Ontzettend Vindicat

Eigenlijk ging het kort na aanvang van de zitting al mis. Wouter (25) vertelt dat hij ontzettend blij is dat het goed gaat met het slachtoffer, dat hij het ontzettend fantastisch vindt dat het slachtoffer volop meedoet aan de activiteiten van het studentenleven. ‘En zijn vrienden groeten mij ook gewoon.’

Dus…

Maar tijdens de zitting blijkt dat de ontzettende blijdschap van Wouter voorbarig is. Het gaat helemaal niet goed met Rogier, het slachtoffer. Nog steeds stekende hoofdpijnen, nog altijd concentratieproblemen. En vrienden mogen dan gewoon groeten, het slachtoffer zelf durft niet eens de rechtszaal te betreden waar Wouter in de verdachtenbank zit. Rogier zit met zijn familie elders in het Paleis van Justitie waar het hoger beroep dient. Hij heeft opnieuw een schadeclaim ingediend van ruim vijfduizend euro. Wouter wil niet betalen.

De advocaat-generaal (zo heet de officier van justitie in hoger beroep) vraagt het gerechtshof Wouter B. wegens zware mishandeling te veroordelen tot de straf die de rechtbank in Groningen een jaar geleden opgelegde: 31 dagen cel waarvan 30 dagen voorwaardelijk en een taakstraf van 240 uur. En het betalen van de schadeclaim.

Student bedrijfskunde Wouter B. was in augustus 2016 als prominent lid van Vindicat belast met het toezicht op de ontgroeningsrituelen. In die functie was hij , broodnuchter, op het hoofd gaan staan van Rogier die op dat moment (rond 18.00 uur) op een met glas bezaaide betonnen vloer lag in een kelder van het naar verschaald bier riekende pand van de studentenvereniging aan de Grote Markt in Groningen. Rogier lag op de buik, rechterwang op het beton. Het deed ontzettend zeer.

Wouter deed het niet om dit aankomende Vindicatgroentje eens even flink de les te lezen, niet om wraak te nemen vanwege een eerder incident, het was niks persoonlijks. En hij deed het ook niet omdat hij zelf niet helemaal goed bij zijn hoofd is. Wouter deed het, zegt hij tegen de raadsheren, om de spanning iets op te voeren.

Tijdens de rechtszaak in Groningen was de deur naar die kelderruimte – bij Vindicat noemen ze die ruimte het tennishok – op een kiertje gezet opdat wij stervelingen voor even een blik naar binnen konden werpen. Glas dus op de vloer, glas van kapot gegooide bierflesjes. Pikkedonker. Op een tafeltje een paar kaarsen voor licht schijnsel. In het schijnsel zijn mensfiguren te zien die in een rare houding – negentig graden – tegen de muur leunen terwijl ze, met de vingers in de oren, zoemende geluiden maken. Dat moet. Af en toen worden voeten onder de kont weggeschopt (‘vegen’). De figuren vallen dan om. En in die omstandigheid ligt Rogier op de buik in het glas. En voert Wouter met zijn geschoeide voet de spanning iets op.

Strafrechtadvocaat Tjalling van der Goot (een geldinzamelingsactie was niet nodig) vindt de veroordeling niet terecht. De rechtbank heeft de conclusie (schuldig) gebaseerd op verkeerde feiten.

De raadsheren willen het van Wouter weten en vragen: ‘Waarom bent u in hoger beroep gekomen?’ Het blijkt te maken te hebben met eerlijkheid. Wouter: ‘Ik vind eerlijkheid ontzettend belangrijk. En mijn veroordeling is niet eerlijk. Daarom.’

Hij had ook gezegd dat hij spijt heeft, maar ook dat ‘een stukje vernedering’ nu eenmaal bij ontgroening hoort.
De raadsheren vragen: ‘Maar waar heeft u dan spijt van?’
Wouter, na veel omhaal van woorden: ‘Het was te vernederend. ’
Raadsheren: ‘Met vergaande consequenties voor het slachtoffer. Toch?’
Wouter, als een politicus: ‘Wij hebben ons ontzettend veel zorgen over hem gemaakt.’

In het ziekenhuis werd even gevreesd voor Rogiers leven. Hersentrauma, mogelijk een schedelbreuk. Hij durfde aanvankelijk geen aangifte te doen. Sterker, aanvankelijk durfde hij buiten zijn familie om er met niemand over te praten. Als aspirant-lid van Vindicat had hij een geheimhoudingsverklaring ondertekend. Bij de politie kwam de eerste melding binnen via Meld Misdaad Anoniem: ‘In de sociëteit van Vindicat worden feuten mishandeld.’

Wouter ontkent niet dat hij op het hoofd van Rogier is gaan staan. Dat wil zeggen, hij heeft zijn voet op het hoofd geplaatst, maar dat deed hij gecontroleerd, beheerst, met de hak op de grond en hij zette geen druk. Dat Rogier gilde van de pijn hebben sommigen wel en anderen niet gehoord. Wouter niet. Hoe dan toch dat nare letsel? Wouter zou dat niet weten.

Getuigen verklaarden dat Wouter volledig opging in zijn rol van de ontzettende vernederaar. Een getuige: ‘Hij was ‘qua gefuck keihard’, om bang van te worden.’

Wouter B. werd door zijn vereniging (‘waar ik een ontzettend leuke tijd heb gehad’) geroyeerd en maakte zijn studie in Amsterdam af. Nu probeert hij werk te vinden, maar hij heeft inmiddels ontdekt dat werkgevers weten wie Wouter B. is. En dan willen ze hem niet. Dat is de schuld van de media, vindt B. Zijn boodschap aan ons, de boodschappers van het nieuws: ‘Ophouden.’

