Vijandelijk gebied

In het boek De verschrikkelijke eenzaamheid van de inbreker van rechtsgeleerde Jan Leijten (1926 -2014) wordt een beeld geschetst van de inbreker. Geen vrolijk beeld, zo ook de drie mannen, verdacht van inbraken, deze week in zittingszaal 14 geen opgetogen indruk maakten.

Jan Leijten schreef dat echte inbrekers angstige en eenzame mensen zijn die er altijd ’s nachts op uit moeten en dat het dan heel dikwijls regent. Terwijl anderen in bed liggen met hun lief, moet de inbreker aan het werk. Het levert weinig op, de risico’s zijn groot, het werkterrein bevindt zich altijd in vijandelijk gebied. Inbreken is voor de inbreker een angstaanjagende bezigheid.

Tot zover Jan Leijten.
Op naar de rechtszaal.

Op de publieke tribune zit één man. Aan de lange tafel direct achter de verdachtenbank waar de drie beklaagden met hun drie advocaten zitten, zitten twee rechtbankverslaggevers en vier gedupeerden (de slachtoffers). Links en rechts vier parketwachters (politiemensen) die moeten voorkomen dat de inbrekers uitbreken. Tegenover dit gezelschap de griffier, de drie strafrechters en de officier van justitie.

De verdachten zijn Jan (25), Mark (25) en Ronald (26). Vrienden. Ze wekken niet de indruk dat ze de wereld de komende tijd gaan verrijken met een mooie gedachte, laat staan met een goed idee. Het zijn mannen die vinden dat wat van u is net zo makkelijk van hen is. Waarom? Daarom. Simpel zat.

Jan zit anders dan Mark en Ronald niet in voorlopige hechtenis. Hij mocht vorig jaar oktober de gevangenis verlaten met een enkelbandje om. Overdag is hij aan het werk, maar ’s avonds en ’s nachts moet hij thuis zijn en binnen blijven. Doet hij dat niet, dan komt het alarm.

Stelen vond Jan niet iets om over na te denken, zoiets deed je gewoon, ook omdat het zo lekker makkelijk is en handig als je – zoals hij – gek van gokken bent, van beerenburg houdt en van wiet om te roken. Jan is een spanningzoeker die geen grenzen kan stellen, noteerden de deskundigen van de reclassering. Vanwege zijn werkt ligt in de kofferbak van zijn zwarte Suzuki Swift altijd een betonschaar. Handig als je naast je werk inbreker bent.

Eind vorig jaar is Jan getrouwd. Getuige zijn Facebook-pagina was dat een gelukkige dag.

Mark is de meeste zwijgzame van het stel. Als hij al iets zegt of antwoord geeft op een vraag, dan doet hij dat minzaam of zo zachtjes mogelijk. Hij heeft een fors strafblad, de eerste veroordelingen waren van de kinderrechter. Niet alleen deed hij diefstallen, er waren ook geweldsdelicten. Mark zit sinds september achter de tralies en is zo te zien al maanden niet meer met het daglicht in aanraking gekomen.

Toen hij nog vrij was ontbrak het hem aan een zinvolle dagbesteding, hij hing rond met fouten vrienden, van werken kwam het nooit. Dat gaat wel veranderen, mompelt Mark die tot hij werd vastgezet genoot van een Wajong-uitkering. Hij heeft een kennis die een zzp’er kent of zo, die iets kan regelen, iets in de bouw. Of zo.

Ook Ronald zit sinds september vast. In het verleden hield hij zich bezig met het aanrichten van vernielingen, soms hier en daar een bedrijfsinbraak. Hij had zijn leven niet op orde omdat het geld dat er was werd besteed aan drank en drugs. Het ging echt mis toen zijn kind uit huis werd geplaatst en Ronald vanwege het verdriet nog meer ging drinken en snuiven. Toen hij door de woningbouw ook zelf het huis werd uitgezet, mocht hij in de schuur slapen van Jan.

Ook Ronald genoot een Wajong-uitkering (zoals veel verdachten in deze branche). Plannen voor de toekomst? Jazeker. Ronald is van plan om van drugs af te blijven. In de gevangenis doet hij dat al en tot zijn eigen verrassing bevalt dat. Zo slaapt hij alweer veel beter.

De officier van justitie zegt dat het hem opvalt dat de drie steeds besmuikt zitten te lachen. Zegt: ‘Ik hoop maar dat dat is vanwege de zenuwen.’ Veel positiever wordt het niet. De officier van justitie is bang dat de verdachten, eenmaal vrij, worden wat ze eigenlijk al zijn: recidivisten.

Wat de aanklager betreft levert Jan zijn enkelbandje in en gaat hij terug naar de gevangenis, net getrouwd maakt niet uit. Drie jaar celstraf, waarvan een jaar voorwaardelijk, dat mag. Ook Mark en Ronald horen drie jaar gevangenisstraf eisen, daarvan acht maanden voorwaardelijk.

In september vorig jaar werden ze gearresteerd. De verdenking is dat ze zich schuldig hebben gemaakt aan tientallen inbraken. Hun ding: kantines en gebouwen van sportverenigingen. De buit was soms maar een paar tientjes, de schade liep meestal in de duizenden euro’s. Voor veel verenigingen was het de zoveelste keer.

Ze sloegen bijvoorbeeld toe bij vv Gomos in Norg, bij vv Diever-Waspe, bij de scouting in Roden, bij korfbalvereniging Sparta Zevenhuizen, bij tennisvereniging Mepsche in Niekerk, bij vv Niekerk, bij vv Grijpskerk. De buit bestond soms ook uit zitmaaiers, bladblazers, aggregaten, (duur) gereedschap, televisies, laptops. Spullen waar altijd kopers voor te vinden zijn die geen vragen stellen.

Uit de kantine van sc Kootstertille namen ze een aan de grond genagelde en loodzware kluis mee. Nabij Den Horn pikten ze een motorboot die ze verstopten in het riet van het Leekstermeer en later verkochten via het internet aan een echtpaar in Heerhugowaard. Een deel van de buit is teruggevonden in de schuur van Jan.

