraat. Er ontstaat iets van een klopjacht. Getuigen melden zich, ze hebben drie mannen gezien, met een grote blauwe tas, eentje op een fiets, twee op een fiets, bij de brug, bij het station, ’t was zo’n grote big shopper, bij het speeleiland, bij de flat, bij het spoor, eerste verdieping. De omgeving van de flat wordt afgezet, 112-fotografen filmen hoe agenten deur voor deur aanbellen. Op nummer 178 wordt niet opengedaan, het gordijntje beweegt wel eventjes.

Via de politiesystemen achterhalen agenten dat op dit huisnummer een man woont met ‘politie-antecedenten’ waaronder overvallen. Met de rammeneur (Gronings voor de stormram, elders ook wel bonkie genoemd) wordt de voordeur eruit geramd. Het glas rinkelt.

In de woning lijkt niemand aanwezig. Dan ontdekt een van de agenten dat de badkamerdeur is afgesloten. De deur gaat open: drie gehurkte mannen. Een voor een worden ze afgevoerd.

De overeenkomst is treffend. Drie mannen overvallen de Aldi en binnen een straal van nog geen kilometer zitten anderhalf uur later drie mannen verscholen in een badkamer. Dat een van de overvallers dreadlocks had, zoals ook een de mannen in de badkamer, kan natuurlijk toeval zijn. Regor is immers niet de enige man ter wereld met dreads.

Het politieonderzoek levert nog een aantal aanwijzingen op die erop zouden kunnen duiden dat de drie mannen wellicht niet de waarheid spreken, dus dat ze misschien helemaal niet heel de ochtend thuis bij Regor zijn geweest.

In de telefoon van Ragi staan foto’s opgeslagen. Selfies. Van hem met een zilverkleurig vuurwapen. In de telefoon van Jagi een selfie waarop hij een Nike-muts draagt.

Nog een aanwijzing: in de badkamer waar de mannen zich hadden verschanst staat in de hoek een tas. Het is een Aldi big shopper. In de tas: rollen muntgeld, sigaretten, groene handschoenen, bivakmutsen, eentje van Nike met gaten. Elders in de woning, onder het matras van een ledikantje, een zilverkleurig vuurwapen als op de foto van Jagi. In een keukenkastje een zwart gekleurd wapen.

De drie mannen ontkennen, ze zeggen dat ze er niets mee te maken hebben. De advocaten proberen dat met veel woorden te onderstrepen. De selfies, de tas met de buit? Nee. Geen verklaring voor?

De officier van justitie is zonder twijfel en noemt de gewapende overval eentje in de zware categorie en eist daarom drie maal vijf jaar gevangenisstraf.

En, wat denk je?
Ik denk dat het wel heel bijzonder is. Uit de telefoon van Regor toverde de politie een gewiste afspraak uit de Google-agenda boven water. Regor had genoteerd: ’23 november, 08.00 uur, Aldi-klus’.

Nou?
Ik denk, denkend ook aan Hoogezand: ik zeg even niks.

Rob Zijlstra

update – 7 juni 2019 – uitspraken
De rechtbank heeft de drie mannen veroordeeld. Niet tot vijf jaar zoals het Openbaar Ministerie dat had gewild, maar vier jaar per persoon. Een van de drie vonnissen lezen? Klik op onderstaande afbeelding.

vonnis (uitspraak) overval Aldi Delfzijl

 

extra – bron: youtube /  eemskrant.nl

de deken van de orde van advocaten

Interview met Rob Geene, over zijn  dagelijkse zorgen over de rechtsstaat. In januari dit jaar protesteerden advocaten uit Noord-Nederland voor de rechtbank in Groningen. Deken Geene laat sindsdien geen gelegenheid voorbijgaan om zijn visie te geven over de teloorgang van niet alleen de sociale advocatuur, maar die van  de rechtsstaat. ,,De overheid is verworden tot een semi-commercieel bedrijf.” Op de barricaden

 

Rob Geene heft tijdens de actie van advocaten de wijsvinger richting Maria van de Schepop, president van de rechtbank Noord-Nederland (ze zijn het met elkaar eens).

de actie duurde een half uurtje (het was koud)

ondertussen gaat het werk van de ‘gewone man’ gewoon door

 

klik voor pdf-versie

 

 

Een kaartje? Taart? Bloemen?

Een verhaal heeft vaak twee kanten, maar in de rechtszaal moet er maar eentje waar zijn. Het verhaal dat waar is bevat de meeste waarheid. Wat waarheid is bepalen de rechters. Van rechters wordt verwacht dat zij wikken en wegen en vervolgens welberaden oordelen.

Rechters in Groningen veroordeelden in oktober vorig jaar op deze manier de 41-jarige politieagente Ellie met 23 vlekkeloze dienstjaren tot een voorwaardelijke taakstraf van 120 uur. Dat is bijna een straf van niks, maar een veroordeling is het wel. Als politiemens zit je daar niet op te wachten. Sterker: het kan aanleiding zijn voor ontslag, omdat de maatschappij niet zit te wachten op politieagenten met een strafblad.

Ellie ging tegen de uitspaak in hoger beroep. Sinds de veroordeling in Groningen en de zitting bij het hof in Leeuwarden, afgelopen week, verstreken 219 dagen. De feiten zijn niet veranderd. Het proces is een herhaling van zetten. De agente wil gerechtigheid en dat is in haar ogen vrijspraak. Ze zegt het zonder twijfel.

De raadsheren – dat zijn rechters in hoger beroep – spreken van een menselijk drama. Voor Ellie omdat zij als politieagente de verdachte is. Agenten staan meestal aan de andere kant. Maar ook moet het een beproeving wezen voor het slachtoffer, voor Geronimo. Het is nogal wat als de politie met kogels op je schiet. De raadsheren merken nog op dat heel de Nederlandse politie uitkijkt naar de uitkomst van het proces.

Op 8 april 2017 rijdt Geronimo ’s avonds op zijn scooter veel te hard door Hoogkerk. Hij ziet politie, politie ziet hem, hij geeft extra gas. Zo is hij. De politie is op dat moment op zoek naar een boze man die met twee vuurwapens door de straten van Hoogkerk zou lopen. Eerder op de avond had deze boze man in Groningen zijn moeder bedreigd. Vanwege de wapens krijgt de opsporing van de boze man hoge prioriteit. Agenten moeten de kogelwerende vesten aan.

Een raadsel waarom, maar de agenten denken ineens dat de man op de snelle scooter weleens de lopende man kan zijn die ze zoeken. Op een kruising staat een van de zes politieauto’s die bij de actie is betrokken. In de verte komt de scooter aangescheurd, met zo’n 80 kilometer per uur. Een agente – het is Ellie – stapt uit, roept stop! en schiet een seconde later gericht vier kogels op de scooter. Voor een waarschuwingsschot was geen tijd. Geronimo slingert even, maar weet te ontkomen. Twee kogels raken hem (net) niet, de twee andere kogels de scooter.

Later die avond meldt de boze man zich op het politiebureau. Hij is niet de scooterman. Pijnlijk wordt dan duidelijk dat agente Ellie heeft geschoten op een onschuldige burger. De politieman die de actie tegen de boze man leidde en bij wie Ellie in de auto zat, verklaart later over het schieten van Ellie dat hij met stomheid was geslagen. Perplex was hij geweest.

Er volgt het gebruikelijke interne onderzoek en het Openbaar Ministerie besluit op basis van dat onderzoek Ellie strafrechtelijk te vervolgen wegens een poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.

In de rechtbank van Groningen had ze gezegd dat ze het zo weer zou doen. Ze kon niet anders weten dan dat de snelle scooterman de boze man was die werd gezocht. Dat dat achteraf gezien niet klopte, maakt het niet anders. Ze had daarbij maar één doel: scooterrijder uitschakelen.

Tegen de raadsheren zegt ze: ‘Ik ben een diender. De samenleving was in gevaar. En dan verwacht de samenleving van mij dat ik handel, dat ik als diender een stap naar voren doe. Nietsdoen was voor mij geen optie.’

Als het beeld is ontstaan dat zij een schietgrage cowboy is, dan doet haar dat pijn. Tegen haar rechters: ‘De vraag moet niet zijn of ik al dan niet terecht heb geschoten. De vraag moet zijn waarom ik, ik die met 23 dienstjaren nog nooit een fout heb gemaakt, nu wel schoot.’

Met agente Ellie kun je oorlogen winnen.

De andere kant van het verhaal komt van het Openbaar Ministerie. Dat zegt dat politieagenten leren dat je nooit op rijdende voertuigen moet schieten. De kans op resultaat (verdachten aanhouden) is klein, de kans op ongelukken daarentegen groot.

Komt bij: de boze man vormde die avond niet direct een bedreiging. Zijn naam was bekend, hij had eenvoudigweg anders aangehouden kunnen worden. Hij werd ook niet verdacht van een zo ernstig misdrijf (bedreiging moeder) dat wapengekletter was gerechtvaardigd. En ook: de kans dat de scooterman zou worden geraakt, dan wel ten val zou komen en daarbij ernstig gewond zou raken, nam Ellie op de koop toe. Dit alles: buiten alle proporties. Vond de rechtbank ook.