In een verklaring die wordt voorgelezen in de rechtszaal laat Rogier weten dat hij hoopt dat hij het laatste slachtoffer is van mishandeling tijdens ontgroeningen in Nederland. Wouter is het daar vast ontzettend mee eens, maar hij en zijn advocaat zien het wel anders. De advocaat tegen de raadsheren: ‘U moet geen moreel oordeel vellen over ontgroening, u moet oordelen over de strafbaarheid en dat moet u doen op basis van de feiten.’

Volgens Tjalling van der Goot is zwaar letsel niet vastgesteld en dan kan van zware mishandeling geen sprake zijn. De advocaat noemt het griezelig dat de rechtbank zonder meer aanneemt dat het slachtoffer een schedelbreuk opliep. Feiten, zegt hij, moet je niet invullen. ‘Feiten liggen er.’

Hooguit, vervolgt de advocaat, is er sprake van een eenvoudige mishandeling en dan moet de setting in acht worden genomen. Was er sprake van intimidatie? ‘Jazeker, want ontgroening is bedoeld om te intimideren. Het is een spel, een act. De leden zijn niet werkelijk kwaad, maar doen alsof. Om een dikke huid te kweken bij nieuwe leden.’

En: ‘Dat Wouter spijt heeft, mag niet worden uitgelegd als een schuldbekentenis. Hij is onvoorzichtig geweest, wat onhandig. Maar een onlust veroorzakende gewaarwording is niet per definitie een strafbaar feit.’

Dus… vrijspraak.

In de rechtszaal in Groningen zei Van der Goot het zo: ‘Vrijheid is ook dat de mens tot op zekere hoogte zelf mag bepalen wat hij lijden wil.’

Komende week doet het hof uitspraak en ik denk dat Wouter B. het daar ontzettend mee oneens zal zijn.

Rob Zijlstra

uitspraak op 22 november

Mores
Onderstaande is een fragment van het requisitoir van de advocaat-generaal Marina Weel. De opname is gemaakt door het Openbaar Ministerie en zonder toestemming hier geplaatst. Omdat het OM de opname via twitter heeft verspreid, is volgens mij toestemming ook niet nodig.

De afrekening

Het begin van een verhaal vangt aan met een eerste zin om te eindigen met de laatste. Maar in het echt kent een gebeurtenis begin noch einde. Er is altijd een vooraf en na de laatste zin gaat het verhaal voor betrokkenen gewoon door. Maar dat lees je dan niet.

Herman antwoordt: ‘Beroerd ja. Ik heb evenwichtsstoornissen. En concentreren lukt ook niet. Ik voel me een kluizenaar. Ik laat de hond uit, dat is het wel. Het komt allemaal daardoor.’

De rechters zeggen dat ze hebben gelezen in het rapport van de reclassering dat hij nu een scootmobiel heeft. Herman, bijtend: ‘Het is geen pretje hoor om in zo’n ding rond te rijden.’ Wat denken ze wel.

Met venijn: ‘Die hele fles staat in mijn kop.’

Herman heeft al tientallen keren in de verdachtenbank gezeten. Drugs. Toen hij 16 was, had-ie z’n eerste veroordeling aan de kont. Hij is nu 55. Het gaat beter. Hij trok als ervaringsdeskundige langs scholen, om scholieren te behoeden te worden zoals hij. En dus dat ze met hun poten van die rotdrugs moeten afblijven. De laatste jaren leeft hij via trajecten der hulpverlening in de schaduw van zijn criminele verleden. De laatste veroordeling dateert uit 2010. Fietsendiefstal.

Zegt: ’En ik ben ook doof. Dat komt er ook door.’

Hij was op weg naar zijn vriendin, op de ochtend van de een na laatste dag van het jaar. De jaarwisseling wilde hij bij haar doorbrengen. Bij de afdeling drank van de Jumbo in het FC-voetbalstadion kocht hij ook daarom een fles Amaretto. Verder fietsend schoot door zijn hoofd dat zijn vriendin misschien ook wel een fles zou lusten. Hij kent haar. En dus stopte hij bij de slijterij aan de Meeuwerderweg, toen net open.

De slijter stond bij de toonbank, in gesprek met een vrouw. Hij was doorgelopen naar achteren waar de flessen Amaretto staan. Dat wist hij, want hij kwam er vaker. En toen? Herman zegt dat hij niet alles meer precies weet. Hij is niet alleen veel van zijn zelfstandigheid verloren, maar is ook vergeetachtig geworden.

De slijter had hem aangesproken en Herman was toen boos geworden vanwege de valse beschuldiging. Hij had de fles Amaretto op de toonbank gezet, om af te rekenen. De slijter zag de fles in zijn jas. Ja, zegt Herman, dat was dus de fles van de Jumbo.

Een vreselijk misverstand of niet, de afrekening mislukt en Herman ligt niet veel later in het ziekenhuis waar hij een spoedoperatie moet ondergaan. Artsen hadden zijn schedel moeten lichten om de druk weg te halen. Er zijn bloedingen. Dagenlang is zijn toestand kritiek en moet hij vechten voor zijn leven. Daarna volgt een maandenlange revalidatie in Beatrixoord. Pas na vijf maanden kan hij door de politie worden gehoord.

Had hij in de winkel met flessen gegooid? Etalageruiten aan diggelen? Herman zegt dat het kan, maar dat hij dat nu niet meer weet. Wat hij wel weet is dat die man hem eerst ten onrechte beschuldigde en hem vervolgens bijna heeft doodgeslagen. Met een fles champagne.

Een verhaal kan op veel manieren worden verteld.

Bernard is de man van de slijterij. Hij vertelt dat hij de dag was begonnen met spiegelen (dat doen winkeliers). Daarna had hij een eerste klant geholpen, een vrouw. Terwijl hij haar hielp, zag hij een wat groezelige man binnenkomen die direct doorliep naar achteren. Tegen de rechters: ‘Toen hoorde ik een ritssluiting, daarna het geschuif van een fles en toen weer de ritssluiting.’