In Leek, Hoogkerk, Roden en in Kollum braken ze met de bedrijfsbetonschaar uit de kofferbak muntautomaten open bij autowasbedrijven. De kraak in Leek werd hen fataal. Er hing een camera. De eigenaar plaatste de beelden op Facebook met de vraag of iemand ‘deze hufters in combinatie met de Suzuki Swift met zwarte motorkap’ herkent.

De herkenning kwam. Het is de auto van Jan en zijn vrienden heten Mark en Ronald, zeiden de mensen. Het filmpje staat nog online en is inmiddels meer dan honderdduizend keer bekeken.

Ik zie ze bezig. Op vijandelijk gebied. In de nacht als anderen slapen bij hun lief. Ik zie Jan met de betonschaar in de weer, terwijl Ronald bij wijze van toneelstuk de auto wast en Mark verveeld op de uitkijk staat. De buit was net genoeg om benzine te kunnen kopen die nodig was voor de strooptochten door de eenzame nacht.

Inbrekers zijn niet te benijden.

Rob Zijlstra

Jan Leijten

de uitspraken volgen

Jan met zijn bedrijfsbetonschaar aan het werk

 

 

Het echte werk

De politierechter valt tijdens het ondervragen van de verdachte een paar keer van haar stoel. Niet echt natuurlijk, maar bij wijze van spreken. Ze zegt het om duidelijk te maken dat ze geen woord gelooft van wat de verdachte wil doen geloven. De verdachte is van beroep specialist en laat zich inhuren. Met focus en flexibiliteit. Maar zijn specialisatie in de rechtszaal: zich dom voordoen.

Zeg maar dat hij Geert heet, 56 jaar. Geert is nog niet zo lang geleden getrouwd met Wilma. Zij is ook 56 jaar, ze is medeverdachte, maar is niet in de rechtszaal aanwezig. Ze is ziek. Samen bewonen ze een boerderij met grote schuren, zonder vee en zonder land.

Op het internet zie ik dat de Nationale Politie en verschillende ministeries van belang in de portfolio van Geert zijn opgenomen. En dat Wilma aanhanger is van een politieke partij die hamert op harde straffen voor anderen die de wet overtreden. Misschien is ze daarom niet gekomen, omdat ze eigenlijk vindt dat ze niet zo’n softe werkstraf behoort te krijgen, maar een pittige vrijheidsstraf.

Nu is het niet zo dat Wilma en Geert een halsmisdrijf hebben gepleegd. Dat niet. Ze hebben gefaciliteerd, het mogelijk gemaakt. Ze hebben met vuur gespeeld, grote risico’s genomen. Ze hebben gegokt en ze hebben verloren. En nu moeten ze op de blaren zitten wat zeer doet. Geert probeert met ‘dom doen’ de pijn te verzachten. Het is strategie, want Geert is allesbehalve een domme man.

In juni 2016 plofte er een brief op de deurmat van het Openbaar Ministerie. In de registers stonden zes eerdere meldingen, met allemaal dezelfde strekking: Wilma en Geert hebben een grote wietplantage.

Daags na de brief brengen twee politieagenten een bezoek aan de boerderij. Na zeven meldingen toch maar eens kijken. Ze treffen Geert en vragen of ze even binnen mogen kijken. Geen denken aan, antwoordt Geert. ‘Ik laat u niet binnen.’ De agenten denken vrolijk van ‘bingo’ en zeggen dat ze even naar het bureau gaan om een huiszoekingsbevel op te halen. ‘We zijn zo terug.’

Geert probeert te redden wat er te redden valt. Er is een put. Met de kruiwagen rent hij in paniek heen en weer, tussen het hok dat hij achter in de schuur heeft gebouwd en de put in de tuin. Het lukt niet. De teruggekeerde agenten treffen hem bezweet en afgepeigerd aan. Het spel is uit.

Uit de put halen agenten 452 hennepplanten. In de schuur worden 677 stekblokjes gevonden, jerrycans met voeding, nog meer planten en allerlei benodigdheden. De stroom gaat buiten de meter om.

Op het politiebureau had Geert het niet ruiterlijk, maar beetje bij beetje toegegeven. In de rechtszaal lijkt hij zijn bekentenis – opgenomen in het strafdossier – te zijn vergeten.

Hij vertelt dat hij een hok in de achterste schuur had getimmerd. Een wiethok? Nee, een hok voor zijn gereedschap dat elders lag weg te roesten. En net toen de schuur klaar was en geïsoleerd, reed een onbekende man het erf op. Hij was op zoek naar opslagruimte. Dat er geen stroom was, niet erg, stroom wilde de onbekende man zelf wel even aanleggen. Ze spraken een huurprijs van 150 euro per maand af. Zo is het gegaan, beweert Geert.

Zegt: ‘Nee, ik had geen idee wat er werd opgeslagen.’
Rechter: ‘Echt niet? Maar dat is toch een gek verhaal? Bij de politie heeft u gezegd dat u een deel van de opbrengst zou krijgen.’
Geert: ‘Bij de politie was ik er niet helemaal goed bij.’
Rechter: ‘Bij de politie verklaarde u later dat u 3.000 euro heeft ontvangen.’
Geert: ‘Ik heb een envelop gekregen, daar zat negen- of tienduizend euro in.’
Rechter: ‘Kijk eens aan. Wat heeft u met dat geld gedaan?’
Geert: ‘Op de bankrekening gestort.’
Rechter: ‘En dat is onderzocht. U heeft 11.545 euro gestort. Hoe kan dat nou?
Geert: ‘Ik weet het niet. Ik heb het niet nageteld.’
Rechter: ‘Nou ja zeg.’

Terwijl Geert vertelt dat hij en zijn Wilma een beetje krap bij kas zaten, dat ze toen hebben gepraat, dat ze sowieso een hoge stroomrekening hadden, dito hypotheek, dat zijn vrouw nooit in de schuur kwam, dat ze het samen hadden besloten, dwalen mijn gedachten af naar dinsdag 31 mei 2016. Dat was twee weken voor de dag dat Geert en Wilma werden ontmanteld.