Pas na enig aandringen wil Ellie wel toegeven dat ze het naar vindt voor het slachtoffer. Geronimo is nog niet van de schrik bekomen en heeft hulp gezocht. De rechters willen weten of Ellie excuses heeft aangeboden. Een kaartje? Taart? Bloemen? ‘Nee.’ De raadsheren: ‘Is daar binnen het korps wel over gepraat? Ellie: ‘Dat weet ik niet meer.’

De rechters zeggen dat ze haar excuses alsnog kan maken. ‘Meneer zit hier in de zaal.’ Ellie maakt van de gelegenheid geen gebruik. Zegt: ‘Ik heb vanuit mijn ambt gehandeld.’
Geronimo zegt dat hij vindt dat Ellie een lintje heeft verdiend. Voor liegen. Volgens hem liegt de politieagente over de juiste toedracht. De aanklager zegt het anders: de juiste toedracht kan niet precies meer worden achterhaald.

Er moet wel een veroordeling komen: 120 uur taakstraf, maar die geheel voorwaardelijk.

De aanklager: ‘Agenten kunnen in de hitte van de strijd een onjuiste keuze maken. Ze mogen dan, zelfs bij ernstige fouten, verwachten dat ze worden gesteund door de overheid, erop rekenen dat ze niet strafrechtelijk worden vervolgd. Dat is de ene kant. De andere kant van het verhaal is dat de onschuldige burger erop mag vertrouwen dat de politie niet op hem schiet.’ Tegen de raadsheren: ‘Stel dat het u zou overkomen.’

Alles afwegende: Ellie heeft onvoldoende professioneel gehandeld, ze heeft een te ernstige inschattingsfout gemaakt.

De politievrouw trekt nog eenmaal ten strijde. Tegen de raadsheren: ‘Had ik een seconde gehad om te overwegen dat schieten mijn ontslag kan betekenen, dan had mijn keuze anders kunnen uitpakken. Maar die seconde had ik niet. Stelt u zich voor dat u rechters binnen een seconde recht moet spreken. Ik moest onder die tijdsdruk handelen.’

De uitspraak volgt. Over 1.209.600 seconden.

Rob Zijlstra

update – 5 juni 2019 – uitspraak hof
Ellie is door het hof vrijgesproken. Door weloverwogen laag te schieten op de rijdende scooter kan niet worden aangenomen dat ze de opzet heeft gehad de bestuurder te doden dan wel zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Ze heeft wel hoogst onvoorzichtig gehandeld, maar niet in die mate dat er sprake is van een strafbaar feit.

het arrest (uitspraak) van het gerechtshof

 

 

 

 

I

 

 

 

 

Ik schreef eerder over Ellie en Geronimo. Voor meer, klik op onderstaande fragmenten. Ook voor de integrale tekst van het vonnis van de rechtbank.

 

De nederige man

Verdachten hebben in de rechtszaal wel rechten, maar niet zo veel keus. De verdachte die weet dat hij onschuldig is, heeft slechts één optie. De verdachte die dader is twee: bekennen of ontkennen. Er bestaan verdachten die denken dat daar nog iets tussenin zit. Dat loopt doorgaans slecht voor ze af.

Ja. Ik ben schuldig, op zich, maar… de vuurwapens en de harddrugs die in mijn woning zijn gevonden zijn niet van mij. Ik leen geld uit en mensen geven mij dan wapens en drugs als onderpand.
Ja. Ik heb wel geschoten, gestoken, geschopt, maar… niet met de bedoeling te raken. Ik wilde hem alleen maar bang maken.
Ja. Ik probeerde ’s nachts in het appartementencomplex een tijdschrift van vt wonen in brand te steken, zoals ook duidelijk op camera’s is te zien, maar… ik ben niet de man die daar vaker brand heeft gesticht. Ik wilde weten hoe het voelt om brand te stichten, ik wilde ervaren wat je dan doet, naar waar je vlucht.

Dit laatste vertelde Marcel S. deze week aan de rechters. S. is de 44-jarige man die wordt verdacht van een serie brandstichtingen in Hoogezand, in en rond een appartementencomplex waar hij zelf woonde. Die ene poging, ja, want hoe anders moet je de camerabeelden verklaren? Maar nee, de seriebrandstichter is hij niet.

Nu is het niet zo dat de achternaam van Marcel S. Schuldig luidt, maar het verzamelde bewijs is stevig, zijn ontkennende verklaringen pover en onlogisch. Het oordeel is aan de rechters.

Als iets zo is, zijn er altijd uitzonderingen. Istan is er zo eentje. Istan ontkent wat hij bekent om even later te bekennen wat hij ontkent. Hij husselt alles gewoon door elkaar. Hij wordt verdacht van afpersing, bedreiging en mishandeling. Er is één slachtoffer: zijn ex, de jonge moeder ook van zijn kind.

Tegen de rechters zegt hij: ‘Ik sta hier als een nederige man voor u.’
Hij geeft toe en spreekt tegen. Het dossier, zegt hij, bevat een kern van waarheid. ‘Waar ik spijt van heb is dat ik als 18-jarige jongen haar heb geslagen en aan haar haren heb getrokken. Dat is gebeurd in 2016, 2017. Daarna niet meer.’

Istan merkt op dat hij een jaartje ouder wordt. Daarmee wil hij zeggen dat ook bij hem wijsheid met de jaren komt. Vorige maand is hij al 21 jaar geworden.

De rechters willen weten of het waar is dat hij haar met de slang van de stofzuiger heeft geslagen. Met een taser heeft bewerkt toen ze zwanger was. Haar vaak heeft gebeten in haar bovenarmen, in het gezicht.

Zijn antwoord: ‘Ik dacht, ik ga naar deze zitting en dan ga ik diep door het stof en ik ga lichtelijk sociaal wenselijk doen. Maar meneer, ik heb erover nagedacht. Wat zij zegt, klopt niet, zo zit het niet precies.’

Istan: ‘Ik heb haar niet vaak geslagen. Ik heb haar wel gebeten, niet agressief of zo, maar op een leuke manier. En ja, ik heb haar ook een paar keer een klets gegeven, vlakke hand. U ziet, ik ben toegeeflijk. We zijn vervelend voor elkaar geweest, we hebben geworsteld, we hebben op elkaar geschreeuwd, maar dat zie ik als een relatieprobleem.’

Recent werd een 13-jarige jongen veroordeeld voor een overval op een tankstation in Groningen. Vrijdag stonden twee jongemannen terecht omdat ze als 17-jarigen een gewapende overval zouden hebben gepleegd op de supermarkt in Holwierde. Dan ben je er vroeg bij. Zo ook Istan. De stelselmatige mishandeling van zijn vriendinnetje zou zijn begonnen toen ook hij nog minderjarig was.

Ze waren 14, 15 jaar toen ze elkaar leerden kennen. Verkering. Tijdens de kalverliefde verbleef Istan veelal in jeugdgevangenissen. Ze belden elke dag wel een uur met elkaar. Toen hij vrijkwam ging hij bij haar wonen. Eerst was dat leuk, maar daarna werd ze bang. Tussendoor raakte ze zwanger. In januari 2018 werd hun dochter geboren en nu vreest ze het ergste.

Rechters: ‘U wilde haar pinpas. Toen u daarover ruzie kreeg, u noemde haar kankerhoer, zou u hebben gedreigd haar de keel door te snijden.’
Istan: ‘Ik kan niet alles grif toegeven, meneer. Wat er is gebeurd is heel naar en ik moet door het stof, want zij is de moeder van mijn kind.’

Rechters: ‘Bij de politie heeft u gedreigd wraak te nemen. Groningen zal schudden, heeft u gezegd. Klopt dat?’
Istan: ‘Ja, meneer. Als ik boos ben, ben ik aardig loslippig.’

Hij zit inmiddels vijf maanden vast en als het aan de officier van justitie ligt blijft hij nog zeker een jaar binnen. Eenmaal weer vrij, moet een contactverbod met de moeder van zijn kind in werking treden. Daarnaast is een behandeling meer dan gewenst. Er is sprake van een persoonlijkheidsstoornis, er zijn kenmerken van borderline, mogelijk een gebrekkige gewetensfunctie.

Istan werpt tegen dat hij bovengemiddeld intelligent is – hij had een hoge cito-score – dat je met hem ook kunt lachen en dat hij in staat is compromissen te sluiten.

Hij was vier jaar toen hij met zijn ouders Mazar-e Sharif ontvluchtte en in Nederland belandde. Ergens ging het fout. Istan: ’Ik heb een bewogen leven gehad, maar nu ben ik het zat. In de gevangenis ben ik 17 geworden en 18. En vorige maand 21. Ik heb alle jeugdgevangenissen van Nederland gezien. Ik ben dakloos geweest, ik heb in de crisisopvang gezeten, in instellingen. Maar is dat de reden dat ik hier zit? Nee. Ik ben gewoon een vervelende jongen, geen zielige jongen. Ik wil goed functioneren. Ik wil groot worden in het leven. Ik ben niet een slechte jongen, maar ik wil een betere jongen worden. Ik zie mijn detentie als een les, als een mooie handrem.’