Bij de toonbank had Bernard gevraagd of hij in de jas mocht kijken want hij vermoedde diefstal. Niet alleen vanwege ritsgeluiden. Een derde aanwezige klant had hem een veelbetekenende knipoog gegeven. Toen wist hij met zijn ervaring – nog een jaar en dan pensioen – genoeg.

En toen?
Bernard: ‘Escalatie. Hij ging door het lint. Paniek.’
Een buitenstaander ziet dat er in de winkel een worsteling is en houdt de deur dicht om te voorkomen dat er mogelijke winkeldieven vandoor gaan. De veelbetekenende knipoogklant helpt mee te worstelen. Er vliegen flessen door de lucht. Bernard: ‘Ik was angstig. Ik was bang dat hij mij zou doodslaan.’

En toen?
Bernard: ‘Toen heb ik hem een tikje gegeven. Met een fles, vanuit de pols’

Herman en Bernard zitten na elkaar in de verdachtenbank. De fles met champagne woog 1.568 gram.

Bernard wil 7.000 euro hebben van Herman. Schadevergoeding. Sinds de gebeurtenis, straks twee jaar geleden, zit hij ziek thuis. Eet slecht. Slaapt slecht.

De advocaat van Herman: ‘Je moet maar durven. Eerst sla je bijna iemand dood en dan wil je nog geld hebben ook.’

Herman vordert op zijn beurt 21.000 euro van Bernard. Herman zal niet volledig herstellen, maar last blijven houden van restverschijnselen. Dat hebben de artsen gezegd. De scootmobiel brengt weinig verlichting, de gehoorapparaatjes zijn peperduur.

De advocaat van Bernard: ‘Mijn cliënt kreeg in 2013 een waarschuwing van zijn werkgever. Er werd te veel gestolen als hij aan het werk was. Hij moest beter op winkeldieven letten.’

Mag een winkelier een winkeldief op de kop slaan? Bijna dood het ziekenhuis in? Eigenlijk niet, maar in bijzondere gevallen weer wel, zegt de officier van justitie. In dit geval? De aanklager: ‘Er was sprake van een ogenblikkelijke aanranding van lijf en goed. De reële mogelijkheid tot onttrekking aan de situatie ontbrak. Er was sprake van een hevige gemoedsbeweging.’

Oftewel: van het Openbaar Ministerie mocht de winkelier in dit geval de vermeende Amaretto-dief met een champagnefles de kop inslaan. Noodweer (-exces). De officier vraagt de rechtbank daarom om Bernard te ontslaan van alle rechtsvervolging. Dan kan hij geen straf krijgen. Tegen Herman eist ze een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden wegens diefstal met geweld. Voorwaardelijk, omdat ze rekening wil houden met zijn toestand.

De advocaat van Herman zegt dat Herman al is gestraft, omdat de winkelier voor eigen rechter heeft gespeeld. Tegen de echte rechters: ‘Uw werk is al gedaan.’

In de rechtszaal zit ook de eigenaar van de slijterij, de werkgever van Bernard. Hij wil ook een schadevergoeding want re-integratie van de al bijna twee jaar zieke werknemer kost klauwen met geld. Zegt: ‘Ik vind het voor beiden heel erg, maar voor mij is dit ook een drama.’ Hij vertelt dat hij anders zou hebben gehandeld. En dat het dan niet was gegaan zoals het is gegaan.

Maar hoe dat zit, dat lees je dan niet.

Rob Zijlstra

update – 15 november 2018 – uitspraak
Conform. Conform. Dus Herman heeft twee maanden voorwaardelijke celstraf gekregen, een waarschuwing dus. Hij moet Bernard zo’n 3.000 euro betalen. En Bernard is ontslagen van alle rechtsvervolging en hoeft niks te betalen. De vordering die de slijter als werkgever indiende, is afgewezen. Hieronder het vonnis van Bernard [klik op afbeelding].

 

 

Vermist: Ilham Benchelh 2

Het onderstaande artikel staat stond  vandaag – woensdag 7 november 2018 – in Dagblad van het Noorden. De webversie van dit artikel staat hier [dvhn.nl] ↓

 

Drie weken geleden schreef ik het onderstaande bericht over deze kwestie. ↓

klik op afbeelding

 

Op 11 mei 2010 scheef ik een blog over de zaak naar aanleiding van de eerste zitting (pro forma)  waar Kasem M. toen ook aanwezig was (op sokken). ↓

klik op afbeelding

update – 8 november 2018 – voortgang ↓

klik op afbeelding

Griebel in witte auto

Hij was opgelucht toen hij werd aangehouden. Tegen zijn advocaat zei hij: ‘Ik hoop dat de zaak snel voor de rechter komt en dat ik de doodstraf krijg.’ Beide, antwoordde de advocaat, is niet heel aannemelijk. Dat was in maart van dit jaar. Afgelopen week, 241 dagen na de aanhouding, zat hij in de rechtszaal en stierf hij duizend doden.

Een van zijn slachtoffers had gevraagd wat hij ziet als hij in de spiegel kijkt. Ziet hij dan een man of ziet hij een sukkel? Een sukkel, vindt ze zelf. Mark ziet het anders. ‘Als ik in de spiegel kijk zie ik een walgelijke klootzak.’ Tegen de ouders van zijn jonge slachtoffers: ‘Hoe jullie over mij denken, dat ben ik.’

Mark, 30 jaar, wordt verdacht van een misdaad die niet heel vaak in de rechtszaal wordt behandeld: hij zou kinderlokker zijn. Hij zou de man zijn van wie ouders wakker liggen, van wie ouders de griebels krijgen als ze aan hem denken.

Hij had niet naar de rechtszaal willen komen, maar de rechters besloten dat het moest. In de verdachtenbank zit een wanhopig hoopje mens.
De rechters vragen bij aanvang van de strafzaak: ‘Gaat het?’
Mark: ‘Nee.’