Op die dag deden niet twee, maar 175 politieagenten op negentien locaties in Uithuizen, Appingedam, Groningen, Hoogezand en Eelde invallen in woningen en hennepkwekerijen. Er worden dertien mensen gearresteerd, verdacht van hennepteelt, witwassen en van deelname aan een criminele organisatie. Er worden auto’s en sieraden in beslag genomen, een contant geldbedrag van 100.000 euro, een geldtelmachine, er wordt beslag gelegd op woningen en bankrekeningen.

Kortom, een politieactie om u tegen te zeggen. De pers was vooraf geïnformeerd ter bevordering van de ruchtbaarheid. Een burgemeester stond klaar om op te laten tekenen dat hennepteelt een vorm van criminaliteit is die ontwrichtend is voor iedereen en dat deze vorm van ondermijning leidt tot een aantasting van de rechtsstaat. Een persbericht met soortgelijke woorden ging de wereld in. Hier liet de overheid tanden zien, dat was duidelijk.

De actie was anderhalf jaar geleden even prominent in het nieuws. En hoe het is afgelopen? Nooit meer iets van gehoord. Het Openbaar Ministerie laat desgevraagd weten dat er nog geen besluit is genomen over het vervolg. Dus over de vraag of de verdachten strafrechtelijk worden vervolgd.

Dat criminaliteit ontwricht en dupeert en vreet aan fundamenten is nauwelijks een punt van discussie. Het is vooral ook daarom merkwaardig dat bij de aanpak van die criminaliteit sprake is van volstrekte willekeur.

De politierechter zegt tegen Geert dat wie ruimte biedt aan onbekende mannen in ruil voor geld, moet weten dat dat geen zuivere koffie is, maar hennep. De officier van justitie stelt een werkstraf van 240 uur voor, maar de politierechter vindt tachtig uur voldoende. Omdat Geert ook mantelzorger is voor zijn zieke vrouw.

Wilma, medeplichtig, kan niet werken en mag daarom wegkomen met twee weken voorwaardelijke celstraf, een dikke waarschuwing.
Samen moeten ze het geld, die 11.545 euro, inleveren. De stroomrekening van 3.697,75 euro mag als kostenpost in mindering worden gebracht.

Komende week zit er weer een andere Geert en een andere Wilma bij de politierechter.
Voor het echte werk heeft de rechtsstaat geen tijd.

Rob Zijlstra

Plak

dvhn, dinsdag 6 feb.

Nog nooit zat er iemand zes maanden in de gevangenis vanwege het vernielen van een stuk hout. Herman (36) uit Groningen is de eerste.

Hij was al een tijdje niet thuis geweest. Vanwege de kliniek. En de buren. De buren smeren plak op zijn fiets. Dat krijgt hij dan aan zijn handen. De rechters hadden daar iets over gelezen.

Ze vragen: ‘U bent bang dat de buren u dood willen maken. Toch?’
Herman: ‘Met plak? Nee.’
Maar het is wel zo dat hij de buren niet wil tegenkomen. Daarom was het dat hij ‘s nachts naar de woning was gegaan.

Herman is een beetje in de war en kan daar niets aan doen. Het zit in het hoofd. Al jaren. Schizofrenie, luidt de diagnose.

 

Er is nog een probleem. Herman zit al een half jaar in de gevangenis omdat hij wordt verdacht van brandstichting. Brandstichting is een ernstig strafbaar feit waar zware straffen op staan. Het is daarom dat hij al zes maanden in voorlopige hechtenis zit.

Als hij dan eindelijk in de rechtszaal zit, ietwat ineengedoken, gebeurt er iets merkwaardigs. De officier van justitie wijzigt de aanklacht. Ze doet dat omdat ze vrijspraak zal eisen voor de brandstichting. Want er was geen brandstichting. De aanklacht luidt nu: vernieling. Van een stuk hout.

Vandaar de eerste zin van dit verbaal.

Herman legt uit wat er is gebeurd. Hij wilde dus naar zijn huis, ook om te douchen want dat was er al weken niet van gekomen. Hij kwam wel eens thuis maar dan sliep hij in de berging, beneden, waar het altijd koud is. Met waxinelichtjes probeerde hij het er een beetje behaaglijk te maken.

Maar nu wilde hij in zijn woning. Het geval was dat de woningbouw de voordeur die stuk was had dichtgeschroefd met twee houden spaanplaten. Hij had een schroevendraaier meegenomen. Een platte, niet de goede. ‘De platte brak af. Ik had ook een kruiskop. Die paste niet want de woningbouw gebruikt tegenwoordig torx-schroeven.’

Hij wilde de plaat los wrikken. Om ruimte te maken had hij met zijn aansteker het hout geschroeid. Nee, er was geen brand ontstaan, behalve het vlammetje van de aansteker, was er geen vuur.

Toch had iemand – een buur – brandlucht geroken en alarm geslagen. De brandweer kwam en de politie ook, om hem te arresteren. Een agent noteerde dat hij het vuur met een brandblusser had bestreden. Herman betwijfelt dat: ,,Ik heb geen brandblusgeluiden waargenomen.’’

Er is onderzoek gedaan. Kun je spaanplaat in de fik steken met een aansteker? Nauwelijks. Je kunt het hout wel vernielen. En omdat het hout niet van Herman is, maar van de woningbouw is dat strafbaar.

Hadden ze dat eerder bedacht dan had Herman niet een half jaar in de gevangenis gezeten. De officier van justitie zegt ze de zaak pas op de avond voor de zitting heeft voorbereid. Ze vindt dat de vernieling kan worden bewezen. Ze eist – gezien Herman – geen celstraf, maar een opname in een psychiatrische inrichting. Hij is daar beter op z’n plek.

Nog maar zelden bogen drie strafrechters zich over het vernielen van een stuk hout.
Ze doen over twee weken uitspraak.