Hij doet er nog een schepje bovenop: ‘Ik kijk tv op cel. Dan zie ik van die programma’s waarin vrouwen worden onderdrukt. Vreselijk. Daar word ik misselijk van, maar … nee, sorry, ik wil geen ‘maar’ zeggen.’

Als hij bijna klaar is met praten zegt hij nog dat hij de relatie met zijn moeder wil herstellen en dat hij hoopt dat iedereen – ‘ook mijn ex’ – gelukkig wordt. Net als ik denk, sociaal wenselijker kan een nederige man toch niet worden, dooft in zittingszaal 14 het licht en begint iemand traag op een cello te strijken, onderwijl ik Istan met het hoofd diep gebogen hoor zeggen: ‘Ik zou nu graag onder vier ogen heel hard willen huilen.’

Rob Zijlstra

update – 27 mei 2019
Marcel S. en de brandstichtingen: stevig bewijs, verklaringen onlogisch. Het zal, de rechters oordelen anders: grotendeels vrijspraak, want het bewijs is te summier. De motivering van deze uitspraak staat in het vonnis.

vonnis marcel s

 

De brief van Karel

Karel staat op een kruispunt en moet de juiste richting kiezen. Rechtsaf lonkt. Rechtsaf betekent wel dat hij een duistere weg vol kuilen, hobbels en smerige misdaad moet bewandelen. Rechtdoor kan ook, maar doorgaan op dezelfde weg is nou juist wat hij niet wil. De weg naar links is recht, de zon schijnt er en op straat dansen de mensen op vrolijke muziek.

De rechters vragen aan Karel of hij beseft dat hij een keuze moet maken.
Karel knikt. Zegt ja. Jawel.
Rechters: ‘Wat zijn je dromen? Wat wil je worden? Wat voor leven wil je leiden?’
Karel denkt even na en zegt dan: ‘Een huis en kinderen. Dat vind ik wel prima.’

Rechters horen het vaak van jonge mannen in de rechtszaal, dat ze als het even kan ‘huisje-boompje-beestje’ willen. Overdag op straat een beetje de crimineel uithangen is misschien best stoer, maar ’s avonds alleen in bed is daar geen ruk aan. De rechters zijn als ze het Karel horen zeggen niet direct onder de indruk. Ze vragen: ‘Kun je ons iets geven waardoor wij ervan overtuigd raken dat je op het goede spoor zit?’

Karel: ‘Ik ben gestopt met blowen. En ik ga elke ochtend naar mijn werk. En ik heb een brief geschreven aan het slachtoffer.’ De rechters knikken op hun beurt. Dat is niet slecht. Goed antwoord.

Karel is 18 jaar. Als de rechters over twee weken uitspraak doen in zijn zaak is hij net een dag 19. Er is een werkstraf van 150 uur tegen hem geëist. En dertien dagen jeugddetentie, dat zijn de dagen die hij heeft vastgezeten na zijn aanhouding.

Ik kijk naar Karel. Hij is vast een aardige 18-jarige jongen van wie er duizenden zijn. Het zou zomaar kunnen dat Karel goed is in wiskunde, dat hij goed kan voetballen of zo. Hij draagt een net jasje.

De reclassering heeft ook een tijdje naar Karel gekeken. Reclasseerders zeggen dat hij soms nog kinderlijk gedrag vertoont, recalcitrant en ongrijpbaar is en ook dat hij emotieloos overkomt. Dat hij moeite heeft met regels. Maar geen strafblad.

Er zijn tienduizenden ouders die een 18-jarige Karel hebben. Zij woelen allemaal weleens slapeloos door de nacht, bang dat hun kind iets stoms doet waardoor hij zich in de volwassen nesten werkt. Over de ouders van Karel wordt in de rechtszaal gezegd dat zij hun zoon veel ondersteuning bieden, maar dat het effect gering is. Karel wil niet horen.

En zo kon het gebeuren dat Karel een rotstreek uithaalde, eentje waar je zelfs op het slechte pad niet mee te koop loopt.

Karel heeft op straat een 83-jarige vrouw beroofd. Hij zag haar lopen, bij de supermarkt. Dacht: zij is mijn doel. Toen ze na een minuut of tien naar buiten liep, volgde hij haar om na tweehonderd meter ruw de portemonnee uit het mandje van haar rollator te graaien, zo ruw dat mevrouw op de grond viel wat hartstikke pijn deed. Met de capuchon van zijn zwarte hoodie over de kop zette hij het op een lopen, welgeteld 22 euro rijker.

Karel: ‘Dat ze viel, daar schrok ik van. Dat was niet de bedoeling.’

De rechters hebben het dossier gelezen: ‘Jij liegt veel.’
Karel kan dat niet ontkennen.
De rechters vragen waarom hij het heeft gedaan.
Karel zegt dat het een opwelling was, dat hij over straat liep en zich machteloos voelde omdat hij geen geld had. Toen had hij het zonder nadenken zomaar gedaan.

De officier van justitie: ‘Leugens. Want niks opwelling. Hij maakte een plan en hij voerde dat plan vervolgens uit. Hij handelde doelbewust.’

Rechters: ‘Je hebt er dus over nagedacht. Je pakte ook geen sportieve man van 25 jaar, maar bewust een weerloos iemand. Toch?’
Klopt, zegt Karel.

Aan de laffe straatroof – want zo mag je deze actie toch best noemen – gaat een merkwaardig verhaal vooraf. Karel was uit zichzelf naar het politiebureau gegaan waar hij vertelde een inbraak te hebben gepleegd. In Hoogezand. Met een vuurwapen en nog iemand anders. Hij biechtte dit op, zegt hij, om schoon schip te maken.

Rechters: ‘Maar het was niet waar.’
Karel: ‘Nee.’
Rechter: ‘Je meldde je bij het politiebureau met een verzonnen verhaal.’
‘Klopt.’
Rechters: ‘Want?’

Karel had vijftig euro uit de portemonnee van zijn vader gestolen. Met dat geld was hij naar het casino gegaan. Hij won. Hij bracht de nacht door in het Hampshire Hotel en ging de volgende ochtend naar het huis van zijn moeder.

Hoe is een raadsel, maar moeders weten dingen. Dus toen Karel even naar het toilet ging, snuffelde moeder in Karels jas. Ze vond bankbiljetten en telde 450 euro. En Karel maar vertellen dat hij geen geld had.

Om de aanwezigheid van het geld te kunnen verklaren vertelde Karel dat hij had ingebroken in Hoogezand, samen met het vuurwapen en iemand anders. Dat hij winst had geboekt in het casino met gestolen geld van vader verzweeg hij uit schaamte. Na een goed gesprek met vader werd besloten dat hij zich zou gaan melden op het politiebureau om de inbraak op te biechten.

Karel: ‘Ik dacht dat dit de enige uitweg was.’

De politie rechercheerde zich suf maar kon bij de bekentenis van Karel geen inbraak vinden. Drie verhoren lang volhardde hij in zijn leugen. Wat de politie vooral dwars zat was het vuurwapen. Met toestemming van vader werd daarom de kamer van Karel doorzocht. Het verzonnen wapen werd niet gevonden. Wel een portemonnee in een Nike-schoenendoos.

In de portemonnee zaten foto’s, van kleinkinderen zo te zien. Er zat ook een kaartje in met een adres. Agenten gingen er naar toe en belden aan. Een 83-jarige mevrouw deed de deur open. Ze vertelde dat een man met een zwarte capuchon over z’n kop de portemonnee uit het mandje van haar rollator had gestolen. Dat ze daarbij was gevallen. Ja, het was haar portemonnee, met de foto’s van haar kleinkinderen.

In het vierde verhoor, twee maanden na de misdaad, buigt Karel het hoofd en biecht hij de lelijke waarheid op.

Hij neigt linksaf te slaan. Niet meer blowen, iedere ochtend vroeg opstaan om naar het werk te gaan. Hij zou graag een gesprek met de mevrouw willen. Om haar te vertellen dat het ontzettend stom van hem is geweest.

Maar hij had haar toch al een brief geschreven?
Ja. Wel geschreven. Maar nooit verstuurd.

Rob Zijlstra

update – 20 mei 2019 – uitspraak
Karel is conform de eis van de officier van justitie veroordeeld: 100 dagen celstraf waarvan 87 dagen voorwaardelijk (jeugddetentie) en een taakstraf van 150 uur . Een van de voorwaarden: toezicht door de reclassering.

Dirk de V. – update

Overlijden Dirk de V.: het einde van een verrot leven

tekening: annet zuurveen

‘In de bajes heb je nog de illusie vrij te komen. Maar als je vrij bent, wat heb je dan?’

Deze woorden illustreren het leven, het verrotte leven, van Dirk de V.  Woensdag  stierf hij op 69-jarige leeftijd in gevangenschap, in een kliniek in Vught. Het waren zijn eigen woorden.