In zijn witte VW Polo reed hij door woonwijken, lustig op zoek naar kinderen, naar jonge meisjes. Hij vroeg dan naar de weg, naar een pinauatomaat en of de meisjes bij hem in de auto wilden komen zitten. Hij vroeg of hij een sexy foto mocht maken van de buik. Een warmte-check noemde hij dat om te controleren ‘of je hart wel warm genoeg is’. Eenmaal – voor zover bekend – trok hij een meisje bij haar pols in de auto, terwijl hij zichzelf bevredigde. Hij maakte ook filmpjes.

Dit alles gebeurde in de tweede helft van 2017 en de eerste maanden van dit jaar in de woonwijken van Haren. In maart werd hij door twee postende agenten aangehouden. Mark voldeed aan het signalement: man met stoppelbaard in een witte auto met een goudkleurige mobiele telefoon. Toen de agenten hem aanspraken viel op hoe zenuwachtig hij was. Op zijn voorhoofd zagen ze zweetdruppels kruipen, terwijl het buiten slechts één graad Celsius was. Filmpjes op zijn telefoon maakten duidelijk dat hij de man moest zijn naar wie de politie zocht.

De officier van justitie heeft zijn misdaad vertaald in corrumperen, ontucht, vrijheidsberoving en het in bezit hebben van kinderporno. Ze noemt het een waslijst van ernstige feiten. Zijn slachtoffers zijn tussen de 6 en 9 jaar oud. Zeven kinderen. Niet uitgesloten wordt dat Mark meer kinderen heeft benaderd, maar dat alleen hij en die kinderen dat weten.

De officier van justitie: ‘Niet alle meldingen die bij de politie binnen zijn gekomen hebben geleid tot een strafzaak.’ Haar stem klinkt steeds bozer naarmate ze langer aan het woord is.

Op een geval na bekent Mark de beschuldigingen. Bij een van de meisjes, het meisje dat hij vastpakte en in zijn auto trok, is zijn DNA op de rand van haar onderbroek aangetroffen. Waarom hij het deed, willen de rechters weten. Mark heeft geen antwoord. ‘Wist ik het maar.’ Hij huilt vooral en snift dat hij nooit meer kan goedmaken wat hij heeft gedaan.

Er zijn meer zedenzaken dan drugszaken. Gelukkig is wat zich op het gebied van de misdaad afspeelt in zittingszaal 14 geen afspiegeling van de misdaad buiten de rechtszaal. Zou dat wel zo zijn dan misbruiken we meer kinderen dan we drugs verhandelen en dat zou wereldschokkend zijn.

Zo anders dan bij drugs hebben al die rottige zedenzaken gemeen dat de impact zo ontzettend groot is. Mark zit niet voor niets te janken. Terwijl hij in de verdachtenbank probeert te vergaan, doen de ouders hun verdrietige verhalen.

Ze vertellen dat de onbevangenheid van de kinderen is verdwenen. Hoe ontzettend moeilijk het is om hen toch weer te laten gaan, buiten te laten spelen, naar school te laten fietsen. Hoe groot de angst is, voor de buurman van een paar huizen verderop die op de verdachte lijkt, angst ook voor langzaam rijdende auto’s. Een van de meisjes was na de aangifte onderzocht. Dat moest. Met zeven volwassenen om zich heen had ze zich moeten uitkleden. Nu durft ze niet eens meer naar de tandarts.

Over de onmacht, omdat je als ouder je kind niet hebt kunnen beschermen. Over verloren vertrouwen. Hoe je leven van het ene op het andere moment op de kop staat.

Via de ouders klinken ook de stemmen van de kinderen door de rechtszaal. Een van de meisjes had zich afgevraagd wat voor een straf die man moet krijgen. Hij moet blijven vastzitten tot ik het hem heb vergeven, had ze gezegd. Nog zeker drie jaar. Een ander meisje vindt dat Mark nog wel mag leven en dat veertig jaar gevangenisstraf te lang is want ‘dan heb je geen leven meer’. Ook dit meisje noemt drie jaar een goede straf.

Dat is niet alleen heel bijzonder, maar ook opmerkelijk. De officier van justitie zal even later zeggen dat zij deze zaak in het wekelijkse overleg heeft besproken met twaalf van haar collega’s en dat ze unaniem tot de conclusie waren gekomen dat een gevangenisstraf van drie jaar een passende sanctie is.

Naast drie jaar gevangenisstraf moet, zo eist de officier van justitie, de maatregel tbs met voorwaarden worden opgelegd. Een langdurige behandeling is noodzakelijk om herhaling in de toekomst te voorkomen. Mark wil dat zelf ook. Hij noemt de tbs-eis ‘heftig, maar misschien wel nodig’.

Zijn leven is tot nu toe bewolkt geweest. Thuis sloeg hij dingen stuk, de relatie ging naar de knoppen, hij raakte zijn baan kwijt en toen ook het pas gekochte huis. De drugs kwamen, maakte niet uit wat, maar hij bleef zich een afgewezen lulletje rozenwater voelen. Op de sportschool stopte hij zich vol met prestatieverhogende anabole steroïden. Voor het eerst werd hij niet aan de kant gezet, hij voelde zich iemand. Zijn advocaat Fred Kappelhof: ‘Op de sportschool word je niet beoordeeld op wie je bent, maar op de omvang van de bovenarmen.’

Een van de meisjes had zich steeds afgevraagd hoe het met de moeder van Mark zou zijn. Of de moeder van Mark, net als haar moeder, ook steeds zo had moeten huilen.

Ik hoop dat dit meisje later als ze groot is officier van justitie wordt.
Of rechter.