Rob Zijlstra

 

naschrift
Strafrechtadvocaat Rob Mullaart pleitte tijdens de rechtszaak (vrijdag) dat Herman per direct in vrijheid gesteld moest worden. De rechtbank wees dat verzoek af. Maandag diende een rechtszaak elders in Nederland met als inzet om Herman in het kader van een BOPZ-maatregel op te laten nemen in een psychiatrische instelling. De rechtbank  in Groningen tilt het besluit over de uitkomst van de strafzaak over die zaak heen. Mullaart stelt dat het strafrecht bedoeld om mensen te straffen die iets hebben gedaan wat niet mag. ‘In deze zaak wordt het strafrecht misbruikt om een zieke man van straat te houden.’

 

update – 8 februari 2018 – aankondiging
De rechtbank heeft laten weten dat vervroegd uitspraak zal worden gedaan. In dit geval op vrijdag 9 februari, om 13.00 uur. Ik zal de uitspraak hier publiceren.

update – 9 februari 2018 – uitspraak
De rechtbank heeft Herman vrijgesproken, niet alleen voor de brandstichting, maar ook voor de vernieling. Herman mag vandaag nog naar huis. Hij is blij.

 

De schreiende baby

Wat nou als het niet anders kan dan dat de verdachte het heeft gedaan? Maar dat het dan toch niet zo is. Kan dat? Nee, zegt de officier van justitie, natuurlijk niet. Zeker wel, zegt de advocaat. Moeilijk, moeilijk, verzuchten de rechters na een pittige zitting van vijf uur. De zittende magistraten zeggen drie weken nodig te hebben – in plaats van de gebruikelijke twee – om tot een rechtvaardig oordeel te komen.

Voor hen zit de verdachte. Hij heet Manchu, 29 jaar, hip kapsel, kleine man. Met een diepe zucht buigt hij het hoofd. Na lange uren dringt bij hem het beklemmende besef binnen dat de kans aanmerkelijk is dat hij terug moet keren naar de afschuwwekkende gevangenis. Ze geloven hem niet.

Het kan niet anders dan dat Manchu heeft geprobeerd
zijn acht weken oude dochtertje te doden. Dat is wat de officier van justitie beweert en die is in zittingszaal 14 nu eenmaal niet de eerste de beste. Ze zegt dat hier sprake is van een ernstig misdrijf. Dochtertjes van acht weken oud zijn volkomen weerloos. Zij moeten erop kunnen rekenen dat de ouderlijke plicht met liefde wordt vervuld.

Een gevangenisstraf van 24 maanden. De helft mag voorwaardelijk, dat wel. Ik zie – de perstafel staat pal achter de verdachtenbank – de iele rug van de verdachte onder het T-shirt beven. Manchu zegt tegen de rechters dat hij van zijn kinderen houdt.

Niemand heeft gezien dat Manchu het heeft gedaan. Zijn vrouw was met hun oudste dochtertje naar het consultatiebureau. Om tien voor elf waren ze die ochtend de deur uitgegaan. Misschien wel zonder iets te zeggen, want de liefde in de relatie stond in de sukkelstand.

Hij zat in de kamer op de bank, de baby in het wipstoeltje voor hem op de grond. In zijn hand de telefoon, op het beeldscherm zijn contacten van WhatsApp. Hij zoekt een nieuwe gitaar. De baby huilt. Manchu is gitarist en niet de eerste de beste. Hij speelt composities van Johann Sebastian Bach, van de Spaanse componist Federico Moreno Torroba, en natuurlijk doet hij Tan Dun, zijn landgenoot. Baby huilt steeds harder. De muziek bracht hem van China, van Nanjing, naar Nederland, naar Groningen, om te studeren. Hij ruikt dat de huilende baby toe is aan een schone luier.

Gebeurde het toen? Was hij, met zijn ge-app op de bank, geïrriteerd door het aanhoudende gehuil? Nee, zegt Manchu. ‘Ik dacht wel: waarom huilt ze nou? Niet omdat ze honger had, want ze had net gedronken. Ik ging haar wiegen. Ik heb van alles geprobeerd. Haar getroost. Maar ze bleef huilen. Ik dacht, ik moet snel de oorzaak vinden, ik bracht haar naar de commode om haar te verschonen. Maar ze begon raar te trekken met haar armpjes, haar oogjes draaiden weg.’

Rechters: ’U heeft toen uw vrouw gebeld, dat was om 11.22 uur.
Manchu: ‘Ze zei dat ik direct 112 moest bellen.’
Rechters: ‘En dat deed u. Om 11.23 uur.’
Manchu: ‘Ik was in paniek.’

De ambulance komt en het kleine meisje wordt met spoed naar het ziekenhuis gebracht. Even wordt gedacht aan een epileptische aanval. Maar er is twijfel. Er wordt een CT-scan van het hoofdje gemaakt. De rechters lezen hardop voor uit het dossier: ‘Een breuk in het wandbeen van de schedel, linkerkant. Twee vochtcollecties onder de harde hersenvlies. En een breuk in het linker scheenbeen.’

Het jonge mensje komt terecht op de intensive care. Ze moet worden beademd. Medische noodsituatie. Artsen vermoeden dat het letsel dat zij waarnemen is toegebracht en drukken indachtig het protocol op de rode knop. Daarmee wordt de vertrouwensarts van Veilig Thuis Groningen geactiveerd. De vertrouwensarts komt en doet aangifte van kindermishandeling.

Kan het niet een ongelukje zijn geweest? Dus dat Manchu haar niet heeft geslagen, ruw door elkaar heeft geschud, wild heeft gewiegd, haar heeft laten vallen, zoals de verdenkingen luiden? Het Nederlands Forensisch Instituut: er is sprake van non-accidenteel trauma. Dat is dus geen ongeluk(je).

De medische termen vliegen nu door de rechtszaal. Rechters in hun zwarte jurken zijn aangewezen op de witte jassen, de medische deskundigen. En die zeggen: het letsel is ontstaan door contacttrauma. De juristen: ‘Oh, maar dat is geweld van buitenaf, toch?’

In dit geval, geweld door Manchu. Niemand heeft gezien wat er is gebeurd, het zijn de stille getuigen die de talentvolle Chinese gitaarstudent de das om lijken te doen.