Zijn sterven maakte een einde aan een leven dat geen glans heeft gekend. In 2000 werd de levenslange gevangenisstraf tegen hem geëist. Zijn reactie op de strafeis: ,,Ik vind de doodstraf humaner.’’

Die krijgt hij niet en ook geen levenslang. De rechtbank legt 14 jaar en tbs met dwangverpleging op. De V. is 50 jaar en heeft dan al meer dan de helft van zijn leven in gevangenissen en klinieken doorgebracht. In 2007 krijgt hij als tbs’er de longstay-status. Hij belandt op een afdeling voor ‘zeer intensieve en specialistische zorg’ met een uitroepteken achter ‘extra vlucht- en beheersgevaarlijk’. Hij leefde 23 uur per dag in een isoleercel.

In oktober 1999 vermoordde De V. samen met Henk H. uit Assen Tjirk van Wijk in diens woning in Groningen. Tjirk van Wijk had de domme pech thuis te zijn toen De V. en Henk H. bij hem aanbelden. Willekeurig. Ze moesten even van straat omdat ze in Beijum rottigheid hadden uitgehaald en geen zin hadden in de politie. Tjirk werd zonder reden op gruwelijke wijze vermoord.

Een paar maanden voor de moord was Dirk de V. in vrijheid gesteld. Niet omdat hij zijn straf had uitgezeten, maar omdat justitie zich geen raad met hem wist. Als een wandelende tijdbom mocht hij de Extra Beveiligde Inrichting (EBI) in Vught verlaten, op voorwaarde dat hij bij zijn moeder in Assen ging wonen.

Justitie erkende jaren later tegenover de nabestaanden dat ‘het systeem’ had gefaald, maar dat daar niemand verantwoordelijk voor was.

De nabestaanden van Tjirk volgden De V. nauwlettend door consequent aanwezig te zijn bij de tweejaarlijkse tbs-verlengingszittingen. Ook omdat ze het systeem nog altijd wantrouwen. De laatste keer dat ze De V. zagen was in maart van dit jaar, in de rechtbank van Leeuwarden. Daar vertelde hij dat hij in zijn isoleercel een erbarmelijke leven leeft. En ook dat zijn vogeltje was overleden, een beestje waar hij zielsveel van hield, zei hij. De V., die al jaren kampte met een slechte gezondheid, maakte een warrige indruk.

Toen hij meer wilde vertellen, hij had iets opgeschreven, snoerde de rechter hem de mond. Boos riep hij: ‘Ik heb schijt aan dit leven, ik hoef niet zo nodig’. Daarop werd hij afgevoerd. De tbs-status werd begin april met twee jaar verlengd.

De nabestaanden zijn woensdagochtend geïnformeerd over het overlijden. Ze hebben opgelucht adem gehaald. Geen stress en spanning meer. Ze kunnen nu geen fouten meer maken.

rob zijlstra

Op 30 maart van dit jaar schreef ik het verhaal Roodgloeiend – een verslag van de tbs-verlengingszitting in de rechtbank van Leeuwarden (inclusief het vonnis)
Voor het (niet meer bestaande) true-crime magazine Koud Bloed schreef ik in 2010 een portret van het verrotte leven  van Dirk de V.  In dit verhaal beschrijf ik ook de bizarre omstandigheden en de fouten die ertoe leidden dat Dirk De V. zijn vrijheid terugkreeg.  > de lastigste gedetineerde van Nederland

 

Potverdorie

Er stonden afgelopen week drugsdealers terecht in zittingszaal 14. Nu is zoiets niet ongebruikelijk in een rechtszaal, maar dagelijkse kost is het niet. Er gaan weken voorbij zonder drugsdealers. Dat komt misschien omdat het strafrecht geen wezenlijke invloed heeft op de drugsmarkt.

De drugsdealers die terechtstonden waren weer eens geen grote jongens. Geen El Chapo’s. Waar El Chapo de aller, allergrootste is (was), staan de Groningse verdachten helemaal aan de andere kant, als de aller, allerkleinsten. Maar, sprak de officier van justitie tegen Tobias, zonder kleintjes als u kunnen de groten niet bestaan. ,,U zit samen in de keten.’’

Tobias, 20 jaar, had geknikt. Dat snapt hij. Nu wel. Een paar maanden geleden snapte hij dat nog niet. Hij voorzag vrienden van vrienden van vrienden van cocaïne in het uitgaanscircuit. Hij deed hele en halve grammen. Met wat hij verdiende, kon hij zijn eigen cokegebruik financieren. Hij dealde niet voor de blinkende Rolex en een te snelle auto.

Deed hij ook heroïne? Tobias, misschien net iets te: ,,Heroïne? Nee. Nee. Nee, dat zou hij nooit, echt nooit van zijn leven doen, echt nooit.’’ Wat hij wil zeggen: heroïne is voor sukkels, voor losers. Cocaïne daarentegen is hip. ,,Iedereen gebruikt cocaïne’’, zegt Tobias.

Behalve hij. Zijn arrestatie was een wake-up call. Hij heeft het zwaar onderschat. Met die rotzooi is hij gestopt en dat bevalt best. De rechters vragen wat het voor hem betekent als hij een gevangenisstraf krijgt? Tobias schuift wat ongemakkelijk heen en weer. Hij heeft een baan, mooi werk ook. Zijn werkgever weet van niets en dat wil hij zo houden. Zou de werkgever van dit alles weten, dan is hij zijn baan kwijt. Gevangenisstraf betekent sowieso ontslag.

Tobias mag van officier van justitie door het oog van de naald kruipen. ,,Ik zie ook wel dat u niet een Narco bent. Ik eis een werkstraf van 240 uur met een waarschuwing van zes maanden jeugddetentie erbij.’’

Willem is een ander verhaal. Willem heet geen Willem, het is zijn bijnaam. Van Willem Holleeder. Niet omdat hij ook een zware crimineel is uit de eredivisie, maar omdat hij net als De Neus lang uit handen wist te blijven van de politie.

Net als deze Willem plaats wil nemen in de verdachtenbank, het is even na negen uur in de ochtend, gebeurt er iets bijzonders. Het alarm gaat af. Door het gebouw galmt een luide stem. Iedereen moet het gerechtsgebouw onmiddellijk verlaten en niet met de lift. Vijf minuten later staan zo’n honderdvijftig rechtbankmedewerkers en rechters buiten op de Ossenmarkt.

Vast en zeker een oefening, zeggen ze op het plein tegen elkaar. Ik bedenk iets anders. In mijn gedachten zie ik Femke Halsema een klein podium betreden en hoor ik haar zeggen:

uit het voorwoord

‘Dames en heren van de rechtbank in Groningen, het is niet wat jullie denken, dit is menens. Dit is een echt alarm, want het is vijf voor twaalf. Jullie werken keihard, maar het is niet goed genoeg. Door jullie falende digitalisering duren rechtszaken onnodig lang en daar heeft de burger veel last van. De kwaliteit van de rechtspraak staat onder druk, jullie houding, gedrag en vaardigheden zijn niet meer van deze tijd. Als jullie zo doorgaan zal het ambt van rechter aan gezag inboeten. Dat raakt niet alleen de rechter, maar dat raakt de samenleving, de democratie.’

De meute op de Ossenmarkt wordt wat onrustig, maar Femke Halsema gaat onverstoord verder. ‘Jullie moet willen meeveranderen met de veranderende samenleving. Die samenleving bestaat uit mondige en kritische burgers met hoge verwachtingen van de rechtspraak.’

‘Jullie en jullie managers denken in termen van producten, klanten en efficiency. Van bedrijfsmatigheid. Maar hallo, jullie werken niet in een koekjesfabriek, jullie hebben rechtstatelijke taken te doen, jullie vormen potverdorie de derde staatsmacht. Probleem is helaas dat jullie met z’n allen een naar binnen gerichte organisatie zijn en dat jullie niet in staat zijn kritisch naar jezelf te kijken. En nu, hup naar binnen, want er is werk aan de winkel.’

Femke Halsema stond daar natuurlijk niet echt. Maar wat ze in mijn gedachten zei, is wel waar. Het staat woord voor woord in het rapport Visitatie Gerechten 2018. Alleen ‘potverdorie’ heb ik verzonnen. Het is een alarmerend rapport over de huidige stand van zaken van de rechtspraak. Halsema was voorzitter van de commissie die de rechterlijke organisatie tegen het licht hield.

Een half uur later dan gepland kan de strafzaak tegen Willem – hij mocht als enige niet naar buiten – beginnen.

Er waren anonieme meldingen over hem binnengekomen. Dat hij zou handelen in harddrugs, in speed, xtc, cocaïne. In de politiesystemen is hij onder zijn echte naam geen onbekende. Hij was in 2015 al eens bedreigd door een groep mannen in verband met een drugs. In 2017 was in zijn woning bijna een vrouw doodgegaan wat ook met drugs te maken had. Eind vorig jaar werden drugs en geld uit zijn woning gestolen en stapte hij naar de politie. Er is een vermoeden dat Willem bang is en onder druk wordt gezet.