Rob Zijlstra

update – 12 november 2018 – uitspraak
Mark heeft niet de ‘gewenste’ drie jaar celstraf gekregen. De rechters maakten er 279 dagen van: dat betekent dat Mark begin december de gevangenis kan verlaten om te worden opgenomen in een instelling waar hij zal worden behandeld. Met deskundigen is de rechtbank van mening dat een behandeling noodzakelijk is, in de vorm van een tbs met voorwaarden.

Het vonnis:

klik op afbeelding

Buurman en Buurman

De meeste mensen hebben er twee, maar ze zijn overal en in alle soorten en maten. Ze kunnen hartstikke handig zijn. Je kunt er bijvoorbeeld dingen van lenen. In vakantietijd kun je ze vragen de planten water te geven of voor de poes en de post. Buren zijn vooral handig omdat ze naast je wonen.

Er bestaan ook akelige buren met wie je ruzie kunt krijgen. Je kunt het dan weer goedmaken op de jaarlijkse burendag, gesponsord door Douwe Egberts. Samen een bakkie doen. Dat werkt alleen als het nog niet zo erg is.

Soms is er een oplossing via een buurtbemiddelingstraject van een buurtbemiddelingsorganisatie. Lost dat niks op, dan bestaat de mogelijkheid tot escalatie. Doorgaans wordt het daar alleen maar slechter van.

Wat op de eerste vroege ochtend van het jaar gebeurde, werd afgelopen week besproken in zittingszaal 14. Het eerste misdrijf van het jaar is geen fraai verhaal, voor niemand niet.

Riekus (54) woont op 5. Hij woont daar samen met zijn partner al sinds 1991. Buren zegt hij gedag en als het moet helpt hij een handje. Riekus zegt dat hij met iedereen in het dorp kan. Nooit met niemand problemen. Maar nu is Riekus de verdachte en niet zo’n beetje ook: hij heeft met een vuurwapen op buurman William geschoten. William woont op 3. Ronald van nummer 1 was er bij toen het gebeurde.

Het was begonnen met planken. William was er in de zomer komen wonen. Hij wilde een schutting bouwen en Riekus had dat best gevonden. ‘Als je maar op je eigen grond blijft’, had hij gezegd. Niet veel later beweert William dat zijn nieuwe buren planken van hem hebben gestolen. Hij had bij hen planken zien liggen die hij gebruikt voor de schutting. Riekus: ‘Hij kwam bij mijn vrouw en eiste dat ze een aankoopbon toonde. Die hadden we. Ik dacht toen wel, wat is dit? Wat krijgen we nou naast ons wonen?’

Daarna begon het geblaf van honden, dat ging heel de dag door. Altijd rook uit een vuurton. Er was gedoe over de geiten. Riekus: ‘Hij zei dat mijn vrouw onkruid aan zijn geiten had gegeven. Hij ging helemaal door het lint.’

De rechters: ‘Er was geen sprake van een gezellig burencontact.’
Riekus: ‘Nee’

In oktober gaat bij nummer 3 het eerste vuurwerk de lucht in. Op 5 durven de honden niet meer naar buiten. Het waren enorme explosies, zegt Riekus. ‘Ik heb hem erop aangesproken, maar hij ging gewoon door.’

Het wordt december, het wordt oud en nieuw, middernacht. Op straat staat een kruiwagen met daarin een vuurtje. Riekus en zijn vrouw besluiten gezien de onderlinge verhoudingen binnen te blijven. Het vuurtje wordt groter. Dan belt William aan bij zijn buren, om – zo verklaart hij later – met de beste intenties hen een goed nieuwjaar te wensen. Riekus en zijn vrouw zijn er niet van gediend.

Het vuur op straat wordt groter en Ronald van nummer 1 begint zich zorgen te maken, ook omdat William en diens broer die op bezoek is, al aardig dronken zijn.

Het wordt vier uur in de ochtend. Riekus slaapt al als William, broer en Ronald opnieuw aanbellen. Ze hebben net bloempotten uit de tuin in de sloot gekieperd, maar willen het nu weer goedmaken.

Riekus komt uit bed en laat hen binnen. Ronald van 1 zegt dat hij is meegekomen om te bemiddelen. Riekus: ‘Ik heb ze een goed nieuwjaar gewenst.’ Maar in plaats van een mooie nieuwe start, slaat de vlam in de pan met lelijke woorden en dreigementen. William geeft Riekus een kopstoot. Riekus: ‘Vroeger had ik hem een ram voor zijn harses gegeven, maar mijn rug is zo slecht, ik kan niet meer vechten. Ik werd bang, ik dacht we gaan eraan, ik dacht, ze moeten mijn huis uit.’

Riekus kreeg ooit een wapen van zijn vader. Dat ding ligt in een kluis op de slaapkamer.
Rechters: ‘Wat was u van plan?’
Riekus: ‘Ik wilde dat ze opdonderden.’

Als hij de kamer weer binnenkomt roept hij: ’Eruit’.
William reageert: ‘Schiet dan klootzak, dat durf je toch niet.’
De partner van Riekus belt 112.
Ronald loopt naar de voordeur, zal wel gedacht hebben: dat bemiddelen moet een andere keer maar.
Riekus roept dat het wapen geladen is.
William gaat er vandoor. Dat wil zeggen, hij rent naar zijn woning en komt terug.
Met in zijn hand ook een wapen.
Hij rent op Riekus af en schiet. En nog een keer.
Riekus: ‘Ik zag een steekvlam. Toen schoot ik ook, in een reflex.’
William roept dat-ie geraakt is (in arm en buik, niet levensbedreigend).
De politie komt.

Zeven weken had Riekus in de gevangenis in Leeuwarden gezeten. Dat was geen pretje geweest. Eind februari mocht hij naar huis. In de rechtszaal hoort hij de officier van justitie zeggen dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot doodslag. Maar dat er sprake is van noodweer.