Manchu zegt dat hij misschien niet alles honderd procent goed heeft gedaan, maar dat er geen sprake was van opzet. Hij zegt: ‘Mijn vrouw heeft strenge eisen, misschien doe ik het in haar ogen niet goed.’ Moeders verklaarde bij de politie: ‘Mijn man is ruw, kan niet met baby’s omgaan, hij is slordig in de verzorging.’ Manchu: ‘Wat ik ook doe, mijn vrouw is nooit tevreden.’

Een van de rechters zegt na vier uren dat hij een beeld heeft: ‘U zit daar een beetje gestresst op de bank, de baby huilt, een huilbaby, u weet niet meer wat u moet doen en toen is er iets gebeurd waar u nu niets over wilt zeggen. Is het zo?’
Manchu: ‘Nee, ze was geen huilbaby.’

Er zijn telefoons afgeluisterd, er zijn stiekem gesprekken opgenomen in de gevangenis. Dat mag gewoon. Een paar gesprekken worden als verdacht aangemerkt. Er is een gesprek waarin Manchu zegt dat hij heeft geslagen. Tegen de rechters zegt hij dat hij toen in de war was, hopeloos, radeloos, depressief. ‘Ik raakte alles kwijt.’

Hij zegt dat hij rare dingen zei, rare dingen die niet waar waren, omdat zijn hersenen niet goed werkten. ‘Ik liep in die tijd vaak huilend over straat.’ Hij dacht dan aan een einde van leven.

Volgens gedragsdeskundigen is Manchu kwets- en krenkbaar. Iemand die weinig controle heeft over zijn emotie en bij boosheid ook niet over zijn gedrag. Behandeling is vereist ter voorkoming van herhaling.

tranen schreiende baby

De advocaat van Manchu gooit gruis in de bewijsvoering van de officier van justitie. Manchu was alleen met de baby toen het letsel zich openbaarde. Kort daarvoor was de moeder ook thuis. Die ging pas om tien voor elf weg. Dus? Wat niet kan, kan misschien toch en is het daarom beter voor de gerechtigheid om Manchu vrij te spreken.

Met de baby in dit verhaal – ze wordt volgende maand alweer twee jaar – gaat het goed. Ten aanzien van de Chinese sukkelrelatie: de scheidingsprocedure loopt.

Rob Zijlstra

uitspraak over drie weken

→ vertaling: Kees Kuiken, gerechtstolk

 

Rowan wordt vervolgd

Rowan zit al vijftien maanden in voorarrest. Dan zit je met instemming van rechters onschuldig opgesloten in je cel te wachten op de behandeling van de strafzaak. Eerlijk gezegd begint hij er langzamerhand genoeg van te krijgen. Rowan denkt dat hij detentieschade heeft. ‘Het begint me op te breken. Maar goed, ik zit hier niet als slachtoffer, maar als dader. Dan heb je niet veel te willen.’

Rowan is 25 jaar en een bijzondere verdachte dader. Want dat hij heeft gedaan wat de officier van justitie beweert, dat is zo. Hij heeft in oktober 2016 de Primera aan de Korreweg in Groningen overvallen en een week later maar met een ander pistool de Cigo in Lewenborg. Voor de Primera was het de vierde keer.

Halverwege de strafzaak vragen de rechters aan Rowan hoe hij het ziet, qua straf bedoelen ze. Ze vragen: ‘Wat moet er nu met u gebeuren?’ De officier van justitie heeft tbs met dwangverpleging in het hoofd en dat weten de rechters. Rowan zegt: ‘Ik laat het in het midden.’ Hij weet ook waar de aanklager aan denkt.

Over een ding is hij duidelijk. Hij wil als het even kan niet naar de forensisch psychiatrische kliniek – de fpk – in Assen. Rowan heeft het gehoord van de jongens die er zijn geweest, hij heeft het op het internet gelezen, gelezen dat de kliniek in de boordelingen slecht scoort. Een twee op de schaal van vijf. Tegen de rechters: ‘Dat is niet goed en ik heb maar één kans.’ Zachtjes: ‘En mijn vogel mag ik daar ook niet mee naartoe nemen.’

Het leven is tot nu toe niet op de hand geweest van Rowan. Zwak uitgedrukt. Moeder verslaafd aan heroïne, ook toen hij werd geboren. Vader leefde dronken, latere stiefvaders waren gemeen en gewelddadig. Er volgden boze pleeggezinnen, nare instellingen en tal van mislukte trajecten.

Een keer moest hij vanwege zo’n traject naar Frankrijk, om er te werken bij de boer. Maar de Franse boer bleek alcoholist die zijn dieren niet verzorgde. Toen Rowan de uitgehongerde beesten te eten gaf, gaf hij het verkeerde voer en gingen alle dieren dood. Einde traject. Terug in Nederland belandde hij in de jeugd-tbs. Hij werd een diehard blower.

Deskundigen in het Pieter Baancentrum observeerden hem en trokken conclusies. Nogal wat stoornissen, een geschonden basisvertrouwen, geen zelfcontrole, verhoogde impulsiviteit met als gevolg dat hij snel negatieve conclusies trekt en dan vaak de aanval zoekt. Eenmaal in de problemen beschikt hij niet over vaardigheden om die problemen op te lossen. Komt bij dat hij een onrealistisch beeld heeft van hulpverlening wat weer leidt tot teleurstellingen en onverschilligheid.

Rowan luistert aandachtig en geeft dan zijn mening: ‘Het is meer gezond wantrouwen.’
Rechters: ‘We hebben gelezen dat u goed heeft willen meewerken aan de onderzoeken in het Pieter Baancentrum.’
Rowan: ‘Het was meer een kwestie van transparantie en eerlijkheid.’

Waarom overviel hij de Primera en een week later de Cigo? Bij de Primera maakte hij 390 euro buit, de overval op de Cigo mislukte. De medewerkster vertikte het – ondanks het op haar gerichte vuurwapen – geld te geven. In plaats van de kassa te openen, riep ze om hulp waarop Rowan het verstandiger vond de zaak snel te verlaten. Agenten herkenden hem aan de hand van camerabeelden en hij werd gearresteerd.