De officier van justitie noemt het bijzonder dat een drugsdealer als Willem zo lang onder de rader heeft kunnen werken. Zo lang achtereen dealen, dat lukt bijna niemand. Toch is ook Willem geen echte Narco. Eerder is hij, zo wordt in de rechtszaal geschetst, een wat kwetsbare jongeman die geen aansluiting weet te krijgen bij de samenleving.

Als ik dat hoor moet ik aan mijn woorden van Femke Halsema denken. Willem is een beetje als de rechtspraak zelf. Niet in staat mee te komen in de samenleving, in zichzelf gekeerd, geen zelfinzicht en gelijk de rechtspraak niet in staat goed te communiceren. Willem zeult een bak ellende met zich mee, maar weigert hulp. Ja, af een toe een kopje koffie met iemand drinken, maar verder…?

Anders dan met Tobias kent de officier van justitie voor Willem geen genade. Hij zegt: ‘U bent een grote egoïst. Met de ene hand vangt u een uitkering, krijgt u gratis geld van de Staat en met de andere hand dealt u en verwoest u met drugsverkoop levens.’

Willem hoort achttien maanden gevangenisstraf tegen zich eisen.

Het moet voor rechters een crime zijn: te moeten oordelen over mensen die niet functioneren en in de fout gaan, wetende dat je als rechter onderdeel bent van een organisatie die ook niet functioneert.

Rob Zijlstra

update – uitspraak – 14 mei 2019
Willem is veroordeeld: zestien maanden celstraf waarvan de helft voorwaardelijk. De rechtbank acht de periode waarin hij dealde minder lang  dan het OM wilde doen geloven.  Vandaar een lagere straf dan de geëiste achttien maanden waarvan zes voorwaardelijk.

Het rapport van de visitatiecommissie

Gewoon een aanslag

Waarom plegen mannen misdrijven? Volgens mij is dat een goede vraag. Ik kom tot drie redenen: geld, gekte en gewoon.

Geld ligt voor de hand. Je hebt honger en geen geld. In zo’n geval ga je iets stelen, de buit verkopen en van de opbrengst koop je vervolgens eten en – voilà – de honger gestild. Je zou ook direct een brood kunnen stelen, maar met een brood kun je geen drugs kopen en ook geen duur horloge. Dat is dus niet handig. Wie steelt, wil geld.

Deze week werden in zittingszaal 14 vier mannen en een vrouw veroordeeld tot forse gevangenisstraffen. De mannen waren – nu niet meer – lid van motorclub No Surrender evenals hun slachtoffers. Twee afvallige leden kregen een bad standing (een soort ontslag zonder eer) en moesten betalen. Dat moeten ging met hulp van de vrouw gepaard met bedreigingen en geweld waardoor het afpersing ging heten. Dat is ook stelen.

In de ogen van het Openbaar Ministerie is de bad standing een verdienmodel. De hele actie leverde in eerste instantie zo’n vierduizend euro op en een zak vol wiet. Dat is niet zoveel als je bedenkt dat de vier mannen en de vrouw er opgeteld bijna 23 jaar voor in de gevangenis moeten zitten. En ze moeten samen ook nog eens 10.000 euro aan een van de slachtoffers betalen. Het verdienmodel is zo verworden tot een betaalmodel en dat kan nooit de bedoeling wezen van een misdrijf. De veroordeelde verdachten gaan dan ook in hoger beroep.

Gekte is ander veelvoorkomend motief. Dit vraagt om een nuance. Flink wat misdrijven worden gepleegd door verwarde mensen. Verwarde mensen zijn niet per definitie gek. Zij zijn tijdelijk in de war en doen dan even gekke dingen.

Met die nuancering breng ik Derk in herinnering, ik schreef twee weken geleden over hem op deze plek. Derk was tijdelijk in de bonen waardoor de dagelijkse sleur hem door de vingers glipte. Ten einde raad stak hij zijn woning in brand. Toen hij bij zinnen kwam, vertelde hij dat hij was overvallen door drie mannen met bivakmutsen. Die mannen hadden de brand gesticht. Niet hij.

De rechters geloofden er niks van en veroordeelden Derk tot een gevangenisstraf van 365 dagen waarvan 209 dagen voorwaardelijk. Dat is geen straf die hem zal leren, het is een straf die hulpverlening mogelijk maakt opdat het op een dag weer goed komt met Derk. Voor iedereen beter.

Gekte speelde ook een voorname rol in de zaak van de verwarde Mo die priester wilde worden in India. Mo had zijn moeder mishandeld en vader had daarvan aangifte gedaan. Drama compleet, zou je denken, maar Mo deed er nog een schepje bovenop: het dreigde met een aanslag. Aan agenten liet hij weten dat hij met een AK47 op een zwarte dag in de Herestraat in Groningen willekeurige mensen zou doodschieten. Tot slot zichzelf.

Hij dreigde: ‘Ik ga net zulke dingen doen als Tristan deed, ik zal sterven als terrorist…’ Een arrestatieteam haalde hem uit de ouderlijke woning.

In zittingszaal 14 eiste de officier van justitie een jaar celstraf. Advocaat Theo Hiddema (die ja) vond de strafeis veel te hoog en verzocht de rechtbank om minder. Dat gebeurde. De rechters zagen er geen dreigende terroristische aanslag in. Mo kreeg 176 dagen celstraf (maand voorwaardelijk) omdat hij zijn moeder met een mes in haar been had gestoken.

Dreigen met aanslagen komt in het noordelijke misdaadgenre sowieso niet vaak voor. ’t Is hier geen Amsterdam of Zaandijk. Alertheid is wel geboden. Jaren en jaren geleden werd de wereld verblijd met nieuw technisch vernuft: de fax. Op een nacht kwam via dit apparaat een mededeling bij de krant binnen: er zouden de komende dag – een zaterdag – bommen ontploffen op het Gedempte Zuiderdiep.

Op deuren op de redactie waren briefjes geplakt: dat de dienstdoende weekendredacteur niet moest vergeten in het bakje bij de fax te kijken. Op vrijdagavond deed ik het, ik vergat het op zaterdagochtend waardoor ik pas op zondagmiddag lucht kreeg van de bommelding, ruim 24 uur te laat. De technische recherche nam de fax in beslag voor nader onderzoek. Voor de goede orde: er was die zaterdag niets ontploft.

Bij de Nederlandse Spoorwegen waren ze recent alerter dan destijds bij de krant. Bij de klantenservice, in Groningen, kwam om 16.45 uur een telefoontje binnen. Een man zei dat hij 123 bitcoins wilde hebben. Kreeg hij die niet, dan zou er binnen 48 uur een terroristische aanslag worden gepleegd op het spoor.

Klantenservice belde de politie. De politie trok het telefoontje na, plaatste een spoedtap, knoopte wat gegevens aan elkaar en belde aan bij een woning nabij Utrecht, de woning waar Willem samen met zijn moeder woont. Willem, 22 jaar, werd gearresteerd.

Hij bekende dat hij de jongeman was van het telefoontje. Nee, een bommenmaker was hij niet en het was ook niet echt de bedoeling geweest een aanslag te plegen.

De rechters willen weten wat dan wel de bedoeling was.
Willem: ‘Gewoon.’
Rechters: ‘Gewoon?’
Willem: ‘Ja.’
Rechters: ‘Was het idee niet dat de spoorwegen aan u 123 bitcoins zou betalen?’
Willem: ‘Dat was wel het idee ja.’
Rechters: ‘Een bijzondere manier om geld te verdienen.’

Willem legt uit dat hij het even financieel niet zo breed had. Er was een studieschuld. Zegt: ‘En ik wilde gewoon wat luxe spullen kopen en af en toe een keertje uitgaan.’ Nadat hij had gebeld was hij gaan nadenken en bedacht toen dat het gewoon beter zou zijn het er maar bij te laten zitten.

De rechters: ‘Weet u wel dat het tegenwoordig heel gevoelig ligt, dreigen met een aanslag? Zo onschuldig is dat niet. Ze hadden het spoor plat kunnen leggen. Met dit soort acties jaagt u mensen de stuipen op het lijf.’
Willem knikt. Over de gevolgen had hij niet goed nagedacht. Zijn moeder vond het ook niet goed bij hem passen. Maar ja, nadat hij zijn ict-opleiding had afgerond, verveelde hij zich gewoon.

De officier van justitie zegt dat er van een reële dreiging op het spoor geen sprake is geweest, maar dat zo’n bedreiging in deze tijd wel een ernstig strafbaar feit is. Toch mag Willem wegkomen met een waarschuwing in de vorm van drie maanden voorwaardelijke celstraf. Dat is de eis. De rechters denken er nu over na.

Geld, gekte en gewoon. Combinaties zijn ook mogelijk.

Rob Zijlstra

update – 6 mei 2019 – uitspraak

Wat een dag

Een dag in de rechtszaal is voor sommige mensen een gewone werkdag en soms ook eentje van negen tot vijf. Dat klinkt alledaagser dan het is.