William was de agressor, hij zocht de confrontatie, hij schoot als eerste tweemaal, was flink onder invloed. Riekus, broodnuchter, mocht zich verdedigen met wat in die noodsituatie voorhanden was: het wapen in zijn hand. Zijn schot was proportioneel. Wanneer sprake is van noodweer kan geen straf worden opgelegd.

Riekus, die het af en toe zwaar heeft tijdens de zitting, lijkt opgelucht. Voor heel even, want de officier van justitie is nog niet uitgepraat. Er is ook sprake van wapenbezit en dat is nooit noodweer. Ze zegt: ‘Als er geen wapen was geweest, dan had hij ook niet geschoten. Ik eis voor het wapenbezit zes maanden celstraf.’

Riekus vraagt de rechters het anders op te lossen. Hij heeft al zeven weken vastgezeten, moet hij terug naar ‘Leeuwarden’, dan zal hij zijn baan kwijtraken. Zegt: ‘Hoe zal ik, 54 jaar, versleten rug, ooit weer werk vinden?’
Riekus heeft aangegeven dat hij blijft wonen waar hij woont. Hij laat zich na 27 jaar niet wegjagen. William piekert er eveneens niet over te verkassen. Op 3 staat zijn droomhuis.

Ik neem aan dat buurman William zich binnenkort eveneens moet verantwoorden in de rechtszaal. Gezien de woorden van de officier van justitie moet niet worden uitgesloten dat ook hij gevangenisstraf tegemoet kan zien.

Eigenlijk zouden de rechters de mannen moeten veroordelen tot elkaar. Zodat ze elkaar eens goed in de ogen kijken, elkaar dan een hand geven en dat ze dan opgelucht zeggen: ‘A je to.’

Rob Zijlstra

update – 9 november 2018 – uitspraak
Riekus is ontslagen van alle rechtsvervolging zoals het openbaar ministerie dat ook had voorgesteld. Wel een straf voor het wapen, maar geen 6 maanden zoals was geëist. De rechters losten het dus anders op. Wel 120 dagen waarvan 76 voorwaardelijk – de tijd dus die hij al had vastgezeten.  Riekus raakt dus met zijn versleten rug zijn baan niet kwijt. Hieronder het volledige vonnis [klik op afbeelding]

publieksacademie voor de rechtspraak, op donderdag 15 november, over mediation [voor meer info: klik voorzichtig op de afbeelding]

Cocaïne op een vouwfiets

Zit Heinrich daar nou te huichelen in de verdachtenbank? Of vertelt hij de waarheid? Als dat laatste het geval is, dan kun je Heinrich gerust een domme Duitser noemen. Er zijn niet bevestigde aanwijzingen dat hij dat niet is.

Wat Heinrich (47) de rechters wil doen geloven is dat hij zijn auto had verkocht en met het geld vanuit Osnabrück naar Amsterdam was gegaan, daar cocaïne had gekocht, van de dealer meer cocaïne mee moest nemen dan waar hij voor had betaald, dat hij toen nog een kopje koffie had gedronken met een kennis aan de Amstel en vervolgens met de trein naar Groningen was gereisd om via Delfzijl, waar hij een hotel had geboekt, de coke op een vouwfiets naar Duitsland te trappen.

Aan het einde van de zitting vertelt hij aan de rechters dat hij niet goed had nagedacht, dat hij naïef is geweest. En dom. Hij zei het dus zelf. En ook nog dat hij graag naar huis wil, naar zijn vrouw die hem nodig heeft.

De officier van justitie heeft dan net zeven maanden gevangenisstraf geëist. Neemt de rechtbank die eis over dan moet Heinrich nog drie maanden brommen.

Medegedetineerden in de penitentiaire inrichting in Leeuwarden hadden gezegd dat als je een Duitser bent, een Duitser die drugs smokkelt, je dan niet een heel hoge straf krijgt. Hoe anders dan in Duitsland. Thuis had hij in 2014 vijf jaar en drie maanden gevangenisstraf gekregen voor iets soortgelijks. Van die straf heeft hij drie jaar uitgezeten.

Toen Heinrich deze zomer op het treinstation in Groningen werd gearresteerd was hij nog geen jaar op vrije voeten.

Hij werkte in Osnabrück zes dagen per week in een winkel vol groente en fruit. Op zijn eerste vakantiedag verkocht hij de auto en reisde per trein met zesduizend euro in de broekzak en een vouwfiets als handbagage naar Amsterdam. Van iemand die hij kende – vaag bleef hoe – zou hij 150 gram cocaïne kopen voor 5500 euro. Maar de verkoper eiste dat Heinrich 350 gram extra mee zou nemen naar Duitsland. ‘Je gaat toch.’ Zou hij dat niet doen, dan kon hij fluiten naar zijn zojuist afgegeven 5500 euro. En naar de drugs. Dan had ‘ie niks. Tegen de rechters: ‘Ik ben onder druk gezet. Ik ben dader en slachtoffer tegelijk.’

De deal wordt gesloten. Heinrich gaat daarna nog met een andere kennis een kopje koffie drinken aan de Amstel en stapt dan in de trein naar Groningen. Met zijn telefoon boekt hij een overnachting bij Hotel Boven Groningen in Delfzijl, het hotel, aldus het hotel, waar de Belg Georges Simenon nog logeerde toen hij zijn eerste boek schreef over detective Jules Maigret. De volgende dag, het weer was mooi, zou Heinrich op die vouwfiets via Termunten en door de Carel Coenraadpolder ongemerkt Duitsland binnen fietsen.

Het gaat anders. Een onbekend iemand belt de politie en meldt dat in Amsterdam zojuist een Duitser met een vouwfiets op de trein is gestapt. In zijn rugtas zit een halve kilo cocaïne, niet eens verstopt. Het is de trein naar Groningen. Agenten wachten hem op en houden hem op het perron aan.