Waarom?

Rowan heeft een verhaal. Hij vertelt: ‘Om een groot verhaal klein te houden, ik had mij aangesloten bij een outlaw motorclub. Ik moest de clubinleg betalen, 10.000 euro. Dat geld had ik niet. Ik probeerde hen te ontvluchten, maar dat ging niet. Ik heb twee dagen opgesloten gezeten in een kelder. Ik werd bedreigd. Toen moest ik een overval plegen.’

Rechters: ‘U werd gedwongen.’
Rowan: ‘Ik ga niet zomaar laconiek een overval plegen. Ik stond er niet achter. De laatste keer dat ik een overval pleegde was in 2010.’
Rechters: ‘Van wie was het wapen?’
Rowan: ‘Van hun.’

Rowan zegt dat zijn motorvrienden niet blij waren met de buit. Maar 390 euro. Daarom moest hij een week later nog een keer. De opdracht was om de kluis leeg te halen bij de Cigo. Hij zegt dat hij die vrouw die hem geen geld wilde geven ontzettend dapper vond. ‘Ik heb een brief geschreven met excuses.’

Tijdens de politieverhoren repte hij met geen woord over outlaws. Waarom toen niet en nu wel? Rowan laat niets meer los. Hij vertelt nog dat leden van de motorclub meegingen en om het hoekje stonden toen hij de overvallen pleegde. Dat moet het zijn. Zegt: ‘Ik zit liever acht jaar vast dan dat ik nog één ding zeg over die club.’

Een van de rechters wil weten of hij die 10.000 euro nu al heeft betaald. Rowan schudt van niet. ‘En ik heb daar behoorlijk last van in de gevangenis want veel van die gasten zitten vast.’ Wat als ze zich straks melden, wat gaat u dan doen? Rowan: ‘Dan ga ik proberen een betalingsregeling te treffen.’

De officier van justitie past de eis aan. Tbs met dwangverpleging is gezien de coöperatieve opstelling van Rowan wellicht een brug te ver. Ook omdat hij Rowan een paar keer heeft horen zeggen dat hij aan alles wil blijven meewerken (alleen niet naar Assen) en dat hij beseft dat dit wel eens zijn allerlaatste kans kan zijn. Daarom mag het een TBS met voorwaarden worden – TBS-light zeg maar. Drank en drugs worden taboe. Dat is de eis. Plus de lange maanden die hij al heeft uitgezeten.

Rechters: ‘Hoe ziet uw leven er over vijf jaar uit?’
Rowan, zonder twijfel: ‘Dan heb ik een vaste baan en ben ik op een normale manier trots op mezelf.’

Dat had een mooie afsluiting kunnen zijn van dit toch treurige verslag, een afsluiting met een sprankje hoop. Alleen is nog niet alles verteld. Rowan zou ‘via listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels’ ook nog eens tientallen mensen via marktplaats.nl voor duizenden euro’s hebben besodemieterd. Punt is dat het onderzoek in deze kwestie nog niet klaar is. Hoewel de oplichterij zich afspeelde in 2015 kan de Rabobank – daar kwam de buit binnen – in verband met iets interns en digitaals vereiste documenten niet scannen en ondanks de vele telefoontjes niet verstrekken aan justitie.

Een mindere afsluiting, maar zo lelijk is het.
Rowan wordt nog een keer vervolgd.

Rob Zijlstra

Hoopvol rekenwerk

Verdachten calculeren. Wat als ik beken? En hoe als ik zeg dat ik het niet heb gedaan? Wat als ik een beetje beken en zeg dat ik de rest ben vergeten? Wat als? Het blijft een gok.

Heeft u geslagen? Jawel edelachtbare. Geschopt? Ook, maar heel zachtjes. Tegen het hoofd? Nooit een keer. Was u dronken? Dat weet ik niet meer.

Er was eens een verdachte die niet kon rekenen en razend enthousiast 300 autokraken bekende. Hij werd door zijn eigen advocaat tot de orde geroepen: ‘Hé gek, dat kan niet eens.’ De raadsman tegen de rechters: ‘Meneer wil ons doen geloven dat hij 300 auto’s heeft opengebroken. In één nacht. Ha ha. Dat is alleen fysiek al onmogelijk.’

Raphael (33) is een man met rechtbankervaring. Hij heeft vooraf uitgerekend welke weg hij het beste kan bewandelen om de schade te beperken. Hij koos de bekende janee-variant.

Ja edelachtbare, het klopt. Die 52,3 gram cocaïne was van hem. Agenten vonden het spul in zijn woning. In het zwarte tasje op het tafeltje in de woonkamer zat 30 gram. De rest zat in zijn broekzak. Zeggen dat je je eigen broekzak niet kent, is niet handig.

Nee edelachtbare, ik ben geen drugsdealer. Die drugs waren voor eigen gebruik. De officier van justitie zegt: ‘Tss… Meneer geniet een uitkering, hij kan zich de luxe van cocaïne à 50 euro per gram niet eens permitteren.’

Het verzamelde bewijs is niet in zijn voordeel. Bedenkelijke WhatsApp-berichten (‘geen idee’), een weegschaaltje om drugs te wegen (‘ik ben kok, ik bak taarten’), in de broekzak ook nog eens 1500 euro cash (‘ik poker, ik win wel eens’). De advocaat noemt het bewijs ‘een creatieve invulling van het strafdossier’.

De criminele inlichtingen eenheid (de afdeling stiekem van de politie) rapporteerde dat de verdachte van zijn drugsgeld huizen koopt op Curaçao. Raphael: ‘Was het maar zo’n feest.’

Wat de officier van justitie betreft hoeft Raphael niet terug naar de gevangenis. Een celstraf van 180 dagen waarvan 110 dagen voorwaardelijk mag volstaan. Het is de eis. Ik denk dat Raphael – hij zat al 70 dagen – niet ontevreden is over zijn calculatie.