Het is 09.05 uur, zittingszaal 14. De officier van justitie vraagt zich af waar Kaap Hoorn ligt. Gemeente Haren? Of nog net in de gemeente Groningen? Of is Groningen inmiddels Haren. Is het net andersom? Vorige week dacht deze officier van justitie (‘ik ben een tijdje weggeweest’) dat Beerta in de gemeente Groningen lag en toen ging het hartstikke fout in die zin dat de verdachte moest worden vrijgesproken van een poging tot doodslag vanwege deze juridische dwaling.

De verdachte van nu, een ondernemer, kwam zijn ex tegen bij restaurant Kaap Hoorn. De ex verkeerde in het gezelschap van haar vriend. ‘Een gevaarlijke gek’, zegt de verdachte. De ontmoeting verliep eerst aller onaardigst en liep daarna uit de hand.

Hij zou ook zijn minnares, de achterbuurvrouw, hebben geslagen. Verdachte: ,,Maar die is ook gek. Ze gaf tienduizenden euro’s uit aan paragnosten. Ze heeft een paragnostenverslaving. Echt, dat bestaat. En ik heb haar niet geslagen.’

Het wordt 09.50 uur. De strafzaak kabbelt voort. Veel gedoe. In de gangen van het rechtbankgebouw zitten welgeteld 27 mannen en vrouwen en twee kinderen. Iedereen wacht. Sommigen bladeren in tijdschriften, anderen kletsen met advocaten. Voor Kamer 7 is een man in tranen, iets verderop loopt een rechtbankmedewerker met een schroefboormachine door de hal. De politierechter praat in zaal 13 met een man uit Delfzijl die een jaar geleden bij de Jumbo kipfilet heeft gestolen.

Terug in 14. De officier van justitie zegt (10.20 uur) tegen de verdachte: ‘Alles wat op uw strafblad staat is boosheid-gerelateerd.’ Hij eist een taakstraf van 240 uur en zes maanden voorwaardelijke celstraf. Advocaat Cees Eenhoorn, nestor van de Groningse advocatuur, pleit (11.05 uur) voor een onsje minder. ,,Het gaat hier om oude feiten zeg, kom op.’’

Om 11.30 uur begint de tweede zaak van de dag. Man uit Sneek heeft een moord gepleegd in Macedonië en moest boeten met vijftien jaar cel. Hij zou vrijkomen, maar nu gaat het niet goed met hem, niet goed genoeg voor de vrijheid. De rechters moeten hier iets van vinden.

Dat moeten ze ook van Ricardo die vorige week vader is geworden. Moeder en baby zijn meegekomen. Ricardo, hij zit in het grondverzet, pleegde een woningoverval, heeft tweederde deel van de straf uitgezeten, maar komt nu de afspraken niet na. Ook zou hij zijn plasje bij de verplichte urinecontrole met water hebben aangelengd. Hij heeft nog 689 dagen als stok achter de deur op de lat staan.

Ricardo krijgt (12.05 uur) een allerlaatste kans. Een van de rechters, bozig: ‘U kruipt hier door het allerkleinste muizengaatje.’ Of hij dat goed heeft begrepen? Heeft hij.

Om 12.15 uur zou Henk S. (48) in zittingszaal 14 moeten zitten. S. heeft twee vrouwen vermoord onder wie de Groningse studente Anne de Ruijter de Wildt, op 30 april 1997. De officier van justitie wil zijn tbs met twee jaren verlengen. S. is er niet, hij heeft geen zin in schijnvertoningen, heeft hij laten weten.

Achttien jaar geleden zat S. met zijn advocaat van toen, Cees Eenhoorn, wel in zaal 14. Met toestemming van de rechter mocht hij de capuchon ver over zijn hoofd trekken, zodat niemand hem kon zien. Henk S. komt nooit meer vrij. Zijn advocaat van nu probeert nog wel wat (12.35 uur): ‘Laten we de sleutel niet weggooien. Laten we proberen perpectief te bieden.’ De rechters: ‘Over twee weken uitspraak.’

Over uitspraken gesproken: die zijn in de Groningse rechtbank altijd om 13.00 uur. Verdachten zijn er niet. Ze horen het wel in de gevangenis. Woninginbreker Marco uit Groningen moet vijf jaar, Manfred de drugsdealer uit Sappemeer krijgt negen maanden.

Dan is het wachten (13.15 uur). Er is onduidelijkheid over de geplande zaak van 14.15 uur, of die wel doorgaat. Om 14.05 uur: zaak gaat door, verdachte komt niet. Hij blijft liever in de gevangenis in Leeuwarden, toch al zijn tweede huis. De advocaat is er wel. Cees Eenhoorn.

De verdachte die er niet is heet Alex. Hij doet al vijftien jaar wat niet mag. Hij steelt niet, hij leent geld van mensen. Maar omdat hij vooraf de intentie heeft niets terug te betalen is er sprake van valse voorwendselen en mag het oplichting heten. Alex belt simpelweg bij mensen aan, babbelt dat hij een nieuwe buurman is en dat hij pech heeft met de auto. Accu stuk. Een klein beetje geld zou hem al veel helpen.

Een echtpaar uit Emmen leende Alex uit goedheid honderd euro. Nu zijn ze een van de vele slachtoffers. De officier van justitie eist (14.45 uur) de veelplegersmaatregel ISD. Dat is twee jaar zitten. Advocaat Eenhoorn: ‘Het is onbegrijpelijk dat mensen hem maar geld blijven geven. Al jaren. Kennelijk raakt hij met zijn praatjes een gevoelige snaar.’

Of het Emmense echtpaar, vragen de rechters om 15.03 uur, nog iets wil zeggen? De man van het paar, vriendelijk: ‘Nee, hij heeft al problemen genoeg.’

Rest op deze dag Bart.

Bart heeft in 1996 in Drachten een meisje van 10 jaar ontvoerd. Hij kreeg niet een heel lange celstraf, maar wel tbs. Nu, 23 jaar later, is hij nog steeds tbs’er en de vooruitzichten zijn voor hem belabberd.

De tbs-deskundige zegt (16.01 uur) dat de longstay lonkt, levenslang dus, hoewel dat niet zo mag heten. Bart zelf ziet meer heil in het tegenovergestelde, in een beëindiging van de tbs.
Het is het verschil tussen leven en bijna dood.

Bart vindt dat de deskundige vals over hem praat, dat ze liegt, met leugens onder ede. Hij eist daarom andere deskundigen. De rechters vinden dat niet nodig. Bart vol ongeduld (16.25 uur): ‘Ik zit hier in een gecreëerde impasse, zoveel onwaarheden, dit kan ik niet accepteren.’

De advocaat fluistert in zijn oor dat het niet verstandig is wat hij wil doen, maar Bart is radeloos. Roept: ‘Ik krijg geen eerlijk proces, ik wraak de rechtbank.’
De rechters, diepe zucht: ‘Okay, dan is het hiermee voor vandaag afgelopen.’

Een man en vrouw op de tribune verlaten de rechtszaal. Het is 17.08 uur. Zij volgen Bart en dat doen ze al 23 jaar. ‘We zien hem langzaam grijs worden.’ Nee, ze kennen hem niet, niet echt. Hij weet niet wie zij zijn, hij weet niet dat zij de ouders zijn van het meisje van destijds 10.

Rob Zijlstra

→ in de zaak van Bart komt (naar ik verwacht) komende week een wrakingskamer bijeen. Ik weet niet hoe laat

In de bonen

De rechtbankweek is nog maar net begonnen en het is al tranen met tuiten. De verdachte is een 53-jarige man die onbedaarlijk moet huilen. Hij heet Derk. Voormalig middenstander. Met dichtgeknepen keel snikt hij tegen de rechters: ‘Waarom geloven jullie mij dan niet?’

Derk is een ongelukkige man. Dat zie je ook. Zijn gezicht is een chaos, zijn ogen lijken als zwarte gaten alle wanhoop van de wereld te hebben opgezogen. Met de handen tegen de wangen probeert hij met gebogen hoofd zich twee uur lang door het strafproces heen te worstelen.

Waarom geloven jullie mij dan niet?

Op het hoofdbureau van politie aan de Rademarkt in Groningen schijnen – heb ik gehoord – in de nacht weleens mannen te komen die vertellen dat ze zijn beroofd. Dat er vanuit het niets rovers opdoken die de portemonnee wilden hebben.

Achter de balie op de Rademarkt geloven ze deze verhalen niet zonder meer. Omdat ze daar weten dat er ook mannen zijn die onbedoeld veel te veel geld zijn kwijtgeraakt in een casino. Of, nog lastiger om thuis te verkopen, aan de lustige diensten van Wilde Wilma in de rosse buurt van de stad. Thuis kun je dan maar beter slachtoffer zijn.

Terug naar de wenende Derk.

Bij de meldkamer van de hulpverleningsdiensten komt om negen uur in de avond een melding binnen. Brand in een woning. De brandweer blust het vuur, maar kan niet voorkomen dat de schade aanzienlijk is.
Zo’n 80.000 euro zou later blijken.

In de tuin achter de woning treffen de vrijwillige brandweerlieden een man aan met een hond. Het is Derk. Hij zegt dat hij knock-out is geslagen door drie mannen met bivakmutsen. Een van de vrijwillige brandweermannen die ook bijzonder opsporingsambtenaar is noteert: ‘Ik zag geen zwellingen, ik rook wel een dranklucht.’