Zo is het gegaan, zegt Heinrich. Hij zit nu zwaar in de problemen. Zijn vrouw heeft bezoek gehad van mannen. Die willen misschien wel geld, of hun drugs terug die hij extra had meegekregen, de drugs die op het station in Groningen in beslag zijn genomen. Mannen die dit soort bezoekjes brengen, zijn doorgaans geen aardige types. Kijk maar naar films.

De rechters willen weten of Heinrich weet wie hem heeft verraden, wie de politie belde met de mededeling dat hij in de trein naar Groningen zat. ‘Het kan niet anders’, zegt Heinrich, ‘dat het de man is geweest met wie ik koffie aan de Amstel heb gedronken. Die wist het.’

Via een telefoonnummer in het toestel van Heinrich weet de politie die man te achterhalen. Het is Pieter uit Eindhoven. Op het internet heet hij meesteroplichter te zijn, internationaal actief, vaak veroordeeld. Pieter kwam eens lang geleden landelijk in het nieuws toen hij een plan had bedacht om faillissementen van bedrijven te voorkomen. De aftrap van dit ondernemende initiatief werd verricht door de toenmalige staatssecretaris van Economische Zaken. Later kwamen er Kamervragen over hoe het kon dat de bewindsman zich had ingelaten met een meesteroplichter.

Die man dus.
Waarom hij werd verraden? Heinrich zou het echt niet weten. Keine Ahnung.

Bij de krant kwam ook een anonieme melding binnen. Misschien ook wel van die man, niemand zal het zeggen. Heinrich zou tientallen kilo’s cocaïne per week en dat jarenlang van Amsterdam, via de Eemshaven en Borkum naar ’t vaste Duitse land hebben gesmokkeld. Is de helft daarvan waar? De officier van justitie zegt desgevraagd dat hierover niets in het dossier staat.

De rechters vragen wat hij van plan was met die door hem gekochte 150 gram cocaïne. Want 150 gram is te veel voor eigen gebruik. Wilde hij het soms als een drugsdealer verhandelen? Heinrich: ‘Voor eigen gebruik. Ik heb nogal stress thuis. Af en toe een beetje cocaïne geeft minder stress. Een voorraadje is dan handig.’

De rechters zeggen dat ze hebben gelezen dat de vrouw van Heinrich – achttien jaar getrouwd – uit Colombia komt. Ze vragen – best een bijzondere vraag – of er een verband is tussen zijn vrouw en zijn handel en wandel met cocaïne? Heinrich zucht. Hij hoort dat vaker. ‘In Duitsland brengen ze me in verband met cocaïne vanwege de afkomst van mijn vrouw. Ben ik in Colombia, dan vragen ze of ik een nazi ben omdat ik uit Duitsland kom. Zo negatief, zo jammer. Het heeft niks met elkaar te maken.’

Heinrich hoopt dat hij snel terug kan naar Duitsland. Zijn kinderen, volwassenen, zijn in Colombia en allen zijn ze verlaten door hun mannen. Zijn vrouw kan daar moeilijk mee omgaan. Ze kan het niet loslaten, ze blijft maar geld sturen. Nu wil ze zelf ook terug naar Colombia, terwijl Heinrich plannen had in Osnabrück de lekkerste koffie te gaan verkopen omdat hij weet hoe je koffie moet branden. Maar als zijn vrouw vertrekt…

Rechters: ‘Nou, wat dan?’
Heinrich: ‘Niks goed.’

De rechters vragen of hij tot slot nog wat wil zeggen, iets wat nog niet is gezegd of belangrijk is.
Heinrich denkt na, kijkt even opzij naar zijn advocaat en zegt dan: ‘Krijg ik mijn fiets ook terug?’

Rob Zijlstra

update – 1 november 2018 – uitspraak 
Heinrich heeft de geëiste zeven maanden gekregen. De bij hem aangetroffen cocaïne is hij kwijt. Een in beslag genomen mobiele telefoon krijgt hij wel terug. En de fiets? Ik moet dat nog uitzoeken.

 

Er komt een dag

Het strafrechtelijk vervolgen van verwarde mensen, of van mensen die even in de war zijn, is geen aparte tak van sport binnen de strafrechtspraak. Je kunt je afvragen waarom dat zo is.

Wie normen overtreedt, moet gestraft. Dat is de afspraak. Het is niet om de misdaad te bestrijden, maar om iedereen weer even te laten weten wat wel en wat niet mag, waar de grenzen liggen. Daarna kan de wereld weer door draaien.

Het komt voor dat een slecht mens – een crimineel – na straf, dus nadat hij een tijdje op de verdiende blaren heeft gezeten, tot inkeer komt en besluit (belooft) een beter mens te worden. Als dat lukt is dat mooi meegenomen.

Wat voor de crimineel geldt, geldt niet voor de mens die op weg naar een zeker einde ontregeld raakt. Straf heelt geen zieken.

Wat te doen met Sara, een 45-jarige vrouw die op een dag werd geboren in Sarayönü? Zij pleegde een misdrijf. Dat ze dat deed staat niet ter discussie. Ze zegt het zelf ook. Sara heeft een jaar geleden een vrouw met een mes in de rug gestoken. Zij deed dat, zegt de officier van justitie, met voorbedachten rade. Het is een poging tot moord.

Het is voorbedacht omdat ze naar de Hema was gegaan en daar een Chief Knife (large) had gekocht met de bedoeling ermee te steken. Het is een poging omdat de vrouw die werd gestoken leeft. De steek in de rug, met kracht toegebracht, had fataal kunnen zijn, wat maakt dat de aanklager spreekt van een zeer ernstig misdrijf.