Jan (ook 33) heeft een andere rekensom te maken. Al langer dan de helft van zijn leven is hij crimineel actief. Hij wil ook nu best schuldig wezen, daar gaat het hem niet om. De verdenking luidt bedreiging en mishandeling. Klopt dat? Jan, opgewonden: ‘Ja, als je het zo bekijkt wel, maar maar het hele punt is dat ik het er niet mee eens ben.’

In de gevangenis had iemand zijn jas gestolen. Hij had een vermoeden: de achterbakse Raza die iedereen met zijn imposante postuur van 2.12 meter intimideert. Maar hij, Jan van 1.76 meter, is voor de duvel en niemand bang.

Jan praat als een stromende waterkraan: ’En dus toen ging ik naar de fitness, logisch, want als je niet deelneemt aan activiteiten zit je op cel, dat weten jullie rechters net zo goed en ik wilde verhaal halen en dus toen…’

Rechters: ‘U heeft hem toen aangesproken.’
Jan: ‘Ik zei, ik geef je één seconde om mijn jas terug te geven.’
Rechters: ‘U had iets meegenomen.’
Jan: ‘Emoties. Ik dacht, als het eraan toegaat, dan ga ik er ook vol in.’
Rechters: ‘U had een broodmes meegenomen.’
Jan: ‘Ik heb hem niet geraakt. De bewaarders zaten er meteen al tussen.’

De reusachtige Raza komt met de schrik vrij en Jan verdwijnt voor tien dagen in de isoleer. Dat zijn bajeswetten. Na tien lange, eenzame dagen keert hij terug op de afdeling. En uitgerekend wie komt hij als eerste tegen? Jan: ‘Ik ben mijn jas kwijt, ik zat tien dagen in de iso en die gast loopt daar gewoon rond.’

Rechters: ‘En toen?’
Jan: ‘Hij deed neerbuigend.’
Rechters: ‘Wat deed u?’
Jan: ‘Ik heb hem een low kick gegeven’
Rechters: ‘U bent van de categorie eerst doen en dan nadenken hè.’
Jan: ‘Ik heb een indicatie voor impulsiviteit, ik heb snelle gedachtegangen.’

Dit alles speelde zich af in november 2015 in de gevangenis van Leeuwarden. Afgelopen week stond Jan voor de rechter. Klopt het? Daar gaat het niet om, zegt hij.

Het zit zo. Vorig jaar is Jan veroordeeld voor een gewapende overval op de Primera in Almelo. Met een bivakmuts over z’n kop en een balletjespistool in de hand was hij de winkel binnengestormd. De buit: 630 euro.

Hij kreeg niet alleen twaalf maanden gevangenisstraf, maar ook de maatregel tbs. De maat was vol. Hij moet worden behandeld aan zijn ‘eerst-doen-dan-denken-impulsiviteit’.

Nu is er over twee weken plek voor hem in een tbs-kliniek en dan kan worden begonnen met de behandeling die jaren kan duren. En dat is wat Jan graag wil. Behandeld worden als tbs’er. Hij ziet het als een laatste kans en de enige manier om zijn verrotte leven een andere invulling te geven.

Nu is de regel dat wie nog een straf heeft openstaan, niet welkom is in een tbs-kliniek. Daarom is hij het er niet mee eens dat hij nu eerst weer moet worden veroordeeld.

De officier van justitie heeft een ander probleem. In maart 2016 leverde de politie het strafdossier in bij het Openbaar Ministerie. Er was een nieuw digitaal systeem. En toen was er een technische reden waardoor een enorme vertraging is ontstaan. ‘En nu staan we hier, bijna twee jaar na dato en dus veel te laat.’

De advocaat roept: ‘Broddelwerk.’

De officier van justitie roept dat niet, maar denkt dat natuurlijk ook. Zijn voorstel: laten we Jan schuldig verklaren, maar dan doen we geen straf. En als hij 250 euro betaalt aan Raza – de grote man claimt 500 euro – dan zetten we er een dikke punt achter.

De rechters spreken van een buitengewone zaak en besluiten niet de gebruikelijke twee weken te hanteren om uitspraak te doen. Rechters tegen Jan: ’U bent schuldig, u bent strafbaar, maar het is ons een raadsel wat we qua straf nog moeten toevoegen. En u hoeft ook niets te betalen.’

De officier van justitie laat desgevraagd weten dat hij niet in hoger beroep gaat. Dat is mooi, zeggen de rechters. Er is nu geen beletsel voor opname in de tbs. Jan staat op als een tevreden mens, op deze uitkomst had hij wel gehoopt, maar niet gerekend.

Rob Zijlstra

Zombie met mes

De meeste mannen en vrouwen die in de rechtszaal van het strafrecht komen opdraven, doen dat eenmalig. Cijfers heb ik niet, maar het is een feit dat recidivisten – zij die opgroeiden voor galg en rad – behoorlijk in de minderheid zijn. De misdaad kent voortdurend nieuwe gezichten.

Er bestaan ook misdaadplegers die na een lange en intensieve foute carrière met tal van veroordelingen uiteindelijk met succes op het rechte pad terechtkomen. De ex-recidivisten. Een braaf leven bevalt hen, zij die door schade en schande wijs moesten worden, doorgaans goed. Maar garanties biedt dat rechte pad niet.

Johan, een 37-jarige Groninger, heeft alle kronkelpaden belopen en beleefd. Het ging echt fout toen de drugs zijn leven definitief overnamen. Hij veranderde van een levend mens in een meurende zombie. Dat laatste zegt hij zelf. ‘Ik was volledig de weg kwijt en had nog maar één doel: drugs scoren.’

Zombies die geen geld voor drugs hebben gaan aan de wandel.

Het is 26 oktober 2013, nog vroeg in de ochtend. Johan wandelt als een dode man een vestiging van supermarkt Aldi in Groningen binnen. Hij laat zijn mes zien aan de medewerkster die daarop in lijn met de bedrijfsinstructies de lade van de kassa opent die Johan vervolgens zo leeg mogelijk graait. Met het geroofde geld rent hij regelrecht naar zijn dealer.