Derk moet mee naar het politiebureau waar hij een verklaring aflegt. Hij vertelt dat hij vanaf een uur of vier die middag bier had gedronken. Halve liters. Daar was hij van in de war geraakt. Heeft hij de brand gesticht? Derk denkt van wel, maar hoe precies dat weet hij niet meer. Waarom? Hij vertelt dat hij er een einde aan wilde maken. Daar liep hij dagen mee rond. Daarom.

Als de agenten op het politiebureau vragen hoe het zit met die drie mannen met bivakmutsen, de mannen die hem knock-out zouden hebben geslagen, maakt Derk met zijn hand een wegwerpgebaar. Zegt: ’Ik was een beetje in de bonen.’

Twee dagen na de brand mag Derk het politiebureau verlaten. Naar huis kan niet. Hij zwerft door de velden, klopt aan bij het Leger des Heils, maar een slaapplek op een stapelbed wil hij niet, hij struint zonder eten door het bos waar hij de nachten doorbrengt en waar het koud is.

Dan ziet hij een politieauto rijden. Hij trekt de aandacht. In de auto vertelt hij geëmotioneerd wat er is gebeurd. Zegt dat hij nu eerlijk wil zijn. Dat hij op de bank had gezeten, dat hij wit spul uit de kussens had getrokken en dat hij dat spul met een aansteker had aangestoken. Dat hij zijn dochter had gebeld aan wie hij vertelde dat hij het huis in brand had gestoken, dat hij er een einde aan ging maken.

Hij zou de hond ook meenemen in zijn einde, maar het dier was vreselijk bang geworden voor het vuur. Zo bang dat Derk met de hond naar buiten ging, naar de tuin. Daar trof hij de brandweerman. Zo is het, zegt hij in de politieauto, gegaan. De agenten houden Derk aan en nemen hem mee.

Een wanhoopsdaad.

Rechters: ‘Toch?’
Derk schudt het hoofd. Snottert: ‘Als je de kluts kwijt bent, dan zeg je dingen die helemaal niet waar zijn… Misschien heb ik weleens gezegd dat ik er een einde aan wilde maken, maar zo ben ik helemaal niet. Denken jullie nou echt dat ik mijn eigen huis in brand zou steken? Ik heb dat niet gedaan. Waarom geloven jullie mij dan niet?’

Er volgt een nieuwe emotionele uitbarsting, over de scheiding na 31 jaar, dat hij nog steeds van haar houdt, dat hij net als Gerd Müller in de goot belandde, dat hij in een rouwproces zit. Dat hij gewoon weer een beetje gelukkig wil zijn, dat hij de drank zal laten staan, dat hij een oud bootje wil kopen om dat op te knappen.

De rechters: ‘Het was dus geen wanhoopsdaad?’

Derk: ‘Nee. Ik ben overvallen, door drie mannen met bivakmutsen op. Ze kwamen via de achterdeur binnen, ze wilden geld, ze bedreigden me met een vuurwapen. Ik moest mee naar buiten. In de tuin sloegen ze me knock-out. Daarna hebben ze het huis in brand gestoken.’

Waarom zouden drie mannen hem overvallen? Derk vertelt over een escortdame. En over haar vriend. Die wilde geld. En daarna nog meer en nog meer. Die dame had hem gebeld, dat hij weg moest gaan, omdat haar vriendje naar hem onderweg was. Zegt: ‘Ik was zo ontzettend bang.’

Derks advocaat heeft nog een andere optie in de aanbieding. Het is waar, zegt de advocaat, dat Derk door zijn drankgebruik weleens voor wat overlast zorgde in de buurt. ‘Misschien waren het wel de buren met bivakmutsen op die hem een lesje wilden leren.’

Derk zit inmiddels ruim 150 dagen vast, grotendeels in een kliniek waar ze proberen de alcohol de baas te worden. Derk vindt dat op zich wel best, maar hij wil liever naar huis, in zijn geval naar het huis van zijn laatste baas bij wie hij kan wonen en voor wie hij ook weer kan werken. Als dat zou kunnen, zegt Derk, dan heeft hij eigenlijk geen problemen meer.

De officier van justitie wil dat Derk in de kliniek blijft om de behandeling af te maken, daarna moet hij zich laten begeleiden. Vertikt hij dat, dan wacht hem nog zeven maanden gevangenisstraf. De officier van justitie zegt dat een paar jaar gevangenisstraf als eis ook had gekund want brandstichting is een zeer ernstig misdrijf.

Met de laatste tranen perst Derk zijn laatste woorden eruit. ‘Ik ben al genoeg kwijt, ik heb het niet gedaan… waarom geloven jullie mij dan niet?’

De drie rechters kijken hem na als hij de rechtszaal wordt uitgevoerd.
Waarom geloven ze Derk niet?
Dat is de vraag die zij nu moeten beantwoorden.

Rob Zijlstra

update 19 april 2019 – uitspraak

Derk is veroordeeld: 365 dagen waarvan 209 voorwaardelijk

Geboren ambities

Het rukt op. Vanuit het zuiden van het land komen ze langzaam maar zeker deze kant op. Niet via de A28, maar langs slinkse sluikse wegen. Burgemeesters signaleren en roepen het en de hoogste baas van de politie in Noord-Nederland – wie kent hem niet – weet het ook. Hij maakte er een jaar geleden al gewag van: de drugscriminelen uit het zuiden komen met alles erop en eraan.

De noordwaartse opruk is eenvoudig te duiden. In het zuiden zijn ze helemaal klaar – bij wijze van spreken dan – met drugscriminaliteit. Dat doet en ondermijnt maar. De harde aanpak daar maakt dat de drugsondernemer uitwijkt naar hier, het allesverklarende waterbedeffect. Het laatste wat een crimineel wil is hete grond onder de voeten. Hij wil rust. En ruimte. Hij wil Drenthe, Groningen.

De politiebaas van Noord-Nederland zei vorig jaar tegen de krant: ‘Wij hoorden in het zuiden dat de kansen in het noorden worden gepakt.’ En ook: ‘Er zijn hier gebieden genoeg waar ambities worden geboren als je zegt dat er wat te verdienen valt.’ De hoogste baas praat cryptisch, maar hij zegt wel iets.

De ambities hebben vooral te maken met chemische drugs en de daarbij horende drugslaboratoria – kleine stinkende chemische fabriekjes – waar speed- en xtc-pillen worden gedraaid.

Als rechtbankverslaggever weet ik (inmiddels) dat tussen de werkelijkheid van het kwade buiten en die van geordende rechtszaal een wereld van verschil bestaat. Anders gezegd: misdaden in de zalen van het strafrecht vormen geen afspiegeling van de criminaliteit die buiten geschied. Nog anders: ik zie zelden grote drugscriminelen in de rechtszaal.

Het was dan ook even schrikken toen plots drie mannen van elders in de rechtbank van Groningen terecht moesten staan omdat ze betrokken zouden zijn bij de productie van chemische drugs, in een oude aardappelschuur bij een woonboerderij in 1e Exloërmond. Het zouden zelfs leden zijn van een criminele organisatie. Weliswaar geen echte zuiderlingen, maar wie uit de contreien van Den Haag en Delft naar hier komt, komt ook van ver.

In een onderzoek door mannen van de politieacademie (2017) staat dat Nederland in de wereld een topland is als het gaat om de productie van chemische drugs; van amfetamine en xtc. Wie alles verkoopt wat hier per jaar wordt geproduceerd, heeft bijna twintig miljard euro. Dat is een omzet die alle winkels van Albert Heijn in Nederland bij elkaar niet halen. Alleen met gas uit Groningen wordt meer verdiend (en vernield).

Toen de drie mannen zittingszaal 14 binnenkwamen, dacht ik van tja, iemand moet het doen, iemand moet het maken. Dus waarom dan ook niet bij Exloërmond?

In oktober vorig jaar werden ze gearresteerd. De misdaad was anoniem gemeld. De eerste meldingen maakten geen indruk. Pas toen de melder (steeds dezelfde) ten einde raad vertelde dat er ook explosiegevaar bestond, melding negen, ging de politie voor de zekerheid toch maar even kijken.

Een groots onderzoek kwam daar niet van. Geen recherche naar de organisatie, naar geldstromen, naar de ondermijnende financiers. Het werd een ‘korte klap’. Een inval met een hoop agenten, pats, boem, pers informeren, klaar.

De eerste verdachte heet Andy, een man van 51 jaar die het gedoe met schuldeisers zat was en voor de rust Den Haag verruilde voor een woonboerderij in Exloërmond. Hij wilde er iets gaan doen met grote honden. Hij liet een hek om de boerderij bouwen en camera’s plaatsen. Handig voor als hij er een keer niet was, dan kon hij de beesten digitaal in de gaten houden.

Met chemische drugs heeft hij – zegt hij – niets te maken.