Als je Sara zo ziet zitten in de verdachtenbank, zij is een kleine vrouw, zou je niet zeggen dat zij een gevaar vormt voor de samenleving. Voorzitter van een breiclub zou ze kunnen zijn of van het buurtcomité dat ijvert voor een 30-kilometerzone in de wijk. Of deelauto’s. Sara zegt dat ze geen moordenaar is: ‘Dat zit niet in mij.’ Ze zegt dat het ook niet haar bedoeling was iemand om het leven te brengen. Als ze dat zegt, moet ze even huilen.

Ze was met haar verhaal naar de media gestapt, maar wij wilden haar niet geloven. Ze vond geen gehoor. Ze had als kleine vrouw uit een Turks provinciestadje het opgenomen tegen het grote GGZ Drenthe, de instelling in Assen die haar niet alleen veel onrecht had aangedaan, maar ook haar maatschappelijk leven had verwoest. Zo voelde ze dat.

De GGZ had haar zeg maar gek verklaard en laten opnemen en dat wilde ze niet. Het was tegen haar wil. Later beweerde de instelling dat de opname op vrijwillige basis was geweest, maar de uitkomst van de strijd die ze was aangegaan luidde dat haar onrecht was aangedaan. De GGZ had jaren van haar leven afgenomen en dat had niet gemogen.

Ter compensatie biedt de instelling uiteindelijk geld aan. Sara mag 5.000 euro krijgen. Maar ze wil meer, ze wil het geld, maar vooral ook erkenning, erkenning van het onrecht. Maar die erkenning blijft uit en daar kan ze moeilijk mee omgaan. Het gaat dan ook mis. Ze raakt haar huis kwijt, haar baan, ze raakt dakloos. De Turkse gemeenschap waartoe ze behoorde laat haar vallen. Dat is wat ze aan de rechters vertelt. Het had haar verdrietig, machteloos en boos, heel boos, gemaakt en dat allemaal door elkaar.

Ze zint op wraak. Er is een man die lelijke dingen over haar op het internet heeft gezet en haar zo tot schande maakte. Ze weet waar in Rotterdam hij woont. Daarom kocht ze dat grote mes, om hem te steken.

De avond voorafgaand aan haar voorgenomen misdrijf leest ze een nieuwsbericht. Ze leest dat GGZ Drenthe financieel in zwaar weer zit, dat er moet worden bezuinigd en dat er banen op de tocht staan. En, dat vooral, dat de directeur een ontslagvergoeding van 80.000 euro heeft meegekregen.

Er knapt iets. Haar scheepten ze af met 5.000 euro en zo’n directeur, verantwoordelijk voor haar ondergang, krijgt 80.000. De volgende ochtend besluit ze niet naar Rotterdam te gaan, maar naar het hoofdkantoor van GGZ Drenthe. Het mes stopt ze in haar rugtas. Buiten regent het.

Bij de balie vraagt ze naar de directeur. De medewerkster belt naar boven. Kort daarop komt een vrouw van de trap naar beneden. Sara loopt naar haar toe, ze tovert een busje pepperspray tevoorschijn en spuit. Daarna pakt ze het mes uit de rugtas en steekt. Dan gaat ze op een bankje zitten.
In de rechtszaal tegen de rechters: ‘Ik wilde laten zien dat ik ook macht heb.’
Rechters: ‘Het was een groot mes.’
Sara: ‘Veel macht.’

Ze herhaalt dat ze niemand wilde vermoorden. Zegt: ‘Toen ik binnen was wilde een voet weer naar buiten, maar de andere wilde blijven.’ En: ‘Ik wilde iemand een litteken voor het leven geven. Het is jammer dat het zo is gegaan.’

In het Pieter Baan Centrum hebben ze bij Sara tussen de oren gekeken. Conclusie: ‘Ze lijdt aan haar eigen levensgeschiedenis.’ Ze is psychotisch, er zijn wanen. Ze meent dat ze met gebeden rampen kon veroorzaken. Niet uitgesloten moet worden dat de ramp met de MH17 haar schuld is, zo denkt ze. Er zijn ook frappante overeenkomsten: net als GGZ Drenthe ontkent ook Rusland.

Sara zegt tegen de rechters: ‘Ik kan nu weer helder denken. Ik krijg nu goede zorg. Ik zit al een jaar vast, er zijn geen incidenten geweest. Ik werk aan alles mee. De GGZ is geen vijand meer.’ Ze vindt dat ze wel wat hulp kan gebruiken. Een beetje begeleiding zou welkom zijn. Meer is niet nodig.

De officier van justitie – strijder tegen de misdaad – ziet het anders. Tegen de adviezen van deskundigen in eist hij het zwaarste middel dat hij in huis heeft voor een verdachte die hij beoordeelt als volledig ontoerekeningsvatbaar: de maatregel tbs met dwangverpleging. Sara vormt een gevaar voor de samenleving en die samenleving heeft recht op maximale bescherming. En het strafrecht kan daarvoor zorgen.

Slecht en verward belanden in de gebouwen waar de strafrechtspraak wordt bedreven in hetzelfde verdachtenbankje, twee werelden van verschil worden daar op één hoop gegooid. Er komt vast een dag dat we dat anders doen. Maar daarmee kan nu nog geen rekening worden gehouden.

Rob Zijlstra

 

update – 27 oktober 2018 – uitspraak
De rechtbank heeft Sara veroordeeld tot de maatregel tbs met voorwaarden. De rechtbank vindt dwangverpleging – zoals was geëist – een stap te ver. De vrouw wordt op dit moment behandeld in een kliniek en is stabiel. Ze zal daar nog twee jaar moeten blijven. Doet ze dat niet (ze kan weglopen), dan kan de maatregel alsnog worden omgezet in een tbs met dwangverpleging.

In totaal heeft de rechtbank veertien voorwaarden geformuleerd waar ze zich aan moet houden. Behalve de behandeling krijgt ze ook een verbod op het gebruik van sociale media.

De GGZ-medewerkster krijgt en schadevergoeding van ruim 14.000 euro. Een deel, 7500 euro, is smartengeld.