De tatoeages waren opgevallen en zijn zwarte jas wordt later in de buurt onder een geparkeerde auto gevonden. Johan verdwijnt spoorloos in de goot. De overval op de Aldi belandt in het bakje ‘niet opgelost’.

Schermafbeelding 2018-01-12 om 15.48.55

Het wordt 647 dagen later 4 augustus 2015. Even na half acht in de avond wordt in Groningen een 18-jarige koerier van Domino’s Pizza overvallen. Het was, hoe sneu, zijn laatste werkdag als bezorger. De dader gaat er op de brommer van het slachtoffer en met diens telefoon en portemonnee vandoor. Ditmaal blijft hij niet spoorloos. Johan – want hij is de dader – wordt gepakt en in november 2016 veroordeeld tot een werkstraf van 120 uur en vijf maanden voorwaardelijke celstraf.

Vanwege de overval op de pizzakoerier moet Johan wangslijm afstaan opdat zijn dna-profiel kan worden opgeslagen in de dna-databank. Nieuwe profielen worden – als de dna-bankiers tijd hebben – vergeleken met gegevens die al in de databank zitten.

En het is raak. Begin 2017 rinkelt de bel. Er is een match. Het dna-profiel van Johan komt overeen met het dna-materiaal dat destijds is ‘veiliggesteld’ (politiejargon) op de kraag van de zwarte jas die onder een geparkeerde auto in de buurt van de Aldi was gevonden, een jas die nogal leek op de jas die de overvaller met opvallende tatoeages op die nare vroege ochtend droeg.

Johan wordt in mei 2017 aangehouden. Eerst ontkent hij, maar als hij inziet hoe kansrijk dat is, besluit hij het hoofd te buigen: hij bekent de overval op de Aldi. En nu zit Johan in zittingszaal 14. Zonder advocaat, want die heeft geen tijd voor hem, zei hij.

Rechters: ‘Hmm. En u wilt wel een advocaat?’
Johan wikt wat, weegt wat: ‘Ik weet niet of dat in mijn voordeel is of in mijn nadeel.’
Rechters: ‘Ach. U heeft bij de politie bekend. Staat u nog steeds achter die verklaring?’
Johan zegt van ja. Zegt dat hij dat domme feit heeft gepleegd. Als je in het gootje ligt, drugs nodig hebt en geen geld, dan ga je gekke dingen doen.’
Rechters: ‘Wat weet u nog van die dag?’
Johan: ‘Geen details. Ik zal wel wat hebben geroepen. Als je een overval pleegt hou je je niet stil.’

De rechters zeggen dat ze in het dossier hebben gelezen dat het nu goed met hem gaat. Johan glimt. Hoe zal hij het zeggen? Hij zegt:‘Ik ben nog nooit zo gelukkig geweest als nu.’

Rechters: ‘U heeft uw leven een positieve wending gegeven.’
Johan: ‘Ja.’
Rechters: ‘En de oude vrienden?’
Johan: ‘Niks meer. Mijn vrouw is nu mijn beste vriend. En ik heb mijn kinderen. Verder heb ik niemand nodig.’

Hij drinkt niet meer en ook de cocaïne laat hem met rust en andersom. Hij is zombie-af. En hoe. Onlangs getrouwd, rijbewijs gehaald en vader geworden, voor de zesde keer. Daarnaast is hij druk bezig een eigen bedrijf op te zetten. Dat lukt goed, zo goed dat hij met gemak zes dagen kan vullen met werk. De sociale dienst helpt hem nog een beetje, maar het is de bedoeling dat hij binnenkort op eigen benen staat.

Schermafbeelding 2018-01-12 om 15.50.43

Het is een lastige keuze waar de officier van justitie voor staat. Hij moet namens de roerige samenleving wraak nemen. De misse daad bij de Aldi moet worden vergolden omdat het recht moet zegevieren. Tegen Johan zegt de officier van justitie: ‘U mag dan in die tijd een zombie zijn geweest, die caissière was geen zombie. U zult moeten boeten voor dit feit.’

Johan knikt en mompelt: ‘Ja, natuurlijk.’

De aanklager vervolgt: ‘De richtlijnen die wij hanteren bij het bepalen van de strafeisen schrijven voor dat iemand met recidive voor een overval als deze een gevangenisstraf van twee jaar zou moeten krijgen.’

Johan zegt nu even niks.

De officier van justitie moet ook rekening houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, met zijn huidige leven vol zorg en arbeid. Het recht wil niet dat gebeurtenissen uit het verleden een garantie zijn voor een vergalde toekomst.

Het kan op zo’n moment in het strafproces alle kanten op. Er is geen slachtoffer in de zaal met een akelig verhaal en een schadeclaim. Misschien scheelt dat. Johan is er wel, hij had ook weg kunnen blijven. Ook dat scheelt. De officier van justitie zegt tegen hem: ‘Dat u bent gekomen laat zien dat u verantwoordelijkheid neemt. Dat waardeer ik.’

Schermafbeelding 2018-01-12 om 15.52.20

Het is duidelijk. De officier van justitie mept Johan niet van het rechte pad af met een gevangenisstraf. Het is beter voor iedereen dat Johan blijft staan: hij mag (eis) boeten met een werkstraf van 180 uur. En om duidelijk te maken dat het wel degelijk ernst is met een jaar voorwaardelijke celstraf als stok achter de deur erbij.

Rechters: ’Een eigen bedrijf, zo veel kinderen. En dan een werkstraf. Zou dat lukken?’
Johan: ‘Het moet dan in de avonduren. En op zondagen. Dan lukt het wel.’
Rechters: ‘Mooi. We zullen er over nadenken.’

Rob Zijlstra

update – 25 januari 2018 – uitspraak
De uitspraak kwam niet als een verrassing: een werkstraf van 180 uur met als stok achter de deur een jaar celstraf (die dus voorwaardelijk is opgelegd). De rechters volgen dus de officier van justitie in de eis.

het vonnis (zodra gepubliceerd)