De tweede verdachte is Maarten, een man van 31 jaar, ook uit Den Haag. Hij wordt De Bolle genoemd. Over hem is verder bekend dat hij graag in te dure auto’s rijdt, dat hij niets wil zeggen, dat hij de komende week voor de tweede keer vader hoopt te worden en dat hij daarom de gevangenis wil verlaten omdat zijn vrouw hem nu zo nodig heeft.

Verdachte nummer drie is Iwan uit Delft, 64 jaar, schilder. Hij noemt zichzelf een man van de wereld. Met drugs heeft hij nooit iets te maken gehad. Wel met bankovervallen, maar dat is een ander verhaal. Onderdeel van dat verhaal is wel dat hij nu nog 2.000 dagen gevangenisstraf op de lat heeft staan, uit te zitten als hij opnieuw voor iets lelijks wordt veroordeeld.

Iwan is praatgraag, maar veel zeggen wil hij niet. Waarom niet? ‘Omdat ik dan een partij oorlog krijg.’

Dus Andy woonde er en Maarten sjeesde er wel eens langs in een Audi. Van hem is een DNA-spoor aangetroffen in het lab. Iwan is verdachte omdat hij werd aangehouden in een bedrijfsbus met daarin spullen uit het drugslab. Inclusief chemisch afval.

Iwan zegt dat hij een partij pallets moest verhuizen. Voor een kennis. Daarom was hij daar. Met drugs heb hij – hij die immers schilder is – niks. Zegt: ‘Ik heb daar nog staan plassen, tegen het lab aan. Als ik, ik man van de wereld, er iets mee te maken heb, dan ga ik daar toch niet urinere, dan ga ik niet me DNA daar staan rondstrooien? Rechter. U ben toch ook een man van de wereld? Dan geloof je dit toch nie?’

De officier van justitie gelooft het wel, zij het dat hij zegt van dit drietal geen criminele organisatie te kunnen bakken. Maar het is nu eenmaal zijn taak om de korte klap van de politie justitieel af te ronden.

Andy moet wat hem betreft een jaar naar de gevangenis – hij heeft als bewoner de schuur beschikbaar gesteld en dan ben je sowieso medeplichtig. Maartens DNA is in het lab gevonden en dan zal hij ook wel iets te maken hebben gehad met de productie van amfetamine. Nu hij niks wil zeggen: niks vader, maar drie jaar celstraf.

Voor schilder annex chauffeur Iwan: anderhalf jaar. Plus die 2000 dagen die hij nog op de lat had staan. Reactie Iwan: ‘Dat was me een duur ritje dan.’

Het zijn serieuze strafeisen. Dat wel. Maar iets zegt me dat Andy, Maarten en Iwan niet de oprukkende mannen zijn over wie de burgemeesters en de hoogste politiebaas van Noord-Nederland zich zorgen maken. De echte oprukkende mannen – de mannen van de miljarden – weten vooralsnog uit de rechtszaal te blijven.

Of de burgemeesters en de politiebaas roepen maar wat. Dat kan ook.

Rob Zijlstra

rapport politieacademie


UPDATE – 16 april 2019 – uitspraken
Maarten is vrijgesproken. Het aantreffen van zijn DNA in het lab is onvoldoende om hem te kunnen linken aan de productie, redeneren de rechters. Iwan kreeg 164 dagen celstraf (duur voorarrest) met een bonus van 180 dagen (van de 2000 die nog openstonden). Bewoner Andy is geen medepleger, maar medeplichtig: tien maanden cel.

 

Rechtbankverslaggever op het matje

update

Ik  moet moest mij vrijdagmiddag (5 april) in Amsterdam verantwoorden voor de Raad voor de Journalistiek. Een rechter over wie ik in juli 2018 een artikel schreef, heeft een klacht tegen mij ingediend. Ik zou ‘onjuist, onvolledige en tendentieus’ over hem hebben bericht.

De klacht richt zich ook tegen de hoofdredacteur van Dagblad van het Noorden, Erik Wijnholds.

Het is goed dat journalisten ter verantwoording kunnen worden geroepen. Want soms maken wij er  een potje van.  Misschien is het waar en heeft deze  rechter gelijk. Rechters hebben in hun oordelen bijna (bijna) altijd gelijk. Maar in dit  geval is het volgens mij anders.  Ik heb wel een lelijk verhaal geschreven over deze rechter, maar niet ‘onjuist, onvolledige en tendentieus’.

De nuance in het gewraakte verhaal spat er vanaf. Dat vind ik.

Mocht de rechter in het gelijk worden gesteld, dan zal ik daar op deze plek ‘juist, volledig en niet tendentieus’ over berichten. Ik ga nu bewust niet in op het geschil. Dat zou  geen recht doen aan mijn tegenpartij die hier – op dit blog – immers niets te zeggen heeft.

      • De  zitting is geweest, beide partijen zijn aan de tand gevoeld en hebben hun standpunten nogmaals uiteen kunnen zetten.  Het  aanbod van rechter Joep de Locht – gedaan tijdens de zitting –  de kwestie ‘te schikken’ middels een rectificerende tekst  heb ik afgewezen. Ik hecht aan het oordeel van de Raad voor de Journalistiek.
      • Overigens, dacht  ik dat de reguliere rechtspraak traag was, de Raad voor de Journalistiek weet ook van wanten: uitspraak over twaalf weken.

    r.z.

  • raad voor de journalistiek

    klik voor volledig artikel

     

     

 

 

 

 

update – 6 april 2019

in balans

Als een zaak ‘onder de rechter’ is, is het beter om  te zwijgen en het oordeel af te wachten, in dit geval het oordeel van de Raad voor de Journalistiek.  Om die reden vind ik het  niet gepast in te gaan op het geschil dat ik heb met rechter De Locht. Ook omdat ik mij realiseer  dat het voor rechters lastig is publiekelijk te reageren.

Maar nu reageert een collega-rechter van De Locht. Ik plaats (met zijn instemming) zijn reactie hier. Omdat een verhaal altijd (vaak) twee kanten heeft. Voor de balans.

 

Het is niet echt fair om op je eigen podium te zeggen dat je niet op de zaak in gaat. Je doet het natuurlijk door er een artikel aan te wijden, het gewraakte artikel erbij te zetten en te stellen dat je vindt dat de nuance eraf spat.

Een rechter kan moeilijk publiek reageren, zeker als het over hemzelf gaat; hij is een sitting duck. Als directe collega van mr. De Locht ken ik de zaak wel een beetje. Om de kwestie wat in balans te brengen, reageer ik toch maar.

Volgens de Leidraad van de Raad voor de Journalistiek geldt als uitgangspunt dat journalisten waarheidsgetrouw, controleerbaar en zo volledig mogelijk berichten en dat ze eenzijdige en tendentieuze berichtgeving vermijden. De oudere Code voor de Journalistiek verwoordt het wat scherper: “De journalist brengt in de berichtgeving een duidelijk onderscheid aan tussen feiten, beweringen en meningen.”

Al in juli 2018 stuurde de president van de rechtbank een “Ingezonden stuk brief/commentaar/mening Dagblad van het Noorden” aan de krant. Misschien heb ik het over het hoofd gezien, maar bij mijn weten is deze reactie nooit met het publiek gedeeld. Waarom eigenlijk niet?

De president schrijft: “Terug naar het artikel. In het artikel staat over het incident op 8 mei 2016 in de derde alinea het volgende: “Op het volle terras krijgt Nico Salas te horen dat hij een ‘asociale buitenlander’ is die ‘niet eens fatsoenlijk Nederlands kan praten’ en bovendien ‘een hufter die vrouwen lastigvalt’. De Locht bijt zijn clubgenoot toe: ‘Jij hoort hier niet thuis’.”

Het eerste citaat is tevens de kop van de alinea, het laatste citaat is extra uitgelicht. De journalist geeft in zijn verantwoording onder het artikel aan uit welke stukken de citaten afkomstig zijn.
Uit deze stukken blijkt echter niet dat betreffende uitspraken door de rechter zijn gedaan. Wel zijn deze terug te lezen in de aangifte die Salas deed tegen de rechter naar aanleiding van het incident.
 Ik constateer dan ook dat het artikel niet klopt en suggestief is.”

De president vroeg zich vervolgens af of het ernstig dat het artikel slordig met de feiten omgaat. Ze antwoordde: “Ik vind van wel. In de rechtspraak baseren we ons op de feiten. Daar is in dit geval geen sprake van. Dit is onnodig beschadigend.”

De Leidraad voor de Journalistiek zegt letterlijk dat beschuldigingen alleen worden gepubliceerd wanneer onderzocht is of hiervoor een deugdelijke grondslag bestaat, zeker wanneer die beschuldigingen werden geuit door personen die in conflict verkeren met de beschuldigde.
Ik heb begrepen dat wel wordt toegegeven dat de bron alleen de heer Salas is. Als dat waar is, heeft de krant over mr. De Locht kwalijke feiten gepubliceerd, terwijl het in werkelijkheid alleen maar gaat om de mening van iemand over mr. De Locht. In dat geval is een rectificatie op haar plaats. Daar hoeft toch geen Raad voor de Journalistiek aan te pas te komen?

Edzard van Weringh (rechter)